← België

Arrest 264354 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.354 Rolnummer: A. 239584/VII-42126 Zaak: Arrest 264354 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.354 van 29 september 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.354 van 29 september 2025 in de zaak A. 239.584/VII-42.126 In zake : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE GINGELOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Andy Beelen kantoor houdend te 3740 Bilzen Grensstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV LIMBURG WIN(D)T bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Bert D’Hondt kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0944 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 8 juni 2023 in de zaak 2122-RvVb-0694-A. VII-42.126-1/31 II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 augustus 2023. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Limburg Win(d)t heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 oktober 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 30 januari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Andy Beelen, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Kevin Aspeslagh, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Gregory Verhelst en Johannes Vogels, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-42.126-2/31 Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. Het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij bevat een schriftelijke repliek op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting – laatste memorie” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.1. De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 28 oktober 2021 aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van drie windturbines te Gingelom. VII-42.126-3/31 4.2. Onder meer de verzoekende partij stelt bestuurlijk beroep in tegen deze vergunningsbeslissing. Bij besluit van 1 april 2022 verwerpt de verwerende partij de bestuurlijke beroepen, en verleent de omgevingsvergunning. 4.3. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tegen het besluit van 1 april 2022. V. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep A. Hoedanigheid van de verzoekende partij 5. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partij bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid niet beschikt over de vereiste hoedanigheid om een cassatieberoep in te stellen, zodat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. 6. De verzoekende partij was als partij betrokken in het geding voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb). Zij beschikt dan ook van rechtswege over de vereiste hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de RvVb. De omstandigheid dat zij niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, is daarbij niet van belang. De exceptie wordt verworpen. B. Belang van de verzoekende partij 7. De tussenkomende partij wijst erop dat de verzoekende partij het Europese ‘Convenant of Mayors’ heeft ondertekend, dat haar verplicht om acties te ondernemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Ook heeft de verzoekende partij een klimaatactieplan goedgekeurd dat maatregelen en acties omvat voor het tegengaan van de klimaatverandering en het omgaan met de effecten ervan. De houding die de verzoekende partij aanneemt met het instellen van het cassatieberoep, druist volgens de tussenkomende partij in tegen het lokaal VII-42.126-4/31 klimaatbeleid dat zij op grond van die instrumenten wenst te voeren, zodat zij niet beschikt over het rechtens vereiste belang bij dat beroep. 8. De voorwaarde van het belang bij het cassatieberoep bestaat hierin dat de verzoekende partij, na een gebeurlijke vernietiging van de door haar bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. De verzoekende partij heeft tijdens de vergunningsprocedure een ongunstig advies verstrekt over de aanvraag van de tussenkomende partij. Het bestreden arrest verwerpt het vernietigingsberoep dat de verzoekende partij heeft ingesteld tegen de beslissing om aan de tussenkomende partij de omgevingsvergunning te verlenen. Een nieuw onderzoek van het beroep door de RvVb kan de verzoekende partij het voordeel verlenen dat de vergunning, die zij ongunstig heeft geadviseerd, wordt vernietigd, en uiteindelijk, na heronderzoek door de verwerende partij, wordt geweigerd. Deze vaststellingen volstaan opdat de verzoekende partij zou getuigen van het vereiste belang bij het cassatieberoep. De eventuele omstandigheid dat het bestrijden van het project van de tussenkomende partij zou ingaan tegen de voormelde convenant en het voormelde klimaatactieplan, kan hieraan geen afbreuk doen. De exceptie wordt verworpen. VII-42.126-5/31 VI. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 9. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), de artikelen 15 en 88 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit), de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek en de eerbiediging van de bewijskracht van een akte, het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), het verbod op het bestaan van een schijn van partijdigheid, en het beginsel justice must not only be done but also seen to be done, gelezen in samenhang met de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij verdeelt het middel in drie onderdelen. 10. In het eerste onderdeel van het middel zet de verzoekende partij uiteen: “Eerste onderdeel – de toetsing en motivering van de RvVb inzake het middelonderdeel m.b.t. de ruimtelijke draagkracht, goede ruimtelijke ordening en de in de omgeving bestaande toestand, rekening houdend met de inplanting van de [windturbines] in een agrarisch gebied met een zeer hoge feitelijke landschappelijke waarde. De kritiek voorwerp van het eerste onderdeel van het tweede middel, aangevoerd door [de verzoekende partij] voor de RvVb, betrof het feit dat de aangevraagde en vergunde windturbines een zeer aanzienlijke tiphoogte bereiken en ingeplant worden in een 2e lijn en dit op ruime afstand van de E40 en de HST-spoorlijn. De locatie van inplanting situeert zich aldus over VII-42.126-6/31 een substantiële diepte in een door het gewestplan bestemd agrarisch gebied met een open karakter en daarnaast een zeer hoge feitelijke landschappelijke waarde, zoals bevestigd wordt in het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Limburg en in een advies uitgebracht door de deskundige RO van de Provincie Limburg […]. [De verzoekende partij] voerde dit reeds aan als grief in het verzoekschrift administratief beroep. En omdat zij vaststelde dat de verwerende partij hier weinig/geen rekening hield in haar beslissing en toetsing aan de goede ruimtelijke ordening (c.q. ruimtelijke draagkracht, gevolgen voor het leefmilieu, schaal/ruimtegebruik/visueel-vormelijke elementen; kenmerken van de in de omgeving bestaande toestand), voerde zij dit nadien opnieuw aan in het verzoekschrift houdende beroep tot nietigverklaring en in de wederantwoordnota […]. Zij wees daarbij ook op een arrest van [de Raad van State] dat een vergunning voor windturbines in een feitelijk waardevol openruimtegebied onwettig achtte […] en eigen rechtspraak van de RvVb in vergelijkbare zin […]. De RvVb verwerpt in het bestreden arrest evenwel dit middelonderdeel waarbij [hij], in essentie, vooreerst stelt dat structuurplannen geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen vormen […] en vervolgens dat “… de verwerende partij uitvoerig heeft gemotiveerd waarom zij meent dat de aanvraag voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening binnen de omgeving bestaande toestand”, wat de RvVb dan vervolgens concretiseert [als volgt:] “De verwerende partij houdt in haar motivering in het bijzonder rekening met het feit dat het landschap reeds gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van windturbines en wordt doorkruist door grootschalige lijninfrastructuur, met name een autosnelweg (E40) en een hogesnelheidstreinlijn.” […] In wat daarna volgt haalt de RvVb nog aan dat de deskundige RO van de provincie toch ook gunstig heeft geadviseerd en dat het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid die de minister niet op een kennelijk onredelijke wijze heeft aangewend[, en] dat verzoekster aanstuurt op een opportuniteitsbeoordeling die zij niet kan maken […]. Deze motivering zoals verstrekt door de RvVb in het bestreden arrest beantwoordt niet aan de vereisten van [artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit] in relatie tot het geformuleerde middelonderdeel. De goede ruimtelijke ordening en in de omgeving bestaande toestand in de zin van [de artikelen] 1.1.4 en 4.3.1, § 2, VCRO behelzen immers minstens mede zoals aangevoerd in het middel de in de onmiddellijke omgeving bestaande toestand, het hier aanwezige open en feitelijk waardevolle landschap, maar dit ontbreekt en mist men in de motivering zoals verstrekt door de RvVb. De autosnelweg E40 en de hogesnelheidstrein situeren zich op ca. 600m à 720m en zelfs de reeds aanwezige windturbines op ca. 470m […]. Dit is eerder de verre omgeving, niet de onmiddellijke omgeving en deze beschrijving dekt zeker niet het (volledige) landschap ter plaatse (cf. in dit verband volgt de RvVb als het ware de samenvattende these van de minister dat het ter plaatse een “energielandschap” betreft, een als het ware […] voornamelijk semi- industrieel ogende omgeving gekenmerkt door energiebronnen, quod non). De onmiddellijke omgeving van de aanvraag dat zijn i.c. de aanwezige VII-42.126-7/31 weiden, landbouwgronden, heuvels en dalen, verspreide bosjes, etc. Die bevinden zich bovendien niet zoals de E40, de HST en de bestaande windturbines die de RvVb aanhaalt op ettelijke honderden meters afstand van de aanvraag (nl. 600m/720m/470m). Integendeel worden de aangevraagde turbines in die weiden zelf, op die landbouwgronden zelf en op die heuvels zelf ingeplant, en daarbij kenmerkt deze onmiddellijke omgeving zich bovendien als een onmiddellijke omgeving waarvan vaststaat dat zij een zeer hoge feitelijke landschappelijke waarde heeft. De RvVb laat dan ook in het bestreden arrest na om de grieven van [de verzoekende partij] gesteund op de onmiddellijke omgeving en het feitelijk waardevol landschap waar de windturbines worden aangevraagd als onderdeel van de goede ruimtelijke ordening en van de in de omgeving bestaande toestand ex [de artikelen] 1.1.4 en 4.3.1 VCRO te behandelen en om hiervoor in een duidelijke en ondubbelzinnige redengeving / motivering te voorzien […]. In eerdere arresten, ook specifiek betrekking hebbend op windturbines, oordeelde de [RvVb] bovendien wél dat er een zorgvuldige beoordeling moest geschieden van het bestaande landschap en de gebeurlijke kwaliteiten ervan en dat op basis daarvan moet worden verantwoord dat dit een optimale locatie is voor een project van windturbines wat bij een inplanting in een wijds en open weidelandschap c.q. open ruimtegebied, veeleer niet het geval is. […] In het thans bestreden arrest […] gooit de RvVb het over een andere boeg en acht [hij] de aanwezigheid van een feitelijk waardevol landschap niet relevant als aspect van goede ruimtelijke ordening en van de in de omgeving bestaande toestand ex [de artikelen] 1.1.4 en 4.3.1 VCRO. Daarnaast zijn er trouwens nog diverse andere arresten waarin de [RvVb] zelf oordeelde dat in de eerste plaats rekening moet gehouden worden met de inpasbaarheid van het gevraagde in de onmiddellijke omgeving, dat bij die beoordeling de bestaande toestand als principieel uitgangspunt fungeert en dat die beoordeling in concreto dient te gebeuren […]. En ook [de Raad van State] wijst er op dat de overheid bij het beoordelen van de aanvraag verplicht is om rekening te houden met de bestaande onmiddellijke omgeving […]. Eventuele beleidsmatige ontwikkelingen -waarnaar de RvVb ook nog verwijst in het arrest- kunnen de verplichting om de effectieve verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving vast te stellen niet ter zijde schuiven […]. [Artikel 4.3.1, § 2, VCRO] is inderdaad helder en duidelijk. Bij de beoordeling van het aangevraagde moet rekening worden gehouden met de in de omgeving bestaande toestand en dat heeft -anders dan de RvVb overweegt- niets met opportuniteitsbeoordelingen te maken […]. Dat is een verplichting. De mogelijkheid om daarnaast ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen in rekening te brengen laat die verplichting onverlet.” VII-42.126-8/31 Zij voegt in de memorie van wederantwoord hieraan toe dat in dit eerste onderdeel ook de schending wordt aangevoerd van artikel 15 van het procedurereglement, en van de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring en de wederantwoordnota die zij bij de RvVb heeft ingediend. 11. Het tweede onderdeel van het middel wordt als volgt uiteengezet: “de toetsing en motivering van de RvVb inzake het middelonderdeel van de ruimtelijke draagkracht, goede ruimtelijke ordening en de in de omgeving bestaande toestand, rekening houdend met het (gezag van gewijsde van het) arrest RvVb-A-2122-0744 waarbij de vergunning voor 3 [windturbines] in de 1e lijn werd vernietigd. Door [de verzoekende partij] werd in het middel aangevoerd dat de minister in de beslissing d.d. 01.04.2022 voor wat betreft de inpasbaarheid van de aangevraagde [windturbines] in het landschap zich verliet op de landschappelijke impact die reeds voortvloeit uit de bestaande en vergunde windturbines in 1e lijn met een tiphoogte van 150m, terwijl de aangevraagde [windturbines] een hogere tiphoogte van 200m bereiken en de RvVb bij arrest RvVb-A-2122-0744 d.d. 12.05.2022 de ministeriële vergunning voor 3 [windturbines] d.d. 20.10.2020 in de 1e lijn heeft vernietigd (ministeriële vergunning welke werd voorafgegaan door een weigering vanwege de deputatie d.d. 09.01.2020). […] [De verzoekende partij] betoogde middels verwijzing naar diverse rechtspraak van [de Raad van State] en de RvVb dat de kwestieuze vergunning d.d. 20.10.2020 dan ook geacht wordt nooit te hebben bestaan (gezag van gewijsde, werking erga omnes en ex tunc van een vernietigingsarrest) en zodoende ook geen rechtsgeldige feitelijke grondslag naar motivering kan uitmaken […]. De RvVb verwerpt dit middelonderdeel in het bestreden arrest als volgt: “In zoverre de verzoekende partij ook wijst op de recente vernietiging voor een nabijgelegen project (drie windturbines – andere aanvrager), maakt nog niet dat de bestreden beslissing, waarin naar dat project wordt gerefereerd daarom ook onwettig zou zijn. De bestreden beslissing is immers niet afhankelijk of onlosmakelijk verbonden met de aangehaalde vernietigde vergunning. De verzoekende partij kan aan de verwerende partij bezwaarlijk verwijten dat zij in haar beoordeling van een vergunning (die nadien is vernietigd) gewag heeft gemaakt. Het omgekeerde, zou net onzorgvuldig zijn. Nog los van het feit dat ook de tussenkomende partij terecht opmerkt dat de verwerende partij er op het moment van het nemen van de bestreden beslissing kon van VII-42.126-9/31 uitgaan dat de bestaande vergunning voor het naburige project rechtsgeldig was, en dus bij de besluitvorming over voorliggend project kon/moest betrekken, blijkt dit gegeven op zich geen onontbeerlijke grondslag voor de motivering inzake de verenigbaarheid met de in de omgeving bestaande toestand als onderdeel van de toets aan de goede ruimtelijke ordening. Bovendien blijkt dat de verwerende partij in de eerste plaats rekening hield met de reeds bestaande windturbines (dichtst bij de lijninfrastructuur).” Vooreerst vertrekt de RvVb in de beoordeling van het middelonderdeel van de premisse dat [de verzoekende partij] de verwerende partij i.c. bezwaarlijk kan “verwijten” in haar beoordeling om de aanvraag van [de tussenkomende partij] te vergunnen gewag heeft gemaakt van de vergunning […] voor [drie windturbines] in de 1e lijn. Deze overweging van de RvVb houdt juridisch geen steek. Het vraagstuk van de verwijtbaarheid dat de RvVb hier aanhaalt, betreft immers de schuld en dat vraagstuk stelt zich niet in een annulatieprocedure voor de RvVb. [De verzoekende partij] moet dan ook geen verwijtbaarheid/schuld in hoofde van de verwerende partij bewijzen om de annulatie van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen. Een annulatieprocedure voor de RvVb is geen strafprocedure of een burgerlijke aansprakelijkheidsprocedure waarbij de verwijtbaarheid/schuld door de [verzoekende partij] (eiser) dient te worden aangetoond. De RvVb miskent hier haar eigen bevoegdheid, de bewijslast in hoofde van een verzoeker voor de [RvVb], en het feit dat de annulatieprocedure een objectief contentieux betreft waarbij de vraag die zich stelt is of de verwerende partij, objectief, welbepaalde regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden (cf. ook de definitie van een middel ex [artikel 15 van het procedurebesluit]). Tweedens blijft de RvVb dan in het bestreden arrest vervolgens ook nog verder op het spoor dat de wettigheid van de beslissing veeleer moet worden beoordeeld met de situatie op het moment van het nemen van de bestreden beslissing. (cf “de tussenkomende partij terecht opmerkt … op het moment van het nemen van de bestreden beslissing kon van uitgaan dat de bestaande vergunning voor het naburige project rechtsgeldig was…”). Dit houdt andermaal juridisch geen steek. Het gezag van gewijsde van een annulatie-arrest is immers een fundamenteel rechtsprincipe waarvan in tal van arresten […] is bevestigd dat het behelst dat de vernietigde beslissing geacht wordt nooit te hebben bestaan. […] De RvVb miskent het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest. Dus andermaal, objectief, is het antwoord niet JA maar NEE: wanneer men zich als bestuur in de beoordeling verlaat op een beslissing die nadien wordt vernietigd dan is dat op [dat] punt niet mét maar integendeel zonder feitelijke en juridische grondslag. Dit leest men echter niet in het bestreden arrest van de RvVb. In het licht van het voorgaande valt niet meer in te zien hoe men nog geloofwaardig kan voorhouden dat er zich hier in hoofde van de RvVb geen miskenning van bevoegdheid en minstens geen schijn van partijdigheid / indruk van gebrek aan objectiviteit heeft voorgedaan (cf. [artikel] 6 EVRM VII-42.126-10/31 + verbod op schijn van partijdigheid + beginsel justice must not only be done but also be seen to be done) die ook zijn impact heeft gehad op de beoordeling van het middelonderdeel zoals aangevoerd door [de verzoekende partij] (gebrek aan vereiste grondslag, motivering op basis van de iure geacht onbestaand feit). Dit middelonderdeel is aldus niet meer geheel objectief benaderd door de RvVb maar vanuit de premisse dat [de verzoekende partij] ten onrechte verwijten maakte aan de verwerende partij (deelbeslissing 1 van de RvVb in het bestreden arrest) en dat de verwerende partij terecht kon uitgaan van de vergunning [die nadien werd vernietigd] (deelbeslissing 2 van de RvVb in het bestreden arrest) waar die aspecten haaks staan op het feit [dat] een annulatieprocedure een objectief contentieux betreft en op het feit dat het gezag van gewijsde dat aan een vernietigingsarrest kleeft impliceert dat de vernietigde beslissing geacht wordt nooit te hebben bestaan. Die impact en niet meer geheel objectieve benadering vanwege de RvVb blijkt trouwens ook uit de libellering die de RvVb in het arrest aanvoert en die vertrekt van “Nog los van het feit…”: dit is voortborduren door de RvVb op de eerder via 2e deelbeslissingen al (ten onrechte) gevormde these dat de kritiek van [de verzoekende partij] onterecht is en geen hout snijdt. Louter volledigheidshalve is het bovendien zo dat de RvVb miskent dat de verwerende partij zoals aangehaald door [de verzoekende partij] in de bestreden beslissing tot afgifte van de vergunning d.d. 01.04.2022 wel degelijk en herhaaldelijk expliciet en dit op schragende wijze heeft gesteund op de eerder in de 1e lijn vergunde [windturbines] (evenals [de tussenkomende partij] die deze ook aanhaalde in haar aanvraagdossier[…]) en de mogelijke inplantingslocaties, waaronder dus specifiek de vergunning voor de [drie windturbines] die nadien evenwel werd vernietigd. Dit in relatie tot de beschrijving van de omgeving, de afstand, de ruimtelijke uitbreiding, visuele aspecten, de hoogte, het beeld etc. zijnde allen aspecten van goede ruimtelijke ordening. Zij heeft zich dus als “grondslag” tot vergunning niet enkel schragend gesteund op de reeds bestaande op reeds gebouwde [windturbines].[…] Van die overwegingen opgenomen in [het ministerieel besluit van 1 april 2022] is geen spoor […] in het bestreden arrest van de RvVb, laat staan dat de RvVb er rekening mee houdt. Feit is bovendien dat de bestreden beslissing geen weigeringsbeslissing is, maar een vergunningsbeslissing. De these van een overblijvend determinerend weigeringsmotief stelt zich i.c. dus niet. Tenslotte kan trouwens nog worden aangestipt dat de verwerende partij in haar antwoordnota ook niet heeft aangevoerd dat het hier m.b.t. het door haar in aanmerking nemen van de [nadien vernietigde vergunning] als element tot vergunning van de aanvraag van [de tussenkomende partij] over een irrelevant/overtollig motief zou gaan zoals de RvVb thans in het arrest in haar plaats insinueert door te stellen dat het hier geen onontbeerlijke grondslag betreft.” 12. In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan : VII-42.126-11/31 “de toetsing en motivering van de RvVb inzake het middelonderdeel inzake de beoordeling van de milieuaspecten (impact op vleermuizen) Door [de verzoekende partij] werd in het [derde annulatiemiddel] aangevoerd dat de minister in de beslissing d.d. 01.04.2022 haar concrete bezwaar / concrete grief inzake de impact van de aanvraag op vleermuizen niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet via draagkrachtige (en niet- tegenstrijdige) motivering heeft weerlegd. In essentie ging het daarbij om het feit dat door de minister verkeerdelijk tot het besluit werd gekomen en gemotiveerd dat er geen betekenisvolle aantasting is omdat er m.b.t. de [windturbine 1] een stilstandmodus wordt opgelegd en omdat er enkel aan de [windturbine 1] en niet in de buurt van de aangevraagde [windturbine 2 en windturbine 3] andere dan voornamelijk minderwaardige vleermuissoorten zouden voorkomen (nl. de gewone dwergvleermuis), terwijl uit de verleende adviezen het tegendeel bleek (nl. de grootoorvleermuis, de rosse vleermuis, de laatvlieger,… komen wel degelijk voor in de buurt van de [windturbine 2 en windturbine 3] […]. De RvVb citeert […] in het bestreden arrest uit de tussengekomen adviezen van [het Agentschap voor Natuur en Bos] (initieel ongunstig op 16.06.2021, nadien voorwaardelijk gunstig op 03.09.2021 en op 19.01.2022), de gewijzigde aanvraag, het verzoekschrift van [de verzoekende partij] en tenslotte het [ministerieel besluit van 1 april 2022] en verwerpt het middelonderdeel in het bestreden arrest via een eigen beoordeling die in essentie als volgt is […]; “Met haar summier betoog slaagt de verzoekende partij er niet in aan te tonen dat de verwerende partij haar beroepsgrieven niet op afdoende wijze in de beoordeling heeft betrokken, dan wel dat de motieven waarop de verwerende partij haar besluit steunt berusten op onzorgvuldige of onjuiste gegevens (of adviezen) dan wel [dat de] beoordeling daarvan als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. De verwerende partij steunt haar beoordeling van de impact van het project op ‘vleermuizen’ in (de omgeving van) het projectgebied inhoudelijk zowel op het [advies van het Agentschap voor Natuur en Bos] van 3 september 2021 waarin daarover (in eerste administratieve aanleg na wijziging van de aanvraag) een uitvoerige uiteenzetting is opgenomen met vermelding naar feitelijke waarnemingen en op grond van die concrete gegevens een gunstig advies (onder voorwaarden) is verleend als op het gunstig [advies van het Agentschap voor Natuur en Bos] van 19 januari 2022 waarin uitdrukkelijk een antwoord wordt geformuleerd op de beroepsgrieven van de verzoekende partij met betrekking tot dit aspect. De [RvVb] stelt vast dat het betoog van de verzoekende partij, zoals thans geformuleerd als middel in het annulatieberoep, louter een herhaling vormt van de beroepsgrieven die ze over dit aspect heeft ontwikkeld in haar administratief beroepschrift en zijn voorgelegd aan de verwerende partij. Echter laat ze na aan te geven waarom ze meent VII-42.126-12/31 dat de door het [Agentschap voor Natuur en Bos] en de verwerende partij geformuleerde antwoorden op haar kritiek onjuist zijn en leiden tot een aantasting van wettigheid van de bestreden beslissing. Het komt er op neer dat de verzoekende partij een herbeoordeling van haar (beroeps)grief tracht uit te lokken, waarop de [RvVb] niet kan en mag ingaan. De inhoudelijke beoordeling van de impact komt toe aan de vergunningverlenende overheid, op advies van de daartoe aangewezen gespecialiseerde instanties. De [RvVb] kan enkel de wettigheid van de beoordeling toetsen, met dien verstande dat diegene die een wettigheidstoets uitlokt, voldoende concrete en onderbouwde argumenten moet aanreiken ter ondersteuning van haar stelling. De verzoekende partij slaagt hierin niet, maar komt niet verder dan (het herhalen van) een eigen visie, zonder enig stavingsstuk. Hierbij wordt ook opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte beweert dat de verwerende partij haar beroepsgrief heeft herleid tot het in vraag stellen van de gewijzigde [beoordeling van het Agentschap voor Natuur en Bos over windturbine 1]. Wederom steunt die kritiek op een (bewust) selectieve lezing van de bestreden beslissing, die onjuist is. Uit de beoordeling van de verwerende partij blijkt dat ze, net zoals het [Agentschap voor Natuur en Bos] in [zijn] adviezen van 3 september 2021 en 19 januari 2022, wel degelijk rekening heeft gehouden met de impact die elke windturbine van het project kan hebben op de aanwezige vleermuispopulaties. Ook dit argument staaft haar beweringen dus niet. Het middel wordt verworpen.” Deze motivering beantwoordt niet aan de vereisten van [artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit] en miskent de bewijskracht van de akte c.q. het verzoekschrift houdend beroep tot nietigverklaring en de wederantwoordnota zoals ingediend door verzoekster bij de RvVb. Het derde middel zoals daarin aangebracht door [de verzoekende partij] is niet, zoals de RvVb overweegt, te herleiden tot “een summier betoog” dat “louter een herhaling vormt van de beroepsgrieven” of “van een eigen visie, zonder enig stavingsstuk”, waarbij de RvVb nog overweegt dat de adviezen van [het Agentschap voor Natuur en Bos] van 03.09.2021 en 19.01.2022 toch gunstig waren en een alinea wijdt aan [windturbine 1] (en met geen woord rept over [windturbine 2 en windturbine 3]). Het derde middelonderdeel had kennelijk mede betrekking op het zorgvuldig onderzoek en de motivering zoals aangebracht door de minister dat er geen betekenisvolle aantasting was gerelateerd aan de [windturbine 2] en de [windturbine 3] en dit middelonderdeel was door [de verzoekende partij] opgebouwd als volgt ([…] wederantwoordnota, pag. 51 e.v): “Deze motivering getuigt van een onzorgvuldig onderzoek van het concrete bezwaar / de concrete grief zoals aangevoerd door [de verzoekende partij] en is niet afdoende draagkrachtig. [De verwerende partij] herleidt ten eerste de grief van [de verzoekende partij] tot het in vraag stellen van de gewijzigde beoordeling van [het VII-42.126-13/31 Agentschap voor Natuur en Bos] over [windturbine 1] (cf. “de beroepers stellend de gewijzigde beoordeling van het Agentschap over WT1 in vraag…”) terwijl [de verzoekende partij] wees op het feit dat [het Agentschap voor Natuur en Bos] initieel op 17.06.2021 een gemotiveerd negatief advies verstrekte over de [windturbine 1] en daarnaast ook stillegmodus noodzakelijk achtte voor de [windturbine 2, windturbine 3 en (destijds nog tot de aanvraag behorende) windturbine 4] omwille van de negatieve impact op de aanwezige vleermuispopulaties (o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis). In het latere -voorwaardelijk gunstige advies van [het Agentschap voor Natuur en Bos] d.d. 03.08.2021 – werd dit ten onrechte, zonder solide grondslag gewijzigd in enkel nog een stillegmodus voor [windturbine 1] (zie desbetreffend ook stuk 7, pag. 24-26 enerzijds en pag. 46-47 anderzijds). [De verwerende partij] bevestigt dit onterecht karakter, deze afwezigheid van solide grondslag, zelf op pag. 28 van haar beslissing waar zij stelt dat uit de mobiele inventarisaties niet alleen de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis blijkt doorheen het hele projectgebied maar dan ook nog diverse andere soorten waargenomen werden zoals de laatvlieger (vnl. langsheen de Romeinse weg), de grootoorvleermuis (noordoosten projectgebied), de rosse vleermuis (o.a. in de omgeving van [windturbine 3]), de baardvleermuis en dat door de automatische detector in het nabijgelegen Zevenbronnenbos de aanwezigheid werd geregistreerd van de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger, de gewone grootoorvleermuis en verschillende myotis- soorten zoals zeker de watervleermuis en de Brandtsvleermuis. [De verwerende partij] voegt er dan nog aan toe dat ook andere Myotis- soorten zoals de ingekorven vleermuis en de Bechtsteins vleermuis zeker niet zijn uitgesloten. In wat vervolgt stelt zij dat de [windturbine 1] zich binnen ene gebied met risico bevindt en de [windturbine 2] op de rand van een gebied met mogelijk risico en dat de [windturbine 1] zich situeert op slechts 80m van het Zevenbronnenbos (waarvan zij hoger aangaf dat hier tal van vleermuizen werden geregistreerd). [De verwerende partij] kan dan ook niet -in fine- voorgaande vaststellingen laconiek naar de prullenmand verwijzen, enkel voor [windturbine 1] een stillegmodus weerhouden, en bij wijze van verantwoording stellen dat [het Agentschap voor Natuur en Bos] er op wijst dat aan [windturbine 2 en windturbine 3] vnl. slechts de gewone dwergvleermuis voorkomt zodat voor die [windturbine 2 en windturbine 3] er geen betekenisvolle aantasting kan zijn. In het noordoosten van het projectgebied, waar [de verwerende partij] de grootoorvleermuis waarnam, situeert zich immers niet de [windturbine 1] maar de [windturbine 3]. […] En evenzeer nam [de verwerende partij] de rosse vleermuis waar in de omgeving van [windturbine 3] (zie hoger). VII-42.126-14/31 En de Romeinse weg, die de N765 kruist, en waaromtrent [de verwerende partij] stelt dat hier de laatvlieger werd waargenomen, loopt zelfs van de [windturbine 2] naar de [windturbine 3] (zie onderstaande stratenkaart + de kaart met de inplanting van de [windturbine 2] en de [windturbine 3] waarop de Romeinse weg en de N765 duidelijk zichtbaar zijn). […] Het is dus onjuist om zoals [de verwerende partij] i.c. te stellen dat aan de [windturbine 2] en de [windturbine 3] geen andere vleermuissoorten werden waargenomen dan de gewone dwergvleermuis, dewelke slechts een (voor [de verwerende partij] blijkbaar minderwaardige) vaak voorkomende vleermuissoort in Vlaanderen is. Onder ander de rosse vleermuis, de laatvlieger en de grootoorvleermuis werden hier eveneens waargenomen. [De verwerende partij] motiveert aldus vanuit het oogpunt van de natuurtoets niet afdoende haar beslissing om de [windturbines 1, 2 en 3] niet te weigeren doch integendeel te vergunnen en dit voor wat de [windturbine 2] en de [windturbine 3] betreft zelfs zonder stillegmodus. Het middel is gegrond. […]” Dit is geen “summier betoog”, dit is geen “louter herhalen van beroepsgrieven”, dit is geen “herhalen van een eigen visie zonder enig stavingsstuk”, zoals de RvVb stelt. De RvVb miskent hiermee dan ook de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring en van de wederantwoordnota. [Hij] herleidt het betoog hierin opgenomen tot summier, tot een herhalen van beroepsgrieven, van een eigen visie, terwijl het betoog integendeel wel concreet is uitgewerkt en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht door de minister aanvoert wat te onderscheiden is van het louter herhalen van beroepsgrieven. […] De RvVb gaat verder in de motivering opgenomen in het arrest niet in op de essentie van het middelonderdeel dat er in bestaat dat de minister in de beslissing d.d. 01.04.2022 het gebrek aan betekenisvolle aantasting motiveert stellende dat aan de [windturbine 2] en de [windturbine 3] voornamelijk slechts de gewone dwergvleermuis zou voorkomen waar de minister […] in diezelfde beslissing overwoog dat er aan de [windturbine 2] en [windturbine 3] diverse waardevolle soorten werden waargenomen, nl. grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (noot: “noordoosten projectgebied – grootoorvleermuis” = locatie [windturbine 3], niet locatie [windturbine 1]; “langsheen Romeinse weg” – laatvlieger = nabij locatie [windturbine 2 en windturbine 3]) […]. De enige [windturbine] die de RvVb op pag. 67 in het bestreden arrest vermeldt is de [windturbine 1] terwijl het middelonderdeel zoals aangebracht door [de verzoekende partij] de [windturbine 2] en [windturbine 3] viseert. VII-42.126-15/31 De motivering verstrekt door de RvVb beantwoordt aldus ook niet aan de vereisten van [artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit].” Beoordeling Eerste onderdeel 13. In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord aanduidt dat zij met de kritiek van het eerste middelonderdeel ook de schending aanvoert van artikel 15 van het procedurereglement, en van de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring en de wederantwoordnota die zij bij de RvVb heeft ingediend, breidt zij het middel op niet-ontvankelijke wijze uit. 14. Artikel 4.3.1, §1, eerste lid, 1°,

  1. d)VCRO bepaalt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet geweigerd worden indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die worden vermeld in artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO, waarbij onder punt 1° wordt verwezen naar de doelstellingen van de ruimtelijke ordening vermeld in artikel 1.1.4 VCRO, en in punt 2° bepaalt dat rekening wordt gehouden met de “in de omgeving bestaande toestand”. Zoals het bestreden arrest terecht eraan herinnert, beschikt de vergunningverlenende overheid over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid wanneer ze onderzoekt of een aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, en kan de RvVb niet zelf oordelen over de opportuniteit van de aanvraag en dus geen eigen beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de plaats van het bestuur maken. VII-42.126-16/31 De toetsing aan de in ‘de omgeving’ bestaande toestand kan een ruimer beoordelingsperspectief inhouden dan de in ‘de onmiddellijke omgeving’ bestaande toestand. 15. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. Artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit voegen niets toe aan de aldus opgevatte inhoud en draagwijdte van de rechterlijke motiveringsplicht. VII-42.126-17/31 16. De RvVb stelt in het bestreden arrest vast dat “de verwerende partij een uitvoerige motivering [wijdt] aan de beoordeling van de overeenstemming van het aangevraagde project met de (relevante) eisen van een goede ruimtelijke ordening”. Hij citeert uit de aanvankelijk bestreden beslissing en besluit dat “anders dan de verzoekende partij wil doen aannemen, de verwerende partij uitvoerig heeft gemotiveerd waarom ze meent dat de aanvraag voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening binnen de in de omgeving bestaande toestand”. De RvVb motiveert verder dat de verwerende partij daarbij “in het bijzonder rekening [houdt] met het feit dat het landschap reeds gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van windturbines en wordt doorkruist door grootschalige lijninfrastructuur, met name een autosnelweg (E40) en een hogesnelheidstreinlijn” en dat het gegeven dat “de verzoekende partij het niet eens is met die beoordeling, omdat het project hogere windturbines in tweede lijn voorziet en deze dus dieper in het landschap worden ingeplant dan de eerdere windturbines ten opzichte van de vermelde lijninfrastructuur, […] nog niet [maakt] dat de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid ter zake op kennelijk onredelijke wijze zou hebben aangewend”. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht, mist aldus feitelijke grondslag. De in deze motieven uitgedrukte beoordeling van de RvVb miskent niet de draagwijdte van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1, § 2, VCRO. 17. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre de verzoekende partij de Raad van State uitnodigt om opnieuw te oordelen of de verwerende partij buiten de grenzen is getreden van haar discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, is haar kritiek niet ontvankelijk. VII-42.126-18/31 Tweede onderdeel 18. Het bestreden arrest oordeelt dat de bestreden omgevingsvergunning “niet afhankelijk of onlosmakelijk verbonden” is met de omgevingsvergunning die voor een naburig windturbineproject werd verleend, en die door de RvVb werd vernietigd nadat de bestreden omgevingsvergunning werd verleend. Ook oordeelt de RvVb dat de omgevingsvergunning voor het naburig project “op zich geen onontbeerlijke grondslag [blijkt] voor de motivering inzake de verenigbaarheid met de in de omgeving bestaande toestand als onderdeel van de toets aan de goede ruimtelijke ordening” en dat “de verwerende partij in de eerste plaats rekening hield met de reeds bestaande windturbines”. Met deze beoordelingen verantwoordt de RvVb naar recht zijn conclusie dat de vernietiging van de omgevingsvergunning voor het naburig project, niet leidt tot de onwettigheid van de bestreden omgevingsvergunning. De RvVb miskent hiermee niet het gezag erga omnes of de retroactieve werking van het bedoelde vernietigingsarrest van de RvVb. 19. De kritiek van de verzoekende partij op de door de RvVb gehanteerde zinnen “De verzoekende partij kan aan de verwerende partij bezwaarlijk verwijten dat zij in haar beoordeling van een vergunning (die nadien is vernietigd) gewag heeft gemaakt.” en “… de verwerende partij [kon] op het moment van het nemen van de bestreden beslissing [ervan] uitgaan dat de bestaande vergunning voor het naburige project rechtsgeldig was …” wordt gericht tegen overtollige motieven van het bestreden arrest. De uit deze kritiek afgeleide schending van artikel 15 van het procedurereglement, VII-42.126-19/31 artikel 6 EVRM, het verbod op het bestaan van een schijn van partijdigheid, en het beginsel justice must not only be done but also seen to be done, is niet ontvankelijk. 20. In zoverre de verzoekende partij de Raad van State uitnodigt om te oordelen of de verwerende partij de nadien vernietigde omgevingsvergunning voor een naburig project als “een schragend motief” heeft betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van de aanvraag van de tussenkomende partij, vraagt zij de Raad van State om de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen, en is de kritiek niet ontvankelijk. Derde onderdeel 21. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van de akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van de akte niet. Met de vaststelling dat de argumentatie van de verzoekende partij een “summier betoog”, een “louter herhalen van beroepsgrieven” en een “herhalen van een eigen visie zonder enig stavingsstuk” betreft, beoordeelt de RvVb slechts de overtuigingskracht van de argumenten van de verzoekende partij, en geeft hij geen uitlegging aan de bewoordingen van de procedurestukken van de verzoekende partij. De aangevoerde schending van de bewijskracht van die procedurestukken kan niet worden aangenomen. 22. Het bestreden arrest oordeelt in antwoord op het derde annulatiemiddel dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat “de VII-42.126-20/31 motieven waarop de verwerende partij haar besluit steunt berusten op onzorgvuldige of onjuiste gegevens (of adviezen) dan wel [dat de] beoordeling daarvan als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt” en dat zij nalaat aan te geven “waarom ze meent dat de door het [Agentschap voor Natuur en Bos] en de verwerende partij geformuleerde antwoorden op haar kritiek onjuist zijn en leiden tot een aantasting van wettigheid van de bestreden beslissing”. Daarbij stelt de RvVb ook vast dat “de verzoekende partij ten onrechte beweert dat de verwerende partij haar beroepsgrief heeft herleid tot het in vraag stellen van de gewijzigde [beoordeling van het Agentschap voor Natuur en Bos over windturbine 1]”, dat haar kritiek steunt op “een (bewust) selectieve lezing van de bestreden beslissing, die onjuist is”, dat uit de beoordeling van de verwerende partij blijkt dat zij “net zoals het [Agentschap voor Natuur en Bos] in [zijn] adviezen van 3 september 2021 en 19 januari 2022, wel degelijk rekening heeft gehouden met de impact die elke windturbine van het project kan hebben op de aanwezige vleermuispopulaties” en dat dit argument haar beweringen niet staaft. Daarmee heeft de RvVb duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteengezet die hem ertoe hebben gebracht de kritiek van de verzoekende partij aangaande de motivering van de minister over de vleermuizen bij de windturbines 2 en 3 te verwerpen. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht, mist aldus feitelijke grondslag. Conclusie 23. In zoverre het eerste middel ontvankelijk is, is het ongegrond. VII-42.126-21/31 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 24. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC, de artikelen 15 en 88 van het procedurebesluit, de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek en de eerbiediging van de bewijskracht van een akte, van artikel 6 EVRM, van het verbod op het bestaan van een schijn van partijdigheid en van het beginsel justice must not only be done but also seen to be done, gelezen in samenhang met artikel 38 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: gemeentewegendecreet) en artikel 5.3.1 van het decreet van 5 april 1996 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM). 25. Zij komt op tegen de beslissing van het bestreden arrest om het vierde annulatiemiddel te verwerpen. De RvVb hanteert daartoe volgende motieven: “1. Met het vierde middel voert de verzoekende partij in essentie aan dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verwerende partij bij de beoordeling van het veiligheidsaspect, als onderdeel van de beoordeling naar de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening en naar de milieutechnische aanvaardbaarheid ervan, afdoende rekening heeft gehouden met het bestaan van buurtweg nr. 39 en de mogelijke impact van het project hierop. […] 3. Bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van een windturbineproject met de vereisten van een goede ruimtelijke ordening (artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO), evenals naar de milieutechnische aanvaardbaarheid van een dergelijk project (artikel 5.3.1, 1° DABM), laat het veiligheidsaspect zich gelden als een relevant aspect dat zijn plaats moet krijgen in de besluitvorming over de vergunningsaanvraag. De verzoekende partij verwijst daarbij naar de artikelen 5.20.6.3.1 en 5.20.6.3.2 van VLAREM II, waarvan ze de inhoud in haar uiteenzetting citeert, welke bepalingen zich in wezen richten naar de exploitant en vereisen dat alle windturbines worden geconstrueerd volgens bepaalde VII-42.126-22/31 veiligheidsaspecten, daartoe worden voorzien van de nodige certificaten bij aanvang van de bouw van de turbine, evenals van de nodige beveiligingssystemen (bijvoorbeeld inzake ijsdetectie, bliksem e.d.). Eveneens verwijst ze naar de verplichting van de exploitant om bij zijn aanvraag een veiligheidsstudie te voegen waarin de veiligheidsaspecten worden verduidelijkt. In de hieraan voorafgaande beoordeling van de andere middelen werd reeds uiteengezet dat de verwerende partij bij haar beoordeling over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt en werd de draagwijdte van haar motiverings- en zorgvuldigheidsplicht die ze daarbij in acht moet nemen reeds geduid. 4. De verzoekende partij betwist niet dat de tussenkomende partij bij haar aanvraag een veiligheidsstudie heeft gevoegd. De verwerende partij steunt haar beoordeling van het veiligheidsaspect, zoals blijkt uit de bestreden beslissing, op de aangeleverde veiligheidsstudie en overweegt hierover […]. 5. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij in casu niet kon volstaan met deze motivering over het veiligheidsaspect dan wel dit aspect niet met de gepaste zorgvuldigheid heeft onderzocht. Het louter verwijzen naar het tracé van buurtweg nr.39 zoals opgenomen in de Atlas der Buurtwegen, welke over de aanvraagpercelen loopt waarop [windturbine 3] wordt voorzien, betreft een louter feitelijk gegeven waaruit niet zomaar kan afgeleid worden dat de beoordeling gebrekkig zou zijn. Minstens voldoet ze niet aan de op haar rustende stelplicht en toont ze haar beweringen niet aan. Bovendien blijkt uit het dossier dat het project niet raakt aan de buurtweg nr. 39, die volgens de beweringen van de verzoekende partij niet werd gewijzigd of opgeheven en aldus nog steeds op verordenende wijze is vastgelegd in de Atlas der Buurtwegen. De verzoekende partij betwist dit niet. Enkel meent ze dat de mogelijke effecten van het project op die (in ongebruik zijnde) buurtweg niet afdoende zijn onderzocht, minstens dat er risico bestaat op “mast- en bladbreuk”. Nog los van het feit dat haar betoog over een mogelijk veiligheidsrisico op deze buurtweg (die blijkens haar dossier in feite niet meer aanwezig
  2. is)als bijzonder hypothetisch voorkomt, toont de verzoekende partij niet aan dat de beoordeling in de bestreden beslissing niet zou opgaan voor deze buurtweg, noch dat deze onjuist of kennelijk onredelijk is. Integendeel blijken de vaststellingen dat “er geen wiekoverslag met een openbare weg [is]” en dat er binnen de contour van mastbreuk “een aantal landbouwwegen gelegen zijn” waarvan “aangenomen kan worden dat deze wegen gebruikt worden door landbouwers en door recreanten” en dus “niet geschikt [zijn] voor veelvuldig doorgaand verkeer” en er “dus geen permanente aanwezigheid verwacht [wordt] van meer dan 10 personen binnen deze contour”, wel degelijk ook te gelden voor de betrokken buurtweg. VII-42.126-23/31 De beweringen van de verzoekende partij worden dus met concrete gegevens weerlegd. Het kan de tussenkomende partij niet verweten worden dat ze een deskundig verslag heeft laten opmaken om die beweringen te weerleggen, terwijl omgekeerd wel moet vastgesteld worden dat de verzoekende partij niet de moeite neemt haar beweringen concreet te staven (die overigens onjuist blijken). Evenmin kan tussenkomende partij verweten worden dat ze, in antwoord op het middel, een deskundig verslag in de procedure brengt om haar verweer te onderbouwen, nu hiertoe niet eerder enige aanleiding bestond (bij afwezigheid van enig bezwaar of beroepsgrief hierover). Ook om diezelfde reden dat tijdens de administratieve vergunningsprocedures geen bezwaren of opmerkingen werden geuit hierover, kan de verwerende partij niet verweten worden dat zij geen bijzondere motivering heeft gewijd aan dit aspect. In dat opzicht vermocht de verwerende partij dan ook volstaan met de in de bestreden beslissing opgenomen motivering, waaruit duidelijk blijkt dat ze zich ter zake heeft gesteund op de veiligheidsstudie die bij de aanvraag is gevoegd en het aspect met de nodige zorgvuldigheid heeft beoordeeld. De verzoekende partij toont evenmin het tegendeel aan.” 26. De verzoekende partij formuleert volgende grieven: “Deze motivering beantwoordt niet aan de vereisten van [artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit] en miskent de bewijskracht van de akte c.q. het verzoekschrift houdend beroep tot nietigverklaring en de wederantwoordnota zoals ingediend door [de verzoekende partij] bij de RvVb. -Vooreerst kan worden vastgesteld dat de RvVb in het bestreden arrest de schending van [artikel 38 van het gemeentewegendecreet] zoals aangevoerd in het middel niet op passende wijze betrekt en de inhoud hiervan zelfs miskent. Dit artikel 38 heeft nochtans wel degelijk zijn relevantie. Het [artikel] 38 verbiedt immers niet alleen 1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad. Het [artikel] 38 verbiedt evenzeer: 3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken. Dit laatste heeft ook betrekking op de vraag of een aanvraag voor [windturbines] het gebruik van een gemeenteweg belemmert of hindert. Dit is o.m. het geval wanneer een [windturbine] zodanig dichtbij een buurtweg (c.q. buurtweg nr. 39) wordt ingeplant dat er [terughoudendheid] / vrees ontstaat om de buurtweg te gebruiken. De redenering die de RvVb dan maakt en die inhoudt dat de buurtweg nr. 39 (net) niet binnen de wiekoverslag van [windturbine 3] ligt, doch wel binnen de contour van een mastbreuk van [windturbine 3] ligt, maar dat er hier geen permanente aanwezigheid van meer dan 10 personen op de buurtweg te verwachten is[, is] in het licht van [artikel] 38, 3°een non-motivering, een gemis aan motivering. VII-42.126-24/31 Artikel 38, 3° schrijft immers niet voor dat het gebruik van een buurtweg belemmeren of hinderen slechts verboden is wanneer het hierop gaat om een buurtweg waarop een permanente aanwezigheid van meer dan 10 personen wordt verwacht. De RvVb voegt hier een constitutief element toe aan het verbod zoals ingeschreven door de decreetgever in [artikel 38, 3° van het gemeentewegendecreet]. Dat is niet [zijn] bevoegdheid, dat is de bevoegdheid van de decreetgever. Feit is bovendien dat het gegeven dat de buurtweg nr. 39 net niet ligt binnen de wiekoverslag van de [windturbine 3], indiceert dat deze zich wel degelijk in de kwetsbare zone ligt bij een wiekbreuk, zeker in draaiende werking owv het catapulterend effect (en dus niet enkel bij een mastbreuk), en verder ook uiteraard in de zone waarvan zich effecten van ijsval kunnen voordoen (effecten van ijsval dewelke uiteraard ook hun relevantie hebben in het licht van [artikel] 38, 3° en het hinderen / belemmeren van het gebruik van een buurtweg). Over dit laatste (effecten van ijsval) leest men niets in de eigen beoordeling die de RvVb maakt […]. - Tweedens negeert de RvVb het middelonderdeel zoals uitgewerkt door [de verzoekende partij] in het verzoekschrift en de wederantwoordnota (c.q. de bewijskracht van deze akten) waar [hij] stelt: “De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij in casu niet kon volstaan met deze motivering over het veiligheidsaspect dan wel dit aspect niet met de gepaste zorgvuldigheid heeft onderzocht. Het louter verwijzen naar het tracé van buurtweg nr.39 zoals opgenomen in de Atlas der Buurtwegen, welke over de aanvraagpercelen loopt waarop [windturbine 3] wordt voorzien, betreft een louter feitelijk gegeven waaruit niet zomaar kan afgeleid worden dat de beoordeling gebrekkig zou zijn. Minstens voldoet ze niet aan de op haar rustende stelplicht en toont ze haar beweringen niet aan. … Nog los van het feit dat haar betoog over een mogelijk veiligheidsrisico op deze buurtweg (die blijkens haar dossier in feite niet meer aanwezig
  3. is)als bijzonder hypothetisch voorkomt, toont de verzoekende partij niet aan dat de beoordeling in de bestreden beslissing niet zou opgaan voor deze buurtweg, noch dat deze onjuist of kennelijk onredelijk is. Integendeel blijken de vaststellingen dat “er geen wiekoverslag met een openbare weg [is]” en dat er binnen de contour van mastbreuk “een aantal landbouwwegen gelegen zijn” waarvan “aangenomen kan worden dat deze wegen gebruikt worden door landbouwers en door recreanten” en dus “niet geschikt [zijn] voor veelvuldig doorgaand verkeer” en er “dus geen permanente aanwezigheid verwacht [wordt] van meer dan 10 personen binnen deze contour”, wel degelijk ook te gelden voor de betrokken buurtweg.” [De RvVb] verengt hier het betoog van [de verzoekende partij] tot het louter verwijzen naar de aanwezigheid van de buurtweg, met de toevoeging dat het standpunt van de aanvrager zoals beschreven in de aanvraag – nadien VII-42.126-25/31 integraal overgenomen door de minister – dat er geen permanente aanwezigheid van meer dan 10 personen binnen deze contour verwacht wordt, niet betwist zou worden. In de [wederantwoordnota] betoogde [de verzoekende partij] evenwel […]: “De buurtweg dient te zijn ingetekend en vermeld in het aanvraagdossier, met het bestaan van de buurtweg dient rekening gehouden in de besluitvorming en hiervoor dient de nodige motivering te worden voorzien in de beslissing van de overheid (zie bv. de besluitvorming zoals geschetst op pag. 4 – 13 in het arrest nr. RvVb- A-2122-0845 d.d. 16.06.2022 waarbij in de besluitvorming zeer uitvoerig is ingegaan op het bestaan van de buurtweg, zijn ligging, de impact van de aanvraag op de buurtweg, etc.). Dat is i.c. niet gebeurd. Er is geen spoor van de buurtweg nr. 39 in de aanvraag, de buurtweg is door [de verwerende partij] niet, laat staan zorgvuldig, betrokken in de besluitvorming en de bestreden beslissing bevat hieromtrent geen motivering. Het betrokken gebied is (o.a. door de aanwezigheid van de nabijgelegen Gallo-Romeinse tumuli, het feitelijk mooie en waardevolle open landschap, etc.) verder een trekpleister die, zeker in de periode maart – oktober, significante aantallen wandelaars en fietsers lokt, c.q. gezinnen incl. kinderen die door de velden trekken / in de velden picknicken / etc. De verwerende partij staat daar echter niet bij stil, zij stelt zich niet de vraag wat de inplanting van de [windturbine 3] in die zone naar veiligheidsrisico’s voor die mensen impliceert. Feit is bovendien dat de provincie Limburg zelve dit wandelen, fietsen, picknicken,… door en in de velden ook promoot, o.a. via haar gedeputeerde voor toerisme […]. Het is dus een zeer bekend fenomeen en het is niet zo dat ter plaatse - zoals [de verwerende partij] in antwoordnota beweert – enkel sporadisch een landbouwer passeert. Zie bv. […]” […] De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. […] De these dat naar een geschrift wordt verwezen met de ontkenning van verklaringen die hierin wél voorkomen, doet zich hier dus ook voor. De RvVb voert in het bestreden arrest aan dat [de verzoekende partij] in haar betoog louter verwijst naar de buurtweg nr. 39 terwijl dat betoog veel ruimer was dan dat en wel degelijk zeer concreet ingang op het toeristisch trekpleister gehalte van het specifieke gebied – zelfs erkend in het beleid van de provincie Limburg en van haar gedeputeerde voor toerisme […] – het feitelijk gebruik van de buurtweg (relevant in het licht van [artikel 38 van het gemeentewegendecreet]) en op de aanwezigheid van mensen op die VII-42.126-26/31 buurtweg en in de onmiddellijke omgeving van de [windturbine 3] (relevant in het licht van [artikel] 5.3.1, 1° DABM). Het bestreden arrest bevat ook verder geen concrete motivering t.a.v. deze concrete grieven en deer zeer concrete elementen nopens het toeristisch trekpleister gehalte van het specifieke gebied zoals ondersteund specifiek door de provincie Limburg, het feitelijk gebruik van de buurtweg en bijgevolg de aanwezigheid van mensen op die buurtweg en in dit gebied. De motivering verstrekt door de RvVb beantwoordt aldus ook niet aan de vereisten van [artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en artikel 88 van het procedurebesluit]. Het gegeven dat de aanwezigheid van de buurtweg nr. 39 en het provinciaal erkend toeristisch trekpleistergehalte van het gebied niet / niet uitvoerig zijn aangevoerd als bezwaar, zoals de RvVb nog overweegt, onthief de verwerende partij op generlei wijze van haar verplichtingen ex [artikel 38 van het gemeentewegendecreet], artikel 5.3.1 DABM juncto het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. In fine ligt hiervoor trouwens ook een verantwoordelijkheid bij de aanvrager [de tussenkomende partij] die dit (zelfs het loutere bestaan van de buurtweg nr. 39) immers (bewust?) niet vermeld heeft in het aanvraagdossier, en zo klaarblijkelijk mee bewerkstelligd heeft dat ook de minister dit over het hoofd heeft gezien (cf. de minister neemt immers quasi letterlijk het standpunt van de aanvrager zoals uitgeschreven in het aanvraagdossier over als eigen motivering in het MB van 01.04.2022). Het is trouwens toch ook wel zeer kort door de bocht (en onzorgvuldig rekening houdende met de eigen onderzoeksplicht) vanwege de minister om enerzijds wél in het MB te vermelden dat er in de zeer nabije omgeving verschillende Gallo-Romeinse tumuli aanwezig zijn – hoeveel van die liggen er in Vlaanderen ? – en anderzijds in datzelfde MB de aanvrager achteloos te volgen in zijn bewering dat er omzeggens geen mensen ter plaatse komen / passeren. Verder is de rechtspraak vaststaand in die zin dat met a posteriori motiveringen geen rekening kan worden gehouden, temeer wanneer deze zoals i.c. zelfs niet eens uitgaan van de minister, maar van de aanvrager. De verwijzingen die de RvVb in het bestreden arrest maakt naar een eenzijdig deskundig verslag, bijgebracht door de aanvrager in de annulatieprocedure, zijn dan ook niet dienstig. […] [De verzoekende partij] had dat trouwens ook betoogd (wederantwoordnota, pag. 69-70), maar andermaal negeert de RvVb dit in het bestreden arrest […].” 27. In de memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij nog aan dat de overweging in het bestreden arrest dat het project niet raakt aan buurtweg nr. 39, artikel 38, 3°, van het gemeentewegendecreet schendt “want raken is geen vereiste op basis van dit artikel”. VII-42.126-27/31 Beoordeling 28. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 15 van het procedurebesluit, artikel 6 EVRM, het verbod op het bestaan van een schijn van partijdigheid of het beginsel justice must not only be done but also seen to be done, Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 29. In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord de schending van artikel 38, 3°, van het gemeentewegendecreet ook ontwaart in de overweging van het bestreden arrest waarin wordt vastgesteld dat het project niet “raakt” aan buurtweg nr. 39, breidt zij het middel op niet- ontvankelijke wijze uit. 30. Anders dan de verzoekende partij dit in het bestreden arrest leest, heeft de RvVb niet geoordeeld dat “het gebruik van een buurtweg belemmeren of hinderen slechts verboden is wanneer het […] gaat om een buurtweg waarop een permanente aanwezigheid van meer dan 10 personen wordt verwacht” en op die wijze een constitutief element toegevoegd aan artikel 38 van het gemeentewegendecreet. Het bestreden arrest leidt enkel -onder meer- uit het feitelijk gegeven dat er geen permanente aanwezigheid van meer dan 10 personen te verwachten valt, af dat het betoog van verzoekende partij over een mogelijk veiligheidsrisico op de buurtweg niet ervan overtuigt dat de beoordeling van het veiligheidsrisico in de bestreden vergunningsbeslissing onjuist of kennelijk onredelijk is. Het valt verder niet in te zien hoe dit motief “een non-motivering, een gemis aan motivering” zou uitmaken. De in dit verband aangevoerde schending van artikel 38 van het gemeentewegendecreet en van de rechterlijke motiveringsplicht mist aldus feitelijke grondslag. VII-42.126-28/31 31. Het betreden arrest citeert de beoordeling van de veiligheidsrisico’s die in de bestreden vergunningsbeslissing werd gemaakt, en waarin over de effecten van ijsval wordt gesteld: “De effecten van ijsval doen zich hoofdzakelijk voor in de onmiddellijke omgeving van de windturbine. In de omgeving van de windturbine worden geen permanente of frequente onbeschermde aanwezigheid van mensen verwacht onder de wieken, waardoor de risico’s op ijsval aanvaardbaar zijn. De windturbines moeten uitgerust zijn met een ijsdetectiesysteem dat de turbine automatisch stillegt bij ijsvorming zodat het risico op ijsworp beperkt is.” De RvVb overweegt vervolgens dat de verzoekende partij niet aantoont dat de verwerende partij niet kon volstaan met deze motivering over het veiligheidsaspect, en dat de verzoekende partij niet aantoont dat deze beoordeling niet zou opgaan voor de buurtweg, noch dat deze onjuist of kennelijk onredelijk is. Hiermee heeft de RvVb duidelijk en ondubbelzinnig de kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot de beoordeling van de veiligheidsrisico’s, waaronder het risico van ijsval voor de gebruikers van de buurtweg beantwoord. In zoverre de verzoekende partij de schending van de rechterlijke motiveringsplicht afleidt uit de omstandigheid dat “in de eigen beoordeling die de RvVb maakt” niets te lezen valt over de effecten van ijsval, mist de kritiek dan ook feitelijke grondslag. 32. Met de beoordeling dat de verzoekende partij in haar betoog “louter” verwijst naar de buurtweg nr. 39, zonder daarbij de uiteenzetting van de verzoekende partij over de “toeristische trekpleister” te betrekken, geeft het bestreden arrest aan de schriftelijke uiteenzetting van de verzoekende partij geen uitlegging die ermee onverenigbaar is. Uit de in het middel aangehaalde passage van die schriftelijke uiteenzetting blijkt niet dat de verzoekende partij het argument van de “toeristische trekpleister” los heeft gezien van het gebruik van de betrokken buurtweg. De aangevoerde schending van de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring en de wederantwoordnota kan niet worden aangenomen. VII-42.126-29/31 Met de overwegingen dat de verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling in de bestreden beslissing met betrekking tot het veiligheidsrisico niet zou opgaan voor de buurtweg, noch dat deze onjuist of kennelijk onredelijk is, dat de vaststelling dat er geen permanente aanwezigheid verwacht wordt van meer dan 10 personen binnen de contour van mastbreuk, ook geldt voor de betrokken buurtweg, en dat de beweringen van de verzoekende partij aldus met concrete gegevens worden weerlegd, antwoordt het bestreden arrest impliciet doch zeker op het argument van de verzoekende partij dat de buurtweg is gelegen in een gebied dat zij als “toeristische trekpleister” beschouwt. De in dit verband aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht is ongegrond. 33. In zoverre de verzoekende partij de schending van de rechterlijke motiveringsplicht afleidt uit de omstandigheid dat het bestreden arrest haar argumenten met betrekking tot het door de tussenkomende partij voorgelegde deskundig verslag “negeert”, mist haar kritiek feitelijke grondslag. Het bestreden arrest motiveert immers uitdrukkelijk dat het de tussenkomende partij niet kan worden verweten een deskundig verslag te hebben laten opmaken om de feitelijke beweringen van de verzoekende partij te weerleggen, en dit verslag maar in de procedure voor de RvVb voor te leggen nu er eerder daartoe geen aanleiding bestond. 34. Met de overige kritiek die in het middel wordt ontwikkeld, nodigt de verzoekende partij de Raad van State uit om te oordelen of de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de veiligheidsrisico’s heeft overschreden, en aldus de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 35. In zoverre het ontvankelijk is, is het tweede middel ongegrond. VII-42.126-30/31 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.126-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.