← België

Arrest 264441 - Tucht (openbaar ambt) - 06/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.441 Rolnummer: A. 240940/XII-9702 Zaak: Arrest 264441 - Tucht (openbaar ambt) - 06/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-16 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-14 03:04 Fiche Arrest nr 264.441 van 6 oktober 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.441 van 6 oktober 2025 in de zaak A. 240.940/XII-9702 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Van Betsbrugge en Els Vandebempt kantoor houdend te 3300 Tienen Vierde Lansierslaan 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5391 BIERBEEK-BOUTERSEM- HOLSBEEK-LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 10 november 2023 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-1/39 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Willem Van Betsbrugge, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Gendt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 6 september 2018 worden ten laste van verzoeker vier processen-verbaal opgesteld, onder meer voor de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende feiten. De gewone tuchtoverheid van verzoeker krijgt diezelfde dag daarvan kennis. Op 7 augustus 2019 verleent de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid de toelating om inzage in en een afschrift te bekomen van het strafdossier dat betrekking heeft op de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-2/39 3.
  7. Op 14 augustus 2019 duidt de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan. De voorafgaand onderzoeker legt op 25 november 2019– nadat hij kennis nam van het strafdossier betreffende de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten – zijn verslag neer. Hij besluit daarin onder meer dat “er nog steeds vraagtekens [blijven] met betrekking tot het vaststaan en de toerekenbaarheid van de strafrechtelijke feiten”. 3.
  8. Op 16 september 2020 deelt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid het vonnis van 16 juli 2020 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven zetelend in correctionele zaken mee. In dit vonnis verklaart de rechtbank van eerste aanleg zich onbevoegd om te oordelen over de tenlasteleggingen E tot en met T, zijnde de tenlasteleggingen die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing. De brief van 16 september 2020 vermeldt dat zowel het Openbaar Ministerie als verzoeker hoger beroep hebben aangetekend met betrekking tot bepaalde tenlasteleggingen, doch dat wat “de overige tenlasteleggingen” betreft – de tenlasteleggingen E tot en met T – het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 3.
  9. Op 21 december 2020 informeert de gewone tuchtoverheid bij de procureur des Konings of het strafdossier wat de tenlasteleggingen E tot en met T betreft, inmiddels aanhangig werd gemaakt bij de bevoegde politierechtbank. 3.
  10. Op 23 maart 2021 antwoordt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid dat de verkeersgerelateerde feiten inmiddels werden behandeld door de politierechtbank, dat een vonnis uitsprak op 12 februari 2021, doch dat dit geen kracht van gewijsde heeft, daar zowel verzoeker als het Openbaar Ministerie hoger beroep hebben aangetekend. 3.
  11. Op 24 oktober 2022 bezorgt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven zetelend in correctionele zaken van 8 september 2022 waarin een uitspraak wordt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-3/39 gedaan over het hoger beroep met de melding dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft. 3.
  12. Op 3 maart 2023 maakt de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  13. Op 17 maart 2023 wordt het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen, per aangetekende zending aan verzoeker aangeboden, nadat hij op 16 maart 2023 had geweigerd dit bij de overhandiging ervan voor ontvangst te tekenen. Verzoeker dient op 14 april 2023 een schriftelijk verweer in en wordt op 19 april 2023 door de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord. 3.10 Op 24 april 2023 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  14. Op 26 september 2023 adviseert de Tuchtraad: “In hoofdorde: dat de tuchtvordering nopens de ten laste gelegde feiten vervallen is door verjaring; In ondergeschikte orde: dat het ten laste gelegde feit, zoals omschreven in punt 5.
  15. sub L wel bewezen is maar niet toerekenbaar is aan de verzoeker; dat de overige ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1., bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal een gepaste straf is.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-4/39 3.
  16. Op 24 oktober 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. 3.
  17. Op 10 november 2023 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  18. In het eerste middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het recht van verdediging, alsook van de artikelen 13, 29 en 48 tot en met 50 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet). In wat als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat hij enkel werd gehoord over een ordemaatregel en niet over een tuchtmaatregel. Hij verwijst daartoe naar twee verschillende versies van het proces-verbaal van verhoor van 19 april 2023, die vermelden dat de hoorzitting wordt gehouden in het kader van een ordemaatregel, respectievelijk de verlenging van een ordemaatregel. Dat de hoorzitting ging over een ordemaatregel blijkt volgens verzoeker ook uit de verklaring van de voorzitter in die zin, vermeld in het proces-verbaal van de hoorzitting. Voorts voert verzoeker aan dat hij tijdens de hoorzitting aangaf niet de kans te hebben gehad om het inleidend verslag te lezen. Het feit dat er vooraf briefwisseling was gevoerd en dat er een mogelijkheid was dat het over tucht ging, is volgens verzoeker niet relevant. Op de hoorzitting is men immers afgestapt van de intentie tot het opleggen van een tuchtsanctie en heeft men beslist tot een ordemaatregel. Verzoeker kon alzo geen correcte verdediging voeren, zodat het recht op verdediging is geschonden. In wat als een tweede onderdeel kan worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-5/39 beschouwd, voert verzoeker aan dat het recht op verdediging ook in het kader van het voorafgaand onderzoek werd geschonden. Verzoeker werd immers verhoord door de voorafgaand onderzoeker, ook al had hij te kennen gegeven eerst zijn toenmalige advocaat te willen raadplegen, die evenwel op dat ogenblik moederschapsrust genoot. De voorafgaand onderzoeker wou echter niet wachten met het verhoor. In wat als een derde onderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat uit geen enkel stuk blijkt dat de hogere tuchtoverheid na het advies van de Tuchtraad rechtsgeldig samenkwam, noch welke beslissing werd genomen en of volmacht werd gegeven aan de burgemeester.
  19. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat het verhoor van 19 april 2023 doet verstaan dat afstand wordt gedaan van het inleidend verslag. Voorts spreekt verzoeker het standpunt van de verwerende partij tegen dat hij geen belang zou hebben bij het tweede middelonderdeel. Van verzoeker werd in het kader van het voorafgaand onderzoek immers een volledige verklaring afgenomen over de feiten en de tuchtoverheid kon op basis hiervan een standpunt innemen op tuchtrechtelijk vlak. Tot slot voert verzoeker aan dat hij werd benadeeld doordat de hogere tuchtoverheid na een vonnis in graad van beroep alsnog tuchtrechtelijk optreedt, niettegenstaande zij op 16 december 2011 (lees: 2021) besliste dat er geen reden was tot verdere schorsing op grond van deze feiten en men evenmin verder handelde op tuchtrechtelijk vlak. Intussen is verzoeker onterecht geschorst geweest van 3 oktober 2016 tot 16 december 2021, wat volgens verzoeker wordt bevestigd in het arrest van de Raad van State nr. 258.435 van 12 januari
  20. In de laatste memorie herhaalt verzoeker, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat men op de hoorzitting afstand kan doen van de oorspronkelijke intentie en kan overgaan tot een verhoor in het kader van een ordemaatregel in plaats van een tuchtmaatregel. Verzoeker verwijst in dat verband opnieuw naar zijn opmerking op de hoorzitting dat hij niet in de mogelijkheid was het inleidend verslag te lezen en dat de voorzitter te kennen gaf dat de hoorzitting ging over de ordemaatregel van de schorsing. Omdat verzoeker duidelijk werd gemaakt dat het niet langer ging over een tuchtdossier maar over een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-6/39 ordemaatregel, heeft verzoeker geen bijkomend verweer gevoerd in aanvulling op de nota en de toelichting van zijn raadsman. Wat het tweede middelonderdeel betreft, handhaaft verzoeker zijn standpunt en voert hij aan dat het standpunt van het auditoraat dat hij maar een andere raadsman moest raadplegen, niet kan worden gevolgd, alsook dat dit zeker niet de korte termijn van acht dagen rechtvaardigt tussen de weigering van het raadplegen van de toenmalige raadsman en het verhoor op 8 november
  21. Een termijn van acht dagen is onredelijk kort om een raadsman te raadplegen. Beoordeling A. Exceptie van gebrek aan belang Uiteenzetting van de exceptie
  22. In de memorie van antwoord – wat zij herhaalt in de laatste memorie – werpt de verwerende partij de exceptie op dat verzoeker geen belang heeft bij het middel in de mate dat het betrekking heeft op het verhoor van verzoeker tijdens het voorafgaand onderzoek. Volgens de verwerende partij heeft de beweerde onregelmatigheid tijdens een voorafgaand onderzoek verzoeker geen nadeel berokkend, daar dat voorafgaand onderzoek niet heeft geleid tot het starten van een tuchtvervolging. Na het voorafgaand onderzoek besloot de verwerende partij dat zij nog niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvervolging in te stellen. Die werd pas ingesteld na kennisgeving van de gerechtelijke eindbeslissing. De beweerde onregelmatigheid heeft alzo geen invloed gehad op de eindbeslissing. Beoordeling
  23. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-7/39 uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
  24. Te dezen is het middelonderdeel waarop de exceptie betrekking heeft, opgebouwd rond de schending van het recht van verdediging, meer bepaald het recht op bijstand van een advocaat. Indien de bestreden beslissing zou zijn genomen met schending van het recht van verdediging – wat zoals hierna wordt vastgesteld, te dezen niet het geval is (zie infra, nrs. 19-20) – zou verzoeker een essentiële waarborg zijn ontnomen. De Raad van State stelt derhalve vast dat – daargelaten dat het recht van verdediging de openbare orde raakt – verzoeker getuigt van een voldoende belang bij het middel.
  25. De exceptie wordt verworpen. B. Ten gronde Vooraf
  26. Verzoeker laat na uiteen te zetten waarom artikel 13 van de tuchtwet zou zijn geschonden. Verzoeker laat eveneens na in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing de artikelen 48 tot 50 van de tuchtwet zou schenden. Verzoeker beperkt zich tot de loutere stelling dat deze bepalingen manifest niet werden nageleefd, doch zet niet uiteen waarom of hoe deze bepalingen – die alle de procedure voor de Tuchtraad betreffen – zouden zijn geschonden. Het valt voorts niet aan de Raad van State toe om het middel in de plaats van verzoeker te redigeren. Verzoeker schiet te dezen tekort in zijn stelplicht. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-8/39 In de mate dat het middel de schending aanvoert van de artikelen 13 en 48 tot 50 van de tuchtwet, is het niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  27. In het eerste onderdeel voert verzoeker in wezen de schending aan van het recht van verdediging doordat hij op 19 april 2023 niet zou zijn gehoord over een voorgenomen tuchtmaatregel, maar wel over een (verlenging van een) ordemaatregel.
  28. Uit het administratief dossier blijkt dat het eerste middelonderdeel feitelijke grondslag mist. Bij aangetekende zendingen van 16 en 17 maart 2023 werd aan verzoeker het inleidend verslag betekend. Uit dat inleidend verslag blijkt dat het politiecollege in de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid een tuchtdossier heeft samengesteld en overweegt om verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Verzoeker wordt in het inleidend verslag uitgenodigd zijn schriftelijk verweer dienaangaande in te dienen en krijgt de mogelijkheid om ook mondeling te worden gehoord door het politiecollege op 14 april
  29. Bij brief van 21 maart 2023 schrijft de raadsman van verzoeker de hogere tuchtoverheid aan met verwijzing naar het “inleidend verslag in tucht” dat aan verzoeker werd betekend en met de vraag “het tuchtdossier” te bekomen, dat haar op 22 maart 2023 wordt bezorgd. Bij brief van 7 april 2023 meldt de korpschef dat “[i]n het raam van de verdere opvolging van het tuchtdossier” de hoorzitting wordt verplaatst naar 19 april
  30. Op 14 april 2023 dient verzoekers raadsman een “verweernota” in “inzake de mogelijke zware tuchtsanctie van terugzetting in weddeschaal, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-9/39 meegedeeld per inleidend verslag zonder datum, meegedeeld per aangetekende zending van 16 maart 2023”. Uit het door verzoeker ondertekende proces-verbaal van de hoorzitting van 19 april 2023 blijkt dat: - het proces-verbaal werd opgesteld “in het kader van de lopende tuchtprocedure en het inleidend verslag dat u via aangetekende brieven van 16 en 17 maart betekend kreeg”; - de burgemeester bij inleiding van de hoorzitting verwijst naar het inleidend verslag en vraagt aan verzoeker of hij kennis heeft genomen van de inhoud ervan, de inhoud van het voorstel begrijpt en de toedracht van de hoorzitting begrijpt; - de raadsman van verzoeker antwoordt kennis te hebben genomen van het inleidend verslag en het voorstel te begrijpen; - de raadsman van verzoeker de verweernota toelicht, daarbij aangeeft dat de feiten niet worden betwist, maar dat de overwogen straf disproportioneel is en bijgevolg vraagt om die te hervormen naar een lichte tuchtstraf; - verzoeker vervolgens de gelegenheid werd geboden nog zaken aan dat verweer toe te voegen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker wist – minstens moest weten – dat hij op 19 april 2023 zou worden gehoord over een mogelijke tuchtmaatregel en dat hij op de hoorzitting ook daadwerkelijk over de voorgenomen tuchtmaatregel werd gehoord.
  31. Het gegeven dat er twee versies van het (ontwerp van) proces- verbaal van verhoor circuleerden en dat in de beide versies melding wordt gemaakt van een mogelijke (verlenging van een) ordemaatregel, doet niet anders oordelen. Uit het geheel van het door verzoeker ondertekende proces-verbaal blijkt zeer duidelijk dat de vermelding van en de verwijzing naar de ordemaatregel een materiële vergissing betreft, zoals de verwerende partij aanvoert, en dat verzoeker wel degelijk de gelegenheid werd geboden om zich inzake tucht te verdedigen én dat hij die mogelijkheid ook heeft benut. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-10/39 Ook verzoekers argument dat hij op de hoorzitting te kennen gaf dat hij het inleidend verslag niet had gelezen, maar aan zijn raadsman bezorgde, doet niet anders oordelen. Verzoeker erkent hiermee het inleidend verslag wel degelijk op voorhand te hebben ontvangen. Indien verzoeker om de redenen die hem eigen zijn verkiest het inleidend verslag niet te lezen, maar zonder meer aan zijn raadsman te bezorgen, kan daaruit niet worden afgeleid dat hij niet in de mogelijkheid was om zich te verdedigen tegen de voorgenomen tuchtmaatregel. Het standpunt van verzoeker dat de hogere tuchtoverheid op het ogenblik van de hoorzitting plots zou zijn afgestapt van het voornemen om een tuchtmaatregel op te leggen en terstond zou hebben beslist om een ordemaatregel op te leggen, vindt geen enkele steun in het administratief dossier. Integendeel, uit het proces-verbaal van de hoorzitting van 19 april 2023 blijkt dat verzoeker de vergissing over de ordemaatregel meteen heeft opgemerkt en rechtgezet, met name “dat er momenteel geen schorsing loopt en dan ook geen verlenging van voorlopige schorsing van toepassing kan zijn, zoals de voorzitter net ter kennis gaf”, waarop zijn raadsman het verweer ten aanzien van de voorgenomen tuchtmaatregel heeft toegelicht. Verzoeker was in staat zijn verdediging in tuchtzaken met kennis van zaken voor te bereiden en te voeren, zodat van een schending van het recht van verdediging geen sprake is.
  32. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie voor het eerst aanvoert dat hij – omdat hij in de veronderstelling was zich te moeten verweren tegen een ordemaatregel – op de hoorzitting geen bijkomende, aanvullende verdediging heeft gevoerd in aanvulling op de nota van zijn raadsman en diens toelichting, voert verzoeker in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aan, waarvan niet blijkt dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-11/39
  33. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
  34. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat het recht van verdediging werd geschonden, omdat hij ter voorbereiding van zijn verhoor door de voorafgaand onderzoeker niet in de gelegenheid was om zijn toenmalige raadsman te raadplegen.
  35. Artikel 29 van de tuchtwet luidt: “In elke stand van de procedure mag het betrokken personeelslid zich naar keuze laten bijstaan of vertegenwoordigen tegelijk door een advocaat, een personeelslid en een lid van een erkende vakorganisatie, hierna aangeduid met de term ‘verdediger’.” Het recht van verdediging impliceert het recht van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid om zich te laten bijstaan door een raadsman.
  36. Daargelaten dat artikel 29 van de tuchtwet niet van toepassing is op het voorafgaand onderzoek, daar er op dat ogenblik nog geen sprake is van een “procedure” – die immers maar wordt ingeleid met de betekening van het inleidend verslag overeenkomstig artikel 56, lid 1, van de tuchtwet –, stelt de Raad van State te dezen vast dat verzoeker wel degelijk in de mogelijkheid was om een raadsman te raadplegen voorafgaand aan het verhoor door de voorafgaand onderzoeker. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker voor het eerst bij brief van 23 oktober 2019 wordt uitgenodigd om op 31 oktober 2019 te worden gehoord door de voorafgaand onderzoeker. Op 31 oktober 2019 antwoordt verzoeker per e-mail dat hij niet zal ingaan op de uitnodiging tot verhoor, onder meer omdat hij voorafgaand zijn raadsman wil raadplegen, die evenwel onbereikbaar is wegens moederschapsrust. Eveneens op 31 oktober 2019 antwoordt de voorafgaand onderzoeker onder meer dat hij begrip heeft voor de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-12/39 vraag om voorafgaand aan het verhoor een raadsman te raadplegen, maar dat hij geen rekening kan houden met de eventueel langdurige onbeschikbaarheid van verzoekers advocaat. De voorafgaand onderzoeker nodigt verzoeker daarom opnieuw uit om te worden gehoord op 8 november
  37. Nog daargelaten dat verzoeker niet verplicht was om in te gaan op de uitnodiging van de voorafgaand onderzoeker, heeft hij ruim twee weken de tijd gehad om – geconfronteerd met de uit de aard langdurige onbeschikbaarheid van zijn advocaat wegens moederschapsrust – desgewenst een andere raadsman te raadplegen. Van een schending van het recht van verdediging is dan ook geen sprake.
  38. Verzoekers argument dat een bijkomende termijn van acht dagen onvoldoende was om een andere raadsman te raadplegen, wordt niet bijgevallen. Verzoeker zet geenszins uiteen waarom de totale termijn van ruim twee weken onvoldoende zou zijn geweest om een andere raadsman te raadplegen, noch maakt hij aannemelijk dat uit het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel of uit artikel 29 van de tuchtwet het recht zou voortvloeien om een welbepaalde advocaat te raadplegen en omgekeerd, dat daaruit voor de voorafgaand onderzoeker de verplichting zou voortvloeien om het verhoor uit te stellen totdat die welbepaalde advocaat beschikbaar is.
  39. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Derde onderdeel
  40. In het derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat uit geen enkel stuk blijkt dat de hogere tuchtoverheid na het advies van de Tuchtraad rechtsgeldig samenkwam om een beslissing te nemen.
  41. Uit het voor eensluidend verklaard uittreksel uit de notulen van het politiecollege, dat zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat het politiecollege op 24 oktober 2023 is bijeengekomen en heeft beraadslaagd over het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Uit dit uittreksel blijkt voorts dat dit voornemen met eenparigheid van stemmen werd aangenomen en dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-13/39 de burgemeester-voorzitter werd gemachtigd om in naam en voor rekening van het politiecollege alle nuttige en nodige stukken in de procedure te ondertekenen. Het middelonderdeel mist aldus feitelijke grondslag.
  42. Het derde middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  43. Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  44. In het tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 13 en 56 van de tuchtwet, met name dat de feiten verjaard zijn. Allereerst wijst verzoeker erop dat er zelfs geen tuchtprocedure werd gestart, enkel een procedure met betrekking tot een ordemaatregel. Verzoeker zet voorts uiteen dat de hogere tuchtoverheid ten onrechte 24 oktober 2022 als datum van kennisname van de feiten in aanmerking neemt, zijnde de datum van ontvangst van het vonnis van 8 september
  45. Volgens verzoeker start de verjaringstermijn op 6 september 2018, datum waarop de korpschef telefonisch werd ingelicht van de feiten. Voorts zet verzoeker uiteen dat de tuchtoverheid zich aanvankelijk baseert op “alle feiten” waarvoor er op 6 september 2018 een proces-verbaal werd opgesteld, dat wat de feiten tegenover X betreft op 22 juli 2019 werd gemeld dat deze werden geseponeerd, zodat de verjaring alleszins intrad op 23 januari
  46. Verzoeker wijst er ook op dat wat de verkeersinbreuken betreft, de korpschef op 16 september 2020 wist dat er een “definitief vonnis van onbevoegdheid” was, zodat er op dat ogenblik geen enkele strafprocedure meer hangende was en de verjaring uiterlijk op 17 maart 2021 intrad. Volgens verzoeker werd de korpschef er pas op 23 maart 2021 op attent gemaakt dat er een nieuwe procedure was gestart, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-14/39 maar dat is meer dan zes maanden later. Volgens verzoeker kan eens de verjaring is bereikt, deze niet meer “heropflakkeren”. Alsnog een tuchtprocedure aanvangen, nadat men per toeval kennis krijgt van een nieuwe strafprocedure, is volgens verzoeker niet aanvaardbaar en hoe dan ook buiten de verjaringstermijn. Verzoeker voert aan dat het strafdossier niet adequaat werd opgevolgd. Hij wijst er in dat verband op dat er vragen rijzen waarom de tuchtoverheid ongeveer een jaar wacht tussen de kennisname op 16 juni 2021 van het vonnis in eerste aanleg waartegen hoger beroep is aangetekend en het informeren naar de stand van zaken op 7 juni
  47. Volgens verzoeker kon de tuchtoverheid de uiteindelijk in aanmerking genomen feiten beoordelen zonder de strafrechtelijke uitspraak af te wachten. Verzoeker verwijst desbetreffend naar het deskundigenverslag van de Inspecteur- generaal en naar het advies van de Tuchtraad. Artikel 7 van de tuchtwet belet volgens verzoeker niet om een tuchtprocedure in te leiden voor een deel van de vermeende tuchtinbreuken, zoals te dezen de verkeersinbreuken, waarop men van bij aanvang een duidelijk zicht had. De verwijzingen door de tuchtoverheid naar de rechtspraak van de Raad van State zijn, volgens verzoeker, niet ter zake. Verzoeker verwijst op zijn beurt naar het advies van de Tuchtraad, dat hij citeert, om te besluiten dat de bevoegde tuchtoverheid na kennisname van het gehele strafdossier over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte over de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn. Verzoeker wijst erop dat de tuchtoverheid echter de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht. Voorts voert verzoeker aan dat het loutere gegeven dat hij alle feiten ontkende, behalve het niet gebruiken van de richtingaanwijzer, de tuchtoverheid niet ervan ontslaat de tuchtvordering op te starten en na te gaan of zij over voldoende gegevens beschikte om de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om klaarheid in de zaak te brengen. Verzoeker zet uiteen dat er op 6 september 2018 vier processen-verbaal werden opgesteld lastens hem en dat de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten twee van die processen-verbaal betreft. Hij herneemt en parafraseert vervolgens het gedeelte van het advies van de Tuchtraad waarin de Tuchtraad repliceert op de argumentatie die de hogere tuchtoverheid voor de Tuchtraad voerde, om vervolgens de conclusie van de Tuchtraad bij te vallen dat de feiten verjaard zijn. Verzoeker merkt nog op dat hij voor de andere feiten dan de verkeersinbreuken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-15/39 werd vrijgesproken en herhaalt dat wat de verkeersinbreuken betreft de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte om te oordelen, zonder de strafrechtelijke uitspraak af te wachten. Bovendien, zo voert verzoeker aan, worden hem “kapstokartikelen” ten laste gelegd en geen specifieke strafrechtelijke inbreuken waarvoor men de beslissing op strafrechtelijk vlak moest afwachten.
  48. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker zijn argumentatie en voegt daaraan toe dat het alleszins mogelijk was voor de hogere tuchtoverheid om het vonnis te kennen vanaf 8 september
  49. Voorts voegt verzoeker toe dat een tuchtsanctie niet vereist dat alle verkeersinbreuken, van A tot en met M, uiteindelijk ook strafrechtelijk worden beteugeld. De tuchtwet sanctioneert een gedraging. Om na te gaan of de ten laste gelegde feiten daarvoor in aanmerking komen, volstaat volgens verzoeker de inzage in het strafdossier en het gedane verhoor.
  50. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag en zet uiteen dat het auditoraatsverslag niet ingaat op het gegeven dat hoe dan ook de verjaring is ingetreden en dat artikel 56, lid 2, van de tuchtwet van strikte interpretatie is. Hij voegt aan de uiteenzetting van tijdstippen, waarop de verjaring volgens verzoeker is ingegaan, nog toe dat die “minstens” is ingegaan vanaf 25 november 2019, de datum van het verslag van het voorafgaand onderzoek. Verzoeker zet voorts uiteen dat in combinatie met artikel 7 van de tuchtwet er bij samenloop maar één tuchtprocedure is: zodra één vermeende tuchtinbreuk de verjaring doet lopen, geldt dit voor alle feiten. Verzoeker verwijst naar de (andere) strafdossiers die tot een vrijspraak hebben geleid op 16 december 2021 en leidt daaruit af dat in toepassing van artikel 7 van de tuchtwet uiterlijk op 17 mei 2022 de tuchtprocedure moest zijn opgestart. Tot slot herhaalt verzoeker dat een beroep op artikel 56, lid 2, van de tuchtwet maar mogelijk is voor zo ver er geen andere mogelijkheid bestaat en het strafonderzoek moet worden afgewacht. Volgens verzoeker konden de feiten perfect worden beoordeeld zonder de strafrechtelijke uitspraak af te wachten, op basis van de inzage in het strafdossier en het verhoor van verzoeker door de voorafgaand onderzoeker. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-16/39 Beoordeling
  51. Verzoeker laat na uiteen te zetten waarom artikel 13 van de tuchtwet zou zijn geschonden. In de mate dat het middel de schending aanvoert van deze bepaling, is het niet ontvankelijk. Hoewel verzoeker in dit middel de verjaring van de tuchtvordering aanvoert, zet hij vooreerst uiteen dat er geen tuchtprocedure zou zijn gestart. Ter weerlegging van dit onderdeel van het middel, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel, waaruit is gebleken dat deze grief feitelijke grondslag mist.
  52. Verzoeker meent voorts dat de ten laste gelegde feiten verjaard zijn en voert in de diverse procedurestukken liefst zes verschillende tijdstippen aan waarop volgens hem de verjaringstermijn is beginnen lopen. Daargelaten de vraag of verzoeker de uiteenzetting van het middel daarmee niet eerder aan de Raad van State overlaat en alzo niet tekortkomt aan zijn stelplicht, stelt de Raad van State te dezen vast dat de tuchtvordering niet verjaard is.
  53. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden: “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-17/39 op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst –, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen, moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid, op basis van een eigen onderzoek, er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-18/39 de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
  54. Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid daadwerkelijk de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker van zijn kant, stelt zich op het standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Dit zou met name het geval zijn geweest op 6 september 2018, 22 juli 2019, 25 november 2019, 16 september 2020, 16 december 2021 en 8 september 2022 (zie supra, nrs. 26-28).
  55. Centraal staat aldus de vraag of op de door verzoeker aangehaalde tijdstippen de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-19/39 beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld.
  56. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de feiten die verzoeker tuchtrechtelijk ten laste worden gelegd, identiek zijn aan de tenlasteleggingen A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L en N (hierna: de verkeersinbreuken) waarvoor verzoeker bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend in correctionele zaken, van 8 september 2022 strafrechtelijk is veroordeeld. Enkel is in de bestreden beslissing de verkeersinbreuk die in het voormelde vonnis onder de noemer N wordt vermeld, de inbreuk M genoemd, ingevolge de vrijspraak voor de tenlasteleggingen M en O, die door de hogere tuchtoverheid niet in aanmerking worden genomen. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, worden hem dus geen “kapstokartikelen” ten laste gelegd, maar wel degelijk concrete strafrechtelijke inbreuken. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de hogere tuchtoverheid de tuchtvervolging steunt op de strafrechtelijke kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. Het bewijs van die feiten valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor uitsluitend de strafrechter instaat. Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van die feiten, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die feiten door de strafrechter. Verzoekers uitgangspunt dat de gewone tuchtoverheid de feiten al sinds 6 september 2018 kende, faalt derhalve, nu niet de materiële handelingen die de verkeersinbreuken vormen op zich, maar wel de door de strafrechter daaraan gegeven kwalificatie, met name dat het wel degelijk diverse ‘verkeersinbreuken’ zijn, aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt, nog daargelaten dat verzoeker niet aantoont dat de gewone tuchtoverheid op basis van louter telefonische informatie op 6 september 2018 over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens over de feiten beschikte. De kwalificatie dat het ‘verkeersinbreuken’ betreft, is pas gekend sinds het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-20/39 van 8 september 2022, waarvan de tuchtoverheid op 24 oktober 2022 in kennis werd gesteld. Verzoeker beweert wel, maar maakt geenszins aannemelijk, dat de tuchtoverheid op een vroeg tijdstip kennis had van het voormelde vonnis, terwijl de bewijslast van de verjaring op verzoeker rust. Het inleidend verslag werd aan verzoeker betekend op 17 maart 2023, dit is binnen de verjaringstermijn bepaald in artikel 56, lid 1, van de tuchtwet.
  57. Daarbij komt dat de tuchtoverheid niet kan worden verweten, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, dat zij heeft stilgezeten. Uit het administratief dossier blijkt veelvuldige briefwisseling tussen de tuchtoverheid en de procureur des Konings, waarbij regelmatig wordt geïnformeerd naar de stand van zaken, inzage wordt gevraagd in het strafdossier, en, tot slot, de stand van de strafrechtelijke vervolging wordt opgevolgd. In dat verband wordt opgemerkt dat het niet “per toeval” is, zoals verzoeker aanvoert, dat de tuchtoverheid op 23 maart 2021 kennis krijgt van de nieuwe strafvervolging voor de politierechtbank nadat het parket van de procureur des Konings de zaak eerst voor de correctionele rechtbank (in eerste aanleg) had gebracht, die evenwel haar onbevoegdheid vaststelde, maar wel omdat de tuchtoverheid schriftelijk had geïnformeerd of de verkeersinbreuken inmiddels al voor de bevoegde politierechtbank werden ingeleid. Voorts heeft de gewone tuchtoverheid op 14 augustus 2019 een voorafgaand onderzoek bevolen, nadat zij op 7 augustus 2019 van de procureur des Konings de toelating tot inzage in het strafdossier had bekomen. De voorafgaand onderzoeker heeft het afschrift van het strafdossier afgehaald op 20 september 2019 en op 25 november 2019 zijn verslag neergelegd. Uit het verslag van het voorafgaand onderzoek blijkt dat verzoeker op dat ogenblik de ten laste gelegde feiten ontkende, met uitzondering van het niet gebruiken van de richtingaanwijzers, wat volgens verzoeker “wellicht” wel zal kloppen. Hij betwiste daarentegen alle materiële vaststellingen gedaan door de verbalisanten en voerde aan dat het proces-verbaal dat zij opstelden “vol leugens” staat en “flink overdreven” is. Zo betwistte verzoeker onder meer dat hij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-21/39 alcohol zou hebben genuttigd en dat het dus uitgesloten was dat hij tekenen van dronkenschap zou hebben vertoond. Hij betwistte ook omstandig de diverse andere verkeersinbreuken en verklaarde dat hij een ademtest weigerde omdat de verbalisanten collega’s van dezelfde politiezone waren. Uit het voormelde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 8 september 2022 blijkt overigens dat verzoeker ook voor de strafrechter de feiten is blijven ontkennen en de objectiviteit en de onpartijdigheid van de verbalisanten in vraag is blijven stellen. In die omstandigheden is het weinig ernstig van verzoeker om in zijn verzoekschrift aan te voeren dat er voor de tuchtoverheid in afwachting van een strafrechtelijke uitspraak “geen enkele reden” was om “aan te nemen dat de betrokken verbalisanten niet de nodige objectiviteit aan de dag hebben gelegd bij het verrichten van de materiële vaststellingen”. Dit geldt te meer nu die materiële vaststellingen het enige mogelijke bewijs vormden van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. Gelet op de voormelde vaststellingen besluit het auditoraatsverslag terecht: “In achtgenomen die elementen kan het in de voorliggende zaak de verwerende partij niet worden verweten de definitieve einduitspraak te hebben afgewacht. Het is pas op dat moment dat onbetwistbaar komt vast te staan welke feiten bewezen waren en in welke mate ze aan de verzoeker toerekenbaar waren. Er anders over oordelen zou in voorliggende zaak onmiskenbaar op gespannen voet komen te staan met het zorgvuldigheidsbeginsel.”
  58. Bijgevolg en gelet op de hiervoor geschetste ruime beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid bij de beoordeling van de vraag of zij met betrekking tot de tuchtfeiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om tuchtrechtelijk op te treden (zie supra, nr. 31), blijft de tuchtoverheid, door te beslissen om de gerechtelijke eindbeslissing in de strafprocedure af te wachten, binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-22/39
  59. De verwarring die verzoeker tracht te zaaien met de verwijzing naar de kennisname door de tuchtoverheid van de seponeringsbeslissing of de gerechtelijke einduitspraak in andere strafdossiers ten laste van verzoeker, doet niet anders oordelen. Verzoeker werd enkel tuchtrechtelijk vervolgd voor de reeks verkeersinbreuken, zodat de kennisname door de tuchtoverheid van andere niet tuchtrechtelijk vervolgde feiten niet de verjaring kan doen lopen ten aanzien van die verkeersinbreuken.
  60. Ook verzoekers argument dat de verjaringstermijn zou zijn beginnen lopen, nadat de tuchtoverheid kennisnam van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend in correctionele zaken, van 16 juli 2020, waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om (in eerste aanleg) kennis te nemen van de ten laste gelegde verkeersinbreuken, faalt. In tegenstelling tot wat verzoeker aanneemt, stelde dat vonnis immers geen einde aan de strafrechtelijke vervolging van verzoeker voor de verkeersinbreuken. Verzoeker werd vervolgens opnieuw gedagvaard om zich te verantwoorden voor die verkeersinbreuken, doch ditmaal voor de bevoegde politierechtbank. Het gegeven dat de tuchtoverheid pas op 23 maart 2021, meer dan zes maanden na het vonnis van 16 juli 2020, in kennis werd gesteld van de nieuwe strafvervolging voor de politierechtbank, kan derhalve niet tot de verjaring leiden, nu de strafvordering nog steeds hangende was en de verjaringstermijn bijgevolg, in toepassing van artikel 56, lid 2, van de tuchtwet, nog steeds gestuit.
  61. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-23/39 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  62. In het derde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de redelijke termijn. Hij zet uiteen dat hij jarenlang geschorst was bij ordemaatregel. Tegelijk de strafprocedure afwachten en intussen sanctionerend optreden bij ordemaatregel, is volgens verzoeker niet aanvaardbaar. Voorts kan, volgens verzoeker, de visie in het deskundigenverslag in ondergeschikte orde worden gevolgd. Een veroordeling na een dergelijk lange termijn, niettegenstaande men al lang kennis had van de feiten, is volgens verzoeker buiten elke redelijke termijn.
  63. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat, in tegensteling tot wat de verwerende partij beweert, uit diverse stukken van het dossier blijkt dat de schorsing bij ordemaatregel wel degelijk ook steunde op de verkeersinbreuken.
  64. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag. Het zet uiteen dat het gegeven dat er geen sprake zou zijn van verjaring, niet belet dat de redelijke termijn kan zijn overschreden. Voorts herhaalt verzoeker aan dat de schorsing bij ordemaatregel wel degelijk ook op de verkeersinbreuken steunde. Tot slot voert verzoeker aan dat de tuchtoverheid is afgeweken van het advies van de Tuchtraad zonder enige bijzondere motivering. Beoordeling
  65. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid, wanneer haar in de regelgeving daarvoor geen specifieke termijn is opgelegd, de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid afhandelt binnen een redelijke termijn. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-24/39 laste worden gelegd en eindigt met het nemen en ter kennis brengen van de tuchtstraf.
  66. In de mate dat het middel steunt op de premisse dat de tuchtoverheid te lang heeft gewacht om tuchtrechtelijk in te grijpen, terwijl zij reeds lang kennis had van de feiten, wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel, waaruit is gebleken dat de tuchtoverheid pas sinds 24 oktober 2022 een voldoende kennis had van de ten laste gelegde feiten en dat haar – tijdens de periode waarin de verjaring was gestuit in toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet – niet kan worden verweten nodeloos te hebben stilgezeten. Derhalve is om die reden de redelijketermijneis evenmin geschonden.
  67. In de mate dat het middel steunt op de jarenlange voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker, merkt de Raad van State op dat de voorlopige schorsing bij ordemaatregel en de bestreden tuchtmaatregel, twee van elkaar te onderscheiden beslissingen zijn. Uit de lange duur van de ordemaatregel, volgt niet ipso facto een schending van de redelijketermijneis in tuchtzaken. Het argument van verzoeker dat hij bij ordemaatregel voorlopig werd geschorst, toont op zich niet aan dat de hogere tuchtoverheid op dat tijdstip reeds overtuigd was van zijn schuld en dus over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten waarvoor verzoeker werd vervolgd, de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker gaat er in zijn kritiek immers aan voorbij dat bij het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel in de zin van artikel 59 van de tuchtwet, die een preventieve maatregel is, de tuchtoverheid vooralsnog geen uitspraak doet over de schuldvraag of over de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde tuchtfeiten, laat staan dat dit een sanctionerend optreden zou zijn, zoals verzoeker ten onrechte aanvoert. Uit het enkele feit dat aan verzoeker een ordemaatregel werd opgelegd, kan op zich niet worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid dan reeds overtuigd was van de schuld van verzoeker.
  68. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de ordemaatregel van de voorlopige schorsing zelf de redelijketermijneis schendt, merkt de Raad van State ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-25/39 op dat de te dezen bestreden beslissing niet de ordemaatregel, maar de op 10 november 2023 opgelegde tuchtmaatregel behelst. De eventuele onwettigheid van de ordemaatregel wegens schending van de redelijketermijneis, kan op zich niet tot de onwettigheid van de tuchtmaatregel leiden.
  69. Voorts voert verzoeker aan dat in ondergeschikte orde de visie van het deskundigenverslag kan worden gevolgd. Verzoeker verwijst hiermee wellicht naar het advies dat namens de Inspecteur-generaal in de procedure voor de Tuchtraad is uitgebracht. Artikel 2, § 1, lid 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijk karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van het algemeen procedurereglement. Verzoeker zet niet uiteen welk aanvullend middel hij in ondergeschikte orde put uit “de visie van het deskundig verslag”. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  70. In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, blijkt niet dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-26/39 laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  71. Uit wat voorafgaat, volgt dat het derde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  72. In het vierde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 13 van de tuchtwet, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de feiten dateren van vijf jaar geleden, dat hij al even lang voorlopig werd geschorst en dat hij voor de meeste feiten is vrijgesproken. Het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verzoeker geschonden, omdat hij werd gehoord in het kader van een ordemaatregel, maar niet in het kader van tucht. Wat de strafmaat betreft, acht verzoeker het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden, ermee rekening houdende dat op strafrechtelijk vlak een werkstraf werd opgelegd, dat hij zeer lang voorlopig was geschorst, dat verzoeker het slachtoffer werd van pesterijen op het werk, dat hij over een blanco tuchtregister beschikt, dat de inbreuken éénmalig werden begaan en dat de hogere tuchtoverheid geen enkele verzachtende omstandigheid aanvaardt.
  73. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker op haast letterlijke wijze zijn uiteenzetting.
  74. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag. Verzoeker zet uiteen dat er wel een correlatie bestaat tussen de strafrechtelijke beoordeling van de strafmaat en de tuchtrechtelijke beoordeling. Volgens verzoeker kan de tuchtoverheid niet de ganse stafprocedure afwachten om dan te stellen dat men geen rekening houdt met de strafmaat, wanneer die gunstig ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-27/39 is. Verzoeker voert voorts aan dat wordt voorbijgegaan aan twee vrijspraken en een seponering. Ook herhaalt verzoeker dat, gelet op de concrete omstandigheden, het zorgvuldigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Verzoeker wijst erop dat de terugzetting een ernstige bestraffing is die ook ongemotiveerd afwijkt van het advies en dat de geldelijke sanctie al overmatig onterecht werd uitgevoerd op dezelfde basis. Beoordeling
  75. Verzoeker laat na uiteen te zetten waarom artikel 13 van de tuchtwet zou zijn geschonden. Het valt voorts niet aan de Raad van State toe om het middel in de plaats van verzoeker te redigeren. Verzoeker schiet te dezen tekort in zijn stelplicht. In de mate dat het middel de schending aanvoert van artikel 13 van de tuchtwet, is het niet-ontvankelijk.
  76. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-28/39
  77. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel miskent.
  78. Verzoeker acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, daar hij niet zou zijn gehoord in tuchtzaken, maar enkel met betrekking tot een ordemaatregel. Ter weerlegging van dit middelonderdeel, verwijst de Raad van State naar de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel, waaruit volgt dat dit middelonderdeel ongegrond is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-29/39
  79. Voorts voert verzoeker in wezen aan dat de oplegde tuchtstraf om diverse redenen disproportioneel is. In de bestreden beslissing is de strafmaat als volgt formeel gemotiveerd: “De tuchtoverheid sluit zich ook aan bij het advies van de Tuchtraad dat de voorgestelde tuchtstraf van terugzetting in de weddeschaal een gepaste straf is; Overwegende de motivering uiteengezet in het punt 5, maar ook uit het advies van de Tuchtraad duidelijk blijkt dat deze feiten een ernstig tuchtvergrijp uitmaken; Overwegende dat de feiten en het gestelde gedrag in geen enkel geval kan worden getolereerd in hoofde van een personeelslid van de politiediensten, waarvan kan en moet verwacht worden dat ze de vigerende wetgeving en regelgeving naleeft en doet naleven; Overwegende een zware tuchtstraf, omwille van de hoger gestelde motivatie, moet overwogen worden en dat zelfs kon gedacht worden aan de zwaarste tuchtstraffen; Dat de voorgestelde tuchtstraf, waartegen u een heroverweging vroeg en finaal in verweer ging, tot doel heeft u aan te moedigen elke herhaling in toekomst te voorkomen en aldus een formele waarschuwing inhoudt; Overwegende dat de aard van de strafrechtelijke en tuchtvergrijpen niet toelaten om over te gaan tot het opleggen van een lichte tuchtstraf of zelfs een vermaning; dat enkel een zware tuchtstraf gelet de ernst van de feiten en gelet deze feiten ook als prioritair te bestrijden feiten worden aanzien in de politiezone, enkel kunnen beantwoord worden met een zware tuchtstraf, een feit dat ook de Tuchtraad bevestigde; Overwegende de Tuchtraad zelfs stelde dat de feiten van dien aard zijn dat ze aanleiding konden geven tot een ontslag, maar dat er met de redelijke termijn tussen feiten en het opstarten van de tuchtprocedure, het voorstel van de tuchtoverheid gepast is; Gelet op uw blanco tuchtblad dat de tuchtoverheid meent dat de zwaarste straffen niet proportioneel zouden zijn tot de gepleegde feiten; Overwegende dat de tuchtvergrijpen die hieraan gekoppeld zijn evenwel getuigen van een dermate gebrek aan normbesef dat ernstig signaal noodzakelijk is;”
  80. Verzoeker brengt tegen de straftoemeting vooreerst in dat geen rekening werd gehouden met het gegeven dat op strafrechtelijk vlak “de gunst van een werkstraf” werd opgelegd. In het licht van de autonomie van het tuchtrecht ten opzichte van het strafrecht (GwH 16 februari 2012, nr. 20/2012, punt B.2), dient de tuchtoverheid weliswaar rekening te houden met de beoordeling van de feiten door de strafrechter, doch ten aanzien van de beoordeling van de strafmaat en de keuze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-30/39 van de tuchtstraf heeft de strafrechter geen enkele bevoegdheid en hij mag er dan ook geen uitspraak over doen. De hogere tuchtoverheid is bijgevolg op geen enkele wijze gebonden door de uitspraak van de strafrechter over de straftoemeting en de motieven ervoor uiteengezet in de strafrechtelijke uitspraak. Hieruit volgt voorts dat de straftoemeting door de strafrechter en zelfs het verlenen van de gunst van de opschorting – wat te dezen niet aan de orde is –, er niet aan in de weg staat dat de hogere tuchtoverheid kan beslissen een zware of zelfs de zwaarste tuchtstraf op te leggen. Te dezen stelt de Raad van State vast dat verzoeker de strafrechtelijke beoordeling sterk minimaliseert. Op strafrechtelijk vlak werd verzoeker veroordeeld tot een werkstraf van 75 uren en tot het verval van het recht tot sturen gedurende een termijn van drie maanden. Zoals de strafrechter in het vonnis van 8 september 2022 opmerkt, doet die veroordeling geen afbreuk aan het wezenlijk leedtoevoegend karakter dat ook de werkstraf als straf heeft. De strafrechter wees bovendien ook op de bijzondere ernst van de feiten, die een krachtig signaal noodzaakten, reden waarom de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd geweigerd. Verzoeker maakt met de loutere verwijzing naar de werkstraf aldus niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan.
  81. Voorts meent verzoeker dat de strafmaat disproportioneel is, omdat hij reeds gestraft is door de langdurige ordemaatregel van de voorlopige schorsing. In tegenstelling tot wat verzoeker aanneemt, is de voorlopige schorsing een louter preventieve ordemaatregel in het belang van de dienst en zonder een uitspraak te doen over enige schuldvraag. Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat te dezen de voorlopige schorsing een verkapte tuchtstraf zou zijn. De voorlopige schorsing kan dan ook niet worden beschouwd als een vorm van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-31/39 bestraffing die bij de straftoemeting in tuchtzaken in mindering moet worden gebracht.
  82. Verzoeker voert aan dat hij het slachtoffer werd van pesterijen op het werk. Nog daargelaten dat hij van die bewering geen enkel bewijs neerlegt, zet hij op geen enkele wijze uiteen hoe dat gegeven zou moeten doen besluiten tot het onevenredig karakter van de straftoemeting voor de te dezen ten laste gelegde tuchtfeiten die zich in de privésfeer voordeden.
  83. In de mate dat verzoeker aanvoert dat geen rekening is gehouden met het blanco tuchtregister, mist het middel feitelijke grondslag. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat het blanco tuchtblad als een verzachtende omstandigheid in aanmerking werd genomen (zie supra, nr. 57).
  84. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij de inbreuken slechts éénmalig heeft begaan, gaat verzoeker voorbij aan de motieven van de hogere tuchtoverheid om die weliswaar éénmalige, doch talrijke verkeersinbreuken als ernstig te bestempelen, zodat dit argument evenmin de conclusie wettigt dat de straftoemeting disproportioneel is.
  85. Verzoeker faalt aldus in de op hem rustende bewijslast. Hij toont niet aan dat de bestreden beslissing inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen de motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere redelijk handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen.
  86. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, blijkt niet dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-32/39
  87. Uit wat voorafgaat, volgt dat het vierde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  88. In het vijfde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, de formelemotiveringsplicht en artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker zet uiteen dat uit de motivering van de strafmaat niet blijkt dat rekening is gehouden met zijn “(straf/tucht)verleden” en dat de loutere vermelding “van het tuchtverleden” daartoe niet volstaat. Voorts zet verzoeker uiteen dat niet afdoende is gemotiveerd waarom de hogere tuchtoverheid meent te moeten afwijken van het advies van de Tuchtraad. Verzoeker vermeldt nog dat het deskundigenverslag aanvoert “dat dit maximaal een schorsing van 3 maanden inhoudt” en dat verzoeker al vijf jaar en twee maanden is geschorst, dat hij voor alle zaken die het voorwerp vormden van de schorsing is vrijgesproken, behalve “het thans gekend vonnis” waarvoor hij een werkstraf kreeg. Tot slot meent verzoeker dat indien men de strafrechtelijke uitspraak afwacht, men daarmee moet rekening houden in de motivering, alsook met het feit dat er een vrijspraak was voor alle andere tenlasteleggingen.
  89. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker letterlijk de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift.
  90. In de laatste memorie voert verzoeker aan dat het auditoraat ten onrechte het standpunt vertolkt dat het volstaat te verwijzen naar het feit dat de verjaring niet is bereikt, zonder inhoudelijk stelling in te nemen over de verjaring. Verzoeker vervolgt dat het “betreffende advies ook een schending van de redelijke termijn” “heeft” en dat ook hier het advies van “de Advocaat-Generaal” vervalt. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-33/39 Beoordeling
  91. Wat de schending van artikel 149 van de Grondwet betreft, besluit het auditoraat tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “In de mate verzoeker de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet moet er worden op gewezen dat dat artikel niet dienstig kan worden ingeroepen, aangezien dit artikel betrekking heeft op de organen die deel uitmaken van de rechterlijke macht, en bijgevolg enkel kan worden aangevoerd tegen jurisdictionele beslissingen (bvb.: RvS 27 juni 2008, nr. 184.915; RvS 14 januari 2004, nr. 127.078).” Verzoeker heeft na kennisneming van het auditoraatsverslag niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op deze beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om nog op de bespreking in het auditoraatsverslag van dit onderdeel van het middel, zoals hij dat in het verzoekschrift heeft uiteengezet, inhoudelijk te reageren en beperkt zich ertoe ter zake te verwijzen naar wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het middel ongegrond is in de mate dat de schending van artikel 149 van de Grondwet wordt aangevoerd.
  92. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-34/39 binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  93. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-35/39
  94. In de mate dat verzoeker de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat geen rekening werd gehouden met zijn blanco tuchtverleden, wordt verwezen naar de beoordeling van het vierde middel, waaruit is gebleken dat dit middelonderdeel feitelijke grondslag mist. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat het blanco tuchtblad als een verzachtende omstandigheid in aanmerking werd genomen (zie supra, nr. 57). In weerwil van wat verzoeker aanvoert, vermeldt de bestreden beslissing niet louter het blanco tuchtblad, maar zet zij uiteen dat dit een reden is waarom de zwaarste straffen niet proportioneel zouden zijn.
  95. Voorts acht verzoeker de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd, omdat zij niet op afdoende wijze de redenen zou vermelden waarom de hogere tuchtoverheid meent te moeten afwijken van het advies van de Tuchtraad. In de bestreden beslissing wordt in de mate dat wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad het volgende overwogen (punt 4.3.B en punt 6): “4.
  96. Wat het hoofdstuk “In Rechte” betreft, […] B. Wat de verjaring betreft De tuchtoverheid stelt vast dat de betrokkene geen nieuwe elementen aanreikt en herneemt hierbij integraal hetgeen zij in haar replieknota van 28 juni 2023, haar uiteenzetting in de Tuchtraad en in het voorstel tot tuchtstraf na advies Tuchtraad heeft uiteengezet en volhardt in de stelling dat de feiten niet verjaard zijn gelet de tuchtoverheid diende te wachten op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven d.d. 08 september
  97. […]
  98. Beslissing […]
  99. Er wordt aangevoerd dat de feiten verjaard zijn Overwegende hogere motivatie in punt 4, analyse van het verweerschrift Overwegende dat de tuchtoverheid herneemt hierbij integraal hetgeen zij in haar replieknota van 28 juni 2023, haar uiteenzetting in de Tuchtraad en in het voorstel van tuchtstraf na advies Tuchtraad heeft uiteengezet en volhardt in de stelling dat de feiten niet verjaard zijn gelet de tuchtoverheid diende te wachten op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven d.d. 08 september
  100. Overwegende de tuchtoverheid volhardt in dit standpunt. Dit argument kan dus niet worden bijgetreden. […] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-36/39
  101. De Tuchtraad komt in haar advies van 26 september 2023 tot de conclusie a) In hoofdorde dat de tuchtvordering nopens de ten laste gelegde feiten vervallen is door verjaring b) in ondergeschikte orde: Dat het ten laste gelegde feit, zoals omschreven in punt 5.1 sub L (van het advies) wel bewezen is [m]aar niet toerekenbaar is aan de verzoeker; Dat de overige ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1 (van het advies) bewezen zijn en aan verzoeker kunnen toegerekend worden; c) Dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; d) Dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van terugzetting in de weddeschaal een gepaste straf is. De tuchtoverheid is het op dit vlak van de punten a en deels b niet eens met de Tuchtraad omwille van de volgende (reeds bij herhaling aangehaalde) overwegingen en wijkt dan ook af van dit advies van de Tuchtraad. In de eerste plaats is tuchtoverheid van mening dat de feiten niet verjaard zijn en verwijst ter zake herneemt hierbij integraal hetgeen zij in haar replieknota van 28 juni 2023, haar uiteenzetting in de Tuchtraad en in het voorstel tot tuchtstraf na advies Tuchtraad heeft uiteengezet en volhardt in de stelling dat de feiten niet verjaard zijn gelet de tuchtoverheid diende te wachten op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven d.d. 08 september
  102. In tweede orde stelde de tuchtoverheid vast dat de verwijzing van de Tuchtraad naar punt L slaat op het weigeren van een ademanalyse, waarvoor betrokkene weldegelijk werd veroordeeld. De tuchtoverheid wijst erop dat zij de betrokkene nooit een weigering van bloedproef of bloedanalyse ten laste legde in het inleidende verslag en finaal in het voorstel tot tuchtstraf, precies omdat de rechtbank betrokkene voor de tenlastelegging in punt M, zijnde de weigering van de bloedproef, vrijsprak. Dat de tuchtoverheid het wel eens is dat de feiten bewezen zijn en ook kunnen toegerekend worden aan u; De tuchtoverheid sluit zich ook aan bij het advies van de Tuchtraad dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken; De tuchtoverheid sluit zich ook aan bij het advies van de Tuchtraad dat de voorgestelde tuchtstraf van terugzetting in de weddeschaal een gepaste straf is.” Uit deze formele motivering blijkt dat het middelonderdeel in de mate dat het de schending van de formelemotiveringsplicht inroept, feitelijke grondslag mist. De bestreden beslissing zet immers wel degelijk uiteen waarom op de vermelde punten wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad. Verzoeker betrekt deze formele motieven voorts in het geheel niet in de uiteenzetting van zijn middel, maar beperkt zich tot het loutere standpunt dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, zonder aan te geven waarom dit zo zou zijn. Verzoeker ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-37/39 blijft alzo in gebreke om aannemelijk te maken dat de hogere tuchtoverheid op grond van de vermelde formele motivering niet binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De materiëlemotiveringsplicht is aldus evenmin geschonden.
  103. In de mate dat verzoeker nog vermeldt dat het deskundigenverslag aanvoert “dat dit maximaal een schorsing van 3 maanden inhoudt” en dat verzoeker al vijf jaar en twee maanden is geschorst, dat hij voor alle zaken die het voorwerp vormden van de schorsing is vrijgesproken, behalve “het thans gekend vonnis” waarvoor hij een werkstraf kreeg, geeft verzoeker welswaar blijk van een eigen appreciatie, maar maakt hij nog niet aannemelijk hoe deze argumenten ertoe moeten doen besluiten dat de hogere tuchtoverheid de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht heeft geschonden. Dat verzoeker voor alle zaken die het voorwerp vormden van de schorsing is vrijgesproken, is te dezen – in het kader van de beoordeling van de tuchtmaatregel – niet relevant. Wat de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten betreft, wordt voorts niet betwist dat verzoeker daarvoor wel degelijk strafrechtelijk werd veroordeeld.
  104. In de mate dat verzoeker tot slot aanvoert dat, indien de tuchtoverheid de strafrechtelijke uitspraak afwacht, zij daarmee moet rekening houden in de motivering, herneemt verzoeker de argumentatie die hij reeds in het vierde middel ontwikkelde. Ter weerlegging van dit middelonderdeel wordt bijgevolg verwezen naar de beoordeling van het vierde middel (zie supra, nr. 58).
  105. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, blijkt niet dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  106. Uit wat voorafgaat, volgt dat het vijfde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-38/39 BESLISSING
  107. De Raad van State verwerpt het beroep.
  108. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  109. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.441 XII-9702-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.