id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 Rolnummer: A. 245965/IX-10750 Zaak: Arrest 264439 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.439 van 6 oktober 2025 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 no lien 285457 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.439 van 6 oktober 2025 in de zaak A. 245.965/IX-10.750 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse onderwijsinspectie van 4 september 2025, waarbij de toestemming wordt geweigerd om verzoeksters huisonderwijs te hervatten. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 26 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. IX-10.750-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- Naar luid van artikel 3, 24°, eerste gedachtestreepje, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (hierna ook: het decreet) wordt onder ‘huisonderwijs’ verstaan: “het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school.” Krachtens de artikelen 25, § 1, en 26, § 1, van dat decreet kunnen ouders hun kinderen onderwijs laten volgen in een school of kiezen voor huisonderwijs en zijn zij in beide gevallen verplicht ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onderwijs volgt. Ouders die opteren voor huisonderwijs verbinden zich ertoe op grond van artikel 26bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 om onderwijs te (laten) verstrekken dat beantwoordt aan de volgende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 IX-10.750-2/14 minimumvereisten: 1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene en 2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen. Artikel 26ter van het decreet verleent aan de onderwijsinspectie de bevoegdheid om te controleren of het verstrekte huisonderwijs aan die doelstellingen beantwoordt. Paragraaf 3 van dat artikel bepaalt dat wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet wordt aanvaard of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis van het decreet bedoelde doelstellingen, de ouders de leerling inschrijven hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van de in die bepaling bedoelde Europese, internationale of buitenlandse scholen. Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan – naar luid van artikel 26ter, § 3, tweede lid, van het decreet zoals het op de datum van de aanvraag, zijnde 25 augustus 2025, van toepassing was – enkel mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De werkingsregels omtrent de controle door de onderwijs- inspectie zijn nader bepaald in hoofdstuk IIIter ‘Voorwaarden voor het organiseren van huisonderwijs’ van het besluit van de Vlaamse regering van 12 november 1997 ‘betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het basisonderwijs’. 3.
- Verzoekster wordt voor het schooljaar 2021-2022 aangemeld voor huisonderwijs. Met een brief van 14 februari 2022 bevestigt het agentschap ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 IX-10.750-3/14 voor Onderwijsdiensten (Agodi) de registratie van het huisonderwijs vanaf die datum. Ook in de schooljaren 2022-2023 en 2023-2024 volgt verzoekster huisonderwijs. 3.
- Naar aanleiding van een aanmelding voor huisonderwijs voor het schooljaar 2024-2025 voert de onderwijsinspectie op 18 januari 2024 een eerste controle uit, die leidt tot een negatief advies. De onderwijsinspectie oordeelt dat eensdeels onvoldoende wordt gewerkt aan een evenwichtig aanbod van de leergebieden/vakken van de basisvorming en dat anderdeels er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het onderwijs heeft geleid tot meer kennis, vaardigheden en attitudes. De aspecten ‘onderwijsdoelen’, ‘onderwijsaanbod’, ‘onderwijs- organisatie’ en ‘evaluatie’ worden als onvoldoende beoordeeld. De ouders van verzoekster worden erop gewezen dat bij twee opeenvolgende controles waarbij wordt vastgesteld dat het verstrekte onderwijs niet beantwoordt aan de in de regelgeving omschreven doelstellingen, de leerling wordt uitgesloten van huisonderwijs. Op 13 juni 2024 vindt een tweede controle plaats. Opnieuw verleent de onderwijsinspectie een negatief advies over het huisonderwijs. De onderwijsinspectie is ook nu van oordeel dat onvoldoende wordt gewerkt aan een evenwichtig aanbod van de leergebieden/vakken van de basisvorming en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het onderwijs heeft geleid tot meer kennis, vaardigheden en attitudes. De beoordelingscriteria ‘onderwijsdoelen’, ‘onderwijsaanbod’ en ‘evaluatie’ worden andermaal als onvoldoende aangemerkt. Het gevolg van deze tweede controle is een brief van Agodi van 1 juli 2024, waarin wordt gevraagd om verzoekster in te schrijven in een school en uiterlijk op 2 september 2024 een inschrijvingsbewijs toe te zenden. IX-10.750-4/14 3.
- Verzoekster wordt voor het schooljaar 2024-2025 ingeschreven in een basisschool. Niettemin krijgt zij ook dat schooljaar uitsluitend huis- onderwijs; op grond van vijf doktersattesten blijft zij immers, mogelijk enkele dagen niet te na gesproken, gedurende het hele schooljaar op school afwezig. 3.
- Voor het schooljaar 2025-2026 wordt verzoekster opnieuw voor huisonderwijs aangemeld. Hierop antwoordt Agodi dat zulks, gelet op de twee negatieve controles, enkel kan worden toegestaan door de onderwijsinspectie, waarbij een aanvraag tot hervatting moet worden ingediend. Op 25 augustus 2025 wordt voor verzoekster een aanvraag tot hervatting ingediend. Die aanvraag bevat een “motivatie” (die verwijst naar de nood aan een rustige en veilige leeromgeving en een prikkelarme context), een onderwijsaanpak en voorgenomen verbetermaatregelen naar aanleiding van de vorige inspectie. 3.
- Op 4 september 2025 beslist de onderwijsinspectie dat de aanvraag voor huisonderwijs voor verzoekster wordt geweigerd: “Het decreet basisonderwijs stelt dat wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis bedoelde doelstellingen, de ouders hun kind moeten inschrijven in het reguliere onderwijs. In voorliggende casus stelt de onderwijsinspectie vast dat er niet voldoende garanties aanwezig zijn dat het huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 26ter, § 3, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (artikel 10duodecies Besluit van de Vlaamse regering betreffende de controle op de inschrijving van leerlingen in het basisonderwijs).
- Zo stelt de onderwijsinspectie vast dat niet tegemoetgekomen is aan de geest van de decretale verwachting om [verzoekster] na twee negatieve controles terug in te schrijven in een school, om zodoende het recht op onderwijs van het kind te garanderen. Dit recht op onderwijs betekent niet louter een inschrijving in een school, maar houdt in dat het kind ook effectief schoolloopt en participeert aan het schoolleven. [Verzoekster] werd in het schooljaar 2024-2025 en ook in het schooljaar 2025-2026 terug ingeschreven in een erkende school. Na contactname door de onderwijsinspectie met de school blijkt dat [verzoekster] in het schooljaar 2024-2025 slechts enkele uren naar school is gegaan, verspreid over meerdere dagen. De ouders bezorgden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 IX-10.750-5/14 de school de nodige doktersattesten om de afwezigheid voor de periode van het volledige schooljaar te wettigen. In het schooljaar 2025-2026 is [verzoekster] nog niet komen opdagen op school. Ook nu ontving de school doktersattesten om de afwezigheid te wettigen. De onderwijsinspectie stelt vast dat het recht op onderwijs niet gewaarborgd wordt.
- De aanvraag bevat bovendien slechts een summiere beschrijving van de wijze waarop het huisonderwijs zal gerealiseerd worden en van de wijze waarop [verzoekster] zal tegemoetkomen aan de tekortkomingen, die beschreven werden in de twee voorafgaande negatieve verslagen. Uit de aanvraag kan niet worden afgeleid dat er een voldoende evenwichtig aanbod voorzien wordt van de verschillende leergebieden of vakken, noch dat het huisonderwijs zal leiden tot meer kennis en vaardigheden. Rekening houdend met het bovenstaande oordeelt de onderwijsinspectie dat er onvoldoende garanties aanwezig zijn dat het huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen vermeld in artikel 26ter, § 3, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari
- Bijgevolg verleent de onderwijsinspectie geen toestemming om het huisonderwijs te hervatten.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. IX-10.750-6/14 V. Spoedeisendheid - uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster zet met betrekking tot de aangevoerde uiterst dringende noodzakelijkheid het volgende uiteen: “Geconfronteerd met de bestreden beslissing, zien verzoekers zich genoodzaakt [verzoekster] opnieuw in te schrijven in een school voor regulier onderwijs en voorzien van medische attesten huisonderwijs te geven. Dit is echter niet hun keuze en evenmin de keuze van hun minderjarige dochter, die zich hevig verzet tegen het feit dat zij naar school zou moeten gaan. Verzoekers menen dat de bestreden beslissing manifest is aangetast door zowel een schending van de Gecoördineerde Grondwet als van het Decreet basisonderwijs en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij toonden reeds aan dat zij wel degelijk kwalitatief huisonderwijs verstrekken. Indien zij niet spoedig uitsluitsel krijgen over de wettigheid van de bestreden beslissing, komt de gezondheidstoestand van [verzoekster] in het gedrang. Zij lijdt erg onder deze toestand van rechtsonzekerheid.” Verzoekster verwijst naar wat zij de vaste rechtspraak van de Raad van State noemt, geïllustreerd aan de hand van arrest nr. 202.039 van 18 maart 2010 waarvan zij enkele overwegingen aanhaalt, en stelt dat een beslissing betreffende huisonderwijs een leerling ernstig raakt in de schoolloopbaan of studiekeuze en bijgevolg spoedeisendheid aantoont. Daarnaast stelt verzoekster dat het nieuwe schooljaar op 1 september 2025 is aangevangen, dat de doorlooptijd van een gewone schorsings- procedure meer dan één maand bedraagt en dat de afwikkeling van een dergelijke procedure onmogelijk kan worden afgewacht “zonder onherstelbare schade te berokkenen”. Beoordeling
- De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 IX-10.750-7/14 ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die proce- dure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de inhoud van artikel 17, § 5, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dat als volgt luidt: “Wanneer in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden, stelt de voorzitter van de kamer waarbij de vordering aanhangig gemaakt is of de staatsraad die hij aanwijst, in overleg met de auditeur, op korte termijn de procedurekalender vast bij een beschikking waarin de dag wordt bepaald waarop het administratief dossier, de nota met opmerkingen en, in voorkomend geval, het verzoekschrift tot tussenkomst neergelegd worden, alsook de dag van de terechtzitting. Op basis van de aanwijzingen van de auditeur worden in de beschikking eventuele derden-belanghebbenden aangewezen. Deze beschikking kan worden gewijzigd indien andere derden-belanghebbenden worden geïdentificeerd of zich kenbaar maken na het nemen ervan.” Bij die bepaling heeft de wetgever voor ogen gehad dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 3220/1, 11-12). De feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen, dienen overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ in het verzoekschrift te worden aangevoerd. Zij moeten ook in concreto worden betrokken op de situatie ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 IX-10.750-8/14 van de verzoekende partij en zij moeten, zoals hiervóór is uiteengezet, aan de hand van precieze en concrete gegevens aantonen dat een behandeling van de schorsingsvordering binnen een termijn van meer dan vijftien dagen, onherroepe- lijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen.
- Verzoekster lijkt in het aangehaalde arrest nr. 202.039 van 18 maart 2010 op het eerste gezicht dingen te lezen die er niet staan, minstens zijn de gegevens van die zaak allerminst één-op-één te extrapoleren naar de hier voorliggende vordering. In arrest nr. 202.039 overwoog de Raad van State het volgende: “De bestreden beslissing dreigt er derhalve toe te leiden dat verzoekster verbod wordt opgelegd om in het koninklijk atheneum te Lier waar zij thans school loopt de hoofddoek te dragen, wat haar tot hiertoe wél was toegestaan, dat zij dan voor de keuze staat om óf de hoofddoek af te leggen óf een andere school te zoeken en dat zij in het tweede geval zal vaststellen dat alleszins alle scholen van het gemeenschapsonderwijs ingevolge de bestreden beslissing de deur voor haar gesloten houden zolang zij er op insisteert om haar hoofddoek te blijven dragen. Volgens de Raad van State is een beslissing die een leerling de toegang tot haar huidige school en tot alle andere onderwijsinstellingen van het gemeenschapsonderwijs op een dergelijke wijze belemmert of onmogelijk maakt een beslissing die de leerling ernstig nadeel berokkent. In onderwijszaken wordt daarenboven door de Raad van State over het algemeen aanvaard dat de impact van beslissingen die leerlingen ernstig in hun schoolloopbaan of hun studiekeuze raken – inschrijvingen, examenbeslissingen, tuchtbeslissingen over de uitsluiting van een leerling, beslissingen betreffende het huisonderwijs – naderhand nog moeilijk daadwerkelijk kan worden gekeerd en dat het derhalve zaak is, ten einde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te vermijden, die impact te voorkomen. Het is hier niet anders.” Een aantal vaststellingen dringt zich op. Ten eerste heeft de Raad van State in het vóórmelde arrest de toenmalige vereiste van het ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ vervuld geacht in het kader van een gewone schorsingsprocedure en zich dus niet uitgesproken over de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid die in verzoeksters geval wél aan de orde is. In dat opzicht lijkt de relevantie van dat arrest te dezen alvast relatief. IX-10.750-9/14 Bovendien was niet een geweigerde toegang tot huisonderwijs voorwerp van het geschil, maar wel de invoering van een hoofddoekverbod op de school waar de verzoekende partij reeds schoolliep, wat haar dwong de hoofddoek af te leggen of een andere school te zoeken. De context van beide zaken is bijgevolg danig verschillend. Het is dan ook slechts ten overvloede en terloops dat de Raad van State het huisonderwijs ter sprake brengt en zulks bovendien onder de caveat dat hij de impact van beslissingen die leerlingen ernstig in hun schoolloopbaan of hun studiekeuze raken “over het algemeen” als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvaardt. Daarmee is geenszins gezegd dat de spoedeisendheid of de uiterst dringende noodzakelijkheid ipso facto wordt aanvaard in alle geschillen die op de studievoortgang of de inschrijving betrekking hebben, al is het maar omdat, eensdeels, zoals reeds aangegeven de spoedeisendheid in concreto op de verzoekende partij zelf moet worden betrokken en, anderdeels, in het Belgische rechtsstelsel – en dus ook vóór de Raad van State – geen precedentenrechtspraak geldt. Het door verzoekster aangehaalde arrest kan haar derhalve te dezen op het eerste gezicht niet van dienst zijn.
- Voorts doet verzoekster gelden dat de bestreden beslissing manifest in strijd is met de Grondwet, het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarmee lijkt verzoekster te refereren aan de wettigheids- bezwaren die zij tegen de bestreden beslissing aanvoert. Uit de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat de vordering spoedeisend is.
- Voor zover wordt aangevoerd dat ten behoeve van verzoekster “wel degelijk kwalitatief huisonderwijs” wordt verstrekt, raakt verzoekster al evenmin aan de uiterst dringende noodzakelijkheid. Bovendien lijkt die stelling toch niet zonder meer te kunnen worden bijgevallen, nu de onderwijsinspectie tot IX-10.750-10/14 tweemaal toe heeft geoordeeld dat zulks, wat verzoekster betreft, precies níét het geval is. 10.
- Resten dan de argumenten dat verzoekster zich hevig verzet tegen het naar school gaan en de stress die zij ten gevolge van de rechtsonzekerheid zou ondervinden. Opnieuw huisonderwijs kunnen volgen, is het doel dat verzoekster met haar vordering nastreeft. De stelling dat zij het alternatief – naar school gaan – niet alleen niet wenst, maar zich zelfs ertegen verzet, is geen bewijs van een uiterst dringende noodzakelijkheid, of zelfs maar van een spoedeisendheid. Dat verzoekster ten gevolge van de rechtsonzekerheid in díé mate stress ondervindt dat haar gezondheidstoestand in het gedrang komt, lijkt dan weer een blote bewering die door geen enkel stuk wordt gestaafd. Overigens brengt dit arrest hoe dan ook, zij het mogelijk niet in de door verzoekster gewenste zin, (minstens voorlopig, maar verzoekster heeft vooralsnog niet de nietigverklaring van de bestreden beslissing gevraagd) een einde aan de rechtsonzekerheid, zodat dit nadeel in elk geval wordt gekeerd. 10.
- Tot slot maakt verzoekster niet inzichtelijk omwille van welk gevreesd concreet en actueel nadeel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zich opdringt. Verzoekster mocht in het schooljaar 2024-2025 geen huisonderwijs krijgen; op grond van medische attesten die haar afwezigheid op school wettigen, heeft zij dat de facto toch afgedwongen. Niets lijkt verzoekster te verhinderen om zulks in het schooljaar 2025-2026 opnieuw te doen. Meer nog, dat doet zij ook. Niet alleen ís verzoekster sinds 1 september 2025 opnieuw onder dekking van medische attesten afwezig op school – en dit alvast tot 24 oktober 2025 of, de herfstvakantie in rekening nemend, tot 2 november 2025 – zij stelt bovendien zelf dat de bestreden beslissing ertoe noopt dat zij “voorzien van medische attesten huisonderwijs” zal krijgen. IX-10.750-11/14 Daargelaten dat er mogelijk vragen kunnen rijzen bij over de stelligheid waarmee verzoekster de beslissing van een arts om in de toekomst medische attesten uit te (blijven) reiken lijkt te kunnen voorspellen, moet alleszins worden besloten dat verzoekster zelf aangeeft dat zij de situatie die zij in juridische zin beoogt, voorlopig alvast feitelijk voor zichzelf heeft geregeld. Van een ander nadeel is in het verzoekschrift geen sprake. 10.
- Alleszins moet, rekening houdend met die periode van gewettigde afwezigheid en de daaropvolgende vakantieperiode, worden vastgesteld dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat een behandeling van de zaak aan de hand van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dus binnen een termijn van vijftien dagen, noodzakelijk is om de door haar aangevoerde nadelen inzake het volgen van respectievelijk onderwijs op een erkende school en huisonderwijs op te vangen. De verwijzing door verzoekster naar de vermeende gemiddelde doorlooptijd van de gewone schorsingsprocedure doet daaraan geen afbreuk. Vooreerst immers, gaat verzoekster daarmee voorbij aan de wijzigingen aan de schorsingsprocedure zoals ze thans is geconcipieerd in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zoals de wetgever heeft uiteengezet in de voorbereidende werken bij de huidige versie van die bepaling, zijn die wijzigingen erop gericht “de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd”, waarbij geldt dat “[d]e uiteenzetting over de spoedeisendheid […] de kamer waaraan de zaak toegewezen is in staat [zal] stellen om, in het licht van de mate van spoedeisendheid, een zittingsdag te bepalen”. Aansluitend overweegt de wetgever dat “[o]p basis van de feitelijke uiteenzetting van de spoedeisendheid in het verzoekschrift, […] de vordering […] op zeer korte termijn [zal] opgeroepen kunnen worden, desnoods zelfs binnen enkele dagen of enkele weken” (Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 3220/1, 9-10). Met andere woorden, de gewone schorsingsprocedure en het instrument van de procedurekalender bieden de verzoekende partij ook de mogelijkheid om IX-10.750-12/14 – indien zij een behandeling van de zaak binnen een termijn van één maand nefast acht voor haar belangen – bij de uiteenzetting van de spoedeisendheid de Raad van State op het eerste gezicht ervan te overtuigen dat een relatief korte termijn voor de behandeling van de zaak zich opdringt. Daarnaast zou zelfs een gemiddelde doorlooptijd van één maand verzoekster klaarblijkelijk nog steeds toelaten om een uitspraak te verkrijgen vooraleer de voormelde periode van gewettigde afwezigheid op 2 november 2025 afloopt. 10.
- In het licht van dit alles overtuigt verzoekster niet ervan dat haar vordering spoedeisend is. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.750-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.750-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.