← België

Arrest 264438 - Examens (onderwijs) - 06/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 Rolnummer: A. 245927/IX-10746 Zaak: Arrest 264438 - Examens (onderwijs) - 06/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.438 van 6 oktober 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 no lien 285456 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.438 van 6 oktober 2025 in de zaak A. 245.927/IX-10.746 In zake: XXXX tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Niels Lemaire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 2 september 2025, waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen. Verzoekster vraagt tevens om een voorlopige maatregel op te leggen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 22 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.746-1/25 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 29 september 2025, om 11.00 uur. Op deze terechtzitting is de zaak uitgesteld om te worden behandeld op de terechtzitting van 2 oktober 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die loco advocaten Sofie Logie en Niels Lemaire verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Regelgeving en feiten 3.
  4. De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.746-2/25 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat, waardoor het startquotum overschreden kan worden (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
  5. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2025 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2025’ (“WER”). IX-10.746-3/25 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
  6. Verzoekster neemt op 2 juli 2025 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt, met deelscores van 49/120 voor KIW en 100/120 voor GC, een totale score van 149/240 en wordt niet geslaagd verklaard en (bijgevolg ook) niet gunstig gerangschikt. Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie. Op 2 september 2025 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. De motivering luidt: “Middel 1 U stelt dat kandidaten rondom u extra tijd hadden om het examen op te lossen doordat zij reeds kennis hadden genomen van de vragen voor het optreden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-4/25 van een technisch probleem. U stelt dat er hierdoor geen sprake meer zou kunnen zijn van gelijke examenomstandigheden voor alle deelnemers. U geeft ook aan dat uw omwille van de stress en onrust tijdens of vlak na het examen geen melding durfde maken. De beroepsinstantie heeft uw sessiehistoriek bekeken. Hieruit blijkt dat u het examen hebt aangevat om 9.55 uur in plaats van de voorziene starttijd van 9.15 uur. U hebt het examen dus 40 minuten later aangevat dan gepland. Een examen zal nooit in een volstrekt steriele omgeving plaatsvinden. Dit geldt des te meer voor het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts, tandarts en dierenarts, waaraan een groot aantal studenten terzelfdertijd deelneemt. Gelet op dit gegeven is het niet onredelijk om ervan uit te gaan dat niet elke verstoring van het examengebeuren van die aard is een impact te hebben op de resultaten van de deelnemer. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevingssituaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal verdraagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substantieel hinderlijk van aard zijn. Een deelnemer die meent dat in hun geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Die moet elementen aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op zijn resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien. De beroepsinstantie stipt hierbij aan dat u door de technische problemen geen examentijd verloor en u zoals voorzien in artikel 59 van het werkings- en examenreglement gebruik kon maken van de volledige examentijd. De beroepsinstantie stelt verder vast dat u het KIW-onderdeel zelf afgesloten heeft om 13.13 uur, terwijl u toen nog 42 minuten tijd over had. Aangezien u geen gebruik gemaakt heeft van de volledige examentijd die u ter beschikking had voor het onderdeel KIW, kan u niet stellen dat u te weinig tijd werd toegekend. De beroepsinstantie komt ook tot de vaststelling dat u tijdens het examen of onmiddellijk nadien geen melding heeft gemaakt van mogelijk storende omstandigheden. Door niet onmiddellijk te reageren, heeft u mogelijk nuttige remediëring op het moment zelf onmogelijk gemaakt. De beroepsinstantie is van oordeel dat u niet op afdoende wijze aantoont dat de beweerde storingen de grenzen van het normaal aanvaardbare hebben overschreden, noch dat deze substantieel hinderlijk van aard zijn geweest. U toont evenmin aan dat de beweerde storingen enige impact hebben gehad op het door u behaalde examenresultaat. U heeft de volledige tijd van het examen gekregen om te benutten. Zelfs indien andere deelnemers wel reeds ingelogd waren vooraleer er ook bij hen technische problemen optraden, betekent dit niet noodzakelijk dat zij hier een voordeel uit gehaald hebben. Minstens toont u niet aan dat dit een impact heeft gehad op uw rangschikking. De beroepsinstantie kan geen vaststelling doen over wat andere deelnemers al dan niet op hun kladblad hebben geschreven. Daarenboven worden de deelnemers die wel bij aanvang konden beginnen in het midden van hun examen gestoord, daar waar kandidaten die later kunnen starten hun examen in één ononderbroken stuk kunnen afleggen. Daarenboven is ook niet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-5/25 uitgesloten dat kandidaten die wel al konden starten aan het examen door de technische problemen van anderen ook enigszins gestoord geweest zijn door de verschillende interventies tijdens de voor hen lopende examentijd. De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat de door u beschreven situatie niet van die aard is om te leiden tot ongelijke examenomstandigheden tussen de deelnemers. Het eerste middel is ongegrond. Middel 2 U stelt dat de gebeurtenissen een zware impact op u hebben gehad omwille van uw erkende neurodivergentie (ASS en ADHD) en dat ze verlammend werkten op uw concentratie, stressregulatie en verwerkingssnelheid. De beroepsinstantie wijst erop dat deelnemers zelf verantwoordelijk zijn om voor de aanvang van het examen ondersteunende maatregelen aan te vragen en documenten aan te leveren, en verwijst hiervoor naar artikel 32 van het werkings- en examenreglement
  7. U hebt voor aanvang van het examen een aanvraag ingediend voor ondersteunende maatregelen omwille van ASS en ADHD. U hebt de maatregel extra tijd toegekend gekregen. De ondersteunende maatregel ‘extra tijd’ fungeerde als redelijke aanpassing om uw ASS en ADHD te compenseren. De beroepsinstantie stelt vast dat de toegekende ondersteunende maatregel effectief benut werd. Tot slot herhaalt de beroepsinstantie dat u niet op afdoende wijze aantoont dat de beweerde storingen de grenzen van het normaal aanvaardbare hebben overschreden, noch dat deze substantieel hinderlijk van aard zijn geweest. U toont evenmin aan dat de beweerde storingen enige impact hebben gehad op het door u behaalde examenresultaat. Het tweede middel is ongegrond.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid – belang
  8. De verwerende partij ontzegt verzoekster het rechtens vereiste belang bij het instellen van haar vordering. Zelfs indien het “enig middel” (de Raad van State merkt op dat verzoekster zeven middelen aanvoert) ernstig zou zijn, zo stelt de verwerende partij, kan verzoekster nog niet de vereiste score bereiken om aan de cesuur te voldoen. Niet alleen immers behaalde verzoekster een totaalscore van slechts 149/240 en ligt de cesuur op 158/240, maar verzoekster slaagde bovendien niet voor het onderdeel KIW (49/120), zodat zij niet voldoet aan de vereiste dat minstens de helft van de punten werd behaald op beide onderdelen. IX-10.746-6/25 Een vernietiging kan volgens de verwerende partij ter zake geen verschil maken. Zij betoogt: “Bij het nemen van een nieuwe beslissing beschikt verwerende partij namelijk niet over de mogelijkheid hogere punten toe te kennen dan de effectieve score die verzoekende partij heeft behaald. Dit is in het WER nergens voorzien. Dergelijke beslissing zou dan ook buiten de bevoegdheid van verwerende partij vallen en bijgevolg onrechtmatig zijn.”
  9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing zijn vervuld, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. IX-10.746-7/25 VI. Spoedeisendheid bij uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verwerende partij
  11. De verwerende partij doet gelden dat de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is vervuld en betoogt ter zake: “Wat de diligentie betreft, wijst verzoekende partij [lees: de verwerende partij] op het feit dat de beslissing reeds op maandag 8 september 2025 ter kennis werd gebracht aan verzoekende partij. Het verzoekschrift is zelf niet gedateerd, maar op basis van de documenten uit het stukkenbundel en de kennisgeving van Uw Raad blijkt dat het verzoekschrift pas dateert van 21 of 22 september
  12. Verzoekende partij voert evenwel aan dat de uiterst dringende noodzakelijkheid gestoeld is op de start van het academiejaar. Deze ving voor alle Vlaamse universiteiten aan op 22 september 2025, volgens verzoekende partij zelfs al op 16 september
  13. Zij heeft evenwel pas ná die datum haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. Rekening houdende met de kennisgeving van de bestreden beslissing op 8 september 2025 eigende zij zich dus een termijn van 14 dagen toe om het verzoekschrift in te dienen, dit niettegenstaande ze haar hoogdringendheid stoelt op het reeds aangevatte academiejaar. Verwerende partij stelt zich dan ook de vraag in dergelijke omstandigheden wél aan de vereiste van diligent handelen voldaan is, nu zij ondanks de start van het academiejaar twee volle weken gewacht heeft om vordering in te stellen en dit terwijl haar verzoekschrift nochtans slechts 5 pg’s beslaat.” Beoordeling
  14. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de schorsings- procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweeg- brengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit impliceert niet alleen dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-8/25 en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen, maar ook dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennis- name van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en het zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 9.
  15. Verzoekster voert aan dat de bestreden beslissing haar uitsluit van een inschrijving in de opleiding Geneeskunde, dat het academiejaar reeds “op 16 september 2025” startte en dat zij zonder schorsing onherstelbare schade lijdt, namelijk het verlies van een volledig academiejaar. Anders dan de verwerende partij, leest de Raad van State deze – weliswaar zeer summiere – omschrijving van de uiterst dringende noodzakelijk- heid niet zo dat verzoekster meent dat enkel een uitspraak vóór de aanvang van het academiejaar het nadeel kan keren. Eerder begrijpt de Raad het aldus dat verzoekster zo spoedig mogelijk een arrest verlangt omdat het academiejaar reeds is aangevangen – waaruit kan worden begrepen dat op het ogenblik dat een uitspraak in het raam van een gewone schorsing zou kunnen tussenkomen, het academiejaar al té ver is gevorderd. Aldus begrepen, is het beroep op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afdoende verantwoord. 9.
  16. Voorts blijkt vooralsnog nergens uit dat verzoekster op 8 september 2025 van de bestreden beslissing kennis heeft genomen. De bestreden beslissing is verzonden met een e-mail van 8 september 2025 (waaromtrent geen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-9/25 ontvangst- of leesbevestiging voorligt) en met een aangetekend schrijven van dezelfde datum, dat volgens de webtracker die de verwerende partij bij het administratief dossier voegt op 12 september 2025 aan de postdiensten is overhandigd om op 16 september 2025 een eerste maal te worden aangeboden. In het licht daarvan is de Raad van State van oordeel dat verzoekster, die optreedt zonder raadsman, met het instellen van haar vordering op 22 september 2025 alleszins voldoende diligent heeft gehandeld. Zelfs indien verzoekster op 8 september 2025 van de bestreden beslissing kennis heeft genomen, zijn er tot het instellen van de vordering veertien dagen verstreken, wat in de gegeven omstandigheden niet als een ongerechtvaardigd talmen kan worden beschouwd.
  17. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VII. Ernst van de middelen A. Voorafgaande opmerking
  18. De Raad van State wil benadrukken dat hij begrip heeft voor de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en de hindernissen die zij door haar beperking in haar studieparcours kan ondervinden. De Raad moet in dat verband evenwel evenzeer benadrukken dat hij slechts een wettigheidsrechter is en dat zijn bevoegdheid niet erin bestaat de beoordeling die de beroepsinstantie op basis van alle elementen van het dossier heeft gedaan, over te doen, om zijn eigen appreciatie in de plaats te stellen als ware hij zelf een beroepsinstantie. Het gaat daarbij niet aan de Raad van State voorbij dat de bestreden beslissing, indien zou blijken dat ze in juridisch opzicht standhoudt, voor ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-10/25 verzoekster aanzienlijke gevolgen heeft, bijvoorbeeld, maar daarom niet uitsluitend, voor haar verdere studieloopbaan. Dat begrip mag evenwel niet de maat zijn aan de hand waarvan de Raad bij wat hierna volgt zijn wettigheidstoezicht uitoefent. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  19. In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Verzoekster zet het middel uiteen als volgt: “De examenorganisatie faalde om gelijke examenomstandigheden te waarborgen. Het feit dat sommige studenten vroegtijdig toegang hadden tot vragen en kladnotities konden maken, creëerde een objectieve ongelijkheid. Dit schendt het gelijkheidsbeginsel en ondermijnt de integriteit van het examen. De interne beroepsinstantie miskende dit en legde enkel de nadruk op de totale examentijd.” Beoordeling
  20. De uiteenzetting van het middel zoals het hierboven is aangehaald, maakt het voor de Raad van State niet eenvoudig om te achterhalen wat er zich precies heeft voorgedaan en, bijgevolg, waarin verzoekster precies een ongelijkheid ontwaart. Lezing van verzoeksters intern beroep, de bestreden beslissing en de uiteenzetting van de verwerende partij in de nota met opmerkingen biedt enige context en komt verzoekster te hulp, maar verzoekster zal moeten verdragen dat het verzoekschrift zo wordt onderzocht als vooreerst de verwerende partij en vervolgens de Raad het menen te kunnen lezen.
  21. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare IX-10.746-11/25 gevallen verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. 15.
  22. In de bestreden beslissing overweegt de beroepsinstantie dat sommige kandidaten in verzoeksters groep bij aanvang van het examen technische problemen hebben ondervonden, waardoor zij (waaronder verzoekster) het examen veertig minuten later hebben aangevat. De beroepsinstantie stelt vooreerst dat niet is aangetoond dat de deelnemers die op het voorziene uur konden starten daardoor een voordeel hebben gehad en merkt op dat die deelnemers halverwege hun examen ook hinder konden ondervinden van de tijdens hun examentijd uitgevoerde interventies, terwijl verzoekster na de verlate start wel in één ononderbroken stuk kon doorwerken. Daarnaast oordeelt de beroepsinstantie dat verzoekster, na de latere start, de volledige in artikel 59 WER voorziene examentijd ter beschikking had, maar 42 minuten vóór het verstrijken van die tijd haar examen heeft afgesloten. De beroepsinstantie voegt hier nog aan toe dat zij geen vaststelling kan doen over wat andere deelnemers al dan niet op hun kladblad hebben geschreven en zij besluit dat geen ongelijke examenomstandigheden zijn aangetoond. 15.
  23. Tegen die overwegingen voert verzoekster geen enkele kritiek aan; zij beperkt zich tot het herhalen van haar grief. Het standpunt van de beroepsinstantie kan voorshands worden bijgevallen. In dat opzicht ziet de Raad van State vooralsnog geen schending van het gelijkheidsbeginsel en is het middel niet ernstig. IX-10.746-12/25 16.
  24. Niet in het middel, maar in de daaraan voorafgaande feitelijke uiteenzetting in het verzoekschrift, stelt verzoekster dat zij te kampen heeft met ASS/ADHD, dat zij door de chaos en de onvoorspelbare omstandigheden ernstig ontregeld geraakte en daardoor tijdens het examen of vlak erna ook geen melding kon maken. Dat niet de volledige examentijd werd benut, is volgens verzoekster dan ook naast de kwestie. Zij stelt voorts: “In hun beslissing wordt bovendien gesteld dat ‘een examen nooit in een steriele omgeving plaatsvindt’. Dit minimaliseert en stigmatiseert haar klacht. Zij vroeg geen ‘steriele’ omstandigheden, maar gewone, eerlijke en voorspelbare examenomstandigheden. Het feit dat sommige studenten wél konden starten en anderen niet, met een pauze van 40 minuten zonder communicatie, kan niet als normaal beschouwd worden.” 16.
  25. Hoe tijdens het toelatingsexamen wordt omgegaan met functiebeperkingen, is geregeld in de artikelen 30 en volgende WER. Dat vormt het voorwerp van het derde middel, naar de onderstaande beoordeling waarvan de Raad verwijst.
  26. Het eerste middel is niet ernstig. C. Tweede en derde middel Uiteenzetting van de middelen 18.
  27. Verzoekster beroept zich in een tweede middel op een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Zij stelt: “Tijdens de storing van 40 minuten werd geen duidelijke communicatie gegeven. Dit veroorzaakte onzekerheid en stress, vooral voor kandidaten die nood hebben aan voorspelbaarheid. De examencommissie handelde hiermee in strijd met de zorgvuldigheidsplicht.” IX-10.746-13/25 18.
  28. In een derde middel stelt verzoekster dat de artikelen 30 en 33 WER zijn geschonden. Dat middel luidt: “Verzoekster had erkende ondersteunende maatregelen (extra tijd). De chaotische herstart maakte deze maatregel zinledig, omdat haar functioneren door ASS/ADHD disproportioneel werd geraakt. ASS en ADHD vereisen voorspelbaarheid en structuur. De beroepsinstantie beperkte zich tot de formele vaststelling dat ‘de verloren tijd gecompenseerd werd’, zonder de feitelijke impact te beoordelen.” Beoordeling
  29. De artikelen 30 en 33 WER luiden als volgt (voetnoten zijn weggelaten): “Artikel 30 De examencommissie biedt aan personen met een functiebeperking specifieke ondersteunende maatregelen aan. Met een functiebeperking wordt elke langdurige fysieke, mentale of zintuiglijke beperking bedoeld die een deelnemer in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren aan het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts of het toelatingsexamen dierenarts. Ook leer- of aandachtsstoornissen worden hiermee bedoeld. Deelnemers die omwille van een functiebeperking gebruik willen maken van ondersteunende maatregelen, geven dit aan bij hun inschrijving en beantwoorden alle vragen hierover. […] Artikel 33 De medische attesten of psychodiagnostische rapporten moeten aan verschillende criteria voldoen. De criteria kunnen verschillen per vorm van functiebeperking.
  30. Medische attesten/psychodiagnostische rapporten voor alle deelnemers met een functiebeperking (punt 1.1 tot 1.3): • vermelding van de naam en voornaam van de deelnemer. • vermelding van de functiebeperking. • vermelding van de naam en beroepstitel (arts, klinisch psycholoog, klinisch orthopedagoog, eventueel andere) van de diagnosesteller en vermelding van diens professionele toelating (arts: RIZIV-nummer; klinisch psycholoog: visumnummer en inschrijving IX-10.746-14/25 psychologencommissie; klinisch orthopedagoog: visumnummer; anderen: RIZIV-nummer of visumnummer). • handtekening van de diagnosesteller. • datum van de opmaak van het medisch attest/psychodiagnostisch rapport. 1.
  31. Bijkomende criteria medisch attest/psychodiagnostisch rapport voor dyslexie en dyscalculie: • Het is gebaseerd op de criteria van achterstand, didactische resistentie en exclusiviteit zoals beschreven door Netwerk Leerproblemen Vlaanderen of door de Stichting Dyslexie Nederland voor Nederlandse attesten. • Bij dyslexie moet ook duidelijk worden vastgesteld dat er sprake is van een leesstoornis. Een geïsoleerde spellingsstoornis geeft geen recht op ondersteunende maatregelen, aangezien het meerkeuze-examens zijn waarbij deelnemers de juiste antwoorden moeten aanduiden zonder ze uit te schrijven. • Het document moet opgesteld zijn door: o Personen of instanties met autonoom diagnostische bevoegdheid (vb. CLB, centra voor ambulante revalidatie (CAR) of orthopedagogen, logopedisten en klinische psychologen met toegang tot multidisciplinaire deskundigheid) conform het standpunt van Netwerk Leerproblemen Vlaanderen. o Voor Nederlandse attesten of rapporten zijn dat de beroepscategorieën die zijn vermeld op de website van Stichting Dyslexie Nederland (SDN). • Er staat geen tijdsbeperking op deze attesten of rapporten. Het attest hoeft dus niet recent te zijn. 1.
  32. Bijkomende criteria medisch attest/psychodiagnostisch rapport voor aandachtsstoornissen als ADD en ADHD: • Het moet opgesteld zijn door: o (kinder)neuroloog o (kinder/jeugd)psychiater o klinisch psycholoog o klinisch orthopedagoog • Voor Nederlandse attesten geldt dat de diagnoseverstrekker in het BIG- register moet staan. • Het attest of rapport en de diagnose moeten dateren van 2023 of later. Aandachtsstoornissen kunnen schommelen in de tijd, waardoor de attesten of rapporten niet onbeperkt in de tijd geldig zijn. Het attest of rapport dient een verwijzing naar de recente diagnostiek en de recente testen te bevatten. 1.
  33. Bijkomende criteria medisch attest/psychodiagnostisch rapport voor autismespectrumstoornis (ASS): • Moet voldoen aan de criteria zoals beschreven op deze website: https://www.vaph.be/professionelen/mdt/mdv/modules/autismespectr umstoornis-ass 1.
  34. Bijkomende criteria medisch attest/psychodiagnostisch rapport voor alle andere functiebeperkingen: IX-10.746-15/25 • Indien de gevolgen van de functiebeperking van blijvende aard zijn, dient het niet recent te zijn. Als de gevolgen tijdelijk zijn of fluctueren in de tijd, dient het recent te zijn. Dit wordt geval per geval bekeken. • Het moet opgesteld zijn door een arts of een andere bevoegde diagnosesteller voor die functiebeperking.” Nuttig kan ook nog worden verwezen naar artikel 36 WER, voor zover hier relevant: “De volgende ondersteunende maatregelen worden aangeboden in functie van de opgegeven functiebeperking. Het materiaal wordt voorzien door AHOVOKS, tenzij anders vermeld.
  35. Ondersteuning voor dyslexie (leesstoornis), dyscalculie, aandachtsstoornissen, pervasieve ontwikkelingsstoornissen en een visuele beperking (punt 1.1 en 1.2): • extra tijd: 30 minuten voor het examenonderdeel KIW en 20 minuten voor het examenonderdeel GC; Bij bepaalde functiebeperkingen worden bijkomend optionele onder- steunende maatregelen aangeboden (punt 1.1 en 1.2). De deelnemer moet bevestigen van welke optionele ondersteunende maatregelen de deelnemer gebruik wil maken, binnen de termijn die wordt gecommuniceerd.”
  36. Voor zover verzoekster aanvoert dat een procedurefout is gemaakt, verduidelijkt zij op geen enkele wijze waarin die inbreuk zou zijn gelegen. In dat opzicht lijkt het middel onontvankelijk en is het niet ernstig.
  37. Voorts maakt verzoekster, wat de zorgvuldigheidsplicht betreft, niet inzichtelijk welke communicatie er ten onrechte niet werd gegeven.
  38. Verzoekster heeft beroep gedaan op de bepalingen van artikel 30 en volgende WER om ondersteunende maatregelen te verkrijgen omwille van ASS en ADHD. Overeenkomstig deze bepalingen is aan verzoekster extra tijd verleend om het examen af te leggen. Tegen die beslissing heeft verzoekster geen beroep ingesteld, ofschoon zulks met toepassing van artikel 71 WER mogelijk was. De verwerende partij mocht dan ook ervan uitgaan, zo lijkt, dat de toegekende ondersteunende maatregel kon volstaan om verzoekster, rekening houdend met haar functiebeperking, gelijke examenomstandigheden te bieden. IX-10.746-16/25 Zoals verzoekster zelf aangeeft, wordt omtrent de werkelijk beschikbare tijd geen betwisting gevoerd. Gewis zal een technisch euvel bij het examen enige stress hebben veroorzaakt, maar dat is allicht het geval bij vele deelnemers en niet enkel bij deze met een functiebeperking. De beroepsinstantie wordt vooralsnog bijgevallen in haar opmerking dat een volledig “steriele omgeving” bij een examen niet kan worden gewaarborgd. In zekere mate mag van een kandidaat-arts ook worden verwacht dat hij of zij kan omgaan met onverwachte lotswisselingen, waaruit ook volgt, zo lijkt, dat bovenop de reglementair voorziene ondersteunende maatregelen niet met elke persoonlijke reactie op het verloop van het examen rekening kan worden gehouden. Waar verzoekster de beroepsinstantie verwijt dat zij in haar beoordeling ter zake “de feitelijke impact” niet in rekening heeft genomen, kan de beroepsinstantie op het eerste gezicht worden bijgevallen in haar oordeel dat verzoekster niet op afdoende wijze aantoont dat de beweerde storingen de grenzen van het normaal aanvaardbare hebben overschreden. Verzoekster toont in de huidige stand van de procedure niet aan dat de feitelijke omstandigheden, haar functiebeperking mede in rekening genomen, tot een onwettige of onregelmatige examencontext hebben geleid.
  39. Het tweede en het derde middel zijn, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. IX-10.746-17/25 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  40. In een vierde middel beroept verzoekster zich op een schending van de formelemotiveringsplicht en “art. 62 GW”. Zij stelt: “• De interne beroepsinstantie stelde louter dat verzoekster ‘niet aantoont dat de storingen substantieel hinderlijk waren’. Er werd geen enkele inhoudelijke beoordeling gemaakt van de medische attesten (Dr. [E.]) en het begeleidingsverslag ([K.] BV) en vermelding van eerder onderzoek bij Prof Dr [K.]. • Bovendien ‘weerlegt’ de interne beroepsinstantie aantijgingen die verzoekster helemaal niet maakte (dat verzoekster onvoldoende examentijd zou toegekend gekregen hebben). • De beroepsinstantie vergelijkt het individueel nadeel van verzoekster met dit van andere studenten, maar dit is puur speculatief en gaat voorbij aan de specifieke eigenheid van verzoekster. Bovendien zijn erkenningen van individuele nadelen deze editie nog toegepast (neutralisatie van 1e vraag biologie voor de ene student wel, voor de andere niet (zie bijgevoegd stuk 11) De motivering van de beroepsinstantie is bijgevolg louter stereotiep en ontoereikend, en op verschillende momenten naast de kwestie of speculatief. De verwijzing naar ‘geen steriele omgeving’ is irrelevant, stigmatiserend en doet afbreuk aan de ernst van de klacht. De [verzoekster] vraagt namelijk geen steriele omstandigheden maar enkel ‘normale’ omstandigheden.” Beoordeling
  41. Aangezien verzoekster in het eerste middel met “art. 10-11 GW” verwijst naar de Grondwet, neemt de Raad van State aan dat ook de in het vierde middel aangevoerde rechtsgrond “art. 62 GW” op de Grondwet betrekking heeft. Alleszins kan de Raad uit de uiteenzetting van het middel niet afleiden op welk voorschrift verzoekster anders zou doelen. Artikel 62 van de Grondwet bepaalt dat de samenstelling van de kiescolleges door de wet wordt geregeld. Dat voorschrift houdt op het eerste gezicht geen enkel verband met het toelatingsexamen arts. Verzoekster heeft, nadat zij een opmerking in die zin ook heeft kunnen lezen in de nota met opmerkingen van de verwerende partij, de terechtzitting niet te baat genomen om hieromtrent ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 IX-10.746-18/25 nadere toelichting te geven. In dat opzicht lijkt het middel onontvankelijk en is het niet ernstig.
  42. Voor zover verzoekster de beroepsinstantie verwijt dat zij, wat de examentijd betreft, antwoordt op een grief die verzoekster niet heeft geformuleerd, gaat het prima facie over een overtollig motief. Verzoekster toont niet aan welk belang zij erbij heeft om dat motief te betwisten, zodat het middel in dat opzicht evenmin ontvankelijk lijkt en bijgevolg niet ernstig is.
  43. Verzoekster doet gelden dat de beroepsinstantie geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met een medisch attest en een begeleidingsverslag. De Raad van State stelt vast dat verzoekster deze beide stukken wel bij haar intern beroepschrift heeft gevoegd, maar dat zij heeft nagelaten om in dat beroepschrift zelf op de inhoud ervan in te gaan, laat staan dat zij ten overstaan van de beroepsinstantie heeft aangevoerd dat uit die stukken blijkt dat de ondersteunende maatregel die zij heeft gevraagd én gekregen – namelijk: extra tijd – alsnog niet volstond, hetzij in het algemeen (in welk geval de vraag rijst of verzoekster zulks dan niet met toepassing van het hiervóór vermelde artikel 71 WER had moeten aankaarten) hetzij in het bijzonder gelet op de feitelijke omstandigheden op het examen. Bovendien lijkt het op het eerste gezicht zo te zijn dat het attest van dokter E. enkel meldt dat bij verzoekster ASS in combinatie met ADHD werd vastgesteld, wat louter een bevestiging is van het bestaan van de functiebeperking op grond waarvan de ondersteunende maatregel werd toegekend. Het valt niet meteen in te zien tot welke bijkomende overwegingen dit stuk de beroepsinstantie had moeten aanzetten en al zeker niet wanneer verzoekster daarover zelf stilzwijgend blijft. IX-10.746-19/25 De brief van de bv K. (volgens de toelichting van verzoekster ter terechtzitting: haar repetitorenbureau) stelt dat de technische en organisatorische problemen bij de start van het examen “onprofessioneel” zijn en voor verzoekster ontwrichtend. Daargelaten dat dit verslag op het eerste gezicht niet uitgaat van een arts, lijkt de beroepsinstantie daarop wel te hebben geantwoord door de overweging dat verzoekster niet op afdoende wijze aantoont dat de beweerde storingen substantieel hinderlijk van aard zijn geweest of dat zij enige impact hebben gehad op het door verzoekster behaalde examenresultaat. In die omstandigheden lijkt verzoekster de beroepsinstantie niet te kunnen verwijten dat zij deze stukken niet expressis verbis bij het uitschrijven van haar beslissing heeft betrokken.
  44. Tot slot doet de motivering van de bestreden beslissing de Raad vooralsnog niet besluiten dat er sprake is van een loutere passe-partoutmotivering.
  45. Het is, zo lijkt, ten onrechte dat verzoekster aanvoert dat de beroepsinstantie voor andere kandidaten het resultaat heeft aangepast wegens “erkenningen van individuele nadelen”, alleszins houdt het voorbeeld dat verzoekster ter zake voorlegt op het eerste gezicht geen enkel verband met de omstandigheden waarop zij zich beroept. In het voorgelegde voorbeeld gaat het op het eerste gezicht immers om een kandidate die bij de beroepsinstantie een beroep had ingesteld met betrekking tot de quotering voor één bepaalde vraag, waarvan die kandidate betoogde dat niet alleen het door de examencommissie (enige) als juist aangemerkte antwoord correct was, maar ook een tweede antwoord, dat door de betrokken kandidate was gekozen. Die kritiek blijkt door de beroepsinstantie op louter inhoudelijke gronden te zijn bijgevallen, waarna deze kandidate – en alleen zij omdat zij een beroep had ingesteld – een aangepast examencijfer kreeg. Dit heeft prima facie niets te maken met de persoon van die kandidate en is dus zonder relevantie voor verzoeksters betoog. IX-10.746-20/25
  46. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  47. In een vijfde middel noemt verzoekster artikel 70 WER geschonden. Zij betoogt: “Het reglement bepaalt dat beslissingen binnen 30 dagen moeten meegedeeld worden. Verzoekster ontving de negatieve beslissing pas na overschrijding van deze termijn, hetgeen een procedurefout inhoudt die de rechtsgeldigheid van de beslissing aantast.” Beoordeling
  48. Artikel 70, in fine, WER bepaalt: “[d]e beslissingen worden aan de verzoekende partij ter kennis gebracht binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat op 1 augustus van het lopende jaar.” Het lijkt derhalve uitdrukkelijk om een termijn van orde te gaan, zodat aan de overschrijding ervan geen enkele sanctie is verbonden. De Raad van State bedenkt daarbij dat zelfs indien het om een vervaltermijn zou gaan, quod non, verzoekster niet aantoont welk voor haar gunstig gevolg zou kunnen worden verbonden aan een verlies van bevoegdheid in hoofde van de beroepsinstantie. Zulks brengt verzoekster immers, bij het herleven van de beslissing van de examencommissie, geen stap dichter bij een hoger examenresultaat, zodat zij op het eerste gezicht bij het middel geen belang heeft.
  49. Het middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. IX-10.746-21/25 F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  50. Een zesde middel steunt op “[f]raude en examenreglement (ongelijke behandeling)”. Verzoekster zet wat dat betreft het volgende uiteen: “In de media werd melding gemaakt van fraudegevallen tijdens hetzelfde examen. Deze kandidaten, die artikel 46 van het examenreglement (Zie bijgevoegd stuk 9) schonden, werden gehoord en hadden dus de kans zich te verdedigen. Verzoekster, die integer handelde, werd daarentegen niet geloofd en niet gehoord. Dit wekt stellig de indruk dat de beroepsinstantie zich hier laat leiden door druk van advocaten en media. Dit is ongelijke behandeling.” Beoordeling
  51. Kandidaten ten aanzien van wie wegens examenfraude wordt opgetreden, krijgen een sanctie opgelegd, in welk geval, zo lijkt, de rechten van verdediging van toepassing zijn. Zulks is voor verzoekster prima facie niet het geval: zij stelde een beroep in tegen het examencijfer en wordt niet van een fout of inbreuk beticht. In dat geval is op het eerste gezicht enkel het hoorrecht van toepassing. Verzoekster heeft haar standpunt schriftelijk kunnen doen kennen middels het beroepschrift en de aanvulling daarop. In het recht om te worden gehoord, ligt prima facie niet het recht besloten op een fysieke aanwezigheid tijdens een bijeenkomst van de bevoegde overheid. Artikel 70 WER, waarvan verzoekster de onwettigheid niet aanvoert, bepaalt overigens: “[d]e interne beroepsinstantie behandelt de beroepen op stukken. Ze kan evenwel elkeen van wie ze de aanwezigheid nuttig acht voor de behandeling van het dossier uitnodigen om gehoord te worden.” IX-10.746-22/25
  52. Het middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  53. In een zevende middel voert verzoekster een schending van “inclusief onderwijs” aan. Verzoekster stelt: “Er bestaat ruim wetenschappelijk bewijs (zie bijgevoegd stuk 8) dat neurodivergente (ASS en ADHD) en hoogbegaafde studenten disproportioneel geraakt worden door acute stress. De examencommissie weigert dit te erkennen of te compenseren, waardoor het principe van inclusief onderwijs en het discriminatieverbod geschonden zijn.” Beoordeling
  54. Het door verzoekster aangevoerde “principe van inclusief onderwijs” is op het eerste gezicht geen algemeen rechtsbeginsel of een beginsel van behoorlijk bestuur, noch wijst verzoekster een regel van positief recht aan waarin dit ‘principe’ is verankerd. In dat opzicht lijkt het middel onontvankelijk en is het niet ernstig.
  55. Wat het discriminatieverbod betreft, toont verzoekster door de loutere stelling dat personen met ASS, ADHD of hoogbegaafdheid meer door stress worden geraakt, niet aan dat bij de organisatie of het verloop van het toelatingsexamen een ongelijke situatie is ontstaan, mede gelet op wat voorlopig bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld. In die mate is het zevende middel niet ernstig. IX-10.746-23/25
  56. Het zevende middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. VIII. Conclusie
  57. Er is derhalve niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. IX. Voorlopige maatregel Verzoek
  58. In het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift vraagt verzoekster: “[…] om bij wijze van billijke compensatie minstens de KIW-score [te] corrigeren tot 50%, gelet op de bewezen cognitieve capaciteiten (hoogbegaafdheid), de medische kwetsbaarheid (ASS/ADHD), en de aangetoonde discrepantie met voorbereiding en GC-score.” Beoordeling
  59. Bij gebrek aan nadere duiding, neemt de Raad van State aan dat verzoekster hiermee doelt op het opleggen aan de verwerende partij van een voorlopige maatregel. Aangezien hiervóór is vastgesteld dat de cumulatieve voorwaarden van artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor het uitspreken van een schorsing niet zijn voldaan, moet de vraag tot het opleggen van een voorlopige maatregel, waarvoor dezelfde grondvoorwaarden gelden, eveneens worden verworpen. IX-10.746-24/25 BESLISSING
  60. De Raad van State verwerpt de vordering.
  61. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.746-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.438 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.