← België

Arrest 264407 - Tucht (openbaar ambt) - 01/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.407 Rolnummer: A. 242414/IX-10495 Zaak: Arrest 264407 - Tucht (openbaar ambt) - 01/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-14 04:18 Fiche Arrest nr 264.407 van 1 oktober 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.407 van 1 oktober 2025 in de zaak A. 242.414/IX-10.495 In zake : M.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitster van het directiecomité van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer van 22 mei 2024 waarbij verzoekster “de tuchtstraf van de inhouding van wedde […] gedurende een periode van 10 maanden en ten belope van 10% van het maandelijks loon per maand” wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.495-1/14 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  3. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is aangesteld als administratief assistent bij de stafdienst Personeel en Organisatie van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (FOD Mobiliteit en Vervoer), niveau C. Zij behoort tot de Nederlandse taalrol. Op 9 maart 2023 dient H.K., eveneens administratief assistent bij de FOD Mobiliteit en Vervoer, ten aanzien van verzoekster bij de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (EMPREVA) een verzoek in tot formele psychosociale interventie wegens feiten van geweld, pesterijen en/of ongewenst seksueel gedrag op het werk. H.K. behoort tot de Franse taalrol. IX-10.495-2/14 Op 16 mei 2023 stelt de preventieadviseur hieromtrent een verslag op ten behoeve van de werkgever. 3.
  6. H.D., attaché (klasse A2) bij de diensten van het voorzitterschap, wordt aangewezen als de bevoegde hiërarchische meerdere van verzoekster voor de behandeling van het tuchtdossier (“tuchtonderzoekster”). Zij hoort H.K. en drie getuigen. Bij het gesprek met H.K. op 19 juni 2023 is attaché M.A. aanwezig. Het proces-verbaal van dit gesprek wordt opgesteld in het Frans, door de tuchtonderzoekster en H.K. ondertekend en nadien vertaald naar het Nederlands. 3.
  7. Met een aangetekende brief van 11 augustus 2023 wordt verzoekster door de tuchtonderzoekster ervan in kennis gesteld dat een tuchtprocedure tegen haar wordt opgestart en dat zij zal worden gehoord. Op 12 september 2023 wordt verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, gehoord door de tuchtonderzoekster. Op 5 november 2023 stelt de tuchtonderzoekster een tuchtverslag op, waarna verzoekster op 28 november 2023 wordt gehoord door het directiecomité. Met een aangetekend schrijven van 19 december 2023 wordt het voorstel van het directiecomité toegezonden aan verzoekster. Dat voorstel strekt ertoe om verzoekster de tuchtstraf op te leggen van de inhouding van wedde gedurende een periode van tien maanden en ten belope van 10% van het maandelijks loon per maand. 3.
  8. Verzoekster tekent beroep aan bij de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren (“de raad van beroep”). De hoorzitting vindt plaats op 15 februari
  9. IX-10.495-3/14 Op 8 mei 2024 adviseert de raad van beroep bij unanimiteit dat de ‘terechtwijzing’ de meest aangepaste tuchtstraf is. 3.
  10. Op 22 mei 2024 beslist de voorzitster van het directiecomité, bij delegatie, om verzoekster de tuchtstraf van de inhouding van wedde gedurende een periode van tien maanden en ten belope van 10% van het maandelijks loon per maand op te leggen. De tuchtoverheid overweegt hierbij wat volgt: “Er moet vastgesteld worden dat het advies van de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren dd. 8 mei 2024 zeer summier gemotiveerd is. Het is onmogelijk om af te leiden met welke argumenten van de partijen de Raad van Beroep al dan niet rekening heeft gehouden, wat haar beoordeling van deze argumenten was, en welke de doorslag hebben gegeven in haar beslissing om in dergelijke grote mate af te wijken van het advies van het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer – er had immers ook geadviseerd kunnen worden om een beperktere inhouding van wedde voor te stellen. In die zin acht de Voorzitster de motivering van de Raad van Beroep onvoldoende draagkrachtig. Er moet immers het volgende vastgesteld worden over de beoordeling van het hoger beroep door de Raad, en in het bijzonder over de analyse van de gegrondheid van het beroep door de Raad: - De Raad van Beroep stelt in dezelfde lijn als het advies van het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer dat de tuchtfeiten naar voldoening van recht bewezen zijn, maar dat [verzoekster] geen slechte of racistische motieven heeft gehad. Haar uitlatingen en gedragingen worden toch als ‘onaanvaardbaar’ beschouwd door de Raad van Beroep. Hiermee zitten de Raad en het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer volledig op dezelfde lijn; - De Raad van Beroep citeert in haar advies de verschillende rechtsnormen die het Directiecomité heeft weerhouden als zijnde geschonden door deze feiten, evenwel zonder uitspraak te doen over deze kwalificatie; - Vervolgens vermeldt het advies van 8 mei 2024 dat diversiteit en inclusie belangrijke kernwaarden zijn binnen de Federale Overheidsdiensten, dat er voor ieder steeds een veilige werkomgeving moet aanwezig zijn en dat elke vorm van racisme wordt veroordeeld. Hiermee wordt aansluiting gevonden bij de overweging van het Directiecomité in haar advies van 19 december 2023 dat de FOD Mobiliteit en Vervoer diversiteit als belangrijke kernwaarde heeft, waarbij gelijke kansen gerespecteerd worden en diversiteit bevorderd IX-10.495-4/14 wordt, ook op het vlak van personeelsbeheer; - Er wordt voortgegaan met een overweging over het ontbreken van slechte bedoelingen bij [verzoekster], hoewel die er niet aan afdoen dat [K.] zich hierdoor gekwetst voelde. De potentiële maar uiteraard niet vaststaande link met het ontslag dat [K.] inmiddels heeft genomen, wordt ook door de Raad van Beroep gelegd, net zoals dit gebeurde door het Directiecomité; - De Raad van Beroep stelde vast dat er ‘een zekere mate’ van schuldinzicht ontbreekt bij [verzoekster]. Dit waar het Directiecomité in haar advies sprak over het ‘in zeer grote mate ontbreken’ van schuldinzicht. De Voorzitster vindt de Raad van Beroep hier mild in zijn bewoordingen, zeker gelet op de verklaring van [verzoekster] ‘dat [K.] zelf niet onbesproken is’ (zoals opgenomen op pagina 5 van het advies van de Raad van Beroep). De Voorzitster stelt vast dat [K.] ten eerste geen partij was in deze procedure, dat haar proces hier niet dient gemaakt te worden, zij zich niet kon verdedigen op deze uitspraken en dat dit gegeven, zelfs indien dit zou overeenkomen met de werkelijkheid, volledig irrelevant is en nooit racisme kan en mag verantwoorden. Dergelijke verdediging is zelfs kwalijk in die zin dat zij ervan uitgaat dat dergelijk racisme in zekere mate kan verantwoord worden door gedragingen van het slachtoffer, die echter niets te maken hebben met dienst afkomst, etniciteit, ras, huidskleur… Dergelijke vorm van ‘victim blaming’ duidt net op een gebrek aan persoonlijk schuldinzicht in hoofde van [verzoekster]. Of de Raad van Beroep rekening heeft gehouden met deze woorden van [verzoekster] en op welke manier deze invloed hebben gehad op zijn overwegingen, is echter niet duidelijk; - De laatste overweging betreft het feit dat [verzoekster] haar excuses heeft aangeboden, ook ter zitting, en dat zij ‘een cursus heeft gevolgd hieromtrent’. Het is niet duidelijk of de Raad van Beroep stukken heeft ontvangen over het volgen van deze cursus, welke cursus dit was en in welke mate deze relevant was. Deze overweging komt verder overeen met deze die werd gemaakt door het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer. Er werd nl. in het advies van 19 december 2023 gesteld dat [verzoekster] haar spijt had betuigd en dat zij voorstelde een communicatiecursus te volgen. Méér overwegingen maakt de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren niet. Met andere woorden: alle overwegingen die de Raad maakte, werden op quasi identieke manier, zij het uitgebreider, ook gemaakt door het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer. De Raad komt echter tot het advies om op basis van zijn overwegingen (die zoals gezegd dezelfde zijn als deze van het Directiecomité), een substantieel lichtere tuchtsanctie op te leggen. Het is voor de Voorzitster onmogelijk af te leiden welke elementen precies hebben geleid tot het adviseren van een substantieel lichtere tuchtstraf (terwijl er de mogelijkheid was een gematigd lichtere tuchtstraf te adviseren, nl. een beperktere inhouding van wedde, zowel in bedrag als in de tijd). Immers, enkel de excuses die [verzoekster] meermaals aanbood, en het feit dat zij een cursus zou hebben gevolgd (maar waarover verder geen informatie IX-10.495-5/14 wordt gegeven) worden aangehaald als elementen die verzachtend zijn voor [verzoekster]. Dit zijn elementen waarmee het Directiecomité ook reeds rekening hield (zij het dat er toen nog sprake was van een intentie om een cursus te volgen). Er werden geen nieuwe verzachtende elementen aangehaald in de beoordeling door de Raad van Beroep. In welke mate de Raad van Beroep heeft rekening gehouden met elementen die niet voorkwamen in het advies van het Directiecomité is hierbij volledig onduidelijk, nu er over al deze elementen geen woord wordt vermeld in de beoordeling door de Raad. Het gaat hierbij om het verweer van [verzoekster] dat [K.] niet onbesproken zou zijn, het feit dat zij verklaarde ‘gezocht te worden’ en dat haar proces reeds op voorhand zou gemaakt zijn, de vermeende schending van de discretieplicht en de deontologie door de Directeur van de Functionele Dienst P&O, zowel als vermeende vooringenomenheid in zijn hoofde omdat hij deel uitmaakte van het Directiecomité dat ‘die sanctie heeft opgelegd’ (NB dat het hier om een advies ging). De bovenstaande vaststellingen over het advies van de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren motiveren voldoende, conform artikel 94, tweede lid, van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel waarom onderhavige beslissing afwijkt van het advies van de Raad van Beroep. De Voorzitster verwijst naar het advies van het Directiecomité dd. 19 december 2023, dat zij zich volledig eigen maakt, met expliciete overneming van alle motieven die eraan ten grondslag liggen. Ten overvloede voegt zij toe dat er haar inziens geen enkele reden is om aan te nemen dat [verzoekster] ‘werd gezocht’ of dat haar proces op voorhand zou zijn gemaakt. Zij stelt samen met de Raad van Beroep vast dat het tuchtonderzoek voldoende grondig werd gevoerd. Wat betreft de beweerde schendingen van de discretieplicht, deontologie en vermeende vooringenomenheid door de Directeur van de Functionele Dienst P&O is hier geen enkele aanwijzing voor. In zoverre de Raad van Beroep hiermee rekening zou hebben gehouden in haar beoordeling (wat onduidelijk is), was dit niet terecht. In het bijzonder wat betreft het feit dat hij deel uitmaakte van het Directiecomité dat het advies dd. 19 december 2023 uitbracht, werd hier louter de gewone tuchtprocedure gevolgd, en werd het advies uitgebracht bij geheime stemming. Noch het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, noch vaststaande rechtspraak en rechtsleer verzetten zich tegen het feit dat een mandaathouder waaronder de ambtenaar ressorteert, deel zou uitmaken van het Directiecomité dat het tuchtdossier behandelt. Ook deze elementen kunnen een lichtere sanctie dan deze die werd voorgesteld door het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer dd. 19 december 2023 aldus niet verantwoorden. Om bovenstaande redenen worden alle tuchtfeiten waarvoor de tuchtprocedure ten aanzien van [verzoekster] werd aangevat, voldoende bewezen geacht en wordt aan [verzoekster] de tuchtstraf van de inhouding van wedde opgelegd gedurende een periode van 10 maanden en ten belope van 10% van het maandelijks loon per maand (artikel 77, eerste lid, 2° van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het IX-10.495-6/14 rijkspersoneel), met ingang van de maand volgend op de kennisgeving van de onderhavige beslissing.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  11. Verzoekster beroept zich in een eerste middel op een schending van de rechten van verdediging en het fundamentele recht om te begrijpen en begrepen te worden en van artikel 39 iuncto artikel 17, § 1, “van de bestuurstaalwet van 18 juli 1966”. Verzoekster betoogt dat uit de artikelen 17, § 1, en 39 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet) volgt dat een centrale dienst bij een zaak die betrekking heeft op een ambtenaar, de taalrol van de ambtenaar gebruikt. Dat betekent, zo stelt verzoekster, dat te dezen niet enkel de besluitvorming in de tuchtprocedure, maar ook alle voorbereidende handelingen in het Nederlands dienen te gebeuren, “zonder tussenkomst van vertalers”. Die regel acht verzoekster geschonden doordat zich in het tuchtdossier een proces-verbaal bevindt dat in het Frans is opgesteld – de neerslag van het gesprek met H.K. op 19 juni 2023 – en dat enkel in die versie is ondertekend, zonder dat is aangetoond dat de aangewezen tuchtonderzoekster of de bij het gesprek aanwezige attaché – wiens taalrol onduidelijk is – over een bewijs van tweetaligheid beschikt. Verzoekster stipt aan dat er weliswaar een vertaling is toegevoegd, maar eensdeels blijkt niet wie die vertaling heeft opgesteld en anderdeels is ze niet ondertekend en dus niet rechtsgeldig. Hieruit besluit verzoekster dat niet alle essentiële stukken waarop de bestreden beslissing steunt in het Nederlands zijn opgesteld en dat die miskenning van de bestuurstaalwet tot een schending van de rechten van verdediging heeft geleid. IX-10.495-7/14
  12. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de verklaring van H.K. werd afgenomen in aanwezigheid van een Franstalige ambtenaar, dat er van die verklaring wel degelijk een Nederlandstalige vertaling in het tuchtdossier aanwezig was en dat die vertaling is opgesteld door een medewerkster van de interne vertaaldienst die “over de vereiste gediplomeerde bekwaamheid beschikt om een vertaling van het Frans naar het Nederlands te doen”. Voorts betoogt de verwerende partij dat de aanwezigheid van een vertaling van een anderstalig stuk in het tuchtdossier volstaat om aan de voorschriften van de bestuurstaalwet te voldoen. Bovendien, zo stipt de verwerende partij aan, heeft verzoekster tijdens de procedure op grondige wijze “van de (vertaalde) verklaring” van H.K. kennis kunnen nemen en er verweer tegen kunnen voeren.
  13. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat de ambtenaar die de verklaring van H.K. van het Frans naar het Nederlands heeft vertaald, wel degelijk een afdoende kennis van de Franse taal kan voorleggen. Zij wijst er voorts op dat over de duidelijkheid of de concrete kwaliteit van de vertaling geen enkele opmerking wordt gemaakt. Beoordeling
  14. Krachtens artikel 39, § 1, van de bestuurstaalwet dienen de centrale diensten, waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, zich in hun binnendiensten te gedragen naar artikel 17, § 1, van dezelfde wet, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor de behandeling van de zaken vermeld onder B, 1°, van de laatstgenoemde bepaling. Artikel 17, § 1, B, 1°, heeft betrekking op de zaken die een ambtenaar van de betrokken dienst betreffen. Uit voormeld artikel 39, § 1, gelezen in samenhang met artikel 17, § 1, B, 1°, van de bestuurstaalwet volgt dat iedere centrale dienst de taal van de taalrol van de ambtenaar gebruikt, indien de zaak betrekking heeft op een ambtenaar van een dergelijke dienst. IX-10.495-8/14 Aangezien verzoekster behoort tot de Nederlandse taalrol, diende de besluitvorming over de tuchtsanctie die haar werd opgelegd, uitsluitend in het Nederlands te gebeuren. Dat houdt ook in dat alle essentiële stukken waarop de besluitvorming steunt in het Nederlands moeten zijn opgesteld.
  15. Verzoekster acht de ingeroepen rechtsgronden geschonden om twee redenen; eensdeels omdat H.K. werd gehoord in het Frans terwijl noch de tuchtonderzoekster, noch de aanwezige attaché M.A. beschikken over een bewijs van tweetaligheid en de taalrol van M.A. niet is vermeld, anderdeels omdat de Nederlandse vertaling van het proces-verbaal niet is ondertekend en het niet duidelijk is wie die vertaling heeft opgesteld.
  16. Naar luid van artikel 78, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ dient de bevoegde hiërarchische meerdere de tuchtoverheid te informeren over, onder meer, de ten laste gelegde feiten en de verklaringen van getuigen. Het is derhalve essentieel dat die hiërarchische meerdere verklaringen van anderstalige getuigen correct kan begrijpen en weergeven, zodat de tuchtoverheid op correcte wijze wordt ingelicht en de rechten van verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde worden gevrijwaard. 10.
  17. Met betrekking tot de aldus rijzende vraag of de taalkennis van of tuchtonderzoekster H.D. of attaché M.A. toereikend was om een getuige van de Franse taalrol in een tuchtprocedure te horen, moet het volgende worden vastgesteld. H.D. behoort tot de Nederlandse taalrol en het is niet aangetoond dat zij beschikt over een tweetaligheidsattest of over een objectief vastgestelde reële kennis van het Frans die haar in staat stelt mondelinge verklaringen in die taal (integraal) te begrijpen en te noteren. Voor de bij het verhoor aanwezige attaché M.A., die blijkens het administratief dossier behoort tot de Franse taalrol, ligt evenmin een tweetaligheidsattest voor. Bijgevolg is niet aangetoond dat het verhoor van H.K. werd afgenomen door of in het bijzijn van iemand die het bewijs kan leveren van een IX-10.495-9/14 voldoende niveau van tweetaligheid om de betrokkene te horen en haar verklaringen te notuleren in een (Nederlandstalige) tuchtprocedure met het oog op een betrouwbaar verslag voor de tuchtoverheid. 10.
  18. Die vaststelling op zich vitieert evenwel niet de tuchtprocedure. H.K. heeft immers het Franstalige proces-verbaal van haar verhoor samen met de tuchtonderzoekster ondertekend, zodat zij bevestigt dat dit proces-verbaal een correcte weergave van haar verklaringen bevat. Wat in dit stuk is neergeschreven, kan derhalve worden geacht de door H.K. goedgekeurde weergave van haar verklaringen te zijn. 10.
  19. Voor zover het van een andere opvatting uitgaat, is het eerste middel ongegrond. 11.
  20. Vervolgens rijst de vraag of verzoeksters rechten van verdediging zijn geëerbiedigd. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verklaring van H.K. zo niet een decisief, dan minstens een essentieel onderdeel is van het dossier op grond waarvan verzoeksters gedrag werd beoordeeld en waartegen verzoekster zich moest kunnen verweren. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat de voorzitster van het directiecomité zich volledig aansluit bij het voorstel van het directiecomité, waarin onder meer wordt overwogen: “Het Directiecomité stelt vast dat [H.K.] in haar verhoor door de hiërarchisch meerdere inzake tucht beschrijft hoe zij zich doorheen de tijd slechter en slechter is gaan voelen binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer. Zij beschrijft verschillende incidenten en opmerkingen waarmee zij regelmatig is geconfronteerd. Deze feiten hebben hier onweerlegbaar aan bijgedragen. Deze feiten hebben [H.K.] daarenboven in de positie geplaatst waarin zij zich verplicht voelde een klacht in te dienen bij Empreva, wat heeft geleid tot onbegrip bij collega’s en een nog groter gevoel van onbehagen en zich niet thuis voelen op haar dienst. Hoewel het duidelijk is dat hiertoe meer zaken hebben bijgedragen dan louter de feiten waarvoor [verzoekster] hier terecht staat, is hun negatieve invloed op [H.K.] onmiskenbaar.” De verklaringen van H.K. waren derhalve (mede)bepalend voor IX-10.495-10/14 de strafmaat. De beschikbaarheid van een Nederlandse vertaling van die verklaring in het tuchtdossier is dan noodzakelijk opdat zowel de tuchtonderzoekster – die, zoals gezien, geen bewijs kan voorleggen inzake de vereiste kennis van de Franse taal – als verzoekster kennis zouden kunnen nemen van de precieze verklaringen van H.K. In de memorie van antwoord heeft de verwerende partij nadere toelichting gegeven over de totstandkoming van de voorliggende vertaling. Zij stelt dat het stuk is opgesteld door C.D.W., die volgens de verwerende partij op grond van de voorliggende diploma’s en taalattesten over de vereiste kwalificaties beschikt om die vertaling te redigeren. Die zienswijze kan de Raad van State niet bijvallen. 11.
  21. De vertaling van een anderstalig stuk in een tuchtdossier moet worden gemaakt of gecontroleerd door een persoon die bewijst over een niveau van tweetaligheid te beschikken dat hem in staat stelt om een kwaliteitsvolle vertaling af te leveren, aangezien het in tuchtzaken van essentieel belang is dat de stukken van de procedure geen enkele dubbelzinnigheid vertonen met betrekking tot de betekenis die aan de gedane bevindingen moet worden gegeven en in het bijzonder met betrekking tot de in het dossier opgenomen getuigenverklaringen. In dat proces – de vertaling zelf of de controle ervan – is die tweetaligheid derhalve essentieel. Bij gebrek daaraan, kan aan het vertaalde stuk niet dezelfde bewijswaarde worden toegekend als aan het anderstalige origineel en komen de rechten van verdediging van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid dat die andere taal niet machtig is – of niet geacht kan worden machtig te zijn – in het gedrang. In casu blijkt dat C.D.W., die instond voor de vertaling van de verklaring van H.K., met betrekking tot talenkennis de volgende kwalificaties kan voorleggen: IX-10.495-11/14 - Diploma licentiaat in de Taal- en Letterkunde: Germaanse talen

(1999); - Een certificaat postacademische vorming ‘vertalen op Europees niveau’ (inleidende cursus, specifieke cursus ‘overheid Engels en Frans’ met opdrachten om Engelse en Franse zakelijke teksten uit verschillende domeinen te vertalen naar het Nederlands: Europese overheid, Milieu, Algemeen-politieke teksten, Technische teksten – 27 april 2002); - Certificaat van lesbijwoning van de vzw Centrum voor Levende Talen voor ‘Frans 5A – niveau gevorderde kennis 2’ (1998-1999); - Geslaagd voor de certificeringstest opleiding ‘Kwaliteitscontrole-vertalingen M120-NL-A’ (afgelegd op 2 oktober 2012); - Geslaagd voor de vergelijkende selectie van Nederlandstalige vertalers- revisoren (Nederlands, Frans, Duits – niveau 1) voor alle federale overheidsinstellingen, instellingen van openbaar nut, instellingen van de sociale zekerheid, instellingen voor wetenschappelijk onderzoek en het ministerie van Defensie. Uit deze stukken kan niet naar genoegen van recht worden afgeleid dat C.D.W. aantoonbaar over een zodanig niveau van tweetaligheid Nederlands-Frans beschikt dat zij met zekerheid in staat is om duidelijk en ondubbelzinnig naar het Nederlands te vertalen wat in het Frans is verklaard. Een talendiploma in de Germaanse talen beantwoordt niet aan die vereiste. De betrokken ambtenaar heeft weliswaar bijkomende vormingen of opleidingen gevolgd, maar die laten niet toe te besluiten dat de hiervóór beschreven tweetaligheid is verworven. Minstens toont de verwerende partij dit niet aan. Er ligt aldus geen bewijs voor dat de verklaringen van de getuige, zoals weergegeven in het Franstalige proces-verbaal, werden vertaald door iemand die over het vereiste niveau van tweetaligheid Frans-Nederlands beschikt om aan dergelijke vertalingen het door de wet vereiste betrouwbaarheidskarakter te verlenen. 11.
  1. Zoals gezien, is de verklaring van H.K. een essentieel onderdeel van het tuchtdossier. Het gemis aan een voldoende betrouwbare vertaling van een IX-10.495-12/14 dergelijk stuk leidt tot een miskenning van de rechten van verdediging.
  2. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel
  3. Een tweede middel steunt op een schending van “de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder schending van het evenredigheidsbeginsel”.
  4. Hiervóór is het eerste middel gegrond bevonden. Daaruit volgt dat, zo de tuchtoverheid de tuchtprocedure wenst te hernemen waar ze is foutgelopen, aan het tuchtdossier een vertaling van de verklaringen van H.K. moet worden toegevoegd die aan de hiervóór besproken voorwaarden voldoet. Vervolgens moet aan verzoekster de kans worden geboden om van die vertaling kennis te nemen en opnieuw standpunt in te nemen omtrent het verweer dat zij wenst te voeren. Daarna pas, kan de tuchtoverheid zich opnieuw uitspreken, waarbij uiteraard op gepaste wijze met dat verweer rekening moet worden gehouden. De Raad van State kan op die nieuwe oordeelsvorming door de tuchtoverheid niet vooruitlopen. Een beoordeling van een eventuele schending van het evenredigheidsbeginsel is thans voorbarig.
  5. Het tweede middel behoeft vooralsnog geen onderzoek. BESLISSING
  6. De Raad van State vernietigt de beslissing van de voorzitster van het directiecomité van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer van 22 mei 2024 waarbij M.T. de tuchtstraf van de inhouding van wedde gedurende een periode van tien maanden en ten belope van 10% van het maandelijks loon per maand wordt opgelegd. IX-10.495-13/14
  7. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.495-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.