id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.442 Rolnummer: A. 245444/IX-10710 Zaak: Arrest 264442 - Varia (openbaar ambt) - 06/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-07 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.442 van 6 oktober 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.442 van 6 oktober 2025 in de zaak A. 245.444 /IX-10.710 In zake: S.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van Laer kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Van Ruusbroecstraat 76-78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 26 juli 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 20 januari 2025 van de minister van Justitie, waarbij verzoeker wordt ontlast van zijn functie van islam- consulent in de gevangenis van Antwerpen en van hoofd-islamconsulent. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 4 augustus 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.710-1/24 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Emilie Djawa, die loco advocaat Mieke Van Laer ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij be- slissing van de auditeur-generaal, heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Bij ministerieel besluit van 1 mei 2007 wordt verzoeker aange- steld als “Islamitisch consulent in de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI – Penitentiaire Inrichtingen” (50%) en als hoofd-islamconsulent (50%). Op 13 december 2024 geeft de vzw Moslimraad van België de verwerende partij kennis van haar beslissing “om het mandaat van [verzoeker] stop IX-10.710-2/24 te zetten vanaf 01/01/2025 voor zijn functie als islamconsulent (50%) en dienst- hoofd (50%)”. Bij ministerieel besluit van 20 januari 2025 beslist de minister van Justitie om verzoeker te ontlasten van zijn functie van islamconsulent in de gevangenis van Antwerpen en van hoofd-islamconsulent vanaf 31 december 2024 ’s avonds. Dat is de bestreden beslissing, die luidt: “Gelet op de wet van 12 januari 2005 inzake de basiswet van het gevange- niswezen en de rechtpositie van de gedetineerden; Gelet op het Koninklijk besluit van 21 mei 1965, houdende het algemeen reglement van de strafinrichtingen; Gelet op het Koninklijk besluit van 17 mei 2019 betreffende de aalmoeze- niers, de consulenten van de erediensten en de moreel consulenten bij de gevangenissen; Gelet op het Ministerieel besluit van 1 mei 2007 m.b.t. de aanstelling van [verzoeker] als islamconsulent aan 50% in de gevangenis te Antwerpen en als hoofd-islamconsulent aan 50%; Gelet op het schrijven van 13 december 2024 van de Moslimraad van Bel- gië waarbij wordt meegedeeld dat de aanstelling van [verzoeker] als Islam- consulent en als diensthoofd is beëindigd; BESLUIT: Enig artikel. - [verzoeker] wordt ontlast van zijn functie van islamconsulent in de gevangenis van Antwerpen en van hoofd-islamconsulent vanaf 31 de- cember 2024 ’s avonds. Brussel, 20/01/2025.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft op 25 september 2025 een aanvullende nota neergelegd met aanvullende stukken. De procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid om een aanvullende nota als een processtuk neer te leggen. De nota is evenwel beperkt tot een wederantwoord op de excep- tie ratione temporis, die verzoeker heeft gelezen in de nota met opmerkingen van de verwerende partij en ze vormt de weergave en het resultaat van zijn klacht die hij daaropvolgend bij bpost heeft ingediend. Aangezien verzoeker niet eerder dan IX-10.710-3/24 op de terechtzitting kan repliceren op de opgeworpen exceptie, wordt de nota ont- vangen als een schriftelijke weergave van dat mondeling pleidooi en worden de bijbehorende stukken die nodig zijn om de exceptie te kunnen beoordelen, in het debat betrokken. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Op de terechtzitting verklaart de verwerende partij dat zij haar exceptie ratione temporis niet handhaaft. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. VII. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- In het inleidend verzoekschrift zet verzoeker uitvoerig uiteen waarom deze zaak spoedeisend is. Samengevat komen zijn argumenten hierop neer: - verzoekers volledige professionele loopbaan van meer dan zeventien jaar is te situeren in het domein van de islamitisch-spirituele zorg binnen het gevangeniswe- zen, waarin hij een autoriteit is geworden. Dat blijkt uit de voorliggende steunbe- tuigingen van collega’s en de positieve feedback van tien gevangenisdirecteurs. De specifieke expertise en ervaring die hij heeft opgebouwd als IX-10.710-4/24 islamconsulent/diensthoofd is nauwelijks anders inzetbaar dan in de geestelijke verzorging binnen een detentiecontext. Op de private markt bestaat geen alternatief voor zijn functie, wat blijkt uit feit dat hij geen ander werk heeft (gevonden), met name als imam of islamdeskundige in de islamitische gemeenschap; - verzoeker en zijn gezin zijn zwaar aangeslagen door deze plotse beëindiging van zijn aanstelling; - het bestreden besluit heeft een zware financiële impact. Verzoeker heeft geen ontslagvergoeding ontvangen en kwam van de ene dag op de andere zonder be- roepsinkomen te vallen. Verzoeker is enige kostwinner voor zijn gezin met twee pasgeboren kinderen en is alimentatieplichtig voor twee kinderen uit een vorig hu- welijk. Verzoeker heeft een poging ondernomen om zich als zelfstandige te vesti- gen, maar hij verwierf met enkele occasionele opdrachten onvoldoende inkomsten en zag zich genoodzaakt zijn zelfstandige hoofdactiviteit stop te zetten. Bovendien doen verhalen de ronde dat hij ontslagen is wegens een vertrouwensbreuk met het gevangeniswezen, wat de zoektocht naar werk in de moslimgemeenschap bemoei- lijkt, te meer omdat de bestreden beslissing geen enkele motivering bevat die hem in staat zou stellen op die geruchten te reageren. Verzoeker is thans bij de VDAB ingeschreven als werkzoekende zonder uitkering. De beschikbare middelen, met name spaargeld, zijn zo goed als op. Verzoeker becijfert en documenteert zijn maandelijkse financiële lasten.
- In haar nota met opmerkingen weerspreekt de verwerende partij de spoedeisendheid. Wat de morele (reputatie)schade betreft, stelt zij dat dergelijke schade hersteld wordt door de genoegdoening van een vernietigingsarrest en dat verzoeker er niet toe komt bijzondere omstandigheden aan te tonen die ervan over- tuigen dat het in zijn geval anders is en dat er dus redenen zijn om bij spoedeisend- heid het aangevoerde morele nadeel een halt toe te roepen. Zij wijst erop dat zij de aanstelling van verzoeker heeft beëindigd op schriftelijk verzoek van het bevoegde representatief orgaan, de Moslimraad van België, conform artikel 30, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 17 mei 2019 ‘betreffende de aalmoezeniers, de IX-10.710-5/24 consulenten van de erediensten en de moreel consulenten bij de gevangenissen’. In de bestreden beslissing worden geen (negatieve) uitspraken gedaan over verzoeker of zijn handelen. Het betreft louter een beslissing inzake het einde van zijn aanstel- ling, en geen “sanctie” zoals verzoeker meermaals beweert. Ook wat de beperkte carrièrekansen betreft, merkt de verwe- rende partij op dat dit geremedieerd kan worden door een later tussen te komen vernietigingsarrest en dat bijzondere omstandigheden om daar niet op te wachten en dus te schorsen, ontbreken. Bovendien moet het “ernstig” nadeel dat verzoeker inroept, namelijk dat hij door zijn specialisatie geen andere jobs zou kunnen uitoe- fenen, sterk worden genuanceerd. De verwerende partij merkt op dat verzoeker wel degelijk andere beroepen uitoefent of minstens heeft uitgeoefend. Ten eerste leert een opzoeking in de KBO dat hij sinds 29 november 2018 actief is als zaakvoerder van een tot op heden actieve VOF die zich in “normale toestand” bevindt. De in de KBO geregistreerde BTW-activiteiten
(2025)betreffen “activiteiten van vertalers” en “activiteiten van adviesbureaus op het gebied van public relations en communi- catie”. Daarnaast blijkt uit de website ‘Belgische beëdigde vertalers’ dat hij be- edigd vertaler Arabisch-Nederlands is. Daarnaast blijkt uit de website van het be- drijf BE-HALAL, volgens eigen zeggen een toonaangevend halal certificeringsor- gaan in België, dat verzoeker algemeen directeur en hoofdauditor is van dat bedrijf. Dat blijkt overigens ook uit een recente post op LinkedIn met betrekking tot de lancering van een gespecialiseerd programma om beoordelaars in de halalsector te kwalificeren, waarin de CEO van BE-HALAL verzoeker vermeldt. Dat verzoeker wegens zijn gespecialiseerde kennis enkel geschikt zou zijn voor het uitoefenen van de functie van islamconsulent, klopt bijgevolg niet of moet minstens sterk wor- den genuanceerd. Dat verzoeker aangeeft geen klachten te hebben ontvangen ge- durende zijn loopbaan als islamconsulent en dat verschillende gevangenisdirec- teurs zich positief zouden hebben uitgelaten over zijn diensten, staat los van het bestreden besluit en heeft geen enkele invloed op de spoedeisendheid van de zaak. IX-10.710-6/24 Wat de financiële schade betreft, herinnert de verwerende partij aan de vaste rechtspraak van de Raad van State dat een financieel nadeel in de regel de spoedeisendheid niet verantwoordt tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de annu- latieprocedure niet kan afwachten, wat verzoeker niet bewijst, te meer nu hij tot op heden wel degelijk verschillende jobs uitoefent of zou kunnen uitoefenen, en zaak- voeder is van een gezonde VOF. Verzoeker maakt evenmin duidelijk over welke middelen hij effectief beschikt en of hij zich werkelijk in een financiële noodsitu- atie bevindt. Tot slot meent de verwerende partij dat verzoeker niet diligent handelde door pas na meer dan zes maanden na kennisname van de bestreden be- slissing een schorsingsvordering in te stellen. Beoordeling
- Bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zal de stopzetting van verzoekers aanstelling met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwijnen. Dat betekent dat hij moet worden geacht nooit te zijn ontslagen en dat zijn administratieve en geldelijke loopbaan moet worden gerecon- strueerd. Het gaat dus niet op om een schorsing te vragen met alléén het argument dat de beslissing verzoeker verhindert nog ooit zijn functie als consulent uit te oe- fenen of met alléén het argument dat de beslissing een groot financieel nadeel be- rokkent. Zoals de Raad van State al in tal van arresten heeft geschreven, wordt ook de morele schade die een beslissing veroorzaakt, in de regel goedgemaakt door de morele genoegdoening van een vernietigingsarrest, in samenhang met de erin vast- gestelde onwettigheid en het retroactief effect ervan. In zoverre overtuigt de uiteenzetting van verzoeker niet van de vereiste spoedeisendheid. IX-10.710-7/24
- Een andere vraag is het of verzoeker in de tijd die verstrijkt tot een uitspraak ten gronde, geacht moet worden de aangevoerde nadelen te kunnen ondergaan. Naar het oordeel van de Raad toont verzoeker alvast niet aan waarom hij het morele nadeel, op zich genomen, niet kan dragen gedurende de procedure ten gronde. Met het aangevoerde financiële nadeel liggen de zaken anders. Wat zijn uitgaven betreft, legt verzoeker verschillende over- tuigingsstukken voor, die de maandelijkse lasten van zijn gezin aantonen. Hij is enige kostwinner. Hij moet alimentatie betalen voor twee kinderen uit een vorig huwelijk. De verwerende partij weerlegt die becijferde lasten niet. Ze zijn geens- zins verwaarloosbaar. Verzoeker kan door de omstandigheden van zijn ontslag geen beroep doen op uitkeringen: de verwerende partij toont het tegendeel niet aan. Dat in die omstandigheden na zeven maanden verzoekers spaar- middelen uitgeput zijn en dat aan de mogelijkheden om bij familie en vrienden te lenen grenzen staan, mag redelijk en geloofwaardig heten, zonder dat van verzoe- ker hierover nog bijkomende getuigenissen of documenten geëist moeten worden. Wat dan verzoekers inkomsten betreft, heeft verzoeker zijn meest recente aanslagbiljet neergelegd. Zijn inkomsten als zelfstandige bedrijfslei- der in nevenactiviteit bedragen minder dan 5000 euro bruto. Hij legt stukken voor die ervan doen blijken dat een poging om voltijds als zelfstandige aan de slag te kunnen, nergens op is uitgelopen. Het is niet ongeloofwaardig dat de onduidelijke context van zijn ontslag als islamconsulent na meer dan zeventien jaren dienst de moslimgemeenschap achterdochtig maakt om verzoeker opdrachten of IX-10.710-8/24 werkaanbiedingen toe te vertrouwen. Zijn expertise is elders niet gevraagd, zo blijkt uit het ontbreken van werkaanbiedingen bij de VDAB. Met verzoeker moet dan ook worden aangenomen dat hij stilaan in een zodanig benarde situatie is beland, dat zijn financiële toestand de spoedei- sendheid kan verantwoorden.
- Het verwijt, ten slotte, dat verzoeker niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan de Raad van State niet bijvallen. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, RvS-Wet, kan een schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de vóór 2014 bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing is niet noodza- kelijk af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden han- deling en het instellen van die vordering. De situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt ná die kennisname of zelfs pas nadat een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is met andere woorden vanaf het ogenblik waarop de spoedeisendheid ontstaat, dat van een verzoekende partij een proceshouding wordt verwacht die de door haar ingestelde procedure niet tegenspreekt. In de voorliggende zaak kan het aan verzoeker bezwaarlijk wor- den verweten dat hij éérst probeert zélf op andere manieren in zijn levensonder- houd te voorzien en dat hij pas, na te merken dat hij daar niet op een redelijke manier in slaagt, besluit tot het voeren van een schorsingsprocedure. Het tijdsver- loop op zich spreekt in die omstandigheden de spoedeisendheid niet tegen. IX-10.710-9/24
- De voorwaarde van spoedeisendheid is vervuld. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 30 van “het rechtspositiebesluit”, waarmee hij bedoelt: het koninklijk besluit van 17 mei 2019 ‘betreffende de aalmoezeniers, de consulenten van de erediensten en de moreel consulenten bij de gevangenissen’. Verzoeker merkt op dat de bestreden beslissing als enig “motief” een verwijzing bevat naar een schrijven van 13 december 2024 van de Moslimraad van België waarin deze laatste aan de minister van Justitie meedeelt dat hij de aan- stelling van de verzoeker als islamconsulent en als diensthoofd heeft beëindigd. Uit de brief van 13 december 2024 blijkt volgens verzoeker on- tegensprekelijk dat de Moslimraad van België aan de directeur-generaal Penitenti- arie Inrichtingen meedeelt dat hij als representatief orgaan heeft beslist om de aan- stelling van verzoeker als islamconsulent stop te zetten vanaf 1 januari
- Artikel 30 van het rechtspositiebesluit somt limitatief de geval- len op waarbij de aanstelling van een islamconsulent door de minister kan worden beëindigd. In het derde geval – het enige dat op verzoeker thans van toepassing kan zijn – kan de minister van Justitie de aanstelling van een islamconsulent beëindigen op schriftelijk verzoek van het bevoegde representatief orgaan. Nergens uit de be- streden beslissing blijkt dat de Moslimraad van België als representatief orgaan schriftelijk aan de minister heeft verzocht de aanstelling als islamconsulent te be- eindigen. Meer nog, in de bestreden beslissing wordt als overweging verwezen naar de brief van de Moslimraad van België van 13 december 2024 aan de directeur- IX-10.710-10/24 generaal Penitentiaire Inrichtingen. Deze brief betreft geen schriftelijk verzoek aan de minister van Justitie om de aanstelling te beëindigen maar een loutere kennis- geving aan de minister van Justitie via de directeur-generaal Penitentiaire Inrich- tingen van de Moslimraad van België waarin hij meldt dat hij zelf een besluit heeft genomen waarbij hij de aanstelling van verzoeker als islamconsulent heeft beëin- digd. In de aanhef van de bestreden beslissing geeft de minister van Justitie als enige reden op dat het het representatief orgaan is die de aanstelling heeft beëin- digd, waarbij hij dit dus bekrachtigt door het nemen van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing is dan ook niets anders dan een onrecht- matige bekrachtiging van een ontslag door de Moslimraad van België, terwijl het rechtspositiebesluit van 17 mei 2019 stelt dat de beslissing tot beëindiging van een aanstelling van een islamconsulent enkel en alleen door de minister van Justitie kan worden genomen en dus niet door het representatief orgaan. Beoordeling
- In de bewuste brief, hierna sub 23 woordelijk aangehaald, deelt de Moslimraad van België mee dat hij beslist heeft “om het mandaat van [verzoe- ker] stop te zetten”. Hiermee lijkt de Moslimraad prima facie enkel te bedoelen wat er staat, namelijk dat hij het “mandaat” – versta: de erkenning van verzoeker als gemandateerde van de erkende eredienst waarvoor de Moslimraad het toentertijd erkende representatief orgaan was – stopzet. In de huidige stand van de procedure valt de Raad van State de verwerende partij bij, waar zij de discussie die verzoeker in het eerste middel voert “louter van semantische aard” noemt. Het voormelde schrijven kan immers, zo lijkt, niet anders worden begrepen dan als een verlies van vertrouwen van het re- presentatief orgaan in verzoeker als consulent van de eredienst, waardoor hij zijn “mandaat” verliest. De minister van Justitie ziet zich dan verplicht – al dan niet IX-10.710-11/24 terecht, maar dat is vreemd aan het eerste middel – om gevolg te geven aan een dergelijk schrijven zonder hierop de minste inhoudelijke controle te mogen uitoe- fenen, door aan de aanstelling van verzoeker een einde te stellen. Dat zijn bevoegd- heid niet discretionair maar gebonden is, betekent niet dat de minister een reeds door de Moslimraad gegeven ontslag “bekrachtigt”. Het is enkel door zijn consti- tutieve beslissing dat aan verzoekers functie en de daarmee overeenstemmende verloning ten laste van de Schatkist een definitief einde wordt gesteld.
- Het eerste middel, dat prima facie uitgaat van een verkeerde le- zing van het schrijven van de Moslimraad, is niet ernstig. B. Vierde middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motive- ring van de bestuurshandelingen’. Hij betoogt dat de bestreden beslissing op redenen moet zijn ge- steund die de beslissing schragen (materiëlemotiveringsplicht), maar dat die rede- nen ook in de beslissing terug te vinden moeten zijn. De bestreden beslissing bevat echter geen enkele juridische of feitelijke overweging die de onderliggende redenen weergeeft. Het is overduidelijk dat deze “motivering” in geen enkel opzicht afdoende is om de bestreden beslissing te schragen. Er is behalve de overweging dat de Moslimraad van België heeft be- slist dat hij de aanstelling van verzoeker heeft beëindigd, verwijzend naar de brief van 13 december 2024 van de Moslimraad van België, geen enkele reden vermeld voor de beëindiging van zijn aanstelling zodat zelfs niet kan worden nagegaan of ze afdoend en pertinent is. Ook de brief van 13 december 2024 van de Moslimraad IX-10.710-12/24 van België bevat geen enkel motief waarom de aanstelling van verzoeker wordt beëindigd. De minister van Justitie is blindelings het representatief orgaan nagelopen zonder zich te vergewissen van de redenen. Verzoeker wijst ook nog op het standpunt ingenomen door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 45/2017 van 27 april 2017 (overw. B.20.2 en B20.3) dat stelt dat wanneer een representatief orgaan van een erkende eredienst een beslissing heeft genomen tot beëindiging van de aanstelling van een door de overheid aangestelde persoon en deze beëindiging moet worden genomen door de aanstellende overheid, deze laatste in het licht van het waarborgen van de rechten van de betrokken persoon, moet nagaan of de redenen die het representatief orgaan hiervoor opgeeft kunnen worden aanvaard in een democratische samenleving en dat de overheid in eerste instantie ertoe verplicht is een grondig onderzoek te wij- den aan de omstandigheden van de zaak en een uitvoerige afweging te maken van de tegenstrijdige in het geding zijnde belangen om zich te vergewissen of er geen willekeur is in hoofde van het representatief orgaan ten aanzien van verzoeker.
- De verwerende partij benadrukt dat het verzoek van de Moslim- raad van België om de aanstelling van verzoeker te beëindigen haar geen beoorde- lingsruimte laat, gelet op het bijzondere statuut van de consulenten van de ere- dienst, waaronder de islamconsulenten: “Het statuut van de consulenten van de eredienst, waaronder de islamcon- sulenten, wordt fundamenteel gekenmerkt door zijn sui generis-karakter. Deze unieke rechtspositie ontstaat uit de paradoxale verhouding tussen ar- tikel 21 en artikel 181 van de Grondwet, waarbij enerzijds de scheiding van Kerk en Staat wordt gewaarborgd en anderzijds de constitutionele verplich- ting tot bezoldiging van de consulenten van de eredienst. Het gevolg hier- van is dat de consulenten van de eredienst noch als ambtenaren noch als werknemers kunnen worden gekwalificeerd, maar een autonome rechtspo- sitie innemen die niet volledig onder het publiek- noch het privaatrecht valt. De afwezigheid van een werkgever-werknemer relatie vormt een cruciaal element in deze juridische constructie. De relatie tussen de islamconsulent en zijn religieuze oversten wordt namelijk beheerst door de religieuze IX-10.710-13/24 hiërarchie eerder dan door arbeidsrechtelijke verhoudingen, waarbij het geestelijke karakter van de functie primeert op arbeidsrechtelijke aspec- ten.[…] De afdeling Wetgeving […] heeft in het advies 31.986/2 van 8 oktober 2001 reeds verduidelijkt dat artikel 181 van de Grondwet niet zo mag worden uitgelegd dat de Staat de werkgever zou zijn van de bedienaars van de er- kende erediensten. De afdeling Wetgeving […] bevestigde expliciet dat be- dienaars van de erediensten, evenmin als afgevaardigden van levensbe- schouwelijke gemeenschappen, kunnen worden aangemerkt als ambtenaar, ook al komen hun wedden en pensioenen krachtens artikel 181 van de Grondwet ten laste van de federale Staat. Waar de Staat wel de grondwettelijke verplichting heeft om hun wedden te financieren, mogen geen andere arbeidsrechtelijke regelingen worden op- gelegd die zouden interfereren met de religieuze autonomie. Het [Grondwettelijk Hof] heeft in het arrest van 4 maart 1993 daarnaast bevestigd dat het de betrokken eredienst vrijstaat om bij wijze van delegatie de bevoegdheidsverdeling vast te stellen die beantwoordt aan de interne verscheidenheid van de eredienst, zowel ten aanzien van de organisatie van de eredienst als wat de inhoud van de geloofsovertuiging betreft. Deze au- tonomie impliceert dat de interne organisatie van de eredienst vrij wordt bepaald, geloofsinhoudelijke aspecten buiten staatsinmenging blijven, en hiërarchische verhoudingen volgens religieuze principes worden geregeld. De consulent legt bijgevolg rechtstreeks verantwoording af aan religieuze autoriteiten, waarbij zijn benoeming en ontslag geschieden volgens de pro- cedures van de geloofsgemeenschap. Disciplinaire maatregelen worden ge- nomen binnen de religieuze hiërarchie zelf, terwijl de inhoud van zijn pre- diking valt onder de constitutioneel gewaarborgde vrijheid van godsdienst. Dit blijkt ook duidelijk uit artikel 11 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2019, dat de arbeidsregeling betreft. De consulenten van de eredienst oefe- nen hun functie uit overeenkomstig een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die overeenstemt met deze van het Rijkspersoneel, maar het is het repre- sentatief orgaan dat toezicht uitoefent.” Het valt niet aan de verwerende partij toe, zo stelt zij, om de mo- tieven van het representatief orgaan inhoudelijk te toetsen, wanneer dit gebruik maakt van de mogelijkheid om een aanstelling te beëindigen via een schriftelijk verzoek. De Raad van State zag dit ook zo in zijn arrest nr. 211.300 van 16 februari
- Het grondwettelijk beginsel van de scheiding tussen Kerk en Staat impliceert dat het representatief orgaan van een erkende eredienst – in casu de islamitische eredienst – een autonome bevoegdheid bezit om het vertrouwen in een consulent in te trekken. Dit ontslag vereist nadien enkel een formele bevestiging door de be- voegde overheid, zijnde de minister van Justitie, zoals in dit dossier correct ge- beurde. IX-10.710-14/24 Verzoeker vergist zich voor zover hij herhaaldelijk stelt dat de beëindiging van zijn aanstelling “de zwaarst mogelijke sanctie” zou uitmaken. De beëindiging van de aanstelling op verzoek van het representatief orgaan is onder het rechtspositiebesluit van 17 mei 2019 namelijk helemaal geen sanctie. Het be- treft zelfs geen ordemaatregel in de zin van artikel 29 van hetzelfde besluit. De mogelijkheid om de aanstelling stop te zetten staat los van enige bestraffende maat- regel en vormt het logische gevolg van het feit dat de minister de consulenten for- meel aanstelt op voordracht van het representatief orgaan. Het bestreden besluit komt dan ook op geen enkele manier voort uit een straf- of tuchtprocedure. De beslissing die werd genomen tot het beëindigen van de aanstelling van verzoeker als islamconsulent in het gevangeniswezen heeft allerminst een bestraffend ka- rakter. De door verzoeker aangehaalde rechtspraak van het Grondwet- telijk Hof is volgens de verwerende partij niet relevant. Immers gaat deze recht- spraak over tuchtstraffen. Er wordt aan verzoeker geen enkele (tucht)straf opge- legd. Hoe dan ook gaat verzoeker voorbij aan de context waarin het Grondwettelijk Hof het betrokken arrest uitsprak, in zoverre hij opwerpt dat uit het arrest zou vol- gen dat de verwerende partij de achterliggende redenen bij het verzoek van de Mos- limraad van België inhoudelijk zou hebben moeten onderzoeken. Het Hof oor- deelde in de desbetreffende zaak immers over de onderwijswetgeving en in het bijzonder over het verschil in motivering van een ontslag als tuchtstraf van inspec- teurs godsdienst, enerzijds, en andere onderwijsinspecteurs binnen de Franse Ge- meenschap, anderzijds, dat zou voortvloeien uit de betrokken onderwijswetgeving. In casu is van een onderscheid tussen categorieën van personen geen sprake. Het rechtspositiebesluit van 17 mei 2019 is van toepassing op alle consulenten van er- kende erediensten. De regels betreffende benoeming en ontzetting uit de opdracht gelden op gelijke wijze voor bijvoorbeeld katholieke, joodse of islamitische con- sulenten. De minister past deze regels op een uniforme manier toe, telkens op basis van de beslissing van het representatief orgaan van de betreffende eredienst, con- form de in artikel 21 van de Grondwet vastgelegde scheiding tussen Kerk en Staat. IX-10.710-15/24 Er is volgens de verwerende partij geen sprake van een schen- ding van de motiveringswet of -plichten. Het bestreden besluit bevat namelijk een duidelijke verwijzing naar de toepasselijke juridische grondslagen waarop de be- slissing steunt en die de verwerende partij geen beoordelingsruimte laten. Zoals toegelicht, staat of valt de aanstelling van een consulent van de eredienst overeenkomstig het rechtspositiebesluit immers bij de uitdrukke- lijke voordracht en erkenning door het bevoegde representatief orgaan. Om hun opdracht van religieuze bijstand aan de gedetineerden te kunnen blijven uitvoeren, moeten de consulenten van de eredienst de erkenning door het representatief or- gaan, dat attesteert dat zij de vereiste bekwaamheid en religieuze kennis hebben om hun opdracht uit te voeren, behouden. De voordacht door het representatief orgaan geldt maar totdat ze uitdrukkelijk wordt ingetrokken door het voornoemd orgaan, dat als enige de bevoegdheid heeft de gegrondheid van de motieven voor deze intrekking te beoordelen. De toetsing van deze motieven stuit op bijzonderheden die eigen zijn aan het statuut van de consulenten van de eredienst gelet op het grondwettelijk beginsel van de scheiding van Kerk en Staat en artikel 21 van de Grondwet. Noch de minister van Justitie noch de Raad van State kunnen de redenen toetsen waarom een religieus orgaan zijn vertrouwen in een van zijn vertegenwoordigers opzegt. Het bestreden besluit bevat niet enkel een formele verwijzing naar de toepasselijke regelgeving, maar verwijst ook uitdrukkelijk naar het schrij- ven van de Moslimraad van België van 13 december
- In tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift aanhaalt, volstaat dit als voldoende motivering ge- let op het gebrek aan verdere beoordelingsruimte in hoofde van de verwerende par- tij. IX-10.710-16/24 Beoordeling
- Artikel 72/1 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ luidt: “De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Minister- raad en in overleg met de representatieve organen van de erkende eredien- sten en de door de wet erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties, het statuut en de uitoefening van de functie van de aalmoeze- niers, de consulenten van de erkende erediensten en de moreel consulenten van de door de wet erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke orga- nisaties in de gevangenissen.” Hieraan is uitvoering gegeven bij het rechtspositiebesluit van 17 mei
- Over het ontslag van de aalmoezeniers, de consulenten van de erkende erediensten en de moreel consulenten bepaalt artikel 30, eerste lid, van het rechtspositiebesluit: “De Minister kan de aanstelling bedoeld in artikel 3, § 1, definitief beëin- digen: 1° op eigen initiatief omwille van ernstige redenen; 2° in toepassing van de procedure bedoeld artikel 30, § 3; 3° op schriftelijk verzoek van het bevoegde representatief orgaan; 4° omwille van het niet meer voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden op- genomen in artikel 3.”
- Verzoeker is als islamconsulent, in tegenstelling tot de onder- wijsinspecteurs van de Franse Gemeenschap, geen ambtenaar. Daarin verschilt zijn situatie, zoals de verwerende partij prima facie terecht opmerkt, van die waarover het Grondwettelijk Hof zich heeft uitgesproken bij arrest nr. 45/
- In hoeverre de overwegingen van het Grondwettelijk Hof over het ontslag van een onderwijs- inspecteur dan al dan niet doorwerken naar de huidige zaak – inzonderheid wat het hoorrecht betreft, waarvan de schending is aangevoerd in het tweede middel – hoeft bij het onderzoek van het vierde middel voorshands niet te worden onderzocht. IX-10.710-17/24
- Alhoewel verzoeker als islamconsulent geen ambtenaar is waarop de regels inzake vastheid van betrekking en continuïteit van de openbare dienst van toepassing lijken te zijn, heeft hij een ter uitvoering van artikel 72/2 van de voormelde basiswet een door de Koning vastgesteld – sui generis – statuut. Zo wordt hij aangesteld door de minister op voordracht van het representatieve orgaan en wordt zijn wedde ten laste genomen door de Schatkist. Om die uitbetaling te stoppen, is een individuele rechtscheppende beslissing nodig van de minister van Justitie die ten aanzien van de consulent een nieuwe geldelijke rechtstoestand doet ontstaan die zonder die beslissing niet rechtens als vaststaand kan worden be- schouwd. Het wordt door de verwerende partij overigens niet betwist dat het aan verzoeker gegeven ontslag een eenzijdige administratieve rechtshandeling is, waarop de in het vierde middel aangevoerde formelemotiveringswet van toe- passing is.
- In zijn arrest nr. 131.175 van 10 mei 2004 heeft de Raad van State over het ontslag van aalmoezeniers het volgende overwogen: “3.3.5.
- Overwegende dat artikel 21 van de Grondwet de vrijheid van ker- kelijke organisatie waarborgt, onder meer door de Staat te verbieden om zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van de eredienst; dat hieruit moet worden afgeleid dat het doel met het oog waarop een bedienaar van de eredienst tot gevangenisaalmoezenier wordt aangesteld, grondwettelijk gezien, verhindert dat er tussen de Staat en de gevangenisaalmoezenier enige band van ondergeschiktheid in de vervul- ling van diens opdracht kan bestaan, net zoals dat het geval niet kan zijn voor legeraalmoezeniers of godsdienstleraars; dat het de burgerlijke over- heid dan ook niet staat, als de hogere geestelijke overheid haar voorstelt, om redenen van godsdienstige aard, een einde te maken aan een dergelijk ambt vervuld door een bedienaar van de eredienst, die redenen hoe dan ook te beoordelen, en op grond daarvan te weigeren hem te ontslaan; 3.3.5.
- Overwegende dat wat voorafgaat evenwel geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de gevangenisaalmoezenier een bedienaar van de ere- dienst is wiens taak mede bepaald wordt door de behoeften van de handha- ving van orde en veiligheid in de gevangenissen; dat de aalmoezenier er dan ook toe gehouden is de voorschriften na te leven die door de bevoegde overheid met het oog op die handhaving werden uitgevaardigd; dat zulks dan ook rechtvaardigt waarom de aalmoezeniers niet louter door de IX-10.710-18/24 kerkelijke overheid worden aangesteld maar zij bovendien door de burger- lijke overheid moeten worden erkend; dat uit de hiervoor gedane vaststel- ling dat enkel de kerkelijke overheid vermag het gedrag van de betrokken aalmoezenier te beoordelen, dan ook niet het omgekeerde volgt, namelijk dat wanneer de betrokkene om andere redenen dan van godsdienstige aard de goede werking van de dienst hindert […] aan deze laatste de bevoegd- heid zou kunnen worden ontzegd om, zonder de instemming van de kerke- lijke overheid, een einde te maken aan de erkenning van een aalmoezenier die […] door herhaalde inbreuken op de door de overheid rechtmatig vast- gestelde voorschriften, ‘een destabiliserende invloed heeft op de algemene werking van de inrichting’; dat door aldus te beslissen de minister van Jus- titie zich immers niet bemoeit met de benoeming van de bedienaren van de eredienst, maar een maatregel treft die met het oog op de handhaving van de orde en veiligheid in de gevangenis noodzakelijk is; dat daarvoor niet is vereist dat een uitdrukkelijke tekst de minister die bevoegdheid toekent, aangezien het een algemeen beginsel is dat wie de macht heeft om te be- noemen ook de macht heeft om te ontslaan; dat uit artikel 40 van het ko- ninklijk besluit van 21 mei 1965 [‘houdende het algemeen reglement van de strafinrichtingen’] dat hem de bevoegdheid verleent om de gevangenis- aalmoezeniers te erkennen dan ook volgt dat de minister die erkenning kan intrekken; dat geen enkele tekst het akkoord van de kerkelijke overheid daarvoor vereist.” In de huidige stand van de procedure sluit de Raad zich voor de voorliggende zaak bij deze analyse aan, met dien verstande dat de mogelijkheid voor de minister om een aalmoezenier “op eigen initiatief” te ontslaan thans uit- drukkelijk is opgenomen in artikel 30, eerste lid, 1°, van het rechtspositiebesluit. Dat is ook met zoveel woorden gepreciseerd in het Verslag aan de Koning bij het rechtspositiebesluit (BS 11 juni 2019, derde editie): “De Minister van Justitie kan, krachtens de theorie van de strijdige hande- ling, en aangezien hij de aalmoezeniers, consulenten van erediensten en moreel consulenten aanstelt, beslissen om een einde te maken aan die aan- stelling, idealiter op voorstel van het representatief orgaan, maar ook om ernstige redenen of bij ontstentenis van akkoord in het kader van de over- legprocedure. Ernstige redenen veronderstellen het bestaan van een ern- stige tekortkoming van de betrokkene en de feiten moeten noodzakelijk als een fout kunnen worden aangemerkt. Het gaat om ernstige tekortkomingen en feiten die als een fout kunnen wor- den aangemerkt en die vooral vanuit de gevangenis(sen) waar de betrok- kene actief is zullen gesignaleerd worden. Het is noodzakelijk dat daar snel tegen kan opgetreden worden. In 1e instantie zal normaal gezien artikel 30 worden toegepast waarbij de toegang tot de gevangenis wordt ontzegd aan de betrokkene. Als uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak is om de aanstelling in te trekken, dan zal dit ook gebeuren en de Minister kan dit op IX-10.710-19/24 zijn eigen initiatief doen. Het gaat hier immers om het respecteren van de regels binnen de gevangenissen en daar is enkel de Minister van Justitie voor bevoegd.”
- De verwerende partij weerspreekt niet dat zij haar beslissing steunt op artikel 30, eerste lid, 3°, van het rechtspositiebesluit en tot het ontslag dus niet heeft beslist “op eigen initiatief”, maar “op schriftelijk verzoek van het be- voegde representatief orgaan”.
- Het bestreden besluit is hiervóór sub 3 aangehaald. Het bevat, als motivering voor het ontslag, niet méér dan een verwijzing naar de brief van de Moslimraad. Zoals de verwerende partij het zelf schrijft in haar nota over “mo- tivering door verwijzing”: “De verplichting van een afdoende formele motivering, opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen houdt ten eerste in dat elke admini- stratieve rechtshandeling dient gesteund te zijn op motieven die pertinent, duidelijk en draagkrachtig zijn en ook effectief in die beslissing opgenomen worden. In dit opzicht dient de motivering de betrokkene in staat te stellen om op te komen tegen de bestuurshandeling, tevens moet het de rechter mogelijk maken om zijn wettigheidscontrole uit te voeren.[…] Er wordt aangenomen dat aan de doelstelling van de formele motiverings- plicht is voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund. Dit kan doordat de beslissing verwijst naar andere stukken. Dergelijke mo- tivering door verwijzing dient aan bepaalde voorwaarden te voldoen: de inhoud van de betrokken stukken moet aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht, de stukken zelf moeten afdoende gemotiveerd zijn en mogen niet strijdig zijn met het uiteindelijke besluit, en de stukken dienen in de uitein- delijke beslissing te worden bijgevallen.”
- Het bewuste schrijven waaraan de bestreden beslissing refereert, luidt: “Brussel, 13 december2024 Betreft: Beëindiging van aanstelling als islamconsulent en diensthoofd Mevrouw de Directeur-generaal IX-10.710-20/24 Hiermee delen wij u beslist te hebben om het mandaat van [verzoeker] stop te zetten vanaf 01/01/2025 voor zijn functie als islamconsulent (50%) en diensthoofd (50%). Wij rekenen erop dat u op de hoogte bent van dit besluit en stellen het op prijs u hiervan in kennis te stellen. Namens de Moslimraad van België.” Uit die brief van de Moslimraad blijkt ondubbelzinnig dat deze wenst dat een einde wordt gesteld aan de opdracht van verzoeker.
- Niet wordt betwist dat de vzw Moslimraad van België (toenter- tijd) het representatief orgaan was, bevoegd voor de voordrachten van de consu- lenten van de islamitische eredienst in het kader van het rechtspositiebesluit en dat het schrijven dus uitgaat van de (toentertijd) bevoegde overheid.
- Vastgesteld dient te worden, dat die brief evenwel net zomin als de bestreden beslissing enige redengeving bevat. Het wordt ook niet beweerd dat verzoeker die redenen op een andere wijze kent.
- Volgens de verwerende partij is dat geen probleem, omdat zij noch de Raad van State controle mogen uitoefenen op de beweegredenen van de kerkelijke overheid. De verwerende partij betoogt dat zij een gebonden bevoegd- heid heeft die inhoudt dat zij geen beoordelingsvrijheid heeft over de toepassing van de regelgeving en dat de verwijzing naar de rechtsregel die haar bindt – artikel 30, eerste lid, 3°, van het rechtspositiebesluit – en naar de beslissing van de Mos- limraad van 13 december 2024 samen een afdoende motivering vormt voor haar beslissing. Dat standpunt dient nader te worden onderzocht.
- De sui-generis toestand van de aalmoezenier van een er- kende eredienst, de consulenten van de erediensten en de moreel consulenten is gestoeld op de gedachte dat zij steeds, om in het gevangeniswezen met de reli- gieuze of morele bijstand aan de gedetineerden vanuit een bepaalde godsdienst of niet-confessionele levensbeschouwing belast te kunnen blijven, in staat moeten zijn om getrouw weer te geven datgene wat het geloof of die levensbeschouwing IX-10.710-21/24 inhoudt, met als noodzakelijk corrolarium de vereiste dat zij zich als persoon op zodanige wijze gedragen dat zij, van het standpunt van de leer of de levensbeschou- wing die zij moeten uitdragen, voldoende geloofwaardigheid opbrengen om ook met voldoende geloofwaardigheid de bedoelde religieuze of morele ondersteuning te kunnen geven. De regelgever heeft voorts blijkens de artikelen 3, § 1; 4, § 2, 2°, en 30, eerste lid, 3°, van het rechtspositiebesluit geoordeeld dat zulks een voor- dracht van de organisatie behoeft die voor zulke zaken kan spreken en dat het meer bepaald het bevoegde representatief orgaan is, dat de zo-even omschreven authen- ticiteit waarborgt van de religieuze of morele bijstand en dat in voorkomend geval een einde mag doen stellen aan de opdracht van de aalmoezenier of de consulent. In de huidige stand van de rechtspleging wordt dan ook aange- nomen, zoals al is uiteengezet in het hiervóór aangehaalde arrest nr. 131.175 van 10 mei 2004, dat het vertrouwen van het representatief orgaan van de eredienst, waarvan de voordracht voor de benoeming getuigt, moet blijven bestaan tijdens de hele uitoefening van de functie en dat wanneer dat vertrouwen om redenen van godsdienstige aard wordt ingetrokken, de verwerende partij ertoe gehouden is aan die functie van consulent van de betrokken godsdienst een einde te stellen. Terecht merkt de verwerende partij dan ook op dat zo een verzoek van de Moslimraad niet vrijblijvend is en dat het ontslag van verzoeker in dat geval voor haar geen zaak is van discretionaire, maar van gebonden bevoegdheid.
- Vereist is dan wel, zo lijkt, dat aan de voorwaarden voor zo een gebonden bevoegdheid is voldaan. Is dat het geval, dan dient de verwerende partij te worden bijgevallen dat haar geen andere mogelijkheid meer rest dan het buiten elke beoordelingsvrijheid om uit te spreken ontslag.
- Zoals de Raad van State reeds vroeger ter zake van het door de overheid gegeven ontslag op initiatief van een kerkelijke overheid heeft geoor- deeld, in onder meer de arresten nr. 16.993, Van Grembergen, van 29 april 1975; nr. 24.004, Petit, van 22 februari 1984; nr. 25.995, Van Peteghem, van 20 decem- ber 1985 en meervermeld arrest nr. 131.175, Debree, van 10 mei 2004, onderstelt IX-10.710-22/24 de autonomie die aan de kerkelijke organisaties krachtens de Grondwet toekomt – en, bij uitbreiding, aan de erkende organisaties die morele bijstand verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing (arresten nr. 135.938, Van Butsele, van 12 oktober 2004 en nr. 172.519, Van De Ven, van 21 juni 2007) – een loyale samenwerking met de overheid, welke in verband met de intrekking van de erkenning prima facie onderstelt dat het bevoegde representatieve orgaan de ware motieven van zijn beslissing aan het bestuur kenbaar maakt en die beslissing alleen steunt op de in het kader van de hem opgedragen bevoegdheid “legitieme motie- ven” – dat zijn: “redenen van godsdienstige aard”. Enkel dan kan zijn beslissing het bestuur binden, zo lijkt. Daaruit volgt op het eerste gezicht, opdat de admini- stratieve overheid zich rechtmatig gebonden kan weten, dat de mededeling van de in 30, eerste lid, 3°, van het rechtspositiebesluit bedoelde intrekking er haar hoe dan ook niet van ontslaat om na te gaan of ook de motieven waarop het oordeel van de kerkelijke overheid steunt haar zijn meegedeeld en of die motieven, binnen de perken van de haar gegeven bevoegdheid, legitieme motieven zijn die steunen op het gebrek aan voldoende inhoudelijke of persoonlijke geloofwaardigheid van het betrokken personeelslid om de religieuze bijstand te kunnen verlenen vanuit het geloof waarvoor het is aangesteld. De verwerende partij zal overigens kunnen nalezen in de hier- vóór opgesomde arresten, dat ook de Raad telkenmale naging of “de motieven […] volledig kunnen worden ingepast in de bijzondere, eigen bevoegdheidssfeer die […] aan de kerkelijke organen toekomt” (arrest nr. 16.993, Van Grembergen, van 29 april 1975), hetgeen uiteraard vereist dat de Raad die motieven ként.
- In de zaak die thans voorligt, heeft het representatief orgaan aan de minister géén redenen meegedeeld en lijkt de minister ze ook niet te hebben opgevraagd, zodat zelfs die beperkte controle onmogelijk is. Verzoeker verwijt de verwerende partij terecht, zo lijkt, met het schrijven van de Moslimraad zonder meer rekening te hebben gehouden. De loutere verwijzing in de bestreden beslis- sing naar het schrijven van de Moslimraad volstaat in die omstandigheden prima facie niet als formele motivering. IX-10.710-23/24 In die mate is het vierde middel ernstig.
- Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het mi- nisterieel besluit van 20 januari 2025 van de minister van Justitie, waarbij S.A. wordt ontlast van zijn functie van islamconsulent in de gevangenis van Antwerpen en van hoofd-islamconsulent. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.710-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.442 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div