id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 Rolnummer: A. 241416/VII-42435 Zaak: Arrest 264408 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-07 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-14 04:18 Fiche Arrest nr 264.408 van 2 oktober 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 no lien 285426 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.408 van 2 oktober 2025 in de zaak A. 241.416/VII-42.435 In zake : de NV SOLVAPPRET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Goeseels kantoor houdend te 1081 Brussel Jetselaan 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het afdelingshoofd van de Afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 5 januari 2024 dat het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 18 oktober 2023 niet ontvankelijk verklaart. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benjamin Meeusen heeft op 21 oktober 2024 een verslag opgesteld. VII-42.435-1/9 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alice Cornet, die loco advocaat Emmanuel Goeseels verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kevan Aspeslagh, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benjamin Meeusen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een aangetekend schrijven van 29 augustus 2018 maant de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) de verzoekende partij aan om over te gaan tot bodemsanering van drie percelen te Haren waarvan zij eigenaar is. 3.
- De verzoekende partij dient op 28 augustus 2023 bij OVAM een gemotiveerd standpunt in met het oog op het verkrijgen van een vrijstelling van saneringsplicht. 3.
- Met een brief aan de verzoekende partij, die gedateerd wordt op 18 oktober 2023, deelt OVAM mee dat: - de aanvraag van 28 augustus 2023 werd ingediend door de verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 VII-42.435-2/9 partij als exploitant, terwijl de verzoekende partij aangemaand werd om tot bodemsanering over te gaan in haar hoedanigheid van eigenaar; - er onduidelijkheid bestaat over de perceelnummers waarvoor de aanvraag geldt; - de vervaltermijn van 90 dagen voor de aanvraag voor vrijstelling van saneringsplicht, ruimschoots is overschreden, zodat de aanvraag niet ontvankelijk is. 3.
- Op 21 december 2023 stelt de verzoekende partij beroep in bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van OVAM van 18 oktober
- 3.
- Met een brief van 5 januari 2024 deelt de verwerende partij aan de advocaat van de verzoekende partij mee: “Wij hebben het beroep dat u op 21 december ll. namens de [verzoekende partij] heeft ingediend goed ontvangen. Dat beroep is gericht tegen de beslissing van de OVAM van 18 oktober 2023 met als kenmerk […], waarbij de door u namens de [verzoekende partij] ingediende aanvraag tot vrijstelling van de saneringsplicht van 28 augustus 2023 overeenkomstig artikel 52, derde lid, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 laattijdig en aldus onontvankelijk wordt bevonden. Blijkens de gegevens waarover wij beschikken, heeft de OVAM u op 18 oktober 2023 per gewone post in kennis gesteld van haar voormelde beslissing van 18 oktober 2023 […]. Wij dienen dan ook te besluiten dat de beroepstermijn, als bedoeld in artikel 154, § 1, eerste lid, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werd overschreden en dat het beroep dat u op 21 december ll. namens de [verzoekende partij] heeft ingediend aldus niet ontvankelijk is.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 23, § 4, 153 en 154, VII-42.435-3/9 § 1, van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet). Zij zet uiteen dat het bestreden besluit haar beroep ten onrechte als laattijdig heeft afgewezen. Een beroep kan immers maar als laattijdig worden beschouwd wanneer de beslissing die met het beroep wordt bestreden, rechtsgeldig werd betekend. Een betekening aan het kantoor van de advocaat van de verzoekende partij is niet rechtsgeldig, nu geen keuze van woonplaats werd gedaan op dat adres. Volgens de verzoekende partij kan de beroepstermijn maar hoogstens ingaan van zodra zij kennis heeft gekregen van het besluit. Zij zet in dat verband uiteen dat OVAM aanvankelijk de beslissing op 18 oktober 2023 aangetekend heeft verzonden naar haar oud adres, en wanneer bleek dat die brief niet was ontvangen of afgehaald, een kopie van de beslissing op 22 november 2023 heeft verzonden naar haar advocaat. Zij heeft aldus pas ten vroegste op 23 november 2023 kennis gekregen van de beslissing, zodat het beroep op 21 december 2023 tijdig werd ingesteld. De bestreden beslissing gaat volgens de verzoekende partij dan ook uit van verkeerde feitelijke gegevens, daar waar de juiste gegevens voorhanden waren, zodat de verwerende partij de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Ook is de beslissing feitelijk en juridisch onjuist, kunnen haar motieven de beslissing niet dragen en zijn zij dus niet afdoende, wat maakt dat ook de formelemotiveringsplicht is geschonden.
- De verwerende partij antwoordt dat het bodemdecreet geen vormvoorschriften bevat voor de kennisgeving van de beslissing van OVAM over het gemotiveerd standpunt voor de vrijstelling van de saneringsplicht. In deze zaak werd de beslissing op 19 oktober 2023 aangetekend tegen ontvangstbewijs verzonden naar de verzoekende partij op haar adres in Haren, en werd een kopie dezelfde dag met de gewone post verzonden naar de advocaat van de verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 VII-42.435-4/9 partij. OVAM gebruikte het adres in Haren omdat het gemotiveerd standpunt voor de vrijstelling van saneringsplicht werd opgemaakt op het formulier dat dienstig is voor de exploitant of gebruiker van het verontreinigd terrein, en niet voor de eigenaar van dat terrein. Door het gebruik van een verkeerd formulier is verwarring ontstaan omtrent het adres van de verzoekende partij. Bovendien werd het gemotiveerd standpunt voor de vrijstelling van de saneringsplicht bij OVAM ingediend door de advocaat van de verzoekende partij, die als lasthebber optrad van de verzoekende partij. De kennisgeving aan de lasthebber geldt als kennisgeving aan de lastgever. De omstandigheid dat geen keuze van woonplaats werd gedaan bij de advocaat, doet hieraan niet af. Nu een kopie van de beslissing van OVAM op 19 oktober 2023 per gewone brief werd verstuurd naar de advocaat van de verzoekende partij, was het administratief beroep van 21 december 2023 laattijdig.
- In de memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij ten onrechte en zonder enig bewijs beweert dat de beslissing van OVAM van 18 oktober 2023 meteen per gewone post naar haar advocaat werd verzonden. Het is niet omdat onderaan de beslissing van 18 oktober 2023 wordt vermeld dat een kopie wordt verzonden naar de advocaat, dat dit ook is gebeurd. OVAM kan zulks verklaren, maar enig bewijs ligt niet voor. Loutere beweringen vormen geen nuttig bewijs. De verzoekende partij herhaalt dat zij pas kennis heeft gekregen van de beslissing met de zending ervan naar haar advocaat op 22 november
- Zij benadrukt verder dat haar advocaat over geen algemeen mandaat beschikte, en dat OVAM hiervan ook kennelijk uitging nu de beslissing van 18 oktober 2023 per aangetekend schrijven werd gericht aan de verzoekende partij en voor de advocaat slechts een kopie per gewone brief werd voorzien. En zelfs wanneer de advocaat over een algemeen mandaat beschikte, blijkt niet dat OVAM op 19 oktober 2023 de beslissing naar de advocaat heeft verstuurd. De regel dat de beroepstermijn maar ingaat de derde werkdag volgend op de overhandiging van de brief aan de post, kan maar worden tegengeworpen wanneer ook wordt aangetoond dat de brief werd verzonden. VII-42.435-5/9
- In de laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat de verzoekende partij in het beroepschrift van 21 december 2023 niet verduidelijkt hoe zij kennis heeft gekregen van de beslissing van OVAM van 18 oktober
- Rekening houdend met de verklaring van OVAM dat een kopie van de beslissing per gewone brief naar de advocaat werd gestuurd op 19 oktober 2023, moet worden aangenomen dat die brief de verzoekende partij heeft bereikt. Volgens artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, van het bodemdecreet gaat de termijn om beroep in te dienen in op de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief aan de post overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Nu de verzoekende partij niet slaagt in dat bewijs van het tegendeel, was het op 21 december 2023 ingediende beroep laattijdig. Beoordeling
- Tegen de beslissing van OVAM over een aanvraag tot vrijstelling van saneringsplicht kan een bestuurlijk beroep worden ingesteld bij de verwerende partij. Dat beroep moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van OVAM overeenkomstig de bepalingen van het decreet (artikel 154, § 1, eerste lid, van het bodemdecreet). Het bodemdecreet schrijft niet voor op welke wijze OVAM haar beslissing ter kennis moet brengen van de partij die om de vrijstelling van saneringsplicht heeft verzocht. In artikel 4, § 1, van het bodemdecreet worden wel de regels vastgesteld voor het ingaan van de beroepstermijn, die verschillen naargelang de wijze van kennisgeving. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit betekent dat de beslissing moet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid worden vastgesteld. De materiëlemotiveringsplicht veronderstelt dat iedere bestuurshandeling steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 VII-42.435-6/9 is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze.
- Volgens de bestreden beslissing werd de beslissing van OVAM van 18 oktober 2023 per gewone post ter kennis gebracht aan de advocaat van de verzoekende partij. Uit die enkele vaststelling leidt de bestreden beslissing af dat het beroep van 21 december 2023 werd ingediend buiten de beroepstermijn van 30 dagen. Uit de gegevens van het administratief dossier kan niet worden afgeleid dat de beslissing van 18 oktober 2023 op dezelfde dag ter kennis werd gebracht van de advocaat van de verzoekende partij. In haar memories beweert de verwerende partij dat een kopie van de beslissing van 18 oktober 2023 met een gewone brief naar de advocaat werd verzonden op 19 oktober 2023, maar het bestaan van die verzending wordt niet aangetoond. Noch de vermelding onderaan de beslissing dat een kopie wordt verzonden naar de advocaat, noch de verklaring van OVAM dat dit is gebeurd, vormen een voldoende sluitend bewijs dat dergelijke brief werd verstuurd op 18 of 19 oktober
- Artikel 4, § 1, 2°, van het bodemdecreet bepaalt dat de beroepstermijn, in geval van kennisgeving bij aangetekende brief of bij gewone brief, ingaat op de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Het bewijs van het tegendeel dat op grond van deze bepaling kan geleverd worden, heeft betrekking op de dag dat de geadresseerde de brief heeft ontvangen, niet op het feit of de brief aan de postdiensten werd overhandigd. Het bewijs dat de brief aan de postdiensten werd overhandigd, moet door de verzender worden geleverd, en het is pas wanneer dat feit is bewezen dat de beroepstermijn kan ingaan volgens de regel van artikel 4, § 1, 2°, van het bodemdecreet. VII-42.435-7/9
- Nog afgezien van de vraag of de kennisgeving van de beslissing aan de advocaat van de verzoekende partij in de concrete omstandigheden van deze zaak kan gelden als een geldige kennisgeving aan de verzoekende partij die de beroepstermijn doet lopen, blijkt dat de bestreden beslissing uitgaat van een beroepstermijn die is verstreken omdat meer dan 30 dagen zijn verlopen sedert een kennisgeving per gewone brief die op 18 oktober 2023 wordt gesitueerd. Nu het bestaan van die kennisgeving niet uit de gegevens van het administratief dossier kan worden afgeleid, blijkt dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid werd voorbereid, niet steunt op feiten die naar behoren worden bewezen, en niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd. Het middel is in zoverre gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het afdelingshoofd van de Afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 5 januari 2024 dat het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 18 oktober 2023 niet ontvankelijk verklaart.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-42.435-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.435-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div