id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.443 Rolnummer: A. 245966/IX-10751 Zaak: Arrest 264443 - Examens (onderwijs) - 06/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.443 van 6 oktober 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.443 van 6 oktober 2025 in de zaak A. 245.966/IX-10.751 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW INRICHTENDE MACHT LUCERNA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Lamon en Henri Beelen kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Inrichtende Macht Lucerna van 17 september 2025 waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 26 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.751-1/17 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2024-2025 leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘wetenschappen-wiskunde’ in het Lucerna College, onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoekster jaartekorten optekenen voor wiskunde (45,3%) en voor fysica (45,2%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest C toe. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. IX-10.751-2/17 3.
- Daarop stelt verzoekster op 5 juli 2025 een beroep in bij het schoolbestuur. In dat beroep voert verzoekster aan dat zij een jaargemiddelde van 60,3% behaalde en dat zowel zijzelf als haar gezin tijdens de examenperiode met specifieke moeilijkheden kampte. Verzoekster vraagt om de deliberatiebeslissing te herzien, minstens om voor de vakken wiskunde en fysica bijkomende proeven te mogen afleggen. De hoorzitting van de beroepscommissie vindt plaats op 29 augustus
- De beroepscommissie beslist vervolgens op 3 september 2025 om het C-attest te behouden. 3.
- Tegen die beslissing stelt verzoekster bij de Raad van State een verzoek in tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Na kennisname van dat verzoek beslist de beroepscommissie op 17 september 2025 om haar beslissing van 3 september 2025 in te trekken. Bij arrest nr. 264.272 van 23 september 2025 verklaart de Raad van State de vordering tot schorsing van die laatste beslissing zonder voorwerp. Eveneens in de beslissing van 17 september 2025, oordeelt de beroepscommissie opnieuw over verzoeksters beroep. De motieven van deze nieuwe beslissing luiden: “Vooraleerst erkent de beroepscommissie dat het rapport van [verzoekster] in schooljaar 2023-2024 goed was (2de leerjaar van de 2de graad). Ze heeft toen ook het advies gekregen om Wetenschappen-Wiskunde te volgen. Bij de start van het schooljaar heeft [verzoekster] kenbaar gemaakt dat ze slachtoffer is geworden van roddels/pestgedrag. De school heeft naar aanleiding van deze melding gesprekken gevoerd met de betrokkenen. Dit werd ook opgenomen in het leerlingvolgsysteem. Eind september heeft [verzoekster] zelf aangegeven dat het onderwerp al was afgesloten. (zie verslag LVS in bijlage) Naderhand (tijdens het gesprek over de betwisting in juli) hebben de ouders pas te kennen gegeven dat [verzoekster] ook via een fake account op sociale media gepest werd, maar hier werd eerder geen melding van gemaakt, noch door [verzoekster], noch door de ouders. IX-10.751-3/17 Het bezwaar maakt ook melding van een moeilijke situatie in juni 2025 door de ziekte van de mama en de financiële situatie van het gezin. De school werd hier echter niet van op de hoogte gebracht tijdens het schooljaar, maar pas nadat de eindresultaten bekend waren. Op deze manier was de school dan ook niet in staat om hiermee rekening te houden bij de deliberatie. Indien de school op voorhand geïnformeerd was, kon ze ondersteunende maatregelen nemen tijdens de tweede examenperiode. Wat betreft de planning van de examens, hierover worden de leerlingen tijdig op de hoogte gebracht zodat ze zich op voldoende wijze kunnen voorbereiden. De leerlingen van het Lucernacollege hebben bovendien maximum 1 examen per dag, wat de werkdruk aanzienlijk verlaagt t.o.v. meerdere examens op 1 dag. De evaluaties van het vak fysica werden opnieuw onder de loep genomen (zie ook bijlage) en alle leerplandoelen werden op voldoende wijze geëvalueerd. De resultaten van het vak wiskunde werden eveneens herbekeken, maar het argument van ‘bijna de helft gebuisden’ is niet correct op basis van de resultaten die we kunnen genereren via Smartschool Analytics (zie bijlage). Het Lucernacollege biedt voor alle leerlingen bijlessen aan waar de leerlingen van de hogere jaren zelf het initiatief kunnen/moeten nemen om hieraan deel te nemen indien ze bepaalde tekorten hebben. Dit is op individuele basis. Leerlingen die deelnemen aan de bijlessen, worden ook geregistreerd in het leerlingvolgsysteem. Voor [verzoekster] zijn er geen deelnames geregistreerd. Klassikale remediëring is nog bovenop de bijlessen die individueel aangeboden worden. Zie bijlage voor het bijlessenrooster en het overzicht van de aanwezigheden. De twee jaartekorten die [verzoekster] behaalt op fysica en wiskunde zijn tekorten voor poolvakken in de richting Wetenschappen-Wiskunde. Deze resultaten wegen daarom zwaarder door in de beoordeling van de beroepscommissie, die de eerdere beslissing van de klassenraad dan ook onderschrijft. De tekorten tonen aan dat [verzoekster] niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor deze vakken bereikt heeft. Een delibererende klassenraad oordeelt steeds over het individuele traject van een leerling. Het argument dat andere leerlingen wel bijkomende proeven mochten afleggen, vindt de beroepscommissie daarom niet relevant. De situatie van iedere leerling is anders en daarom kan de beoordeling ook verschillen op basis van andere contexten. De beroepscommissie benadrukt dat tijdens de hoorzitting op datum 29 augustus 2025 alle leden die deel uitmaken van de beroepscommissie en het verslag ondertekend hebben ook effectief aanwezig waren. Externe leden [S.G.] en [V.R.] waren fysiek aanwezig in het kantoor van algemeen directeur [H.T.] en hebben van daaruit deelgenomen aan de online vergadering via Teams. Ze waren op het moment van de beraadslaging alleen in het betreffende kantoor. Beslissing […] IX-10.751-4/17 De beroepscommissie heeft de situatie en de aangebrachte argumenten onderzocht. Hoewel de omstandigheden als zwaar en uitzonderlijk worden erkend, is de commissie van oordeel dat indien deze factoren werkelijk een doorslaggevende invloed hadden gehad, dit ook duidelijker tot uiting had moeten komen in het geheel van de resultaten.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel
- Het eerste middel is gericht tegen de samenstelling van de beroepscommissie. IX-10.751-5/17 Na inzage van het administratief dossier, doet de raadsvrouw van verzoekster op de terechtzitting afstand van dit middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. 8.
- In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, stelt verzoekster met betrekking tot de materiële- en de formelemotiveringsplicht vooreerst dat de beroepscommissie er verkeerdelijk van uitgaat dat zij pas vanaf 28 juni 2025 is gestart met psychologische begeleiding, aangezien uit het verslag van de psycholoog blijkt dat die begeleiding al veel eerder is opgestart. Voorts stelt verzoekster dat zij heeft aangevoerd dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, ten gevolge waarvan de voorliggende cijfers niet representatief zijn, reden waarom bijkomende proeven werden gevraagd. Het grieft verzoekster dat de beroepscommissie enerzijds wel erkent dat de omstandigheden “uitzonderlijk en zwaar” zijn, maar anderzijds niet uiteenzet waarom toch geen bijkomende proeven worden toegestaan. Die zijn nochtans, zo stelt verzoekster, precies mogelijk gemaakt om aan eventuele blinde vlekken in de beeldvorming over de leerling te verhelpen. Verzoekster voert ook aan ongelijk te zijn behandeld in vergelijking met andere leerlingen, aan wie wel bijkomende proeven werden toegestaan. Minstens is de bestreden beslissing intern tegenstrijdig door enerzijds de zware omstandigheden te erkennen en er anderzijds geen gevolg aan te koppelen. De overweging dat zij eind september zou hebben aangegeven dat de pestproblematiek was opgelost, is volgens verzoekster onjuist en in strijd met de stukken. De beroepscommissie stelt dat het aanmaken van een nepaccount en de financiële en gezondheidsproblemen binnen het gezin niet aan de school waren gemeld zodat ook geen ondersteunende maatregelen konden worden genomen. IX-10.751-6/17 Voor zover de beroepscommissie daarmee de bijzondere omstandigheden die de vraag om bijkomende proeven ondersteunen, zou beogen te weerleggen, voert verzoekster aan dat een dergelijk motief om twee redenen niet overtuigt. Enerzijds heeft de moeder van verzoekster dit aangevoerd in haar brief van 30 juni 2025 met de vraag om de klassenraad opnieuw samen te roepen – wat niet gebeurde – en anderzijds was de beroepscommissie wél op de hoogte van de “fake account” en de vóórmelde problemen in het gezin. De beroepscommissie, zo besluit verzoekster ter zake, heeft nagelaten deze elementen op hun merites te beoordelen en heeft ook niet afdoende gemotiveerd waarom verzoekster, spijts de uitzonderlijke omstandigheden tijdens beide examenperiodes, niet een of meer bijkomende proeven kon krijgen. Tot slot gaat verzoekster in op de resultaten voor wiskunde en fysica. De beroepscommissie stelt weliswaar dat verzoekster ten onrechte aanvoert dat bijna de helft van haar klas een tekort behaalde, maar toont dat niet aan. De overweging dat verzoekster niet werd geregistreerd voor de bijlessen strijdt met de vermelding op het individueel syntheseblad waarin staat dat verzoekster wél op dat aanbod is ingegaan. 8.
- Het gelijkheidsbeginsel is volgens verzoekster, in wat voorkomt als een tweede middelonderdeel, geschonden omdat twee klasgenoten (één met jaartekorten voor wiskunde en fysica, de andere met jaartekorten voor “natuurwetenschappen, fysica, chemie en aardrijkskunde”) in tegenstelling tot verzoekster wel een of meer bijkomende proeven kregen. 8.
- Tot slot noemt verzoekster het in een derde middelonderdeel onredelijk en onzorgvuldig om de vraag naar bijkomende proeven zonder (afdoende) motieven af te wijzen en een C-attest toe te kennen. IX-10.751-7/17 Beoordeling a. eerste middelonderdeel
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Er zij voorts eraan herinnerd dat een beroepscommissie overeenkomstig de formelemotiveringsplicht niet is verplicht om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren, maar dat het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen. Zoals de Raad het al in tal van arresten heeft geschreven, vereist het bestaan en de zin van een beroepsprocedure daarentegen wél dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke bestuurshandeling rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid door het bestuur werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct en zorgvuldig beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Het komt de Raad van State daarbij in IX-10.751-8/17 principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van het bestuur. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State om, desgevraagd, na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan en of de appreciatie daarvan met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende of onzorgvuldig bewezen feiten, dan is het materiële motiveringsbeginsel geschonden.
- In de thans bestreden beslissing overweegt de beroepscommissie op het eerste gezicht niet dat de psychologische begeleiding van verzoekster pas op 28 juni 2025 is opgestart. In dat opzicht lijkt het middel feitelijke grondslag te missen en is het niet ernstig.
- Verzoekster overtuigt er op het eerste gezicht evenmin van dat de beroepscommissie haar argumenten met betrekking tot het toestaan van bijkomende proeven onbeantwoord zou hebben gelaten. De beroepscommissie motiveert immers uitdrukkelijk dat “[h]oewel de omstandigheden als zwaar en uitzonderlijk worden erkend, de commissie van oordeel [is] dat indien deze factoren werkelijk een doorslaggevende invloed hadden gehad, dit ook duidelijker tot uiting had moeten komen in het geheel van de resultaten”. Ofschoon deze overweging eerder gebald is en het gewis niet verkeerd ware geweest indien zij wat omstandiger zou zijn uitgeschreven, blijkt er prima facie voldoende duidelijk uit dat de beroepscommissie van de door verzoekster aangevoerde algemene problematiek geen of onvoldoende weerslag ziet in de resultaten voor de andere vakken dan fysica en wiskunde, wat de beroepscommissie dan doet besluiten dat niet is aangetoond dat oorzaak voor de jaartekorten werkelijk buiten die vakken is gelegen. Nog anders gezegd: de beroepscommissie ziet geen oorzakelijk verband tussen de aangevoerde bijzondere omstandigheden – die zij als dusdanig erkent – en de voorliggende tekorten. IX-10.751-9/17 Verzoekster lijkt zich te beperken tot de loutere kritiek dat de motivering van de beroepscommissie niet kan overtuigen. Zij laat op het eerste gezicht evenwel na om concreet uiteen te zetten waarom het opgegeven motief niet afdoende is voor het oordeel om geen bijkomende proeven aan verzoekster toe te staan. Een dergelijk motief kan nochtans prima facie, bij gebrek aan precieze argumenten van verzoekster die het tegendeel aantonen, geacht worden relevant te zijn om de beslissing van de beroepscommissie in die zin te schragen. Die motivering wordt bovendien op het eerste gezicht niet weersproken door de voorliggende stukken, in het bijzonder verzoeksters jaarrapport. Daaruit blijkt immers enerzijds dat zij voor alle andere vakken dan wiskunde en fysica ruime slaagcijfers laat noteren en anderzijds dat zij doorheen het schooljaar (één nipt tekort voor geschiedenis DW2 niet te na gesproken) ook enkel voor die vakken op dagelijks werk en op de examens tekorten behaalde. In dat opzicht kan verzoeksters beroep op de materiële- en de formelemotiveringsplicht vooralsnog niet overtuigen.
- In het licht van het voorgaande, lijkt verzoekster geen belang te hebben bij haar argumenten gericht op de motieven in de bestreden beslissing omtrent de pestproblematiek enerzijds en de gezinssituatie anderzijds. Die motieven vormen immers op het eerste gezicht niet het dragende motief voor de beroepscommissie om verzoeksters vraag om bijkomende proeven af te wijzen. Zoals hiervóór voorlopig is vastgesteld, heeft de beroepscommissie de aangevoerde omstandigheden als “zwaar en uitzonderlijk” erkend, maar geoordeeld dat zij geen oorzakelijk verband ziet tussen die omstandigheden en de door verzoekster behaalde resultaten.
- Eenzelfde vaststelling over verzoeksters belang lijkt te gelden voor het argument dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd met IX-10.751-10/17 betrekking tot het onderzoek naar de klassikale resultaten voor de vakken wiskunde en fysica. Verzoekster acht het motief van de beroepscommissie dat “het argument van ‘bijna de helft gebuisden’ niet correct [is] op basis van de resultaten die we kunnen genereren via Smartschool Analytics” niet afdoende omdat een bijlage waarnaar wordt verwezen, niet is gevoegd bij de bestreden beslissing. Het ontbreken van de betrokken bijlage bij de bestreden beslissing lijkt de wettigheid van die beslissing niet aan te tasten. Het betrokken motief vormt immers op het eerste gezicht een afdoende formeel motief om te verantwoorden dat niet de helft van de leerlingen van de klas is gebuisd voor het vak wiskunde. Met haar wettigheidskritiek peilt verzoekster in essentie naar de motieven van de motieven, waartoe de beroepscommissie op grond van de formelemotiveringsplicht evenwel niet is gehouden. De vraag of het motief steunt op bestaande en concrete feiten kan daarentegen wél in verband worden gebracht met de materiëlemotiveringsplicht. Uit het administratief dossier blijkt op het eerste gezicht dat het betrokken motief afdoende en op concrete feiten lijkt te steunen, nu een door de verwerende partij bijgebrachte analyse melding maakt van respectievelijk 22%, 19% en 12% van de leerlingen die in het eerste, tweede dan wel derde trimester een onvoldoende laten optekenen.
- Ook wat verzoeksters argument met betrekking tot het motief aangaande de deelname aan de individuele bijlessen betreft, is de Raad van State vooralsnog van oordeel dat het rechtens vereiste belang ontbreekt. Verzoekster voert aan dat uit de overwegingen van de klassenraad blijkt dat zij wél op het remediëringsaanbod is ingegaan, maar ook hier moet op het eerste gezicht worden opgemerkt dat het niet duidelijk is hoe dit motief verband houdt met de vraag van verzoekster in de beroepsprocedure om bijkomende proeven toe te staan.
- Verzoekster maakt vooralsnog niet aannemelijk dat de beroepscommissie geen antwoord heeft geboden op de vraag om bijkomende IX-10.751-11/17 proeven op te leggen, door te verwijzen naar de motieven over de jaartekorten voor wiskunde en fysica en deze te benoemen als poolvakken. Opnieuw moet worden vastgesteld dat dit motief los lijkt te staan van de beoordeling door de beroepscommissie van de vraag om bijkomende proeven op te leggen. Deze overwegingen lijken eerder verband te houden met de beslissing om aan verzoekster, gelet op de tekorten, een C-attest toe te kennen. Dat maakt het voorwerp uit van het derde middelonderdeel.
- Voor zover verzoekster aanvoert dat er geen afdoende motivering voorligt met betrekking tot de vergelijking met andere leerlingen die wel bijkomende proeven hebben kunnen afleggen, hangt deze wettigheidskritiek dan weer samen met de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel en dus het tweede middelonderdeel.
- Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. b. tweede middelonderdeel 18.
- Leerlingen van eenzelfde klas verhouden zich tegenover elkaar niet als de concurrenten voor een voordeel dat alleen aan één of aan enkelen onder hen kan worden toegekend, zoals wel het geval is bij een benoeming of de gunning van een overheidsopdracht zodat ten opzichte van die leerlingen geen “vergelijking van titels en verdiensten” vereist is. Een schending van het gelijkheidsbeginsel kan maar aan de orde zijn wanneer de verzoekende partij aan de hand van stukken kan aantonen dat zij zich in gelijke omstandigheden als één of meerdere andere leerlingen bevindt en dat de beoordelingsmaatstaf op die gelijke gevallen op een verschillende wijze is toegepast. Het valt aan de verzoekende partij toe om de vergelijkbaarheid met ondubbelzinnige en overtuigende argumenten te staven. IX-10.751-12/17 18.
- De Raad van State bedenkt daarbij dat deliberatiesituaties die aan de oppervlakte als gelijk verschijnen, dat bij nader inzien mogelijk niet zijn, omdat in de beoordeling van het al dan niet slagen van een leerling niet enkel met het zuivere cijferresultaat rekening moet worden gehouden, maar ook met de individuele context van elke leerling afzonderlijk. Dat de ene leerling wél gedelibereerd wordt voor een tekort en de andere een bijkomende proef wordt opgelegd, bewijst dus niet ipso facto een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Dat de ene leerling wél bijkomende proef krijgt toegestaan en aan de andere zonder die mogelijkheid een C-attest wordt uitgereikt, evenmin.
- Rekening houdend met die uitgangspunten, moet worden vastgesteld dat verzoekster ter staving van de door haar aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel wat leerling A. betreft enkel een bericht van de directeur van de school bijbrengt, waarin deze aankondigt dat leerling A. bijkomende proeven mag afleggen voor vier vakken. Wat die leerling betreft, blijft onduidelijk wat de onderliggende rapportcijfers waren, of er al dan niet cijfers ontbreken (bijvoorbeeld ten gevolge van langdurige afwezigheid) en wat de door de klassenraad aanvaarde bijzondere omstandigheden waren die hebben doen twijfelen aan de representativiteit van de wél voorliggende cijfers. Een evaluatiebeslissing steunt immers op alle elementen van dat leerlingendossier. Ten aanzien van leerling A. maakt verzoekster aldus niet aannemelijk dat er voldoende vergelijkbare omstandigheden voorliggen opdat zij, in het licht van het gelijkheidsbeginsel, aanspraak zou kunnen maken op eenzelfde beslissing en dus een uitgestelde deliberatiebeslissing met bijkomende proeven.
- Van de feitelijke situatie van leerling M., met wie verzoekster zich eveneens vergelijkt, brengt zij in het geheel geen stukken bij. Zodoende maakt zij alvast in de huidige stand van de rechtspleging ten aanzien van deze leerling geen schending van het gelijkheidsbeginsel aannemelijk. IX-10.751-13/17
- In zoverre verzoekster aanvoert dat de beroepscommissie geen verantwoording heeft gegeven waarom haar geen bijkomende proeven zijn toegekend, en zich dus beroept op de formelemotiveringsplicht, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel. Waar verzoekster, nog steeds wat de formelemotiveringsplicht betreft, aanvoert dat de bestreden beslissing niet verantwoordt waarom andere leerlingen wél bijkomende proeven krijgen opgelegd en zijzelf niet, lijkt in de eerste plaats te moeten worden vastgesteld dat verzoekster een dergelijke beroepsgrief niet heeft aangevoerd in haar beroepschrift of tijdens de hoorzitting. Alsdan kan zij, zo lijkt, de beroepscommissie bezwaarlijk verwijten daarop niet te antwoorden. In het licht van die vaststelling maakt verzoekster vooralsnog niet aannemelijk dat het motief in de bestreden beslissing dat “[d]e situatie van iedere leerling anders [is] en daarom de beoordeling ook [kan] verschillen op basis van andere contexten” – een motief dat lijkt te antwoorden op wat verzoekster (enkel) in haar eerste schorsingsverzoek vóór de Raad van State heeft aangevoerd – niet afdoende is. Een dergelijk motief is op het eerste gezicht draagkrachtig om in algemene zin te duiden waarom het gegeven dat bepaalde medeleerlingen bijkomende proeven afleggen, niet noodzakelijk impliceert dat zulks ook voor verzoekster moet gelden.
- Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. c. derde middelonderdeel
- Tot slot overtuigt verzoekster er vooralsnog niet van dat de beroepscommissie door het toekennen van een C-attest het zorgvuldigheidsbeginsel of het redelijkheidsbeginsel miskent. IX-10.751-14/17
- Voor zover verzoekster zich beroept op het zorgvuldigheidsbeginsel geeft zij aan haar grieven op het eerste gezicht geen andere invulling dan wat in het eerste middel met betrekking tot de materiële- en formelemotiveringsplicht werd aangevoerd. Die kritiek is bij de beoordeling van het eerste middel niet ernstig bevonden.
- Voorts overtuigt verzoekster prima facie niet ervan dat de beroepscommissie onredelijk heeft geoordeeld door een C-attest toe te kennen. Verzoekster verwijst op dit punt enkel naar de erkenning door de beroepscommissie van de uitzonderlijke omstandigheden doorheen het afgelopen schooljaar. Ter zake moet evenwel vooreerst worden opgemerkt, zo lijkt, dat in de bespreking van het eerste en het tweede middelonderdeel voorlopig is vastgesteld dat het aan verzoekster ontzeggen van bijkomende proeven niet onregelmatig is. Het gevolg daarvan is, op het eerste gezicht, dat de beroepscommissie terecht haar deliberatiebeslissing niet uitstelt en dus uitspraak doet over het toe te kennen oriënteringsattest. In de bestreden beslissing motiveert de beroepscommissie dat “[d]e twee jaartekorten die [verzoekster] behaalt op fysica en wiskunde tekorten [zijn] voor poolvakken in de richting Wetenschappen-Wiskunde” en daarom “zwaarder [doorwegen] in de beoordeling”. Tevens oordeelt de beroepscommissie dat “[d]e tekorten [aantonen] dat [verzoekster] niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor deze vakken bereikt heeft”. Die beoordeling kan de Raad van State vooralsnog niet onredelijk bevinden. Leerlingenevaluatie strekt op basis van artikel 60 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair IX-10.751-15/17 onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“organisatiebesluit”) ertoe om na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt. De leerlingenevaluatie resulteert in een beslissing over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval. Principiële maatstaf is dan ook de vraag of een leerling de leerplandoelstellingen heeft bereikt. Die vraag beantwoordt de beroepscommissie met de aangehaalde motieven in de bestreden beslissing op het eerste gezicht negatief, vermits ze oordeelt dat verzoekster de leerplandoelstellingen voor de vakken wiskunde en fysica niet heeft bereikt. Het is op het eerste gezicht niet onredelijk om die vakken in de studierichting wetenschappen-wiskunde aan te merken als “poolvakken” en er bij de deliberatiebeslissing bijgevolg een bijzonder gewicht aan te verlenen. Een regelmatige leerling in het eerste leerjaar van de derde graad die de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt en aldus het eerste leerjaar van de derde graad niet met vrucht heeft beëindigd, ontvangt in beginsel overeenkomstig artikel 70 van het organisatiebesluit een oriënteringsattest C. In het licht van die bepalingen lijkt de beroepscommissie niet onwettig te oordelen met de toekenning aan verzoekster van een oriënteringsattest C, na vaststelling dat zij de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt.
- Het derde middelonderdeel is niet ernstig. d. conclusie
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. IX-10.751-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd zijn is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.751-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.