id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 Rolnummer: A. 245362/VII-42956 Zaak: Arrest 264433 - Niet begeleide minderjarigen - 03/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.433 van 3 oktober 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 no lien 285451 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.433 van 3 oktober 2025 in de zaak A. 245.362/VII-42.956 In zake: T.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sanne Catharina van Esch kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Sint Annalaan 608 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2018). Dat ook artikel 7 §§ 3 van titel van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 stelt dat ingeval van twijfel over de uitslag van het medische onderzoek, er met de jongste leeftijd rekening wordt gehouden. In casu is er dan ook een schending van artikel 7 §§ 3 van titel van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 voorhanden. Dat bovendien de beslissing stelt dat stadium type 3 overeenkomt met een gemiddelde leeftijd van respectievelijk 20 jaar. De literatuur stelt echter dat er aanzienlijke verschillen zijn over de leeftijd waarop de verschillende fases zichtbaar worden, de gemiddelde leeftijd per fasen de betrouwbaarheidsinterval en de foutmarges die daarvoor gelden. Zo stelt F. Gabioud stat stadium 3 al zichtbaar is vanaf 16 jaar voor beide geslachten. Een ander onderzoek geeft aan dat stadium 3 al begint op 16,9 jaar. In het tandheelkundig onderzoek (orthopantomogram) wordt de ontwikkelingsgraad van de wijsheidstanden weergegeven via de methode van Willems, waarbij de tandheelkundige leeftijd wordt geschat op 19,69 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar. Ook hier geldt dat het onduidelijk blijft hoe deze precieze leeftijdsschatting ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-4/15 tot stand komt. De beslissing legt niet uit hoe de waarde van 19,69 is afgeleid uit de individuele scoringsresultaten (10, 10, 8, 9 voor de vier verstandskiezen). Evenmin wordt uitgelegd waarom deze specifieke foutenmarge van 1,49 jaar wordt overgenomen als foutmarge. De uiteindelijke conclusie in de beslissing luidt dat verzoeker op 19 mei 2025 zeker ouder zou zijn dan 18 jaar, en dat een schatting van 19,7 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar een correcte weergave zou zijn van zijn leeftijd. Deze eindconclusie is niet het resultaat van een geïntegreerde beoordeling van de drie testen, maar een loutere overname van de hoogste leeftijdsschatting (orthopantomogram). De andere onderzoeken worden niet afgewogen of gecombineerd, en er wordt geen verantwoording gegeven waarom de lagere leeftijdsindicaties (zoals die mogelijk volgen uit het sleutelbeenonderzoek) buiten beschouwing worden gelaten. Er is bijgevolg sprake van een schending van de artikelen 1 tot en met 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, nu de wetenschappelijke beperkingen van de gebruikte methoden niet worden gewogen of besproken, de redenen voor de keuze van de ene test boven de andere niet worden verantwoord en de conclusie van meerderjarigheid niet voortvloeit uit een logisch opgebouwde, evenwichtige beoordeling van de medische gegevens. Uit het dossier van verzoeker blijkt niet dat de dienst Voogdij inlichtingen heeft opgevraagd bij de consulaire of diplomatieke posten van het land van het komst van verzoeker. Verzoeker gaf aan dat hij een doopakte vanuit Eritrea heeft maar het op dat moment niet kan aanbieden. Het artikel stelt verder dat het medisch onderzoek ook psycho-affectieve test kan omvatten, hetgeen bij verzoeker niet is gebeurd. Op de website van de dienst Voogdij lezen we dat het medisch onderzoek wordt aangevuld met gesprekken met de jongeren zelf, advies van de maatschappelijk werkers van het opvangcentrum waar zij verblijven en het advies van hun (voorlopige voogden). Er is verder geen advies ingewonnen van het personeel of medewerkers van het centrum waar verzoeker verblijft hetgeen zeer makkelijk had kunnen gebeuren. Ten gronde kan bovendien worden aangevoerd dat de gebruikte medische leeftijdsbepalingsmethodes fundamenteel problematisch zijn, zowel op vlak van betrouwbaarheid als van etnische en juridische toelaatbaarheid. De twijfelachtige betrouwbaarheid en intrusieve aard van dergelijke leeftijdstesten werden reeds expliciet aangeklaagd op Europees niveau. In zijn resolutie van 2013 beklemtoonde het Europees Parlement dat medische technieken die in sommige lidstaten worden toegepast om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen vast te stellen vaak ongepast en opdringerig zijn, met het risico op traumatisering van de betrokken jongere. Er werd bovendien op gewezen dat methodes gebaseerd op botontwikkeling of gebitsmineralisatie wetenschappelijk omstreden blijven en een aanzienlijke foutenmarge kennen. Het Parlement riep de Europese Commissie dan ook op om bindende richtsnoeren uit te werken waarbij leeftijdsbepaling multidisciplinair moet gebeuren, uitgevoerd door onafhankelijke, gekwalificeerde deskundigen, op een wetenschappelijk verantwoorde, veilige en kindvriendelijke manier, met respect voor de lichamelijke ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-5/15 integriteit en menselijke waardigheid van het kind. Daarbij moet, in geval van twijfel, steeds het voordeel aan de minderjarige worden gegeven. De resolutie onderstreept bovendien dat medische onderzoeken slechts mogen worden aangewend wanneer alle andere minder ingrijpende beoordelingsmethoden zijn uitgeput. Daarnaast wordt benadrukt dat er steeds een mogelijkheid tot betwisting en beroep moet bestaan tegen de uitkomst van dergelijke onderzoeken. Tot slot spreekt het Europees Parlement zijn waardering uit voor de inspanningen van het Europees Asielagentschap (EASO) op dit vlak. Ook op nationaal niveau heeft de Orde der Artsen zich uitgesproken over deze problematiek. In haar advies van 20 februari 2010 benadrukt de Nationale Raad dat de interpretatie van medische beeldvorming, zoals radiografie van botten of gebit, geen onfeilbare methode is om de burgerlijke leeftijd van een persoon vast te stellen. Botleeftijdsmetingen zijn immers slechts een benadering van de skelettale ontwikkeling en niet noodzakelijk representatief voor de werkelijke chronologische leeftijd. Bovendien stelt het advies dat de reproduceerbaarheid van zulke beoordelingen tussen deskundigen problematisch is en onvermijdelijk een aanzienlijke onzekerheidsmarge inhoudt. Rekening houdend met het feit dat deze technieken gebaseerd zijn op referentiegroepen uit westerse, blanke populaties, is het toepassen ervan op jongeren uit bijvoorbeeld Eritrea wetenschappelijk niet representatief. Factoren zoals etniciteit, genetica, voeding, gezondheidstoestand en sociaaleconomische omstandigheden kunnen de groei en ontwikkeling immers sterk beïnvloeden. Uit diverse wetenschappelijke studies blijkt dat de ontwikkeling van permanente tanden, en in het bijzonder wijsheidstanden, sterk kan variëren afhankelijk van individuele en demografische factoren, wat een reëel risico inhoudt op overschatting van de leeftijd bij forensische schattingen. De beoordeling van het groeistadium van wijsheidstanden is bovendien onderwerp van aanzienlijke wetenschappelijke controverse. Zo stellen Solari en Abramovitch vast dat het gemiddelde verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd kan oplopen tot drie jaar bij vrouwen en 2,6 jaar bij mannen, terwijl Thorson en Hagg zelfs een verschil tot 3,5 jaar rapporteren bij vrouwen. Daarnaast tonen studies van Olze en collega’s aan dat etnische afkomst een aanzienlijke invloed heeft op de doorbraak en ontwikkeling van wijsheidstanden: bij zwarte bevolkingsgroepen in Zuid- Afrika komen deze tanden gemiddeld aanzienlijk vroeger door dan bij blanken in Duitsland, terwijl ze bij Japanse populaties juist veel later doorkomen. Deze bevindingen illustreren de grote foutenmarge en culturele bias van leeftijdsschatting op basis van dentale criteria. De Nationale Raad besluit dan ook dat twijfel steeds moet uitvallen in het voordeel van de persoon die beweert minderjarig te zijn. De leeftijdsbepaling van verzoeker is bovendien tot stand gekomen in strijd met de bepalingen van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
- Volgens dit artikel moet het onderzoek naar de leeftijd van een niet-begeleide ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-6/15 minderjarige vreemdeling een multidisciplinaire benadering omvatten, waarbij naast een medisch luik eveneens andere bronnen van informatie worden geraadpleegd, waaronder inlichtingen bij de diplomatieke of consulaire posten van het land van herkomst en desgevallend een psycho- affectieve evaluatie. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat deze elementen van het leeftijdsonderzoek niet zijn uitgevoerd of zelfs niet in overweging zijn genomen. Verzoeker heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij beschikt over een doopakte uit Eritrea, maar dat hij dit document op het moment van de procedure nog niet kon voorleggen wegens praktische omstandigheden. Ondanks deze verklaring werd geen enkele poging ondernomen om deze informatie te verifiëren via de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van Eritrea in België of elders. Het Koninklijk Besluit bepaalt voorts uitdrukkelijk dat het leeftijdsonderzoek ‘eveneens een psycho-affectieve test kan omvatten’. Niets in het dossier wijst erop dat een dergelijke psychosociale of ontwikkelingsgerichte evaluatie bij verzoeker werd verricht. Nochtans zou zo’n test bijzonder relevant geweest zijn om een beeld te vormen van de emotionele, cognitieve en sociale maturiteit van verzoeker, met het oog op de beoordeling van zijn minderjarigheid. De volledige afwezigheid van dit element in het onderzoek, zonder enige motivering waarom ervan werd afgezien, vormt een manifeste tekortkoming in de uitvoering van het leeftijdsonderzoek zoals voorgeschreven door de regelgeving. Volgens de informatie gepubliceerd op de officiële website van de Dienst Voogdij (FOD Justitie) wordt het medische leeftijdsonderzoek standaard aangevuld met gesprekken met de jongere zelf, het advies van maatschappelijk werkers uit het opvangcentrum, en het advies van de (voorlopige) voogd. Uit niets blijkt dat de dienst effectief advies heeft ingewonnen bij het personeel of de begeleiders van het centrum waar verzoeker verblijft, hoewel dit zeer eenvoudig te organiseren was. Er is sprake van een schending van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 22 december 2003, dat werd uitgevaardigd ter uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
- In het kader van de onderhavige procedure legt verzoeker een kopie van zijn geboorteakte uit Eritrea voor. Uit dit document blijkt ondubbelzinnig dat verzoeker geboren werd op 5 juni
- Dit ondersteunt zijn stelling dat hij gedurende de volledige asielprocedure consequent en te goeder trouw dezelfde geboortedatum heeft opgegeven. De door verzoeker bijgebrachte geboorteakte bevestigt aldus de juistheid en authenticiteit van zijn verklaringen omtrent zijn leeftijd, en levert concreet bewijs ter ondersteuning van zijn minderjarigheid. Daarenboven geeft verzoeker aan dat hij, voor hij in België aankwam en zijn aanvraag tot internationale bescherming indiende, meerdere landen heeft doorkruist, waaronder Frankrijk. Hij verblijft daar enige tijd en werd er geregistreerd door de Franse autoriteiten. In dat kader werd er een proces- verbaal van verificatie van zijn identiteit opgemaakt, dat hij thans eveneens ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-7/15 bij het dossier voegt. Uit dit proces-verbaal blijkt dat zijn identiteitsgegevens en geboortedatum overeenstemmen met wat hij in België verklaarde: […] Deze documenten tonen aan dat verzoeker steeds consequent dezelfde identiteit en geboortedatum heeft opgegeven, zowel in België als in het buitenland, en dat er geen sprake is van misleiding of tegenstrijdige verklaringen. De combinatie van de officiële geboorteakte en het proces-verbaal van de Franse autoriteiten vormt een sterke aanwijzing van de geloofwaardigheid van verzoeker, en bevestigt bovendien dat hij minderjarig is.” Beoordeling
- In de mate dat verzoeker in het opschrift van het middel de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, zet hij niet uiteen welk beginsel hij geschonden acht en op welke wijze. Ook de “kennelijke beoordelingsfout” die hij de verwerende partij verwijt, licht hij niet verder toe. Het enige middel is in de aangegeven mate niet ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de VII-42.956-8/15 beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Verzoeker heeft overduidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 20 mei 2025 zijn opgenomen, vermits hij in het middel ingaat op de beoordeling ervan. In die omstandigheden heeft verzoeker geen belang bij het opwerpen van een schending van de formelemotiveringsplicht, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. Het enige middel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond wat de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft.
- Waar verzoeker in het middel kritiek uit op het eindresultaat van de medische leeftijdstest, stellende dat het voor hem “fundamenteel onduidelijk [is] op welke wijze men tot de conclusie is gekomen dat hij ouder zou zijn dan 18 jaar”, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-9/15 oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, blijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-42.956-10/15 Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op 19-05-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 19,7 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar een goede schatting is”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoekers kritiek dat op basis van het resultaat van de radiografie van de sleutelbeenderen minderjarigheid niet is uitgesloten en dat de algemene conclusie “een loutere overname van de hoogste leeftijdsschatting (orthopantomogram)” betreft, zonder dat rekening werd gehouden met de andere deelonderzoeken, mist feitelijke grondslag. In het medisch verslag wordt wat de handpolsradiografie betreft namelijk toegelicht dat “[e]r […] een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd”. Op basis van de handpolsradiografie wordt de skeletale leeftijd “met een grote zekerheid” geschat op ten minste 19 jaar. Waar verzoekers kritiek is gericht tegen het gebruik van de bewoording “met grote zekerheid”, moet overigens opnieuw het karakter van de bestreden beslissing worden benadrukt, niet als een leeftijdsbepaling maar slechts als een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Verder vermeldt het medisch verslag aangaande de radiografie van het sleutelbeen dat “het mediale epiphysaire kraakbeen van beide sleutelbeenderen gedeeltelijk verbeend is met visualisatie van de groeikraakbeenschijf, wat volgens Schmeling ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-11/15 overeenkomt met stadium type
- Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van ongeveer 2 jaar”. Op basis van het orthopantomogram gaat het ten slotte volgens de in het onderzoek gebruikte techniek om een leeftijd van “ten minste 19,69 [jaar]” met een standaarddeviatie van 1,49 jaar. Deze laatste conclusie met betrekking tot de overzichtsradiografie van de tanden verschilt, zij het licht, wel degelijk van de algemene conclusie van de medische leeftijdsschatting, die een leeftijd van 19,7 jaar in aanmerking neemt met een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken, noch ontkracht hij dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. In het verslag van het leeftijdsonderzoek wordt per test aangegeven welke technieken zijn gebruikt en welke vaststellingen op grond daarvan worden gedaan. Geen bepaling of beginsel legt de verwerende partij op daarbij ook te verantwoorden waarom voor deze of gene techniek werd gekozen en niet voor een andere. Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan 18 jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Ten slotte beperkt verzoeker zich tot algemene kritiek op het medisch onderzoek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 VII-42.956-12/15 gevolgtrekkingen in de huidige zaak. Hij onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar is. Hij toont op die wijze niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht, of artikel 7 van de voogdijwet werden geschonden doordat de bestreden beslissing is gesteund op een medisch onderzoek waarvan blijkt dat het door de wet zelf is voorzien.
- Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Gelet op de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek diende verzoeker niet “het voordeel van de twijfel” te genieten waarop hij zich beroept en was de verwerende partij er niet toe gehouden “gesprekken” te organiseren met verzoeker, advies in te winnen bij het personeel of de begeleiders van het centrum waar verzoeker verblijft of om informatie in te winnen via de diplomatieke of consulaire posten van verzoekers land van herkomst. In de mate dat verzoeker aanvoert dat tot zijn minderjarigheid had moeten worden besloten op basis van de door hem overgelegde geboorteakte en het proces-verbaal van verificatie van zijn identiteit, opgesteld door de Franse autoriteiten, stelt de Raad vast dat de verwerende partij verzoekers geboorteakte pas op 25 juni 2025 in ontvangst mocht nemen, dus op het ogenblik dat de bestreden beslissing reeds was genomen. Het door de Franse autoriteiten opgestelde proces-verbaal werd bovendien slechts gevoegd bij het verzoekschrift tot nietigverklaring. Uit niets blijkt dat de verwerende partij voordien kennis had van deze stukken. Bijgevolg kan verzoeker er zich niet op beroepen om te besluiten tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. VII-42.956-13/15
- Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Deze laatste bepaling is derhalve niet geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. V. Over de vordering tot schorsing
- Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.956-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.956-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.433 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div