← België

Arrest 264405 - Luchtvaart - 01/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.405 Rolnummer: A. 242322/IX-10490 Zaak: Arrest 264405 - Luchtvaart - 01/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-14 04:18 Fiche Arrest nr 264.405 van 1 oktober 2025 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.405 van 1 oktober 2025 in de zaak A. 242.322/IX-10.490 In zake: H.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wiet Goris kantoor houdend te 1082 Sint-Agatha-Berchem Koning Albertlaan 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de FEDERALE POLITIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Hannah Mignolet en Linde Bevernaege kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 juni 2024, strekt tot de nie- tigverklaring van de beslissing van het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachti- gingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen van 31 mei 2024 met nummer BOR-AV/2023/
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij beschikking nr. 15.953 van 12 augustus 2024 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.490-1/12 Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Wiet Goris, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Linde Bevernaege en Hannah Mignolet, die verschijnen voor de ver- werende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter te- rechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De bestreden beslissing leert het volgende over de feitelijke ach- tergrond van de zaak. De Nationale Veiligheidsoverheid (NVO) beslist op 26 oktober 2023 tot het verlenen van een negatief veiligheidsadvies betreffende verzoeker, ge- motiveerd als volgt: IX-10.490-2/12 “Overwegende dat betrokkene door de politie gekend is voor Criminele or- ganisatie en in-uitvoer van verdovende middelen zonder machtiging sinds
  7. In het kader van het onderzoek naar SKY-ECC werd betrokkene ge- identificeerd als een gebruiker van de SKY-applicatie. Na de analyse van de onderschepte communicaties, ANPR gegevens, de luchthavenbadge van betrokkene etc. kon worden vastgesteld dat betrokkene deel uitmaakte van een team op de luchthaven Brussel-nationaal dat instond voor het ontvan- gen en naar buiten brengen van een pakket cocaïne. Tijdens zijn verhoor op 10/10/2023 ontkende betrokkene iets met deze feiten te maken te hebben; Overwegende dat het onderzoek naar bovenstaande feiten nog lopende is; Overwegende dat het bovenstaande doet vermoeden dat betrokkene deel uitmaakt van een criminele organisatie die zich bezighoudt met het invoe- ren van cocaïne; Overwegende dat betrokkene zijn luchthavenbadge en zijn toegang tot de beveiligde zones op de luchthaven van Brussel-nationaal misbruikt zou hebben om strafbare feiten te plegen en de activiteiten van een criminele organisatie te faciliteren; Overwegende dat het bovenstaande een gebrek aan betrouwbaarheid en in- tegriteit van betrokkene aantoont; Overwegende dat bovenvermelde elementen geen waarborg van integriteit geven, en een veiligheidsrisico kunnen vormen in het kader van de toegang van betrokkene tot bepaalde lokalen, gebouwen en terreinen, bedoeld in art. 22quinquies van de W.C&VM alsook de toegang tot kritieke delen van de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones op de luchtzijde van de luchthaven Brussel-Nationaal; Overwegende dat deze gegevens niet langer toelaten een positief veilig- heidsadvies toe te kennen in het kader van de voornoemde aanvragen.” Op 12 december 2023 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. Het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheids- attesten en veiligheidsadviezen (kort: het beroepsorgaan) verklaart met de thans bestreden beslissing van 31 mei 2024 het beroep ontvankelijk, maar ongegrond en het bevestigt het negatief veiligheidsadvies van de NVO van 26 oktober
  8. IX-10.490-3/12 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  9. De verwerende partij betoogt dat zij ten onrechte wordt aange- wezen als verwerende partij in deze zaak. Zij wijst erop dat de directeur-generaal van het directoraat-generaal Luchtvaart, ressorterend onder de FOD Mobiliteit en Vervoer, het negatief veiligheidsadvies ter kennis bracht aan verzoeker en aan de betrokken werkgever van verzoeker die vervolgens besliste tot weigering van de toekenning van de luchthavenidentificatiebadge. Bovendien werd de veiligheids- verificatie door de NVO ook uitgevoerd op basis van de beslissing van de direc- teur-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer van 22 mei
  10. Hier- uit volgt dat de Belgische Staat als verwerende partij aangewezen moet worden omdat die de bevoegde “administratieve overheid” is en de federale politie geen eigen autonome procesbevoegdheid heeft. De verwerende partij vraagt om buiten de zaak te worden gesteld.
  11. De partijen in een cassatieprocedure voor de Raad van State zijn dezelfde partijen als die welke in het geding waren voor het bestuursrechtscollege waarvan de beslissing het voorwerp uitmaakt van het cassatieberoep. De aanwijzing van de verwerende partij in cassatie volgt van rechtswege uit de hoedanigheid die deze partij voor het bestuursrechtscollege had als tegenpartij van de verzoekende partij in cassatie. Dat het bestuursrechtscollege – althans, volgens de verwerende partij – een verkeerde partij heeft aangewezen als procespartij, kan hieraan geen afbreuk doen. Ingeval tegen een verkeerde aanwijzing van de procespartij op ontvankelijke wijze in cassatie zou worden opgekomen, kan die omstandigheid tot cassatie leiden van de beslissing van het bestuursrechtscollege. Bij gebrek aan een (ontvankelijk) cassatiemiddel dat tegen de aanwijzing van de procespartij door het bestuursrechtscollege opkomt, kan de Raad van State die eventuele verkeerde aan- wijzing niet verbeteren. IX-10.490-4/12 Nu het beroepsorgaan in de bestreden uitspraak “[d]e Federale Politie (FEDPOL) (voorheen de Nationale Veiligheidsoverheid (NVO))” heeft aangewezen als de verwerende partij en hiertegen geen ontvankelijk cassatieberoep is ingesteld, is de federale politie dan ook de verwerende partij in de cassatiepro- cedure.
  12. Het verzoek om buiten de zaak te worden gesteld, wordt verwor- pen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. In een eerste middel voert verzoeker een schending aan van “het principe van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur evenals het principe van het recht op tegenspraak”, doordat het beroepsorgaan het veilig- heidsadvies van de NVO bevestigt waarover verzoeker niet voorafgaand werd ge- hoord door de NVO zodat hij geen tegenspraak heeft kunnen bieden over het initi- eel negatief veiligheidsadvies en de NVO de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet naleefde. Verzoeker diende gehoord te worden alvorens de beslissing van de NVO werd genomen en dat is geenszins gebeurd. Beoordeling
  14. Het beroepsorgaan doet inzake beroepen tegen negatieve veilig- heidsadviezen uitspraak als rechtscollege met volle rechtsmacht. Het beroepsor- gaan heeft een volledige soevereine beoordelingsbevoegdheid, zowel ten aanzien van de feiten als het recht. De bestreden beslissing van het beroepsorgaan komt in de plaats van het oorspronkelijke veiligheidsadvies, na een eigen onderzoek van het verificatiedossier. IX-10.490-5/12 Gelet op deze hervormingsbevoegdheid van het beroepsorgaan in het kader waarvan verzoeker gehoord werd en waarbij ten gronde, ter vervan- ging van het initieel veiligheidsadvies, uitspraak werd gedaan over zijn verweer tegen de stukken op basis waarvan de NVO een advies uitbracht, heeft verzoeker dan ook geen belang bij een cassatiemiddel met een kritiek dat hij niet gehoord werd door de NVO. Een middel kan niet tot cassatie leiden als het betrekking heeft op een onwettigheid die mogelijk reëel is maar de bestreden beslissing op grond van andere redenen overeind blijft, namelijk op basis van het eigen soevereine oor- deel van het beroepsorgaan over de grond van de zaak waartegen geen gegronde cassatiemiddelen worden aangevoerd.
  15. Het middel dat, al ware het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, heeft geen belang en is derhalve onontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. Een tweede middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Het beroepsorgaan heeft geen rekening gehouden met verzoe- kers vraag om de politie- en inlichtingendiensten te horen, inzonderheid met be- trekking tot een in het dossier aanwezige e-mail van 20 oktober 2023 gericht aan het parket van Halle-Vilvoorde, die vragen doet rijzen over de rol van de onder- zoeksrechter. Het beroepsorgaan heeft geen rekening gehouden met het feit dat verzoeker niet werd verhoord door de onderzoeksrechter en politioneel noch ge- rechtelijk gekend is. Het beroepsorgaan heeft zich ertoe beperkt te stellen dat de administratieve procedure niet dezelfde finaliteit heeft als het lopend gerechtelijk IX-10.490-6/12 onderzoek, maar zijn beslissing wel geënt op de inhoud van het gerechtelijk onder- zoek dat op geen enkele wijze aantoont dat verzoeker betrokken is bij feiten van criminele organisatie tot invoer van verdovende middelen. Een dergelijke motive- ring is zonder meer gebrekkig.
  17. Stellen dat het beroepsdossier volledig is en dat alle nodige ele- menten voorhanden zijn om tot een beslissing te komen, zo betoogt verzoeker nog in de memorie van wederantwoord, “kan geenszins beschouwd worden als een dui- delijke en ondubbelzinnige redengeving zodoende dat een schending voorligt van voormeld grondwetsartikel”. Hij herhaalt dat het beroepsorgaan op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de e-mail van 20 oktober 2023 “waarin blijk- baar akkoord werd gegeven door de onderzoeksrechter tot intrekking van de lucht- havenidentificatiebadge van verzoeker en dit terwijl de Nationale Veiligheidsover- heid nog een beslissing diende te nemen omtrent een af te leveren veiligheidsad- vies. De beslissing was met andere woorden reeds genomen”. Beoordeling
  18. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al waren die mo- tieven zinledig, verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde ge- volgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er daarom nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. IX-10.490-7/12 Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde ge- vallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grond- wet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het aan de bestreden beslis- sing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn be- slissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aan- voert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt.
  19. Het rechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven van de genomen beslissing de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. 14.
  20. Een eerste grief van verzoeker gaat terug op het verzoek dat hij in zijn conclusies voor het beroepsorgaan formuleerde om de politie- en inlichtin- gendiensten te horen. 14.
  21. Op dit verzoek om de politie- en inlichtingendiensten te horen, antwoordt het beroepsorgaan als volgt: “Het Beroepsorgaan gaat niet in op de vraag van verzoeker om voorafgaan- delijk de leden van de politie- of inlichtingendiensten die hebben meege- werkt aan de verificatie te horen, gelet het beroepsdossier volledig is en aldus de nodige elementen voorhanden zijn om tot een beslissing te ko- men.” Anders dan verzoeker aanvoert, heeft het beroepsorgaan hiermee wel degelijk uitdrukkelijk uitspraak gedaan over het verzoek en heeft het de rede- nen vermeld waarom hierop niet wordt ingegaan. Deze motivering is duidelijk en perfect begrijpelijk. Hiermee voldoet het beroepsorgaan aan de jurisdictionele mo- tiveringsplicht. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is in die mate dan ook ongegrond. IX-10.490-8/12 14.
  22. Dat verzoeker het inhoudelijk niet eens is met dit antwoord, is vreemd aan de in het middel aangevoerde schending van de jurisdictionele moti- veringsplicht. 15.
  23. Een tweede grief van verzoeker betreft de rol van de onderzoeks- rechter die zou blijken uit een e-mail van 20 oktober 2023 gericht aan het openbaar ministerie en die verzoeker interpreteert als zou de onderzoeksrechter de opdracht hebben gegeven tot het negatief veiligheidsadvies en de intrekking van de badge. Hij verwijst hiermee naar het verweer dat hij als derde middel in zijn conclusies voor het beroepsorgaan inriep. 15.
  24. Op deze grief antwoordt het beroepsorgaan als volgt: “In de mate dat verzoeker aanvoert dat het de onderzoeksrechter is die aan de basis zou liggen van de intrekking van zijn luchthavenbadge, dient erop te worden gewezen dat het de NVO is die de beslissing tot negatief veilig- heidsadvies heeft genomen en dit op basis van de nieuwe gegevens die zij ontving en die in de bestreden beslissing werden opgenomen.” 15.
  25. Anders dan verzoeker aanvoert, heeft het beroepsorgaan aldus uitdrukkelijk geantwoord op het verweer over de rol van de onderzoeksrechter en heeft het de redenen weergegeven waarom het dit verweer niet volgt. Deze moti- vering is kort, maar duidelijk. Hiermee voldoet het beroepsorgaan aan zijn grond- wettelijke motiveringsplicht. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is dan ook in die mate ongegrond. 15.
  26. Dat verzoeker het inhoudelijk niet eens is met deze motivering, wijst niet op een motiveringsgebrek in de zin van de aangevoerde grondwetsbepa- ling. 16.
  27. In het inleidend verzoekschrift formuleert verzoeker ook als grief dat het beroepsorgaan op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met het feit dat hij niet is verhoord door de onderzoeksrechter en hij politioneel noch straf- rechtelijk gekend is. IX-10.490-9/12 16.
  28. Verzoeker herneemt deze grief niet in de memorie van weder- antwoord, die de vorm heeft van een samenvattende memorie overeenkomstig ar- tikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. Het middelonderdeel dat niet in de memorie van wederantwoord wordt hernomen, wordt door de cassatierechter niet beoordeeld. 16.
  29. In zoverre is het middel onontvankelijk.
  30. Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Een derde middel is genomen uit de schending “van het basis- principe van de scheiding der machten” doordat “[de] bestreden beslissing van de Nationale Veiligheidsoverheid (zijnde de uitvoerende macht) werd genomen op 26 oktober 2023 en […] zonder meer [is] ingegeven en geënt op de inhoud van de e-mail van 20 oktober 2023 waarin de onderzoeksrechter (zijnde de rechterlijke macht) de opdracht heeft gegeven om de luchthavenidentificatiebadge in te trek- ken”.
  32. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat zijn kritiek “uiteraard niet gericht [is] op de beslissing van de Nationale Veiligheids- overheid, hetgeen verweerster lijkt aan te geven, doch wel op de beslissing van het Beroepsorgaan aangezien deze laatste met dit alles geen rekening heeft gehouden en blijkbaar geen graten ziet in de e-mail van 20 oktober
  33. Het Beroepsorgaan lijkt niet begrepen te hebben dat de beslissing van de Nationale Veiligheidsover- heid tot negatief veiligheidsadvies in de sterren geschreven stond aangezien in het kader van de veiligheidsverificatie en veiligheidsonderzoek van verzoeker reeds IX-10.490-10/12 mondeling opdracht verleend werd door de onderzoeksrechter tot intrekking van de luchthavenidentificatiebadge van verzoeker”. Beoordeling
  34. Het middel, zoals het is aangevoerd en toegelicht in het inleidend verzoekschrift, is gericht tegen “[de] bestreden beslissing van de Nationale Veilig- heidsoverheid [van] 26 oktober 2023” en niet tegen de uitspraak van het beroeps- orgaan die in de plaats is gekomen van de beroepen beslissing van de NVO. Om de redenen uiteengezet hiervóór sub 8, is het middel niet ontvankelijk.
  35. Daargelaten of verzoeker erin slaagt in de memorie van weder- antwoord op een bevattelijke wijze uiteen te zetten hoe het middel ook betrokken moet worden op de beslissing van het beroepsorgaan, is dit hoe dan ook laattijdig en dus ook onontvankelijk.
  36. Het middel is onontvankelijk. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechts- plegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende par- tij. IX-10.490-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.490-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.