id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.406 Rolnummer: A. 241199/IX-10417 Zaak: Arrest 264406 - Bijdragen sociale zekerheid - 01/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-14 04:18 Fiche Arrest nr 264.406 van 1 oktober 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Bijdragen sociale zekerheid Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.406 van 1 oktober 2025 in de zaak A. 241.199/IX-10.417 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier De Pauw kantoor houdend te 9041 Gent Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van 15 december 2023 waarbij verzoeksters betwisting onontvankelijk wordt verklaard en “[h]et oorspronkelijke bedrag” van 2342,92 euro behouden blijft. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. IX-10.417-1/8 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lukas Asselman, die loco advocaat Olivier De Pauw verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is ziekenhuisapotheker-titularis en op het ogenblik van de bestreden beslissing statutair aangesteld als hoofdapotheker binnen het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent. 3.
- In die hoedanigheid is verzoekster onderworpen aan artikel 54 van de wet ‘betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994’ (ziekteverzekeringswet) en aan het koninklijk besluit van 5 mei 2020 ‘tot instelling van een regeling van sociale en andere voordelen aan sommige zorgverleners die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten’ (het koninklijk besluit van IX-10.417-2/8 5 mei 2020). Dit besluit stelt de regeling vast van sociale voordelen en andere voordelen voor bepaalde categorieën van zorgverleners, waaronder apothekers. Het sociale voordeel bestaat uit een aandeel van het Rijks- instituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) in de contributies voor overeenkomsten die een vervangingsinkomen garanderen bij invaliditeit, pensioen of overlijden. Aan de hand van een automatische premieaanvraag wordt berekend op welk bedrag van het sociale voordeel de zorgverlener recht heeft. Luidens artikel 11, § 5, van het koninklijk besluit van 5 mei 2020 kunnen ontvankelijke aanvragen na uitnodiging door de dienst voor geneeskundige verzorging, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de zestig dagen na uitnodiging worden aangevuld, volgens de modaliteiten te bepalen door het RIZIV. 3.
- Op 7 juli 2023 wordt aan verzoekster gemeld dat naar aanleiding van de automatische premieaanvraag voor het sociaal statuut 2022, het bedrag van het sociaal statuut voorlopig wordt berekend op 2342,92 euro. Verzoekster heeft de drempel voor het maximumbedrag niet bereikt. Er wordt haar meegedeeld dat zij de mogelijkheid heeft om tot 31 augustus 2023 extra informatie toe te voegen en dat na die datum een nieuwe beslissing over het bedrag van het sociaal statuut zal worden genomen. Verzoekster stuurt dit bericht door naar haar werkgever, die aan het RIZIV meedeelt bereid te zijn om de bijdrage te betalen die nodig is voor het behoud van het sociaal statuut waarop verzoekster recht heeft bij een voltijdse tewerkstelling als apotheker. Na enig aandringen van de werkgever deelt het RIZIV mee dat voor de beoogde regeling navraag kan worden gedaan bij de verzekeringsmaatschappij van verzoekster. 3.
- Op 18 september 2023 beslist de verwerende partij dat het bedrag van het sociaal statuut vastgelegd wordt op 2342,92 euro. IX-10.417-3/8 Blijkbaar – de partijen leggen hieromtrent geen stuk voor – betwist verzoekster die beslissing. Op 15 december 2023 oordeelt de verwerende partij: “Hieronder kan u de beslissing terugvinden met betrekking tot uw betwisting van uw sociaal statuut 2022 die wij hebben ontvangen op 26-10-
- […] Uw premie Na onderzoek van uw dossier blijkt dat uw betwisting onontvankelijk is. Het oorspronkelijke bedrag blijft dus behouden, nl. € 2.342,
- Zoals aangegeven door uw werkgever in de mail van 17/08/2023, zal hij het verschil tussen het bedrag dat wij berekend hebben en het maximale bedrag bijpassen.” Dat is de bestreden beslissing. Ze vermeldt een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Ambtshalve exceptie 4.
- In het auditoraatsverslag is de ambtshalve exceptie opgeworpen dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van het beroep kennis te nemen, omdat het geschil betrekking heeft op de berekening van het aandeel van het RIZIV in de contributie voor overeenkomsten “die een vervangingsinkomen garanderen bij invaliditeit of voor een hogervermelde pensioenovereenkomst”. Die geschillen behoren krachtens artikel 167, eerste lid, van de ziekteverzekeringswet tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. 4.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij zich bij die redenering kan aansluiten en dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van het beroep kennis te nemen. 4.
- De verwerende partij betoogt in haar laatste memorie dat zij zich “niet zonder meer [kan] aansluiten” bij de strekking van het auditoraatsverslag. IX-10.417-4/8 Zij stelt dat, hoewel uit artikel 167, eerste lid, van de ziekteverzekeringswet inderdaad blijkt dat de daarin bedoelde betwistingen behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, daaruit niet volgt dat elk beroep dat in het kader van die wet wordt ingediend buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt. Te dezen ziet de verwerende partij twee elementen ter ondersteuning van haar voorbehoud. Ten eerste verwijst zij naar arrest nr. 260.690 van 20 september 2024, dat betrekking heeft op een weigering tot toekenning van een geïntegreerde praktijkpremie. Die aangelegenheid, zo stelt de verwerende partij, wordt geregeld door een koninklijk besluit dat net zoals het koninklijk besluit van 5 mei 2020 werd genomen ter uitvoering van de ziekteverzekeringswet en uit het feit dat de annulatieprocedure in die zaak “volledig doorlopen werd”, leidt zij af dat de Raad van State toch bevoegd kan zijn. Daarnaast merkt de verwerende partij op dat verzoekster in haar verzoekschrift zelf argumenteert dat de bestreden beslissing een eenzijdige administratieve rechtshandeling is die voor de Raad van State kan worden aangevochten. Beoordeling
- Dat een verzoekende partij die aan de Raad van State de nietigverklaring van een beslissing vraagt, ervan uitgaat dat de Raad ook rechtsmacht heeft om van dat beroep kennis te nemen, mag niet verwonderen. Daaraan kan de verwerende partij dan ook bezwaarlijk een argument ontlenen. Het staat evenwel aan de Raad van State, en niet aan de partijen, om te oordelen of hij, gelet op het werkelijke voorwerp van het geschil, rechtsmacht heeft om over het beroep uitspraak te doen. 6.
- Verzoekster richt haar beroep tegen de beslissing waarbij haar ‘betwisting’ wordt verworpen en het haar toekomende sociale voordeel in het kader van het koninklijk besluit van 5 mei 2020 wordt bepaald op 2342,92 euro. 6.
- De rechtsgrond voor dit besluit en het daarin geregelde sociale voordeel is artikel 54 van de ziekteverzekeringswet. IX-10.417-5/8 Krachtens artikel 54, § 1, eerste lid, van die wet kan de Koning een regeling van sociale voordelen invoeren voor de apothekers die tot de hen betreffende overeenkomst toetreden en die volgens de door de commissie voorgestelde modaliteiten, het genot ervan vragen. Ter uitvoering van die wetsbepaling stelt artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 mei 2020 dat een regeling van sociale voordelen wordt ingesteld tot vestiging van hetzij een rente, een pensioen of een kapitaal in geval van rust, hetzij een rente, een pensioen of een kapitaal bij overlijden, hetzij een rente of een pensioen in geval van invaliditeit, hetzij verscheidene van die renten, pensioenen of kapitalen, voor sommige zorgverleners die als verbintenis tot het garanderen van tariefzekerheid geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten gesloten door de organen zoals bedoeld in artikel 26 van de ziekteverzekeringswet, evenals een premie andere voordelen voor deze zorgverleners welke het wettelijke rustpensioen hebben opgenomen. 6.
- Artikel 167, eerste tot derde lid, van de ziekteverzekeringswet bepaalt: “Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 52, § 3, behoren de betwistingen in verband met de rechten en plichten voortvloeiend uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. De bestreden administratieve rechtshandelingen moeten, op straffe van verval, binnen een maand na de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.” Hieruit volgt dat de wetgever de beslechting van deze geschillen aan de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechtbank heeft toegewezen. De Raad van State heeft bijgevolg geen rechtsmacht om kennis te nemen van het beroep van verzoekster tegen de beslissing van het RIZIV met betrekking tot de berekening van het sociale voordeel. IX-10.417-6/8
- De door de verwerende partij aangevoerde verwijzing naar arrest nr. 260.690 van 20 september 2024 doet niet anders besluiten. In die zaak is in het auditoraatsverslag voorgesteld om het beroep te verwerpen bij gebrek aan een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en heeft de Raad van State, bij gebrek aan een verzoek tot voortzetting van de procedure, volgens een versnelde procedure met toepassing van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de afstand van het geding uitgesproken die het door de wetgever gewenste automatische gevolg is van de proceshouding van de verzoekende partij in die zaak. Anders dan de verwerende partij het ziet, laat dat procedureverloop geenszins toe te besluiten dat de Raad van State over zijn rechtsmacht heeft geoordeeld.
- De ambtshalve exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. V. Kosten
- Gelet op het feit dat bij de kennisgeving aan verzoekster ten onrechte melding wordt gemaakt van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State tegen de bestreden beslissing, past het om de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.417-7/8
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.417-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.