id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.353 Rolnummer: A. 239676/VII-42144 Zaak: Arrest 264353 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.353 van 29 september 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.353 van 29 september 2025 in de zaak A. 239.676/VII-42.144 In zake : de NV GUILLIAMS GREEN POWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Van Lommel kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36/9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0973 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 juni 2023 in de zaak 2122-RvVb-0880-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 september
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.144-1/13 Auditeur Benny De Sutter heeft op 23 januari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Van Lommel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleent op 28 oktober 2021 een omgevingsvergunning aan de verzoekende partij voor de uitbreiding, de regularisatie van een uitbreiding, en de verandering van de exploitatie van een co-vergistingsinstallatie te Boutersem. Derden tekenen tegen die vergunningsbeslissing bestuurlijke beroepen aan. 3.
- Met een besluit van 1 juni 2022 verklaart de verwerende partij de beroepen deels gegrond. Ze weigert de omgevingsvergunning voor de bouw van VII-42.144-2/13 vier nieuwe silo’s en voor de regularisatie van bestaande en de aanleg van nieuwe betonverhardingen. De omgevingsvergunning wordt onder voorwaarden verleend voor de regularisatie van de bestaande berging en loods, voor het verhogen van een overdekte sleufsilo en voor de verandering van de exploitatie van de co- vergistingsinstallatie. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het vernietigingsberoep dat de verzoekende partij heeft ingesteld tegen het besluit van 1 juni
- IV. Onderzoek van de cassatiemiddelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in het eerste cassatiemiddel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 32, tweede lid, en 35, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) en de artikelen 1.1.4, 4.3.1, § 1, 1°, b) en 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) dat een onderzoek van het eerste annulatiemiddel dat de verzoekende partij had opgeworpen, niet vereist is, en formuleert hiertegen volgende grieven: “[…] Verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift tot nietigverklaring voor de RvVb in het eerste middel beargumenteerd dat de Minister in het bestreden besluit op onterechte wijze is over gegaan tot weigering van de vergunning wat betreft de oprichting van vier nieuwe silo’s en betonverharding, evenals de regularisatie van een deeltje van de bestaande betonverharding. VII-42.144-3/13 Deze constructies werden door de Minister geweigerd omwille van een voorgehouden onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening (art. 4.3.1, §2 VCRO). De Minister wijkt hiermee af van het omstandig gemotiveerd gunstig advies van de GOVC van 30 april
- […] Verzoekende partij heeft in haar eerste middel van haar verzoekschrift tot nietigverklaring bij de RvVb op bijzonder omstandige wijze uiteengezet waarom het bestreden besluit hierdoor art. 4.3.1, §1, 1°, b) VCRO, art. 4.3.1, §2 VCRO, Art. 2 en 3 Formele Motiveringswet, evenals het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt. […] De [RvVb] oordeelt in het arrest echter dat een onderzoek van het eerste middel niet vereist is en dit gelet op de voorafgaande ongegrondverklaring van het tweede middel. De [RvVb] stelt dit als volgt : “Een onderzoek van dit eerste middel is niet vereist, aangezien uit de beoordeling van het tweede middel blijkt
(1)dat de bestreden beslissing gestoeld is op het draagkrachtig motief dat het aangevraagde zonder vergunningsvoorwaarde in zijn geheel onverenigbaar is met de (para-)agrarische bestemming en
(2)dat de verwerende [lees : verzoekende] partij de doorslaggevende motieven niet aanvecht die - zonder de vergunningsvoorwaarde- aanleiding geven tot de weigering van de aanvraag. De gebeurlijke onwettigheid van de overige motieven, die in dat opzicht een overtollig karakter hebben, heeft niet tot het gevolg dat de beslissing moet worden vernietigd.” […] De [RvVb] kan echter niet worden gevolgd op dit punt en dit aangezien het eerste middel zoals gesteld is gericht tegen de weigering van de (stedenbouwkundige) vergunning voor de oprichting van vier nieuwe silo’s en betonverharding, evenals de regularisatie van een deeltje van de bestaande betonverharding. Dit deel van de vergunningsaanvraag werd geweigerd omdat de Minister de mening was toegedaan dat de bijkomende toevoeging van deze constructies en verhardingen aan de site van [de verzoekende partij], de quasi-industriële aanblik van het bedrijf zou versterken waardoor dit onaanvaardbaar zou worden in de omgeving. De motieven zijn duidelijk gekoppeld aan de verenigbaarheid van de aanvraag zoals omschreven in art. 4.3.1, §1, 1°,
- b)VCRO en art. 4.3.1, §2 VCRO […]. […] De Minister heeft in diezelfde beslissing weliswaar als vergunningsvoorwaarde opgelegd dat de extern te verwerken mest en energiegewassen afkomstig dienen te zijn van landbouwbedrijven gelegen binnen een straal van 20 kilometer rond het bedrijf, en dit ter vrijwaring van het agrarisch karakter van de activiteiten van [de verzoekende partij] en de bestaanbaarheid van de aanvraag cfr. art. 4.3.1 […]. De Minister motiveerde dat zij door het opleggen van deze voorwaarde de bestaanbaarheid van het bedrijf met de gewestplanbestemming wilde verankeren, en dus wenste te garanderen dat er sprake is van een agrarisch bedrijf. VII-42.144-4/13 […] Vermelde vergunningsvoorwaarde staat bijgevolg volledig los van het weigeringsmotief van de (stedenbouwkundige) vergunning voor de aangehaalde constructies. Bijgevolg staat het tweede middel dat gericht is tegen de (onterecht) opgelegde vergunningsvoorwaarde (bestaanbaarheid), volledig los van het eerste middel dat is gericht tegen de (onterechte) weigering van de vergunning omwille van de voorgehouden onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. […] De [RvVb] kon dus niet volstaan door te stellen dat de bestreden beslissing gestoeld is op een draagkrachtig motief dat het aangevraagde zonder vergunningsvoorwaarde in zijn geheel onverenigbaar is met de agrarische bestemming. De agrarische bestemming of de vergunningsvoorwaarde vormden [immers] geenszins het weigeringsmotief voor de stedenbouwkundige handelingen. […] De [RvVb] kan ook niet worden gevolgd waar deze stelt dat verwerende partij (dit moet waarschijnlijk verzoekende partij zijn) de doorslaggevende motieven niet aanvecht die zonder vergunningsvoorwaarde aanleiding geven tot weigering van de aanvraag. De vergunningsvoorwaarde(
- n)zijn [immers] niet relevant bij de weigering van de stedenbouwkundige handelingen. […] Gelet op het gegeven dat de motivering van de weigering van de stedenbouwkundige handelingen op zichzelf staat, los van de discussie omtrent de bestaanbaarheid, is er geenszins sprake van een zogenaamd overtollig motief, en diende de [RvVb] wel degelijk over te gaan tot de behandeling ten gronde van het eerste middel. […] Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het arrest art. 149 van de Grondwet schendt door op tegenstrijdige wijze te motiveren en de behandeling van het eerste middel te koppelen aan de verwerping van het tweede middel. […] Het arrest schendt hiermee tevens art.32, 2de lid [DBRC] doordat het arrest niet met afdoende, en niet tegenstrijdige redenen wordt omkleed. […] Tevens is er sprake van een schending van art. 35 [DBRC] aangezien het eerste middel niet afdoende wordt onderzocht.” 5. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij hieraan nog toe dat de minister de stedenbouwkundige vergunning voor de vier silo’s, de nieuwe betonverharding en regularisatie van de betonverharding weigerde omwille van de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. Het opleggen van de vergunningsvoorwaarde om de mest en energiegewassen te beperken tot een afstand van 20 km staat hiervan volledig los, en kan dus niet als motivering worden aangegrepen. Dit is volgens de verzoekende partij ook evident VII-42.144-5/13 aangezien het opleggen van een vergunningsvoorwaarde net tot doel heeft om het aangevraagde voor vergunning in aanmerking te laten komen. Beoordeling 6. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 1.1.4 VCRO. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 7. Artikel 35, tweede lid, DBRC bepaalt dat het bestuursrechtscollege alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur, beslecht. Het bestreden arrest stelt vast dat uit de beoordeling van het tweede annulatiemiddel blijkt : - dat de bestreden beslissing gestoeld is op het draagkrachtig motief dat het aangevraagde zonder vergunningsvoorwaarde in zijn geheel onverenigbaar is met de (para-)agrarische bestemming, en - dat de verzoekende partij de doorslaggevende motieven niet aanvecht die – zonder die vergunningsvoorwaarde – aanleiding geven tot de weigering van de aanvraag. VII-42.144-6/13 De RvVb leidt uit deze vaststellingen terecht af dat de overige motieven van de bestreden beslissing een overtollig karakter hebben zodat de gebeurlijke onwettigheid ervan niet tot gevolg heeft dat de beslissing moet worden vernietigd. De beslissing om het eerste annulatiemiddel, dat tegen overige motieven van de bestreden beslissing wordt gericht, niet te onderzoeken, is dan ook naar recht verantwoord. 8. In zoverre de verzoekende partij met de aangevoerde schending van artikel 35, tweede lid, DBRC en van de artikelen 4.3.1, § 1, 1°,
- b)en 4.3.2, § 2, VCRO de Raad van State uitnodigt om opnieuw te beoordelen of het eerste annulatiemiddel al dan niet nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur, vraagt zij de Raad van State om in de beoordeling van de zaak zelf te treden, hetgeen hem als cassatierechter niet is toegestaan (artikel 14, § 2, RvS-wet). 9. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De verzoekende partij voert aan dat het bestreden arrest tegenstrijdige motieven bevat doch wijst daartoe enkel op motieven van het arrest VII-42.144-7/13 die strijdig zouden zijn met de bestreden beslissing. Zij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. Ook met de kritiek dat het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC schendt door de behandeling van het eerste annulatiemiddel te koppelen aan de verwerping van het tweede annulatiemiddel, gaat de verzoekende partij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC kan niet worden aangenomen 10. In zoverre het ontvankelijk is, is het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partij voert in het tweede cassatiemiddel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, DBRC, de artikelen 71, eerste lid, 72 en 74 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna : omgevingsvergunningsdecreet), artikel 4.3.1, § 2, VCRO en artikel 5.3.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna : DABM). Zij zet uiteen: “Verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift tot nietigverklaring voor de RvVb in het eerste middel beargumenteerd dat de Minister in het bestreden besluit op onterechte wijze een bijzonder verregaande voorwaarde heeft gekoppeld aan de (deels verleende) vergunning dewelke slechts een beperkt voorwerp had. […] In de bestreden vergunning werd het merendeel van de aangevraagde (stedenbouwkundige) handelingen geweigerd, enkel de regularisatie van een VII-42.144-8/13 loods, berging, en de verhoging van een sleufsilo werd stedenbouwkundig vergund. […] Uit het bestreden besluit blijkt echter dat de vergunningsvoorwaarde niet werd opgelegd naar aanleiding van datgene dat het daadwerkelijk voorwerp uitmaakte van de vergunningsaanvraag, doch wel voortvloeit uit een andere visie die de Minister heeft dan de visie van de deputatie van de Provincie Vlaams Brabant bij het verlenen van de omgevingsvergunning van 22 februari 2018 waarbij een vergunning werd verleend voor het veranderen en uitbreiden van de mestverwerking tot een capaciteit van 90.000 ton/jaar. […] [De deputatie motiveerde] destijds op omstandige wijze waarom de verwerking van vermelde capaciteit nog wel als agrarisch kan worden beschouwd. Deze beslissing is definitief geworden. De Deputatie heeft beslist om geen voorwaarde inzake de afstand van de inputstromen op te nemen. De Minister stelt in haar besluit letterlijk dat zij deze ‘omissie’ in hoofde van de Deputatie wenst recht te zetten […]. […] In het bestreden besluit verwijst de Minister hiervoor tevens naar eigen nazicht dat werd gedaan van de gegevens bij de Mestbank over de bestaande exploitatie en meent dat er ernstige vragen rijzen over de relatie van de inrichting en de in de omgeving bestaande landbouwproductieprocessen. […] In het bestreden arrest verwijst de [RvVb] naar de motieven van de Minister dewelke volgens de [RvVb] doorslaggevend zouden zijn: “- Gelet op de bijkomende inrichtingen installaties en verhardingen moet worden onderzocht of de aanvraag in zijn geheel (nog) wel verenigbaar is met de planologische voorschriften. - Uit de gegevens van de mestbank over de bestaande exploitatie blijkt dat er ernstige vragen rijzen over de relatie van de inrichting en de in de omgeving bestaande landbouwproductieprocessen. - Enkel het opleggen van de bijzondere voorwaarde dat de (extern) te verwerken mest (en energiegewassen) afkomstig moeten zijn van landbouwbedrijven gelegen binnen een straal van 20 kilometer rond het bedrijf biedt zekerheid over en is dus een minimale vereiste voor het in de toekomst behouden van het para-agrarisch karakter van de inrichting.” […] Het arrest gaat […] verder en stelt dat [de verzoekende partij] de motieven die aan de grondslag liggen van het opleggen van de voorwaarde niet betwist. De [RvVb] gaat hier echter voorbij aan het gegeven dat in het verzoekschrift net wordt aangehaald dat [de verzoekende partij] de mening is toegedaan dat de Minister principieel de aangehaalde vergunningsvoorwaarde niet kan opleggen en dit aangezien men enkel voorwaarden kan opleggen rekening houdende met datgene dat wordt aangevraagd. Art. 4.3.1, § 1, 1°,
- b)VCRO stelt ook zeer duidelijk dat het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch kan afleveren wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden. VII-42.144-9/13 In casu is de Minister de mening toegedaan dat een voorwaarde moet worden opgelegd niet omwille van wat men aanvraagt (m.n. een meer verregaande afvalwaterzuivering) doch wel omdat de Minister vragen heeft bij de vergunning die in 2018 werd verleend en waarbij het bedrijf werd vergund voor 90.000 ton mestverwerking, evenals op basis van het eigen onderzoek van de mestbankgegevens van het bedrijf. Dit betreft echter een aspect van handhaving hetwelk de Minister aangrijpt en koppelt aan de vergunning. De grondslag hiervoor is, zoals de [RvVb] zelf ook erkent, niet het aangevraagde doch wel de gegevens van de Mestbank, en de andere visie dewelke de Minister heeft dan de Deputatie in 2018 welke omissie dient te worden rechtgezet middels vermelde voorwaarde. [Hoewel] het bestuur in beginsel beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij het bepalen van de voorwaarden die zij noodzakelijk acht, de uitoefening van die bevoegdheid [moet] in relatie [….] staan tot het voorwerp van datgene men aanvraagt.[…] Dat is in casu echter niet het geval. […] Het arrest schendt hierdoor art. 4.3.1, § 1, 1°,
- b)VCRO en dit aangezien de voorwaarde niet is gekoppeld aan het aangevraagde. De [RvVb] kan niet worden gevolgd waar deze stelt dat de volledige inrichting van [de verzoekende partij] opnieuw diende te worden onderzocht, en niet enkel een beoordeling van datgene werd aangevraagd diende te gebeuren. Datgene dat werd aangevraagd wijzigt de finaliteit van de activiteit van [de verzoekende partij] niet. De Minister heeft enkel een andere interpretatie dan de Deputatie van de Provincie Vlaams Brabant omtrent de invulling van de activiteiten van het bedrijf. De Deputatie vergunde in 2018 de verwerking van 90.000 ton mest, zonder hier een vergunningsvoorwaarde inzake afstand aan te koppelen en motiveerde hieromtrent. De basisvergunning van [de verzoekende partij] verstrijkt op 6 december 2032. Het is in het kader van deze vergunningsaanvraag tot hernieuwing dat de invulling van de vergunde activiteit terug kan worden geëvalueerd, en opnieuw worden beoordeeld, doch niet naar aanleiding van de beperkte vergunningsaanvraag dewelke slechts een beperkt voorwerp had enerzijds, en geen wijziging van de bedrijfsactiviteit of inputstromen tot gevolg heeft. […] Een voorwaarde mag er dan ook niet op gericht zijn om louter handhavend op te treden voor zaken die geen deel uitmaken van de vergunning.[…] […] Het toezicht op de naleving van de voorschriften van de VCRO en het decreet algemene bepalingen milieubeleid wordt geregeld onder titel VI VCRO en titel XVI van het DABM. Voormelde decreten regelen de wijze waarop inbreuken en misdrijven kunnen worden vastgesteld en op welke wijze desgevallend bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd ten aanzien van de partij die een inbreuk of een misdrijf zou hebben begaan. […] Daarenboven dient te worden vastgesteld dat de gekoppelde stedenbouwkundige voorwaarde (art. 71 OVD) en de gekoppelde milieuvergunningsvoorwaarde (art. 72 OVD) conform art. 74 VII-42.144-10/13 Omgevingsvergunningsdecreet steeds in verhouding dienen te staan tot het vergunde project. Zoals aangehaald is het voorwerp van voorliggende vergunning het verder opzuiveren van het afvalwater waarbij hiervoor een stedenbouwkundige handeling werd vergund en een verandering van de zuivering van het water en dient te worden vastgesteld dat de opgelegde voorwaarde volstrekt buiten proportie is ten aanzien van datgene werd vergund. Bijgevolg miskent het arrest om de hierboven aangehaalde redenen art. 71, 72 en 74 van het Omgevingsvergunningsdecreet.” Beoordeling 12. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, DBRC en artikel 5.3.1 DABM. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 13. De verzoekende partij voert in de aanhef van het middel de schending aan van artikel 4.3.1, § 2, VCRO. In de uiteenzetting van het middel wordt op die bepaling echter niet ingegaan, maar wordt wel de schending aangevoerd van artikel 4.3.1, § 1, 1°,
- b)VCRO, dat volgens de verzoekende partij zou bepalen dat “het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch kan afleveren wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden [door het opleggen van voorwaarden]”. Die regel is echter niet terug te vinden in artikel 4.3.1, § 1, 1°,
- b)VCRO, maar in artikel 4.3.1, §1, tweede lid, VCRO. De Raad van State neemt aan dat de verzoekende partij in werkelijkheid de schending aanvoert van artikel 4.3.1, §1, tweede lid, VCRO. 14. Het vergunningverlenend bestuur is in beginsel ertoe gehouden om bij de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening van een aanvraag voor een uitbreiding of verandering van een vergunde VII-42.144-11/13 inrichting uit te gaan van de volledige inrichting, met inbegrip van de onderdelen die voorheen vergund werden. Met de aangevoerde schending van artikel 4.3.1, §1, tweede lid, VCRO houdt de verzoekende partij een andere rechtsopvatting erop na, zodat haar kritiek ongegrond is. 15. In zoverre de verzoekende partij met de aangevoerde schending van artikel 4.3.1, §1, tweede lid, VCRO en van de artikelen 71, 72 en 74 van het omgevingsvergunningsdecreet aanvoert dat de vergunningverlenende overheid niet wettig kon oordelen dat het aangevraagde met de opgelegde voorwaarde in overeenstemming wordt gebracht met de gewestplanbestemming, en dat de opgelegde voorwaarde niet in verhouding staat tot het aangevraagde project, nodigt zij de Raad van State uit om de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen, wat hem als cassatierechter niet is toegestaan. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 16. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.144-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.144-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div