← België

Arrest 264346 - Examens (onderwijs) - 26/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 Rolnummer: A. 245910/IX-10744 Zaak: Arrest 264346 - Examens (onderwijs) - 26/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-29 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.346 van 26 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 no lien 285369 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.346 van 26 september 2025 in de zaak A. 245.910/IX-10.744 In zake: M.I. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Descheemaeker kantoor houdend te 8800 Roeselare Izegemsestraat 1a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 26 Kortrijk xplora, voorheen Mandel en Leie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolaas Vinckier kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 26 Kortrijk xplora van het Gemeenschapsonderwijs van 28 augustus 2025 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 19 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10744-1/16 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Michiel Descheemaeker, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Nicolaas Vinckier, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2024-2025 leerling in het derde jaar van de derde graad ‘Publiciteit en illustratie’ (beroepssecundair onderwijs) in het MSKA Roeselare, onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar toont het jaarrapport van verzoeker twee jaartekorten: stage (48,8%) en publiciteitstekenen PV/TV (34,7%). De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. Overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad, die op 3 juli 2025 beslist om het C-attest te behouden. IX-10744-2/16 3.
  5. Daarop stelt verzoeker op 8 juli 2025 een beroep in bij het schoolbestuur: “Tevens wordt voorbehoud gemaakt om ons standpunt nader uiteen te zetten, zowel schriftelijk als mondeling en dit in het bijzonder omwille van de documenten die opgevraagd werden bij de school, maar nog niet ontvangen werden (stuk 1). Uit het overleg met de directeur, waarbij gevraagd werd om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, bleek dat deze documenten cruciaal waren voor de delibererende klassenraad om tot hun beslissing te komen. Om deze op afdoende wijze te kunnen betrekken en te weerleggen, is het uiteraard noodzakelijk deze documenten in handen te hebben, wat vooralsnog niet het geval is. Toen er tijdens de hoorzitting gevraagd werd om een kopie te mogen ontvangen van deze documenten, werd dit geweigerd. Toen er gevraagd werd om inzage te krijgen, werd dit evenzeer geweigerd. Pas toen er aangedrongen werd om een verslag op te stellen waarin het bestaan van deze documenten opgenomen werd, werd de zitting onderbroken door de directeur om hun juridisch adviseur hieromtrent te bevragen. Die bevestigde dat er wel degelijk inzage verleend diende te worden, maar er geen kopie diende afgeleverd te worden. Het summier verslag van deze hoorzitting wordt als stuk gevoegd (stuk 2). [Verzoeker] kreeg het oriënteringsattest C omwille van een tekort voor zijn stage en voor het vak publiciteitstekenen. De scores die hij haalde voor zijn stage, werden naar beneden gehaald door op een bepaald moment een 0-score te krijgen en een deel van de stage die niet volledig uitgeoefend kon worden door ziekte. Zo werd door de school de stageplek (die nochtans door de school zelf goedgekeurd diende te worden) op een bepaald moment als bedrieglijk omschreven. Dit wordt formeel tegengesproken. Daarenboven werd tevens een ondertekende verklaring gevoegd van de eigenaar van het bedrijf alwaar stage gelopen werd, die de beslissing van de school tegenspreekt. Dit stuk werd tijdens de hoorzitting neergelegd (stuk 3). Dit betreft het stagemoment bij [C.]. Verder werd voor het eerste stagemoment bij [G.] tevens een onvoldoende gegeven. Uit de oplijsting van zaken die [verzoeker] aldaar diende uit te voeren, kan niet ingezien worden hoe dit voldoet aan de leerlingenstageovereenkomst en de elementen die daarin opgenomen werden. De laatste stageperiode die door [verzoeker] werd uitgevoerd bij [S.] toont aan dat hij wel degelijk voldoet aan de leerplandoelstellingen. Hij behaalde – en dit in samenspraak met de school – een score van maar liefst 90%. IX-10744-3/16 Er kan niet ingezien worden hoe een school tegelijk kan beweren dat de leerplandoelstellingen op het vlak van stage niet behaald worden, als er tegelijk voor het laatste stagemoment een score gegeven wordt van 90%. Voor het vak publiciteitstekenen haalde [verzoeker] evenzeer een tekort. Er wordt niet ontkend dat [verzoeker] soms te laat of geen taak heeft ingediend. Evenwel dient tegelijk vastgesteld te worden dat met een enorme vlotheid punten afgetrokken worden of [verzoeker] gewoon een 0-score krijgt. Exemplarisch kan verwezen worden naar het zogenaamd niet mee hebben van een tijdschrift, terwijl dit wel degelijk het geval was. [Verzoeker] had namelijk een Humo mee, terwijl de leraar in kwestie meer een Dag Allemaal voor ogen had. Een en ander kadert uiteraard in de grafische afbeeldingen en collages die hierin opgenomen zijn. Evenwel kan niet ontkend worden dat een 0-score niet ernstig is. Ook werden er verschillende taken ingediend waar [verzoeker] een onvoldoende kreeg, terwijl geenszins ontkend kan worden dat er resultaten voorgelegd worden waaruit blijkt dat [verzoeker] minstens aantoont dat hij meer dan de basistechnieken onder de knie heeft. Uit de beslissing van de klassenraad kan niet afgeleid worden op welk vlak bepaalde leerplandoelstellingen niet behaald zouden geweest zijn. Een en ander zal uiteraard verder geduid en aangetoond worden, eens de voormelde documenten bekomen zijn. Tot slot dient er in deze nog benadrukt te worden dat de richting komend schooljaar niet langer aangeboden wordt. Dit brengt met zich mee dat de impact van de beslissing des te groter is en met de nodige verstrengde motivering geven zou moeten geweest zijn. Zoals later uitvoeriger aangetoond zal worden, heeft [verzoeker] wel degelijk de nodige leerplandoelstellingen behaald en verzoeken wij uw beroepscommissie dan ook om een A-attest af te leveren.” 3.
  6. Aan verzoeker wordt meegedeeld dat de hoorzitting van de beroepscommissie zal plaatsvinden op 28 augustus
  7. Verzoeker vraagt om de samenstelling van de beroepscommissie mee te delen en om kopie van de stukken toe te zenden die hij reeds op 7 juli 2025 heeft gevraagd. Op 21 augustus 2025 ontvangt verzoeker de gevraagde stukken. Op de zitting van de beroepscommissie legt verzoeker nog een bijkomend stuk neer met kritiek op de quotering voor het vak projecttekenen. 3.
  8. De beroepscommissie beslist vervolgens op 28 augustus 2025 om het C-attest te behouden. De motivering van deze beslissing luidt: IX-10744-4/16 “De tegenpartij toonde onvoldoende aan dat er redenen zijn om de deskundigheid van de klassenraad in twijfel te trekken. Er werden voldoende en transparante evaluaties afgenomen doorheen het schooljaar. De leerling kreeg voldoende feedback. De leerling werd ook op gepaste tijdstippen gewaarschuwd over het feit dat zijn slaagkansen in gevaar kwamen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
  9. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat de vordering niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift geen “concreet verzoek tot schorsing van tenuitvoerlegging en/of het bevelen van maatregelen” bevat, zodat verzoeker niet aangeeft welke vordering ontvankelijk en gegrond moet worden verklaard. Beoordeling
  10. Het verzoekschrift vermeldt onder het opschrift ‘bestreden beslissing’ “de beslissing van 28 augustus 2025 van de interne beroepscommissie waarbij verzoekende partij een C-attest krijgt”. Onder randnummer 15 van het verzoekschrift verwijst verzoeker naar de beslissing “van de interne beroepscommissie gedateerd op 28 augustus 2025”, waarvan hij de inhoud ook aanhaalt. “Het is tegen deze beslissing”, zo herhaalt verzoeker vervolgens, dat hij “een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient”.
  11. De verwerende partij kan in die omstandigheden niet met enige ernst beweren dat niet duidelijk zou zijn welke beslissing het voorwerp van de vordering uitmaakt. Dat zij integendeel maar al te goed weet waarover het gaat, blijkt uit haar nota met opmerkingen waarin zij inhoudelijk verweer voert en in ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 IX-10744-5/16 repliek op het enige middel stelt: “De beroepscommissie baseerde de bestreden beslissing op […].” Het loutere feit dat verzoeker in het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift de bestreden beslissing niet nogmaals bij naam noemt, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
  12. De exceptie wordt verworpen. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Spoedeisendheid bij uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  14. De verwerende partij doet gelden dat het verzoekschrift geen uiteenzetting over de spoedeisendheid bevat. Zij leest wel onder het opschrift ‘omtrent de uiterst dringende noodzakelijkheid’ dat er volgens verzoeker sprake is van spoedeisendheid, maar daarbij wordt geen enkel eigen aan de zaak, specifiek gegeven bijgebracht dat in concreto de spoedeisendheid van de zaak aantoont. Verzoekers uiteenzetting over zijn diligent optreden en zijn belang kan daaraan niet verhelpen, aldus nog de verwerende partij. IX-10744-6/16
  15. Ter terechtzitting betoogt verzoeker dat het schorsingsverzoek is gericht tegen een C-attest en dat hij een schooljaar dreigt te verliezen. Beoordeling
  16. Naar luid van artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De Raad van State kan alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift in dit verband wordt uiteengezet en gestaafd. Uit wat voorafgaat, volgt dat een verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete gegevens moet aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen én dat zij als verzoekende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde hoogdringendheid inderdaad verantwoorden. De urgentie van de zaak wordt immers niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
  17. Verzoeker zet onder het kopje ‘omtrent de uiterst dringende noodzakelijkheid’ uiteen dat hij met de vereiste diligentie in rechte is getreden en dat hij een moreel belang heeft bij het aanvechten van een C-attest. IX-10744-7/16 De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is evenwel te onderscheiden van het rechtens vereiste belang en van de diligentie waarmee een verzoekende partij, in het bijzonder in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, moet handelen. Verzoeker laat na om op enige wijze in concreto aan te tonen dat de schorsing van de bestreden beslissing, indien ze zou worden behandeld aan de hand van een gewone schorsingsprocedure, onherroepelijk te laat zou komen om het door hem gevreesde nadeel op te vangen. Meer bepaald omschrijft verzoeker dat nadeel op geen enkele wijze. De drempel om de Raad van State in geschillen met betrekking tot deliberaties in het leerplichtonderwijs te overtuigen van een uiterst dringende noodzakelijkheid ligt nochtans niet hoog. In tal van arresten immers, heeft de Raad reeds overwogen dat het dreigend verlies van een schooljaar in beginsel wordt erkend als het nadeel dat, inderdaad, bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Vereist lijkt dan wel dat een verzoekende partij mínstens dat dreigend verlies van een schooljaar ter verantwoording van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid doet gelden. Zelfs dat doet verzoeker te dezen niet. Voor zover verzoeker op de terechtzitting aanvoert dat hij een schooljaar dreigt te verliezen, moet erop worden gewezen dat de Raad van State, zoals sub 11 reeds in herinnering is gebracht, enkel rekening kan houden met wat in het verzoekschrift is uiteengezet. In die omstandigheden kan de Raad van State de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet vervuld achten.
  18. Ten overvloede zij eraan herinnerd dat het onderzoek naar de ernst van de middelen en het onderzoek naar het bestaan van de spoedeisendheid ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 IX-10744-8/16 (en de uiterst dringende noodzakelijkheid) duidelijk onderscheiden schorsingsvoorwaarden zijn die los van elkaar moeten worden onderzocht. De onwettigheden die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd, kunnen op zich geen reden zijn om de thans besproken schorsingsvoorwaarde vervuld te achten.
  19. Er is niet voldaan aan de voorwaarde inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid. VII. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  20. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “het motiveringsbeginsel” en het zorgvuldigheidsbeginsel, iuncto “artikel 60 Organisatiebesluit”. Wat de motivering van de bestreden beslissing betreft, doet verzoeker in essentie gelden dat de beroepscommissie niet heeft geantwoord op de grieven die in het intern beroep werden uiteengezet.
  21. De verwerende partij betoogt dat waar verzoeker zich inzake de motivering beroept op een beginsel, het enkel kan gaan om de materiëlemotiveringsplicht. Voor zover verzoeker in de uiteenzetting van het middel vervolgens verwijst naar een gebrek aan antwoord door de beroepscommissie, doelt hij dan weer op de formelemotiveringsplicht, waarvan hij evenwel de schending niet aanvoert. Beoordeling
  22. Verzoeker doet onder meer gelden dat hij “[o]p geen enkel moment […] enige motivering [mocht] ontvangen hieromtrent”, hij geeft aan dat hij zich ervan bewust is dat de beroepscommissie niet moet reageren op alle ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 IX-10744-9/16 grieven, maar “wél op de elementen die als schragend naar voor gebracht worden in het beroepschrift én die cruciaal zijn voor de beoordeling” en hij stipt aan dat er “met geen woord [wordt] gerept in de beslissing van de interne beroepscommissie hieromtrent”. Het doet verzoeker besluiten dat “[u]it de bestreden beslissing [niet] kan […] gehaald worden op welke wijze de grieven van verzoekende partij betrokken werden in de beoordeling en ontmoet werden, laat staan afdoende en gemotiveerd beantwoord werden”. Zelfs wanneer in de aanhef van het middel niet naar de formelemotiveringsplicht wordt verwezen, moet het voor eenieder, en dus ook voor de verwerende partij, duidelijk zijn dat verzoeker met de hiervóór aangehaalde kritiek wel degelijk op dat voorschrift doelt. De Raad van State begrijpt het middel dan ook in die zin.
  23. Een beroepscommissie is, zoals verzoeker terecht aangeeft, niet verplicht om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren. Het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereist wel dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. De beroepscommissie vormt zich als beroepsorgaan een eigen oordeel. Het resultaat daarvan, zo zij de grieven van de leerling niet inwilligt, dient niet beperkt te zijn tot het bevestigen van de oorspronkelijke argumenten van de klassenraad. Zij vermag ook die argumenten bij te stellen, aan te passen, te verduidelijken, uit te breiden of te vervangen. Veeleer dan het te verbieden, verplicht dan de formelemotiveringsplicht ertoe om die motieven te veruitwendigen in de definitieve beslissing. Dat betekent vooreerst, inhoudelijk, dat een louter bijvallen van de motivering van de beroepen beslissing van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 IX-10744-10/16 klassenraad niet volstaat, als het precies die motivering is die in beroep wordt betwist. Het betekent daarnaast, vormelijk, dat de beroepscommissie zich in haar motivering niet mag beperken tot zuivere stijlformules en dat zij haar motieven in haar eigen beslissing moet veruitwendigen.
  24. Met motieven die de verwerende partij geeft in haar nota met opmerkingen mag de Raad van State geen rekening houden, in zoverre ze niet ook terug te vinden zijn in de bestreden beslissing. Die motieven kunnen immers niet worden toegeschreven aan de beroepscommissie zelf én ze lijken, uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, laattijdig. 20.
  25. Het beroepschrift van verzoeker luidt onder meer als volgt: “[Verzoeker] kreeg het oriënteringsattest C omwille van een tekort voor zijn stage en voor het vak publiciteitstekenen. De scores die hij haalde voor zijn stage, werden naar beneden gehaald door op een bepaald moment een 0-score te krijgen en een deel van de stage die niet volledig uitgeoefend kon worden door ziekte. Zo werd door de school de stageplek (die nochtans door de school zelf goedgekeurd diende te worden) op een bepaald moment als bedrieglijk omschreven. Dit wordt formeel tegengesproken. Daarenboven werd tevens een ondertekende verklaring gevoegd van de eigenaar van het bedrijf alwaar stage gelopen werd, die de beslissing van de school tegenspreekt. Dit stuk werd tijdens de hoorzitting neergelegd (stuk 3). Dit betreft het stagemoment bij [C.]. Verder werd voor het eerste stagemoment bij [G.] tevens een onvoldoende gegeven. Uit de oplijsting van zaken die [verzoeker] aldaar diende uit te voeren, kan niet ingezien worden hoe dit voldoet aan de leerlingenstageovereenkomst en de elementen die daarin opgenomen werden. De laatste stageperiode die door [verzoeker] werd uitgevoerd bij [S.] toont aan dat hij wel degelijk voldoet aan de leerplandoelstellingen. [Verzoeker] behaalde – en dit in samenspraak met de school – een score van maar liefst 90%. Er kan niet ingezien worden hoe een school tegelijk kan beweren dat de leerplandoelstellingen op het vlak van stage niet behaald worden, als er tegelijk voor het laatste stagemoment een score gegeven wordt van 90%. Voor het vak publiciteitstekenen haalde [verzoeker] evenzeer een tekort. Er wordt niet ontkend dat [verzoeker] soms te laat of geen taak heeft ingediend. IX-10744-11/16 Evenwel dient tegelijk vastgesteld te worden dat met een enorme vlotheid punten afgetrokken worden of [verzoeker] gewoon een 0-score krijgt. Exemplarisch kan verwezen worden naar het zogenaamd niet mee hebben van een tijdschrift, terwijl dit wel degelijk het geval was. [Verzoeker] had namelijk een Humo mee, terwijl de leraar in kwestie meer een Dag Allemaal voor ogen had. Een en ander kadert uiteraard in de grafische afbeeldingen en collages die hierin opgenomen zijn. Evenwel kan niet ontkend worden dat een 0-score niet ernstig is. Ook werden er verschillende taken ingediend waar [verzoeker] een onvoldoende kreeg, terwijl geenszins ontkend kan worden dat er resultaten voorgelegd worden waaruit blijkt dat [verzoeker] minstens aantoont dat hij meer dan de basistechnieken onder de knie heeft. Uit de beslissing van de klassenraad kan niet afgeleid worden op welk vlak bepaalde leerplandoelstellingen niet behaald zouden geweest zijn. Een en ander zal uiteraard verder geduid en aangetoond worden, eens de voormelde documenten bekomen zijn. Tot slot dient er in deze nog benadrukt te worden dat de richting komend schooljaar niet langer aangeboden wordt. Dit brengt met zich mee dat de impact van de beslissing des te groter is en met de nodige verstrengde motivering geven zou moeten geweest zijn. Zoals later uitvoeriger aangetoond zal worden, heeft [verzoeker] wel degelijk de nodige leerplandoelstellingen behaald en verzoeken wij uw beroepscommissie dan ook om een A-attest af te leveren.” 20.
  26. Voor de goede orde worden de motieven in de bestreden beslissing nogmaals in herinnering gebracht: “De tegenpartij toonde onvoldoende aan dat er redenen zijn om de deskundigheid van de klassenraad in twijfel te trekken. Er werden voldoende en transparante evaluaties afgenomen doorheen het schooljaar. De leerling kreeg voldoende feedback. De leerling werd ook op gepaste tijdstippen gewaarschuwd over het feit dat zijn slaagkansen in gevaar kwamen. De beroepscommissie bevestigt derhalve de beslissing van de klassenraad om een C-attest toe te kennen.” 21.
  27. Daargelaten dat het bevreemdend overkomt dat de beroepscommissie de leerling als een “tegenpartij” bestempelt, besluit de Raad van State uit wat voorafgaat voorshands wat volgt. 21.
  28. Met het motief dat de beroepscommissie de beslissing van de klassenraad om een C-attest toe te kennen, bevestigt, sluit deze zich prima facie aan bij het oordeel van de klassenraad dat verzoeker het schooljaar niet met vrucht ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 IX-10744-12/16 heeft beëindigd. De beroepscommissie lijkt evenwel ervoor te hebben gekozen om de motieven van de klassenraad niet uitdrukkelijk te hernemen, noch zich deze, door verwijzing, uitdrukkelijk eigen te maken. Dit doet in de huidige stand van de rechtspleging besluiten dat voor de beoordeling van de naleving van de formelemotiveringsplicht enkel rekening kan worden gehouden met wat de beroepscommissie zelf heeft uitgeschreven. 21.
  29. In zijn beroepschrift heeft verzoeker aan de hand van concrete grieven uiteengezet waarom hij meent dat voor de vakken stage en publiciteitstekenen de tekorten niet in verhouding staan tot de inspanningen die hij doorheen het jaar heeft geleverd of de omstandigheden waarin de stage heeft plaatsgevonden. Tevens haalt verzoeker aan dat hij meent wel te hebben voldaan aan de leerplandoelstellingen voor de stage, gelet op de resultaten die hij heeft neergezet naar aanleiding van de laatste stageperiode. Voor het vak publiciteitstekenen geeft verzoeker dan weer aan dat het voor hem niet duidelijk is welke leerplandoelstellingen hij niet heeft behaald. 21.
  30. Het antwoord van de beroepscommissie in de bestreden beslissing moet op het eerste gezicht worden beschouwd als een zuivere stijlformule, die niet is toegespitst op de grieven van verzoeker in diens beroepschrift. Een daadwerkelijk antwoord op de concrete argumenten die verzoeker heeft aangehaald in zijn beroepschrift, is achterwege gebleven. Het motief dat verzoeker “onvoldoende [aantoonde] dat er redenen zijn om de deskundigheid van de klassenraad in twijfel te trekken”, kan dat motiveringsgebrek niet verhelpen. In de hypothese dat de beroepscommissie daarmee wil aangeven dat verzoeker nalaat om te doen twijfelen aan het oordeel van de klassenraad dat hij het schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd, gaat de beroepscommissie op het eerste gezicht voorbij aan haar eigen bevoegdheden. De beroepscommissie beschikt, vanwege de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep, immers over een volle hervormingsbevoegdheid. De beroepscommissie kan en is ertoe gehouden om dan ook een eigen beoordeling te maken op basis van het dossier van verzoeker. IX-10744-13/16 In de hypothese dat de beroepscommissie met het voormelde motief wenst te duiden dat ze meent dat de door verzoeker opgetekende resultaten doorheen het jaar deskundig zijn toegekend, is het evenmin draagkrachtig. In dat opzicht valt op het eerste gezicht in de bestreden beslissing niet te lezen waarom de beroepscommissie meent dat verzoeker de leerplandoelstellingen voor het betrokken schooljaar niet heeft behaald. Zoals hiervoor aangehaald, betoogt verzoeker dat hij – mede in acht genomen de resultaten voor de laatste stageperiode – althans minstens voor de stage de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. De motieven in de bestreden beslissing dat “voldoende en transparante evaluaties [werden] afgenomen doorheen het schooljaar”, verzoeker “voldoende feedback” kreeg, en “op gepaste tijdstippen [werd] gewaarschuwd over het feit dat zijn slaagkansen in gevaar kwamen”, bieden evenmin een draagkrachtige motivering voor de bestreden beslissing in het licht van het beroepschrift. In dat beroepschrift argumenteert verzoeker op het eerste gezicht niet dat de afgenomen evaluaties onvoldoende of niet transparant zouden zijn. Hij meent daarentegen dat de opgetekende resultaten niet in verhouding staan tot zijn inspanningen of geen rekening houden met concrete omstandigheden. Evenmin beklaagt verzoeker zich in zijn beroepschrift over een gebrek aan feedback. Waar de beroepscommissie ten slotte aangeeft dat verzoeker doorheen het jaar waarschuwingen heeft ontvangen, valt prima facie niet in te zien hoe dit de beroepscommissie zou kunnen ontslaan van de verplichting om de grieven van verzoeker in de beroepsprocedure uitdrukkelijk te beantwoorden. Hoewel de beroepscommissie op het eerste gezicht een dergelijk element kan betrekken bij de concrete leerlingenevaluatie, ontneemt die omstandigheid aan verzoeker niet de mogelijkheid om aan het einde van het schooljaar te bepleiten dat hij alsnog in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor dat schooljaar zou hebben behaald.
  31. Het enige middel is in de aangegeven mate ernstig. IX-10744-14/16 Hiermee wil niet gezegd zijn dat de argumenten van verzoeker in diens beroepschrift tot een welbepaalde deliberatiebeslissing moeten leiden, maar wel dat de grieven van verzoeker niet zonder meer onbesproken lijken te kunnen blijven. VIII. Conclusie
  32. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX. Kosten
  33. De verwerende partij verzoekt de Raad om een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro ten laste van verzoeker te leggen.
  34. Vermits aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging werd verleend, wordt overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het minimumbedrag. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt de vordering.
  36. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10744-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10744-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.