id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.401 Rolnummer: A. 245351/IX-10706 Zaak: Arrest 264401 - ION - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-14 04:18 Fiche Arrest nr 264.401 van 1 oktober 2025 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.401 van 1 oktober 2025 in de zaak A. 245.351/IX-10.706 In zake: D.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Laurent Generet en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST 2. de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonathan de Wilde en Karel Devloo kantoor houdend te 5100 Jambes Passage de l’Atelier 6/2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 18 juli 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van (
- i)het besluit van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 28 mei 2025 waarbij verzoekers beroep tegen de vermelding ‘ongunstig’ ongegrond wordt verklaard en (
- ii)“[v]oor zover als nodig” de beslissing van de evaluatiecommissie van de mandaathouders, ondertekend op 11 en 12 maart 2025, waarbij aan verzoeker de evaluatievermelding ‘ongunstig’ wordt toegekend. IX-10.706-1/10 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikkingen van 23 juli 2025 en 29 augustus 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partijen hebben een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september 2025. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Generet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karel Devloo, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker wordt bij beslissing van 12 mei 2022 van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (hierna ook: de regering) aangesteld als administratief coördinator bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer IX-10.706-2/10 en Dringende Medische Hulp (hierna ook: BHDBDMH). Deze mandaatfunctie van niveau A5 behelst een periode van vijf jaar. 3.2. Twee jaar na de start van het mandaat, namelijk op 7 augustus 2024, wordt verzoeker uitgenodigd voor een eerste evaluatiegesprek, dat oorspronkelijk is gepland op 7 november 2024, maar wordt uitgesteld naar 12 december 2024. De dag van het evaluatiegesprek brengt verzoeker nog een “ondersteunende stukkenbundel” bij. De evaluatiecommissie stelt vast dat verzoeker het advies van de staatssecretaris niet heeft ontvangen, waarna wordt besloten om een tweede evaluatiegesprek te houden, dat aan het advies van de staatssecretaris gewijd zal zijn. 3.3. Dit tweede evaluatiegesprek vindt plaats op 13 februari 2025. Verzoeker legt hierbij opnieuw een stukkenbundel neer, die vervolgens ook digitaal wordt toegezonden. 3.4. Op 14 maart 2025 deelt de evaluatiecommissie haar beslissing aan verzoeker mee: zij heeft beslist om hem de vermelding ‘ongunstig’ toe te kennen. Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.5. Op 27 maart 2025 dient verzoeker tegen de beslissing van de evaluatiecommissie een schriftelijk beroep in bij de regering. Verzoeker wordt op 19 mei 2025 gehoord door de bevoegde minister, waarna de regering op 28 mei 2025 beslist om verzoekers beroep af te wijzen en de vermelding ‘ongunstig’ voor de tussentijdse evaluatie te behouden. Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-10.706-3/10 3.6. Op 16 oktober 2025 is het evaluatiegesprek in het kader van de verkorte evaluatiecyclus van zes maanden gepland. IV. Aanwijzing van de verwerende partij 4.1. De bestreden beslissingen zijn genomen door de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, een instelling van openbaar nut van categorie A, vermeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 ‘betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut’. De voornoemde instelling werd opgericht bij ordonnantie van 19 juli 1990 en heeft eigen rechtspersoonlijkheid. De regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest treedt bij het nemen van de eerste bestreden beslissing op als orgaan van de BHDBDMH. De BHDBDMH is dan ook de enige verwerende partij in deze zaak. 4.2. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest dient buiten de zaak te worden gesteld. V. Ontvankelijkheid 5.1. Naar luid van artikel 466 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ kan de mandaathouder die niet akkoord gaat met de vermelding ‘ongunstig’ een schriftelijk beroep indienen bij de regering, die zich vervolgens uitspreekt over het beroep. Hieruit volgt dat enkel de evaluatiebeslissing die door de regering is genomen een beslissing is “in laatste aanleg” waartegen een beroep bij de Raad van State openstaat. IX-10.706-4/10 5.2. In de huidige stand van de rechtspleging moet dan ook worden besloten dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het – “[v]oor zover als nodig” – is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, die uitgaat van de evaluatiecommissie. 5.3. Met ‘de bestreden beslissing’ wordt hierna de beslissing van de regering bedoeld. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker 7. Verzoeker zet de spoedeisendheid van zijn vordering in zijn inleidend verzoekschrift als volgt uiteen: “27. In casu bevindt verzoeker zich in een verkorte evaluatiecyclus ten gevolge van de onterecht ongunstige evaluatie. Artikel 465, § 1 van het Besluit van 21 maart 2018 stelt immers dat: ‘De mandaathouder wordt opgeroepen voor een eerste evaluatiegesprek twee jaar na het begin van het mandaat, en ten laatste twee jaar en drie maanden na het begin van het mandaat. Indien bij deze evaluatie de vermelding ‘ongunstig’ wordt verkregen, vindt een bijkomende evaluatie plaats binnen een termijn van zes maanden na de datum van kennisgeving van deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie resulteert in het toekennen van de vermelding ‘ongunstig’ aan de mandaathouder, eindigt zijn mandaat definitief en kan hij niet IX-10.706-5/10 deelnemen aan de volgende aanwijzingsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.’ […] Van zodra een mandaathouder een ongunstige tussentijdse evaluatiemelding krijgt, en hierdoor in een verkorte evaluatiecyclus terechtkomt, is er sprake van spoedeisendheid. Het staat vast dat een gewone vernietigingsprocedure nooit afgerond kan worden binnen de termijn waarbinnen de verkorte evaluatiecyclus volledig wordt doorlopen. Aldus kan afwerking van de verkorte evaluatiecyclus nooit vermeden worden in het kader van een gewone bodemprocedure. Verzoeker ervaart dus meteen de negatieve gevolgen van de ongunstige evaluatievermelding, nu hij zich door deze vermelding in die verkorte evaluatiecyclus bevindt. Opmerkelijk is dat verwerende partij er geen gras laat over groeien: verzoeker wordt amper drie maanden – zonder rekening te houden met de schorsende werking van de beroepsprocedure in schoot van de Brusselse […] Regering – nadat de evaluatiemelding definitief is geworden, uitgenodigd voor het evaluatiegesprek op 28 augustus 2025. Op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker, werd het gesprek uitgesteld naar 16 oktober 2025. Nu het evaluatiegesprek uiteindelijk op 16 oktober 2025 is vastgesteld, kan bevestigd worden dat de toekenning van de ongunstige evaluatievermelding reeds in 2025 zal tussenkomen. Rekening houdende met het feit [dat] verzoeker nog over een beroepsmogelijkheid beschikt, die hij binnen de 15 dagen na het toekennen van de evaluatievermelding dient uit te oefenen, en dat de Regering zich daarna binnen een termijn van 60 dagen na het ontvangen van het verzoekschrift dient uit te spreken over het beroep, kan met zekerheid gesteld worden dat de evaluatievermelding na de verkorte evaluatiecyclus definitief zal zijn eind 2025, begin 2026. Aldus zal de verkorte evaluatiecyclus volledig afgerond zijn voor de afhandeling van een gewone vernietigingsprocedure. Een en ander kan aldus niet vermeden worden in het kader van een gewone vernietigingsprocedure. Verder, indien verwerende partij aan verzoeker op deze bijkomende evaluatie de evaluatiemelding ‘ongunstig’ zou toekennen, dan zou dat bovendien het einde van het mandaat van verzoeker betekenen. In casu is de kans op een dergelijke tweede negatieve beoordeling van het werk van verzoeker reëel. Zo kan o.m. naar de context (p. 1.2) waarbinnen verzoeker zijn functie dient uit te oefenen verwezen worden en in het bijzonder de niet- overeenstemming van de doelstellingen met de werkelijkheid op het terrein. In feite wordt van verzoeker verwacht dat hij in amper drie maanden tijd, doelstellingen moet behalen, die niet behaald kunnen worden. Een beslissing van Uw Raad in het kader van een vernietigingsprocedure zou pas tussenkomen nadat het mandaat van verzoeker zou zijn beëindigd. 28. Het bovenstaande wordt bovendien versterkt door het feit dat verzoeker reeds 64 jaar is en hij vanaf 1 augustus 2025 aan de voorwaarden zal voldoen om vervroegd op pensioen te gaan (stuk D.1). Het vroegtijdig beëindigen van het mandaat impliceert immers dat verzoeker terugvalt in de graad die hij had voor het opnemen van het mandaat. Verzoeker was voor zijn mandaat bij BHDBDMH in dienst bij de FOD Financiën als attaché privacy en informatieveiligheid in de graad A1. De waarschijnlijkheid dat de FOD Financiën verzoeker op pensioen zal stellen bij terugkeer na het vroegtijdig beëindigen van het mandaat is zeer reëel, nu het aan de voorwaarden zal IX-10.706-6/10 voldoen voor een vervroegd pensioen. Dit zal ernstige economische gevolgen hebben voor verzoeker. Indien niet op korte termijn wordt ingegrepen, zullen de negatieve gevolgen van de verkorte evaluatiecyclus verregaand zijn. Wil verzoeker nuttig rechtsherstel, dan kan hij de doorlooptijd van een klassieke vernietigingsprocedure niet afwachten. Het bovenstaande toont de spoedeisendheid aan. 29. De bestreden beslissingen hebben ook morele schade en reputatieschade tot gevolg. Verzoeker bekleedt immers een belangrijke functie bij BHDBDMH en staat op hetzelfde niveau (A5) als de Officier Dienstchef en Officier twee in bevel in het organogram. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beoordeling die zowel formeel als inhoudelijk onjuist is. Alhoewel een dergelijke evaluatieprocedure in principe vertrouwelijk is, gaat het woord reeds de ronde bij het personeel van BHDBDMH dat verzoeker ongunstig werd geëvalueerd. Verzoeker heeft de geloofwaardigheid verloren in de uitoefening van zijn mandaat als administratief coördinator tegenover het personeel. Er is geen sprake van een vrees van reputatieschade, maar van een reeds vaststaande aantasting van de gedegen reputatie van de mandaathouder. Elke dag dat de bestreden beslissingen in het rechtsverkeer blijven, heeft bijkomende schade tot gevolg. Ook om deze reden wordt de spoedeisendheid aangetoond.” Beoordeling 8.1. Verzoeker situeert de spoedeisendheid vooreerst in het feit dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing in een verkorte evaluatiecyclus terechtkomt, in het kader waarvan op 16 oktober 2025 een nieuw evaluatiegesprek is vastgelegd. Bijgevolg, zo stelt verzoeker, zal de verkorte evaluatiecyclus zijn afgerond vóór de afhandeling van een gewone annulatieprocedure. Indien de tweede evaluatie eveneens ‘ongunstig’ luidt – en die kans acht verzoeker “reëel” – dan zou dat bovendien het einde van verzoekers mandaat betekenen, opnieuw vóór een annulatieprocedure haar beslag kan krijgen. Verzoeker voegt nog eraan toe dat hij vanaf 1 augustus 2025 aan de voorwaarden voldoet om vervroegd op pensioen te gaan en dat de kans reëel is dat hij in het geval van de beëindiging van zijn mandaat op pensioen zal gaan – en zelfs door het bestuur op vervroegd pensioen zal worden gesteld – in zijn onderliggend ambt van attaché (A1), wat “ernstige economische gevolgen” zal hebben. IX-10.706-7/10 8.2. De Raad van State valt verzoeker niet bij in zijn stelling dat er sprake is van spoedeisendheid zodra een personeelslid na een ongunstige tussentijdse evaluatie in een verkorte evaluatiecyclus terechtkomt. De bestreden beslissing wijzigt vooralsnog verzoekers rechtspositie niet. In casu moet immers worden vastgesteld dat slechts een eerste evaluatie met vermelding ‘ongunstig’ voorligt. Wat verzoeker als schade aanvoert – het beëindigen van zijn mandaat – kan, zoals verzoeker het stelt, slechts het gevolg zijn van een tweede evaluatie met vermelding ‘ongunstig’. De door verzoeker aangevoerde schade wordt dus niet door de thans bestreden beslissing veroorzaakt, maar impliceert dat hem navolgend nog een tweede evaluatie met vermelding ‘ongunstig’ wordt toegekend. Het is op dit ogenblik onzeker dat dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn. Dergelijke hypothetische schade vermag niet tot het besluit te leiden dat verzoeker zich in een toestand met dermate schadelijke gevolgen bevindt dat het nadeel niet meer zal kunnen worden gekeerd door een eventueel annulatiearrest. 8.3. Wat voorafgaat, geldt a fortiori voor de schade die verzoeker aanvoert met betrekking tot zijn vervroegd pensioen. Nog daargelaten de vraag op welke grond het bestuur verzoeker tegen zijn wens vervroegd op pensioen zou stellen, moet immers worden vastgesteld dat deze schade des te meer hypothetisch is, nu ze niet alleen afhankelijk is van een tweede evaluatie ‘ongunstig’ – die zich, zoals gezien, nog niet heeft gerealiseerd – maar bovendien van een vooralsnog onbestaande beslissing om verzoeker te pensioneren. 8.4. Voor zover verzoeker met “economische gevolgen” duidt op financiële gevolgen, moet worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Een financieel verlies kan immers, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, worden hersteld na een annulatiearrest. IX-10.706-8/10 Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Daarvan levert verzoeker niet het bewijs. 9.1. Zoals de Raad van State al in tal van arresten heeft overwogen, wordt een moreel nadeel in beginsel hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen en aldus het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. 9.2. Verzoeker stelt dat hij wordt geconfronteerd met een beoordeling die – volgens hem – “zowel formeel als inhoudelijk onjuist is”. Hij lijkt daarmee te refereren aan de wettigheidsbezwaren die hij tegen de bestreden beslissing aanvoert. Uit de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat de vordering spoedeisend is. Het feit dat verzoeker een belangrijke functie bekleedt, doet daaraan op zich geen afbreuk. 9.3. Het mag eveneens als vaste rechtspraak worden beschouwd dat een schorsingsarrest enkel werkt voor de toekomst. Dat betekent dat (beweerde) schade die zich reeds heeft gerealiseerd, door een schorsingsarrest niet ongedaan kan worden gemaakt en in beginsel ook niet dienstig kan worden ingeroepen om de spoedeisendheid van een vordering te staven. In dat opzicht kan de Raad van State niet eraan voorbijgaan dat verzoeker zelf de morele schade die hij aanvoert, omschrijft als ‘reeds voltrokken’. Hij betoogt immers: “Verzoeker heeft de geloofwaardigheid verloren in de uitoefening van zijn mandaat als administratief coördinator tegenover het personeel. Er is geen sprake van een vrees van reputatieschade, maar van een reeds vaststaande aantasting van de gedegen reputatie van de mandaathouder.” IX-10.706-9/10 9.4. De door verzoeker aangevoerde morele schade toont niet de rechtens vereiste spoedeisendheid aan. 10. Verzoeker toont niet aan dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. 11. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt buiten de zaak gesteld. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.706-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div