id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.456 Rolnummer: A. 245752/XIV-39873 Zaak: Arrest 264456 - Overheidsopdrachten - 08/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-09 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-14 04:19 Fiche Arrest nr 264.456 van 8 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.456 van 8 oktober 2025 in de zaak A. 245.752/XIV-39.873 In zake: de BV G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5366 GEEL-LAAKDAL-MEERHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Den Wyngaert, kantoor houdend te 2300 Turnhout de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “(d)e gunningsbeslissing van 20 augustus 2025 vanwege het politiecollege van de politiezone Geel – Laakdal – Meerhout aangaande de overheidsopdracht ‘takelen, XIV-39.873-1/27 bergen en stallen van voertuigen op het grondgebied van de lokale besturen Geel, Laakdal en Meerhout – 2025-002’ waarbij de opdracht werd gegund aan [de nv M.]”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 8 september 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 16 september 2025 heeft de bv M. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2025, om 14:00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Den Wyngaert, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-39.873-2/27 III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp ‘het takelen, bergen en stallen van voertuigen op het grondgebied van de lokale besturen Geel, Laakdal en Meerhout’. De opdracht betreft een raamovereenkomst die met één opdrachtnemer zal worden gesloten. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor de openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
- In het bestek dat op de opdracht van toepassing is, worden de gunningscriteria bepaald als volgt: Voorts zijn de volgende technische bepalingen uit het bestek in deze zaak relevant: XIV-39.873-3/27 “III.1 Beschrijving van de opdracht III.1.1 Toepassingsgebied van de opdracht […] […] III.1.
- Administratieve takelingen […] 2) De administratieve takeling van geaccidenteerde voertuigen […] Het voertuig wordt overgebracht naar de bewaarplaats van de takeldienst. III.1.3 Definities XIV-39.873-4/27 Onder takeldienst wordt verstaan: de rechtspersoon of de natuurlijke persoon, die belast is met het takelen en bewaren van getakelde voertuigen. […] Onder stallen wordt verstaan: het bewaren, parkeren en onderbrengen van de getakelde voertuigen, overdekt of in openlucht naargelang het geval, zonder dat er extra schade wordt toegebracht of kan toegebracht worden. […] III.3 Toepasselijke aanrijtijd voor de uitvoering van de diensten […] III.4 Wijze van het in bewaring nemen van getakelde voertuigen […] III.5 Inbegrepen diensten XIV-39.873-5/27 3.
- Twee ondernemingen dienen een offerte in. 3.
- Op 5 augustus 2025 wordt een gunningsverslag opgesteld. De beide inschrijvers worden geselecteerd en de beide offertes worden regelmatig bevonden. Wat het prijs- en kostenonderzoek betreft, wordt in het gunningsverslag vermeld: [bv M.] [bv G.] [bv G.] Vervolgens worden de offertes vergeleken volgens de gunningscriteria als volgt: [bv M.] [bv G.] XIV-39.873-6/27 [bv G.] XIV-39.873-7/27 [bv M.] [bv M.] [bv G.] XIV-39.873-8/27 3.
- Op 20 augustus 2025 beslist de verwerende partij de opdracht te gunnen aan de bv M. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een e-mailbericht en aangetekend schrijven van 21 augustus 2025 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. Met een e-mailbericht van 3 september 2025 antwoordt de verwerende partij op de vragen van de verzoekende partij over onder meer de identiteit van de onderaannemers van de gekozen inschrijver, de berekening van de aanrijtijden en het prijsonderzoek. IV. Tussenkomst
- De nv M. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te XIV-39.873-9/27 lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 83 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti, “DOORDAT het bestek bepaalt dat de opdrachtnemer bij zijn inschrijving een 7 op 7 en 24-urendienst garandeert (artikel III.3); dat de opdracht het bewaren van de voertuigen op de bewaarplaats van de inschrijver omvat welke centraal binnen de grenzen van de Politiezone Geel – Laakdal – Meerhout gelegen moet zijn (artikel III.1.1); en dat de takeldienst (thans de XIV-39.873-10/27 inschrijver/opdrachtnemer) over de nodige vergunningen moet beschikken (artikel III.4); DOORDAT de omgevingsvergunning (aktename) van de gekozen inschrijver dewelke betrekking heeft op inrichtingen bedoeld in rubriek 15 van de indelingslijst uit de sectorale milieuvergunningsvoorwaarden, waaronder het stallen van voertuigen bij een garagewerkplaats valt, verbied[t] dat rustverstorende activiteiten tussen 19 en 7 uur en op zon- en feestdagen (conform de bepalingen in artikel 5.15.0.6 van Vlarem II met betrekking tot garagewerkplaatsen) worden uitgevoerd, en dat er bovendien geen afwijkingen zijn opgenomen in de omgevingsvergunning; DOORDAT de offerte van de gekozen inschrijver strijdig is met artikel 76 KB Plaatsing daar de gekozen inschrijver niet over de nodige vergunningen beschikt waardoor de gekozen inschrijver de verplichtingen inzake het milieurecht dewelke strafrechtelijk gesanctioneerd zijn en een minimale eis uit het bestek schendt; TERWIJL op grond van artikel 83 Overheidsopdrachtenwet jo. artikel 76 KB Plaatsing en het zorgvuldigheidsbeginsel de aanbestedende overheid de offertes op een zorgvuldige, deskundige en objectieve wijze dient te onderzoeken op vlak van de regelmatigheid; TERWIJL de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel vereist dat iedere bestuurshandeling gedragen wordt door een afdoende en correcte motivering met motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn; EN TERWIJL op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti Verwerende Partij bij het nemen van de gunningsbeslissing niet mag afwijken van haar eigen Bijzonder Bestek; EN TERWIJL er in het kader van een openbare procedure geen regularisatie van de offerte is toegestaan; ZODAT de offerte van de gekozen inschrijver nietig verklaard had moeten worden en er aldus geen enkele zekerheid bestaat dat de opdracht op correcte wijze werd gegund aan de meest voordelige regelmatige inschrijver;” Zij vat het middel samen als volgt: “Verzoekende Partij wijst erop dat de offerte van de gegunde inschrijver, […] substantiële onregelmatigheden vertoont en aldus nietig verklaard moest worden overeenkomstig artikel 76 §3 KB Plaatsing. De gegunde inschrijver beschikt immers niet over de vereiste vergunningen of afwijkingen waardoor er geen 7 op 7, 24 urendienst kan gegarandeerd worden waarbij het bewaren van de voertuigen plaatsvindt op de eigen bewaarplaats van de inschrijver/opdrachtnemer.”
- De verzoekende partij voert in essentie aan dat de activiteit van het takelen van voertuigen valt onder rubriek 15 ‘Garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen’ van de indelingslijst vervat in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende XIV-39.873-11/27 algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), waarvoor de sectorale milieuvoorwaarden gelden vermeld in hoofdstuk 5.15 ‘Garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen’ van Vlarem II. Op grond van artikel 5.15.0.6, § 1, Vlarem II zijn, onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 die betrekking hebben op de beheersing van geluidshinder, rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur en op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De verzoekende partij verwijst naar de aktename van een melding voor de exploitatie van een garagewerkplaats van de tussenkomende partij van 11 mei 2020, waaruit zij afleidt dat de ingedeelde inrichting ruimer is dan het louter exploiteren van een garagewerkplaats en ook expliciet het stallen van 15 motorvoertuigen (rubriek 15.1.1°) en het overdekt stallen van 25 ton geaccidenteerde voertuigen of voertuigwrakken (rubriek 15.6.1°) omvat, en er aldus geen twijfel over bestaat dat deze meldingsakte handelt over de takeldiensten die het voorwerp uitmaken van deze overheidsopdracht. Deze aktename vermeldt geen uitzonderingen wat de exploitatievoorwaarden inzake geluid betreft, zodat de tussenkomende partij volgens haar niet in de mogelijkheid is aan de voornoemde minimale eis te voldoen. De verzoekende partij stelt voorts dat de tussenkomende partij, voor het voldoen aan de voornoemde vereiste in punt III.3 van het bestek, geen beroep kan doen op haar onderaannemers, omdat onder meer in de punten III.1.1, III.1.2 1), III.4 en III.5 van het bestek uitdrukkelijk is voorgeschreven dat het bewaren van voertuigen dient plaats te vinden op de eigen bewaarplaats van de inschrijver. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 is een offerte substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver XIV-39.873-12/27 een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten worden als substantiële onregelmatigheden beschouwd. De aanbestedende overheid verklaart de substantieel onregelmatige offerte nietig. Het is vanuit dit oogpunt dat het middel wordt onderzocht.
- Voor zover de verwerende partij een exceptie van gebrek aan belang bij het middel opwerpt omdat de vergunning van de verzoekende partij van 1 oktober 2007 evenmin in een afwijking op de sectorale milieuvoorwaarden voorziet, dient deze exceptie te worden verworpen. Het blijkt immers niet dat deze vermeende onregelmatigheid in de bestreden beslissing door de verwerende partij is vastgesteld, laat staan ingeroepen om de betrokken offerte te weren. Wel lijkt dit gegeven op het eerste gezicht de ernst van het middel te relativeren.
- De partijen lijken het erover eens te zijn dat de vereiste in het bestek dat de opdrachtnemer een 24-urendienst garandeert en dit 7 dagen op 7 een essentiële bestekbepaling betreft waarvan de inschrijvers niet mochten afwijken op straffe van substantiële onregelmatigheid van hun offerte. In het bijzonder wordt in punt III.3 van het bestek bepaald dat “[d]e opdrachtnemer […] door zijn inschrijving een 7 op 7 en 24-urendienst [garandeert] om binnen een tijdsbestek van 20 (twintig) minuten ter plaatse te komen, de takel- en bergingswerkzaamheden aan te vatten en desgevallend het voertuig of de voertuigen weg te brengen volgens de richtlijnen van de politie en de wensen van de eigenaar”. Het bestek bevat op het eerste gezicht evenwel niet als voorwaarde XIV-39.873-13/27 voor de regelmatigheid van de offerte dat de inschrijvers bij het indienen van hun offerte over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke vergunningen dienen te beschikken. Uit de offerte van de tussenkomende partij, stuk dat vertrouwelijk is neergelegd en dat de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt dat zij de omgevingsvergunningen van zowel haar exploitatieplaats als die van haar onderaannemers bij haar offerte heeft bijgevoegd. Ook de verzoekende partij heeft de omgevingsvergunning waarover zij beschikt bij haar offerte gevoegd. Overeenkomstig artikel 5.15.0.6, § 1, Vlarem II zijn rustverstorende activiteiten verboden op werkdagen tussen 19 en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Daargelaten de vraag of de tussenkomende partij in het licht van de door de verzoekende partij aangehaalde bestekbepalingen beroep kan doen op haar onderaannemers om te voldoen aan de voornoemde vereiste in punt III.3 van het bestek (zie infra bij beoordeling van het tweede middel, punt 18), lijkt geen van de voorgelegde omgevingsvergunningen, evenmin deze van de verzoekende partij, een uitdrukkelijke afwijking op de voornoemde sectorale milieuvoorwaarde te bevatten. Evenwel kan op het eerste gezicht van een aanbestedende overheid in de gegeven omstandigheden niet worden verwacht dat zij in het kader van het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes het toereikend karakter van die voorgelegde omgevingsvergunningen in vraag stelt. In het bijzonder maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk – mede gelet op de omgevingsvergunning waarover zij zelf beschikt – dat de tussenkomende partij niet aan de voornoemde vereiste om “binnen een tijdsbestek van 20 (twintig) minuten ter plaatse te komen, de takel- en bergingswerkzaamheden aan te vatten en desgevallend het voertuig of de voertuigen weg te brengen” zou kunnen voldoen omdat haar takelvoertuigen (of die van haar onderaannemers) beweerdelijk niet zouden mogen in- en uitrijden vanop haar (of hun) exploitatieplaats op werkdagen XIV-39.873-14/27 tussen 19 en 7 uur en op zon- en feestdagen, ten gevolge de voornoemde sectorale milieuvoorwaarde.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door de offerte van de tussenkomende partij regelmatig te verklaren, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4 en artikel 81 van de wet van 17 juni 2016, artikel 4, eerste lid, 8° en artikel 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), het zorgvuldigheids- en transparantiebeginsel, gelijkheidsbeginsel, het patere legem quam ipse fecisti- beginsel en de materiëlemotiveringsplicht, “DOORDAT uit de motivering bij het gunningscriterium 2 ‘kwaliteit’ niet afdoende blijkt waarom Verzoekende Partij slechts 90% scoort; DOORDAT de motivering bij het gunningscriterium 2 ‘kwaliteit’ generiek is en niet afdoende rekening houdt met de ingediende offerte van Verzoekende Partij en de daaruit voortvloeiende meerwaarde; DOORDAT de motivering bij het gunningscriterium 2 ‘kwaliteit’ feitelijk onjuist is en op verkeerde premissen is gesteund voor wat betreft de gegunde inschrijver, […] waardoor de score van 70% niet gedragen wordt; TERWIJL de aanbestedende overheid bij het nazicht van de offertes zorgvuldig moet handelen en de gelijke behandeling van de inschrijvers moet waarborgen; EN TERWIJL op welke gronden of motieven het besluit berust niet voor elk beoordelingselement opgenomen is waardoor de formele motiveringsplicht geschonden wordt; EN TERWIJL de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, XIV-39.873-15/27 vereist dat iedere bestuurshandeling gedragen wordt door een afdoende en correcte motivering met motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn; EN TERWIJL op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti Verwerende Partij bij het nemen van de gunningsbeslissing niet mag afwijken van haar eigen Bijzonder Bestek; ZODAT Verzoekende Partij ten onrechte als tweede werd gerangschikt in de finale rangschikking.” Zij vat het middel samen als volgt: “Verzoekende Partij is van mening dat – voor zover uw Raad het eerste middel zou verwerpen als niet-ernstig - de offerte van de gegunde inschrijver op het gunningscriterium 2 inzake kwaliteit op ongeoorloofde wijze 70% scoort. De motieven zijn immers gebaseerd op een foute feitenvinding en de offerte werd onterecht positiever gescoord. Daarenboven is het op basis van de motivering onduidelijk waarom Verzoekende Partij slechts 90% scoort aangezien er geen minpunten worden vastgesteld. Zoals uit onderstaande zal blijken, is de offerte van Verzoekende Partij niet enkel kwalitatiever maar bevat deze de maximaal denkbare meerwaarde in vergelijking met de offerte van [de bv M.]”.
- De verzoekende partij voert in essentie aan, vooreerst, dat voor drie beoordelingselementen van het gunningscriterium ‘Kwaliteit’, namelijk de aanrijtijden (zie III.3), de aard van de bewaarplaats voor de getakelde voertuigen, het aantal beschikbare plaatsen en de getroffen/voorziene maatregelen om beschadiging en diefstal te voorkomen (zie III.4), en de maatregelen aangaande de veiligheid en hygiëne van deze takelvoertuigen (III.11), de motieven onderliggend aan de score van 70% voor de offerte van de gekozen inschrijver gebrekkig zijn. Voorts stelt de verzoekende partij dat niet duidelijk is waarom aan haar offerte een score van 90% en niet de maximale score is toegekend voor dit gunningscriterium ‘Kwaliteit’. Beoordeling
- Bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes dient een aanbestedende overheid elke offerte te vergelijken met elk van de andere offertes XIV-39.873-16/27 en tot een rangschikking van de offertes te komen rekening houdend met de voor- en nadelen van elke offerte ten opzichte van en in verhouding tot elk van de andere offertes. De aanbestedende overheid beschikt daarbij over een beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats die overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt, om daaraan dienovereenkomstig punten toe te kennen. De Raad van State is niet bevoegd om de beoordeling van de offertes over te doen en zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van deze van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht mag hij desgevraagd wel nagaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven, of het bestuur daarbij binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven, en of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. Het komt aan een verzoekende partij in de procedure voor de Raad van State toe om aannemelijk te maken dat het onderzoek van de offertes op onrechtmatige wijze is verricht.
- Het bestek schrijft te dezen voor, in verband met het gunningscriterium ‘Kwaliteit’ (op 40 punten) dat de inschrijver in zijn offerte weergeeft hoe op een kwaliteitsvolle manier de uitvoering van de opdracht wordt gegarandeerd, en onder andere rekening wordt gehouden met een aantal (niet- limitatief opgesomde) beoordelingselementen, en aan de hand van de volgende puntenverdeling: “Gelijkwaardige offertes krijgen eenzelfde beoordeling - Uitstekend (maximaal denkbare meerwaarde): 100% - Heel goed (heel veel meerwaarde): 90% - Goed (aanzienlijke meerwaarde): 80% - Ruim voldoende (duidelijk aanwijsbare meerwaarde): 70% - Neutraal (geen meerwaarde): 60% - Minder goed dan neutraal: 50% - Niet goed: 40% - Zwak: 30% - Zeer zwak: 20%”. XIV-39.873-17/27 Uit het gunningsverslag blijkt dat de beoordeling van de twee offertes is gebeurd aan de hand van een beschrijvende evaluatie waarbij per beoordelingselement vermeld in het bestek voor elke offerte wordt toegelicht of deze zich al dan niet, in positieve of negatieve zin, onderscheidt van de andere offerte, waarna een globale score wordt gegeven. Hierna worden de door de verzoekende partij aangevoerde grieven tegen specifieke onderdelen van de beoordeling van de offertes onderzocht.
- Wat het beoordelingselement ‘aanrijtijden’ betreft, worden de beide offertes gelijkwaardig bevonden, om de volgende reden: “De aanrijtijden naar de diverse gevraagde adressen variëren van 3 tot max. 16 minuten. Dit is vergelijkbaar met de andere inschrijver en wordt goed bevonden” Volgens de verzoekende partij blijkt uit de omgevingsvergunning waarover de tussenkomende partij beschikt, dat zijn exploitatieplaats niet 7 dagen op 7 en 24-uur beschikbaar is, en kan niet zonder meer worden aangenomen dat de bewaarplaatsen van onderaannemers in aanmerking kunnen komen, aangezien geen intentieverklaring van die onderaannemers voorligt. Zij vraagt de Raad van State na te gaan of een cijfermatige berekening vanaf de exploitatieplaats(en) beschikbaar is en of deze correct is. Uit de offerte van de tussenkomende partij blijkt dat deze, net zoals in de offerte van de verzoekende partij, de aanrijtijden opgeeft vertrekkend van haar exploitatieplaats en die van haar onderaannemers naar de verschillende in het bestek gevraagde adressen in Geel, Laakdal en Meerhout. Het motief in het gunningsverslag bij de beide offertes dat “[d]e aanrijtijden naar de diverse gevraagde adressen variëren van 3 tot max. 16 minuten [en dit vergelijkbaar is] met de andere inschrijver en [goed wordt] bevonden”, vindt steun in die stukken. Op XIV-39.873-18/27 het eerste gezicht blijkt niet dat de verwerende partij zou zijn uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens of de twee offertes op een verschillende wijze zou hebben beoordeeld. Zoals is gebleken uit de beoordeling van het eerste middel (zie supra, punt 11), toont de verzoekende partij niet aan dat de voorgelegde omgevingsvergunningen als ontoereikend zouden moeten worden beschouwd. Voor zover de verzoekende partij stelt dat de tussenkomende partij geen beroep kan doen op (de bewaarplaatsen van) haar onderaannemers, lijkt dit argument op het eerste gezicht uit te gaan van een verkeerde lezing van het bestek. Anders dan de verzoekende partij betoogt, lijkt uit de door haar aangehaalde besteksbepalingen (punten III.1.1, III.1.2 1), III.4 en III.5 van het bestek) niet te volgen dat het stallen van alle voertuigen op de bewaarplaats van de inschrijver zélf een vereiste zou zijn. Doorheen het bestek worden de woorden (eigen) bewaarplaats van de “inschrijver”, “opdrachtnemer” of “takeldienst” door elkaar gebruikt, zonder dat daaruit op het eerste gezicht de bedoeling van de aanbestedende overheid kan worden afgeleid dat de voertuigen uitsluitend op de eigen bewaarplaats van de inschrijver moeten worden gestald. Uit de samenlezing van de definitie van het begrip ‘takeldienst’ in punt III.1.3 van het bestek als “de rechtspersoon of de natuurlijke persoon, die belast is met het takelen en bewaren van getakelde voertuigen” en het gegeven dat het bestek het beroep op een onderaannemer niet nader regelt, lijkt integendeel op het eerste gezicht te kunnen worden afgeleid dat de beoordelingselementen van het gunningscriterium ‘Kwaliteit’, waaronder het element ‘aanrijtijden’, ook aan de hand van de bewaarplaatsen van de onderaannemers kan worden beoordeeld. Blijkens de offerte van de tussenkomende partij doet zij beroep op twee onderaannemers. De omstandigheid dat de tussenkomende partij alleen heeft ingeschreven en geen combinatie van ondernemers voorligt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Uit de voorgaande beoordeling blijkt dat de verzoekende partij op het eerste gezicht niet gehinderd is bij het aanvoeren van dit middel doordat de XIV-39.873-19/27 verwerende partij de identiteit van de onderaannemers van de tussenkomende partij als vertrouwelijke informatie heeft beschouwd en door het ontbreken in het verslag van nazicht van een exacte becijfering van de aanrijtijden, zodat zij op het eerste gezicht geen belang heeft bij haar grieven daaromtrent.
- Wat het beoordelingselement ‘aard van de bewaarplaats voor de getakelde voertuigen, het aantal beschikbare plaatsen en de getroffen/voorziene maatregelen om beschadiging en diefstal te voorkomen’ betreft, wordt aangaande de offerte van de verzoekende partij het volgende gesteld: “De inschrijver geeft aan in de toekomst te willen uitbreiden. De nodige informatie over de uitbreiding wordt toegevoegd. Dit is een pluspunt voor de toekomst maar hier kan momenteel nog geen gebruik van gemaakt worden en kan dus niet meegenomen worden voor de beoordeling van dit dossier. Dit vormt geen meerwaarde.” Wat de offerte van de tussenkomende partij betreft, luidt de beoordeling als volgt: “De inschrijver en zijn onderaannemers beschikken over een ruime opslag om de voertuigen te stallen. Dit is goed. Het aantal beschikbare plaatsen wordt niet meegegeven. Om diefstal te voorkomen, zijn alle terreinen afge- sloten en kan men enkel via aanmelding aan de hoofdingang toegang krijgen tot het terrein. Er is ook camerabewaking voorzien en op sommige terreinen wordt het terrein ook door waakhonden bewaakt. Dit is goed.” Ook al wordt in het gunningsverslag de camerabewaking en omheining van het terrein bij de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij niet en bij deze van de tussenkomende partij wel vermeld, maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat deze aspecten haar score negatief zouden hebben beïnvloed. Voorts maakt de tussenkomende partij op het eerste gezicht aannemelijk dat de verwerende partij aan de hand van de in haar offerte meegedeelde oppervlaktematen van de terreinen waarover zij en haar onderaannemers beschikken, zich in redelijkheid een oordeel heeft kunnen vormen XIV-39.873-20/27 over het groot aantal stallingsplaatsen zonder ook het exacte aantal beschikbare plaatsen te kennen. Zoals hoger beoordeeld (zie supra, punt 18) toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij voor de beoordeling van de offerte van de tussenkomende partij geen rekening zou mogen houden met de bewaarplaatsen van haar onderaannemers.
- Wat het beoordelingselement ‘maatregelen aangaande de veiligheid en hygiëne van deze takelvoertuigen’ betreft, wordt aangaande de offerte van de tussenkomende partij het volgende gesteld: “Er wordt voorzien dat geaccidenteerde voertuigen gestald worden op een vloeistofdichte ondergrond en dit zowel buiten als overdekt. Daarnaast beschikt de inschrijver over 4 quarantainecontainers voor gevaarlijke goederen en elektrische voertuigen. Dit is goed.” Volgens de verzoekende partij laat de omgevingsvergunning waarover de tussenkomende partij beschikt niet toe dat zij geaccidenteerde voertuigen ook “buiten” zou kunnen stallen. Zij verwijst in dit verband naar de vergunde rubriek 15.6.1° van Vlarem II in de omgevingsvergunning van de tussenkomende partij waarin sprake is van “Overdekt stallen van max. 25 ton geaccidenteerde voertuigen of voertuigwrakken”. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht niet aan welk belang zij bij deze kritiek heeft. Voorts blijkt uit de offerte van de tussenkomende partij dat een onderaannemer over een omgevingsvergunning beschikt voor “het al dan niet overdekt stallen” van geaccidenteerde voertuigen met aanwezigheid van een vloeistofdichte vloer, zodat het motief op het eerste gezicht correct lijkt te zijn.
- Voor zover de verzoekende partij vervolgens nog aanvoert dat aan haar offerte de maximale score had moeten worden toegekend voor dit gunningscriterium ‘Kwaliteit’ en niet 90% van de punten, lijkt de in het bestek uiteengezette beoordelingsmethodiek van een globale evaluatie op het eerste XIV-39.873-21/27 gezicht niet noodzakelijk te impliceren dat de kwalitatief beste offerte automatisch ook de maximale score krijgt toegekend. Evenmin wordt de verzoekende partij bijgevallen waar zij meent dat diverse punten waarvoor zij uniek zou zijn in vergelijking met andere marktspelers, ten onrechte niet zouden zijn betrokken in de beoordeling. De verwerende partij maakt in tegendeel aannemelijk dat de offerte van de verzoekende partij wel degelijk als kwalitatiever en positiever werd beoordeeld dan de offerte van de tussenkomende partij, wat blijkt uit de respectievelijke scores van slechts 28 op 40 punten voor de offerte van de tussenkomende partij, en 36 op 40 punten voor de offerte van de verzoekende partij, en dat geen maximumscore wordt toegekend, volgt uit het feit dat de aanrijtijden, de deskundigheid van het personeel en de voorzieningen om gestrande automobilisten comfortabel te ontvangen, als ‘goed’ en niet als ‘zeer goed’ of als ‘uitstekend’ worden beoordeeld.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door aan de offerte van de tussenkomende partij een score van 28 op 40 punten (70%) toe te kennen en aan haar offerte een score van 36 op 40 punten (90%), zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
- Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 4, 16, 83 en 84 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 6, 33, 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het XIV-39.873-22/27 zorgvuldigheids- en transparantiebeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, “DOORDAT de Verwerende Partij met de bestreden beslissing overgaat tot de gunning van de overheidsopdracht aan de gekozen inschrijver onder de overweging dat hij de economisch meest voordelige regelmatige offerte indiende; DOORDAT uit de bewoording in de gunningsbeslissing blijkt dat de offertes zijn onderworpen aan een algemeen prijzen- en kostenonderzoek, doch zonder over te gaan tot een bijzonder prijs- en kostenonderzoek; DOORDAT uit de gunningsbeslissing blijkt dat er duidelijk (grote) verschillen zijn in de prijsopgave, waarbij de prijs van de gekozen inschrijver vermeend in lijn zou liggen met de raming en de prijs van Verzoekende Partij - dewelke hoger is - na bevraging van andere aanbesteders als niet afwijkend zou worden beschouwd; TERWIJL de raming kennelijk onzorgvuldig werd opgesteld rekening houdende met de eigen verklaringen van de Verwerende Partij; TERWIJL de totaalprijs van de gekozen inschrijver kennelijk als schijnbaar abnormaal laag te beschouwen is gelet de geëvolueerde marktsituatie (o.a. elektrische voertuigen); TERWIJL de Overheidsopdrachtenwet en het KB Plaatsing uitdrukkelijk voorzien dat er minimaal een gedegen algemeen prijs- of kostenonderzoek dient te gebeuren en dat ingeval van een vermoeden van schijnbaar abnormaal hoge of lage prijzen of kosten overgegaan dient te worden tot een bijzondere prijs-of kostenonderzoek; TERWIJL de aanbestedende overheid op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel ingeval van een vermoeden van abnormale hoge of lage prijzen of kosten niet zelf mag toeschrijven aan algemene prijsverschillen; EN TERWIJL op grond van het transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel de aanbestedende overheid moet kunnen aantonen dat haar keuzes op gegronde, zorgvuldige, deskundige en objectieve gronden zijn gebaseerd; ZODAT er geen gedegen prijs- of kostenonderzoek cq. regelmatigheidsonderzoek heeft plaatsgevonden, en de aangehaalde bepalingen en beginselen werden geschonden ingevolge de bestreden beslissing waardoor de kwestieuze overheidsopdracht zonder voldoende grondig onderzoek aan de gekozen inschrijver en niet aan de Verzoekende Partij werd gegund”. Zij vat het middel samen als volgt: “Het derde middel valt uiteen in twee middelonderdelen. In een eerste middelonderdeel wordt in essentie aangevoerd dat niet voldaan is aan de verplichting om een zorgvuldig algemeen prijs- of kostenonderzoek te voeren. XIV-39.873-23/27 De basis voor het prijs- of kostenonderzoek wordt in de bewoording van de Verwerende Partij gevormd door de ingediende en vervolgens geïndexeerde prijzen van 2021.Uit een eenvoudige berekening blijkt evenwel dat de opgenomen raming geen enkel verband houdt met de ingediende offerteprijzen van 2021, zodat geheel onduidelijk is op welke basis het prijs- of kostenonderzoek dan wel werd gevoerd? Zelfs gesteld dat daadwerkelijk (louter) werd gekeken naar de geïndexeerde ingediende prijzen van 2021 is alsnog niet voldaan aan de vereisten van artikel 16 van de Overheidsopdrachtenwet, aangezien zich sinds 2021 dermate betekenisvolle evoluties hebben voorgedaan op vlak van het takelen van voertuigen dat een loutere indexatie van de prijzen geenszins volstaat om prijsevoluties te ondervangen. In een tweede middelonderdeel wordt in essentie aangevoerd dat de Verwerende Partij onrechtmatig overging tot gunning aan de gekozen inschrijver, zonder eerst het rechtens vereiste bijzondere prijs- of kostenonderzoek te voeren gelet op de betekenisvolle prijsverschillen.”
- De verzoekende partij licht in een eerste onderdeel toe dat volgens het gunningsverslag de opdracht werd geraamd op 395.077,10 euro, inclusief btw, aan de hand van de ingediende prijzen van 2021, geïndexeerd. Volgens haar kan deze raming niet worden gehanteerd als referentiebasis omdat deze volgens haar wiskundige berekening 572.915,52, inclusief btw zou bedragen, en omdat geen rekening wordt gehouden met een aantal belangrijke evoluties op de markt die een invloed hadden moeten hebben op de raming, namelijk de toename van elektrische voertuigen (waarvan het takelen fors duurder is), de stijging van het algemeen aantal en de prijs van voertuigen, het niet inbegrepen zijn van de loonstijging voor (nacht)arbeid in de consumptieprijsindex. In een tweede onderdeel licht de verzoekende partij toe dat de verwerende partij niet is overgegaan tot een bijzonder prijs-of kostenonderzoek, terwijl er te dezen concrete elementen aanwezig zijn die haar tot een bevraging had moeten brengen. Zo is er het relatieve verschil van 16% tussen de ingediende offerteprijzen, en liggen de prijzen van de tussenkomende partij 19,08% en die van de verzoekende partij 41,77% hoger dan de (manifest foutieve) raming. Stellen dat de prijzen van de tussenkomende partij “in lijn” zijn met de geïndexeerde raming, is bijgevolg lichtzinnig. Voorts kan een bevraging van andere aanbesteders, XIV-39.873-24/27 waaruit blijkt dat er tussen de verschillende inschrijvers steeds prijsverschillen zijn, de verwerende partij niet vrijstellen om zélf over te gaan tot een prijs- of kostenonderzoek. Beoordeling Eerste onderdeel
- De resultaten van het prijzenonderzoek zijn hoger weergegeven (zie supra punt 3.4).
- Voor zover de verzoekende partij stelt dat de raming niet kan worden gehanteerd als referentiebasis, maakt de verwerende partij in haar nota op het eerste gezicht aannemelijk dat de reden voor het verschil tussen de raming en de berekening gemaakt door de verzoekende partij, is gelegen in een verschil van vermoedelijke hoeveelheden tussen het bestek 2021 en het bestek
- De vermoedelijke hoeveelheden in het bestek 2025 steunen op de reële cijfers van het aantal takelingen in de periode 2021-2025, zoals opgegeven door de verzoekende partij als uitvoerder van de lopende opdracht, die “een stuk lager” liggen dan in het offerteformulier van het bestek 2021 was geraamd. De verzoekende partij lijkt op het eerste gezicht dan ook niet worden bijgevallen voor zover zij stelt dat de raming wiskundig niet correct zou zijn berekend. Voorts erkent de verwerende partij dat de raming geen rekening heeft gehouden met prijsevoluties op de markt door de toename van elektrische voertuigen en de daaraan verbonden takelkosten, doch zij maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat de tussenkomende partij rekening heeft gehouden met die prijsevoluties en precies daarom haar offerteprijs meer bedraagt dan de raming (+19%). De verzoekende partij maakt op het eerste gezicht niet concreet aannemelijk dat uit de prijsevoluties op de markt moet worden afgeleid dat de XIV-39.873-25/27 offerteprijs van de tussenkomende partij schijnbaar abnormaal laag is en een bijzonder prijsonderzoek zich heeft opgedrongen. Tweede onderdeel
- Het genoteerde prijsverschil van ongeveer 16% tussen de offerteprijs van de verzoekende partij en die van de tussenkomende partij kan een indicatie zijn voor abnormale prijzen maar dat hoeft niet noodzakelijk zo te zijn. Te dezen zijn er slechts twee inschrijvers zodat niet eenvoudig de ene of andere prijs kan gelden als de objectieve maatstaf om de “normale” prijs te bepalen. Door haar prijs te vergelijken met de geïndexeerde prijzen van 2021, zonder rekening te houden met de vermindering van de hoeveelheden, wekt de verzoekende partij de indruk dat haar offerteprijs de maatstaf is om de normaliteit van de prijzen van de tussenkomende partij af te meten. Zij overtuigt daarin op het eerste gezicht niet om de redenen hoger aangehaald in de beoordeling van het eerste onderdeel. Voor zover de verzoekende partij kritiek heeft op de raadpleging door de verwerende partij van andere aanbesteders, is deze kritiek niet dienstig aangezien die raadpleging blijkens de bestreden beslissing enkel kadert in een onderzoek naar schijnbaar abnormaal hoge prijzen in de offerte van de verzoekende partij. In die mate heeft zij geen belang bij haar kritiek.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verwerende partij, door geen bijzonder prijsonderzoek te voeren wat de offerteprijs van de tussenkomende partij betreft, de aangevoerde bepalingen en beginselen zou hebben geschonden.
- Het derde middel is niet ernstig. XIV-39.873-26/27 VIII. Besluit
- Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv M. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Patricia De Somere XIV-39.873-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div