← België

Arrest 264483 - Kind & Gezin - 10/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.483 Rolnummer: A. 239414/XII-9669 Zaak: Arrest 264483 - Kind & Gezin - 10/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-13 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-06-18 19:45 Fiche Arrest nr 264.483 van 10 oktober 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.483 van 10 oktober 2025 in de zaak A. 239.414/XII-9669 In zake : J.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van: 1. de beslissing van 19 december 2022 van het agentschap Opgroeien Regie tot opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie met bijhorend sluitingsbevel, en 2. de beslissing van 24 mei 2023 van de administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien Regie waarbij het ingediende bezwaar tegen de beslissing tot opheffing van de vergunning ongegrond wordt verklaard, met bijhorend sluitingsbevel. XII-9669-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 258.013 van 24 november 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanna Biebauw, die verschijnt voor de verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9669-2/16 III. Feiten 3. In arrest nr. 256.770 van 13 juni 2023 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissingen wordt verworpen, worden de feiten als volgt, uiteengezet: “3.1. Het decreet van 20 april 2012 ‘houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters’ (hierna: het decreet van 20 april 2012) voorziet in het kader van de kinderopvang in een vergunningsstelsel met vergunningsplichten en vergunningsvoorwaarden en de handhaving ervan. Luidens artikel 2, 1°, van het decreet van 20 april 2012 is Opgroeien regie – dit is de verwerende partij – het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 ‘tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie’. Luidens artikel 2, 4°, van het decreet van 20 april 2012 is de ‘organisator’ de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert. Artikel 4 van datzelfde decreet voorziet in een vergunningsplicht. De vergunningsvoorwaarden zijn vermeld in artikel 6 van het decreet van 20 april 2012 waaronder voorwaarden met betrekking tot de veiligheid en gezondheid, de omgang met kinderen en gezinnen, de personen werkzaam in de opvanglocatie, het organisatorisch management, de samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur. De concrete verplichtingen ter zake zijn uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 22 november 2013 ‘houdende de vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters’. Uit artikel 19, 1°, van het decreet van 20 april 2012 volgt dat het agentschap de vergunning kan opheffen als de organisator de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft. De opheffing van de vergunning heeft de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg. Wanneer wordt vastgesteld dat een organisator de bepalingen van het decreet van 20 april 2012 of de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft, of het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert, wordt de organisator schriftelijk aangemaand door het agentschap. Die aanmaning vermeldt een termijn waarbinnen de organisator moet voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen of aan de vereisten betreffende het toezicht en kan specifieke voorwaarden bevatten om te voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen. Bij dringende noodzakelijkheid kan die aanmaning achterwege worden gelaten (artikel 18 van het decreet van 20 april 2012). Artikel 6, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 2015 ‘houdende de maatregelen in het kader van de handhaving van de voorwaarden voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 2015 ) bepaalt nog dat het agentschap kan beslissen om de vergunning op te heffen “1° als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden niet op korte termijn weggewerkt kan worden”. Het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 2015 beschrijft voorts de te volgen procedure met inbegrip van de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaar. Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing, tenzij de XII-9669-3/16 beslissing bij dringende noodzakelijkheid genomen werd, zoals vermeld in artikel 18, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012. 3.2. Sinds 1 april 2019 beschikt verzoekster, als organisator, over een vergunning voor een kinderopvanglocatie met 18 plaatsen, onder de benaming “Cérise”, gelegen te Roeselare. 3.3. Op 27 februari 2020 stelt de Zorginspectie naar aanleiding van een bezoek aan de voornoemde opvanglocatie tekorten vast betreffende de inlichtingenfiche en - de risicoanalyse. Tijdens het bezoek neemt de Zorginspectie ook een MeMoQ af. Op de dimensies welbevinden, betrokkenheid en educatieve ondersteuning wordt goed gescoord. Op de dimensies emotionele ondersteuning en omgeving wordt uitstekend gescoord. De gesprekspartners tijdens het inspectiebezoek zijn J.H. (medeverantwoordelijke), G.V. (kinderbegeleider) en J.M. (kinderbegeleider). 3.4. De Klachtendienst van het agentschap Opgroeien regie (hierna: de Klachtendienst) ontvangt op 11 maart 2021 een klacht. De klachtinhoud heeft betrekking op grensoverschrijdend gedrag door enkele kinderbegeleidsters, die tengevolge daarvan worden ontslagen. Op 19 maart 2021 bezorgt verzoekster met een geforwarde e-mail aan de Klachtendienst, onder de omschrijving ‘klachtenprocedure Cérise’, een overzicht van de dienaangaande ondernomen stappen. 3.5. Op 19 januari 2022 ontvangt de Klachtendienst een nieuwe klacht over grensoverschrijdend gedrag door een kinderbegeleidster. Naar aanleiding van deze klacht brengt de Zorginspectie op 31 januari 2022 een nieuw bezoek aan de opvanglocatie, waarbij tekorten met betrekking tot de planning en registratie van de kinderbegeleiders, de verantwoordelijke, de risicoanalyse, het welbevinden en betrokkenheid, de ventilatie in de binnenruimtes, de procedure grensoverschrijdend gedrag en de procedure klachtenbehandeling worden vastgesteld. Tijdens het inspectiebezoek neemt de Zorginspectie andermaal een MeMoQ af. Op de dimensies welbevinden, emotionele ondersteuning en omgeving wordt goed gescoord. Op de dimensies betrokkenheid en educatieve ondersteuning wordt nipt voldoende gescoord. Verzoekster bezorgt na het inspectiebezoek niet op eigen initiatief een plan van aanpak. Na het uitblijven van een dergelijk plan stuurt het agentschap Opgroeien regie (hierna: het agentschap) eerst een herinnering en op 31 maart 2022, omwille van de ernst van de tekorten, in het bijzonder de onduidelijkheden omtrent de verantwoordelijke/organisator, een aanmaning. In de aanmaning worden de verschillende tekorten opgesomd samen met het verzoek om deze tekorten binnen een voorgestelde termijn op duurzame wijze weg te werken. Er wordt een plan van aanpak opgevraagd tegen 7 april 2022 en verzoekster wordt uitgenodigd voor een gesprek op 11 april 2022. In de aanmaning is ook een tekort met betrekking tot de registratie van de medewerkers opgenomen. Het agentschap stelt vast dat de informatie op het formulier ‘jaarregistraties medewerkers’, bezorgd door verzoekster op 25 februari 2022 niet overeenstemt met de vaststellingen van de Zorginspectie tijdens het bezoek van 31 januari 2022. 3.6. Op 8 april 2022 ontvangt het agentschap enkel de adressen van de opgevangen kinderen. Omdat verzoekster niet telefonisch bereikbaar is, informeert het agentschap via e-mail naar haar plan van aanpak en naar haar aanwezigheid op het gesprek van 11 april 2022. 3.7. Op 11 april 2022 ontvangt het agentschap een reactie op de aanmaning. De auteur van de bijlage ‘Aanmaning reactie Kind en Gezin’ is mevrouw XII-9669-4/16 O.A.. In de e-mail, met onderaan de naam van verzoekster, wordt onder andere aangegeven dat de reactietermijn op de aanmaning niet redelijk is en wordt een nieuwe mogelijke datum voor het gesprek gevraagd, nu blijkbaar de oorspronkelijke datum over het hoofd was gezien. 3.8. Op 12 april 2022 maakt het agentschap een aantal mogelijke data voor het gesprek over. Hierbij spreekt het agentschap de verwachting uit dat verzoekster zelf aanwezig zal zijn, gezien zij als organisator de organisatorische eindverantwoordelijkheid draagt over de opvanglocatie. Uiteindelijk wordt het gesprek gepland op 27 april 2022. 3.9. Op 14 april 2022 ontvangt het agentschap een e-mail met onderaan de naam van verzoekster en in bijlagen de procedure grensoverschrijdend gedrag en de procedure klachtenbehandeling. De auteur van de ‘klachtenprocedure Cérise 2022’ is mevrouw M.V. terwijl het document voor het laatst wordt gewijzigd door mevrouw E.A.. De auteur van de ‘crisisprocedure- grensoverschrijdend gedrag Cérise 2022’ is ‘Cerise Roeselare’, terwijl het document voor het laatst wordt gewijzigd door mevrouw E.A.. 3.10. Tijdens het gesprek van 27 april 2022 krijgt verzoekster de kans om bijkomende toelichting te geven bij het plan van aanpak van 11 april 2022. Uit het gesprek blijkt dat verzoekster, bijgestaan door de heer J.H., die optreedt als haar juridisch adviseur en woordvoerder en geen rechtstreekse of onrechtstreekse band met de opvanglocatie Cérise, noch met de VOF Clémence & Juliette heeft, niet op de hoogte is van de werking van de opvanglocatie. Zij ziet haar taak in ‘de verzorging van de kindjes’ en het ‘contact met de ouders’ en houdt voor dat ze elke dag aanwezig is voor de verzorging van de kinderen. 3.11. Op 28 april 2022 bezorgt het agentschap een brief aan verzoekster met de vraag om bijkomende informatie en/of stukken te bezorgen over: “[…] ● De aangepaste jaarregistratie voor 2022, alsook voor de andere jaren waarin (verzoekster) geen verantwoordelijke was in de kinderopvanglocatie, met vermelding van de effectieve verantwoordelijke en de vereiste documenten; ● De contracten met de ouders die op dit ogenblik een contract hebben afgesloten voor de opvang van hun kindje in (de opvanglocatie); ● Het contract (tussen verzoekster, als organisator
  5. en)de VOF Clémence & Juliette m.b.t. de inzet van medewerkers in de (opvanglocatie Cérise); ● Toelichting bij de rol en taken die de VOF Clémence & Juliette opneemt in de (opvang)locatie Cerise; ● (…) het bewijs dat (C.V.) niet in dienst was in de opvanglocatie Cérise op 1 januari 2022 en dit via een kopie van de Dimona-aangifte of een ander wettelijk bewijsmiddel; (…) (Toelichting enerzijds) over de duurtijd van de sluiting en de wijze waarop (verzoekster) de dienstverlening ten aanzien van de ouders heeft overgedragen aan een voorziening van een andere organisator en dit binnen de toepasselijke regelgeving en met name zonder in overbezetting te gaan (en anderzijds over de omstandigheid
  6. of)de ouders een nieuwe overeenkomst (hebben) afgesloten met de nieuwe organisator? En op welke manier is de oude overeenkomst beëindigd/opgeschort? (…)” 3.12. Op 12 mei 2022 ontvangt het agentschap via e-mail een reactie van verzoekster op het voornoemde schrijven. Voor wat betreft de jaarregistratie geeft verzoekster aan verward te zijn omtrent de gehanteerde begrippen op het formulier ‘jaarregistratie’. XII-9669-5/16 Niettegenstaande dit omschreven staat in de bijlage bij het formulier ‘medewerkers groepsopvang’, bezorgt het agentschap bij brief van 15 juli 2022 de nodige duiding. In dezelfde brief verzoekt het agentschap andermaal om zo spoedig mogelijk de correcte gegevens voor de jaarregistratie te bezorgen zodat kan worden nagaan of de berekeningsbasis van de subsidie correct is doorgegeven. In afwachting van de correcte gegevens gaat het agentschap over tot de storting van maandelijkse voorschotten. Voor wat betreft de met de ouders afgesloten contracten, geeft verzoekster aan dat het niet duidelijk is of het agentschap met deze vraag én de schriftelijke overeenkomsten én de huishoudelijke reglementen per ouder wenst te krijgen. In afwachting bezorgt zij als bijlage het model van deze documenten. In deze niet-ondertekende modellen staat onder punt 1.1 verzoekster als organisator en onder punt 1.2. de samenwerking met de externe partner VOF Clémence & Juliette vermeld. De samenwerking staat beschreven als ‘Er is een samenwerking met externe partner VOF Clémence en Juliette die de opvang mee ondersteunt. Dit om te kunnen garanderen dat de opvang niet hoeft te sluiten bij uitval door ziekte, zwangerschap of andere externe factoren van de medewerkers’. Voor wat betreft het contract tussen verzoekster als organisator en de VOF Clémence & Juliette, betreffende de inzet van medewerkers in de kinderopvanglocatie Cérise, bezorgt verzoekster de ‘overeenkomst voor het aanleveren van diensten’ afgesloten tussen haarzelf en de VOF Clémence & Juliette. Deze overeenkomst is afgesloten op 1 april 2019, datum van de toekenning van de vergunning aan verzoekster als organisator van de kinderopvanglocatie Cérise. Voor een toelichting bij de rol en taken die de VOF Clémence & Juliette opneemt in de opvanglocatie, verwijst verzoekster naar de samenwerkingsovereenkomst en geeft aan dat deze in de loop van de jaren mondeling werd aangevuld. Deze samenwerkingsovereenkomst vormt de juridische basis voor de tewerkstelling van werknemers en/of zelfstandigen met een samenwerkingscontract met de VOF Clémence & Juliette op de werkvloer van de organisator. De overeenkomst sluit uit dat de ‘opdrachtgever’, zijnde verzoekster, als werkgever kan beschouwd worden van de personen die de diensten leveren. De werkgever is in voorkomend geval de VOF Clémence & Juliette. Op de vraag het bewijs te leveren, aan de hand van een kopie van de Dimona- aangifte of een ander wettelijk bewijsmiddel, dat C.V niet in dienst was in de opvanglocatie op 1 januari 2022 geeft verzoekster aan dat door het uitvallen van L.T., C.V ingeschakeld werd sinds begin januari 2022. Als bijlage wordt een e-mail van 28 november 2021 van mevrouw C.V. aan de opvanglocatie Caramelle (organisator VOF Clémence & Juliette) bijgevoegd, waarin betrokkene laat weten bereid te zijn om bij te springen. Een Dimona-aangifte of een ander wettelijk bewijsmiddel wordt niet toegevoegd bij het schrijven van 12 mei 2022. C.V. staat wel opgenomen op de ‘registratie medewerkers 2022’ van de organisator VOF Clémence & Juliette. Op de vraag om toelichting rond de duurtijd van de sluiting en de wijze waarop de opvang is geregeld antwoordt verzoekster ‘doordat ik ouders niet in de kou wil laten staan omwille van een discussie met Kind & Gezin deed ik navraag bij verschillende kinderdagverblijven in de buurt. In Cuberdon bleek er mits wat inspanning nog plaats’. Op de vraag of de ouders een nieuwe overeenkomst met de nieuwe organisator hebben afgesloten antwoordt zij: ‘… dit zal u bij de nieuwe organisator dienen op te vragen. Ik heb daar geen zicht op en in het kader van de GDPR lijkt het mij ook niet opportuun om dergelijke informatie via mij te laten passeren’. Op 8 mei 2022 stuurt de XII-9669-6/16 Baby-Belle groep een update in verband met de opvanglocatie Cérise naar de ouders via e-mail met onderaan de vermelding ‘Baby-Belle groep’. De auteur van de ‘brief Cerise update 2’ is Q.A.. 3.13. Op 3 juni 2022 bezorgt het agentschap de ontvangstbevestiging op verzoeksters reactie van 12 mei 2022 samen met de duiding bij de lopende procedure. Het agentschap laat weten alle informatie te bundelen en te evalueren om daarna een standpunt in te nemen over de vergunning van de opvanglocatie. Het verslag van het gesprek op 27 april 2022 wordt toegevoegd als bijlage. Na ontvangst van dit verslag op 3 juni 2022 krijgt verzoekster een reactietermijn van 2 weken, waarna het verslag definitief wordt. Verzoekster bezorgt geen reactie op dit verslag. 3.14. Op 30 juni 2022 ontvangt het agentschap een geforwarde e-mail met de mededeling ‘Beste, Ik zou graag het subsidieoverzicht ontvangen van 2021.’ 3.15. Op 1 juli 2022 stelt de dienst Klantenbeheer de vraag of verzoekster het subsidieoverzicht 2021 of enkel een overzicht van wat geboekt en betaald is in 2021 wenst. Deze vraag stuurt verzoekster op 4 juli 2022 naar de ‘Baby- Belle groep’. Op 5 juli 2022 ontvangt de dienst Klantenbeheer het antwoord dat men beide wenst. Op 12 juli 2022 bezorgt de dienst Klantenbeheer een gecorrigeerde fiscale fiche samen met het overzicht van de betalingen in 2021, welke verzoekster doorstuurt naar de ‘Baby-Belle groep’. Op 18 juli 2022 bezorgt de dienst Klantenbeheer het subsidieoverzicht 2021 zoals reeds bezorgd in april 2021, er andermaal op wijzend dat het saldo van 2021 nog niet uitbetaald kan worden omwille van het ontbreken van de correcte jaarregistratie van de medewerkers. 3.16. Bij brief van 11 oktober 2022 geeft het agentschap kennis van het voornemen tot opheffing van de vergunning van de opvanglocatie Cérise, met als belangrijke motieven: de vaststelling dat de organisator niet de taken uitvoert die regelgevend worden verwacht van een organisator en enkel op papier optreedt als organisator en dat uit alle dossierinformatie blijkt dat de facto de VOF Clémence & Juliette de dienstverlening in de opvanglocatie organiseert, het personeel aanstuurt en aanwerft. Verzoekster krijgt de kans om persoonlijk haar standpunt toe te lichten bij het voornemen van het agentschap. 3.17. Bij brief van 4 november 2022 laat verzoekster via haar advocaat weten gebruik te willen maken van het schriftelijk hoorrecht. Op 18 november 2022 ontvangt het agentschap de schriftelijke repliek op het voornemen tot opheffing. Hierbij worden een aantal stavingsstukken toegevoegd, die voornamelijk betrekking hebben op de VOF Clémence & Juliette. 3.18. Het agentschap beslist vervolgens met een gemotiveerde beslissing van 19 december 2022 tot opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie Cérise te Roeselare, met ingang van 1 februari 2023, wat krachtens artikel 19 van het decreet van 20 april 2012 de sluiting (met ingang van diezelfde datum) van de kinderopvanglocatie tot gevolg heeft. Ook in die beslissing wordt meegedeeld dat de organisator van de opvang de ouders na ontvangst van de beslissing daarvan op de hoogte moet brengen. Tot slot wordt melding gemaakt van de mogelijkheid een gemotiveerd schriftelijk bezwaar tegen de beslissing in te dienen uiterlijk 30 kal[e]nderdagen na de kennisgeving ervan. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.19. Verzoekster dient een gemotiveerd bezwaar in tegen voormelde beslissing bij de Adviescommissie voorzieningen WVG, kamer Welzijnsvoorzieningen (hierna: de Adviescommissie). 3.20. Na de hoorzitting op 14 maart 2023, waarop verzoekster en het agentschap mondeling en schriftelijk hun respectievelijke standpunten XII-9669-7/16 verdedigen en na bespreking verleent de Adviescommissie op 13 april 2023 het hiernavolgende advies: “Opgroeien regie besloot over te gaan tot de opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie Cerise op basis van het gebrek aan verantwoordelijkheid als rol van organisator en de volledige uitbesteding van de organisatorische verplichtingen van de kinderopvanglocatie. De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situatie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing en de opvolging daarvan. Daarbij kan zij rekening houden met de feitelijke evolutie in het dossier tot de dag van de zitting, voor zover die voldoende betrouwbaar zijn aangetoond. Zij gaat na of die beslissing in overeenstemming is met de wettelijke regeling, met de algemene rechtsbeginselen en met de beginselen van behoorlijk bestuur, of zij procedureel correct tot stand gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is. De commissie meent dat er voldoende indicaties voorhanden zijn om de beslissing van het agentschap te onderbouwen. De persoon aan wie een vergunning wordt uitgereikt moet het aanspreekpunt vormen van de opvanglocatie. De verantwoordelijke op papier dient dat ook in de praktijk te zijn om te kunnen voldoen aan kwaliteitsvolle kinderopvang”. 3.21. Op 24 mei 2023 beslist de administrateur-generaal van het agentschap dat het door verzoekster ingediende bezwaar wordt afgewezen en dat de eerder genomen beslissing van 19 december 2022 wordt bevestigd en ingaat op 1 juli 2023. De beslissing is mede genomen op basis van het sub 3.20 vermelde negatieve advies van de Adviescommissie dat bij deze beslissing wordt gevoegd, waarvan de motivering wordt overgenomen en er, voorts, integraal deel van uitmaakt. Dit is de tweede bestreden beslissing.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoekster Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij stelt onder het kopje “Omtrent het belang” in de memorie van antwoord: “De kinderopvanglocatie van verzoekster is gesloten sedert 1 juli 2023. Zij verschaft Uw Raad geen informatie omtrent haar huidige beroepsactiviteiten of toekomstplannen. Het past dan ook dat zij uiteenzet welk actueel belang [zij] vandaag nastreeft met deze procedure.” In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden: XII-9669-8/16 “1. HET VEREISTE BELANG 1. Ten onrechte stelt verzoekster in haar laatste memorie dat de verwerende partij het belang van verzoekster niet betwist. In haar memorie van antwoord liet Opgroeien regie gelden: ‘De kinderopvanglocatie van verzoekster is gesloten sedert 1 juli 2023. Zij verschaft Uw Raad geen informatie omtrent haar huidige beroepsactiviteiten of toekomstplannen. Het past dan ook dat zij uiteenzet welk actueel belang [zij] vandaag nastreeft met deze procedure.’ 2. Ook in haar laatste memorie verstrekt [verzoekster] geen enkele toelichting omtrent het actuele belang om vandaag nog de nietigverklaring na te streven van de bestreden beslissing van 24 mei 2023. Zij geeft geen verduidelijking omtrent haar beroepsactiviteiten en heeft intussen geen stappen ondernomen [om] opnieuw een opvangvoorziening te organiseren. 3. Aldus maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de gevorderde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert en getuigt zij niet langer van het vereiste actueel belang om de procedure verder te zetten. 4. In haar verslag is mevrouw de Eerste Auditeur van mening dat de gevorderde nietigverklaring een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen in de zin dat de mogelijkheid bestaat dat zij haar vergunning voor de betreffende kinderopvanglocatie behoudt en zij opnieuw kinderopvang kan organiseren en niets belet dat zij na een nietigverklaring de gesloten kinderopvangactiviteit verderzet/wederopneemt. Bij raadpleging van KBO Public Search blijkt dat [verzoekster] haar activiteiten heeft stopgezet sinds 31 maart 2024. Zij verstrekt geen informatie die aannemelijk maakt dat zij nog de organisatie van een kinderdagverblijf ambieert. 5. Opgroeien regie is dan ook van mening dat het vereiste actueel belang niet voorhanden is en de vordering reeds om die reden dient te worden verworpen.” 5. Verzoekster omschrijft haar belang in het verzoekschrift als volgt: “9. Belang. Verzoekende partij is de titularis van de vergunning voor de kinderopvanglocatie Cérise met nr. 910026258. Zij heeft als titularis van de opgeheven vergunning en als organisator van de kinderopvanglocatie Cérise evident belang bij onderhavige vordering. De bestreden beslissingen hebben tot gevolg dat verzoekende partij haar kinderopvanglocatie niet langer zal kunnen uitbaten, waardoor zij haar job verliest en ook elke vorm van inkomen vanaf 1 juli 2023. Verzoekende partij lijdt ook reputatieschade. Ondanks haar jarenlange ervaring in de kinderopvangsector en het feit dat niet eerder klachten werden geformuleerd omtrent de werking van de kinderopvanglocatie worden alle capaciteiten van verzoekende partij op dit gebied nu in twijfel getrokken, wat ook haar toekomstige tewerkstellingsmogelijkheden ernstig in het gedrang brengt. Verzoekende partij zal immers zelf geen kinderopvanglocatie meer XII-9669-9/16 kunnen opstarten en zal ook onmogelijk aan de slag kunnen bij andere kinderopvanglocaties […]. Verzoekende partij beschikt onmiskenbaar over het vereiste belang.” In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster: “3. Belang en hoedanigheid. Het belang van verzoekende partij bij onderhavige procedure werd uiteengezet in het inleidend verzoekschrift. Verzoekende partij merkt ook op dat verwerende partij haar belang niet betwist.” In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat haar belang bij onderhavige procedure werd uiteengezet in het inleidend verzoekschrift. Verder merkt zij op dat de verwerende partij haar belang niet heeft betwist en dat ook in het auditoraatsverslag haar belang wordt erkend. Volgens verzoekster beschikt zij dan ook over het vereiste belang. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van XII-9669-10/16 de vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. XII-9669-11/16 Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 7. Verzoekster betwist de bestreden beslissingen tot opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie met bijhorend sluitingsbevel. In het verzoekschrift benadrukt verzoekster dat zij onmiskenbaar beschikt over het vereiste belang. Dienaangaande laat zij in essentie gelden dat
  7. i)zij de titularis is van de vergunning voor de kinderopvanglocatie Cérise met nr. 910026258 en als titularis van de opgeheven vergunning en als organisator van de kinderopvanglocatie Cérise evident belang heeft bij onderhavige vordering;
  8. ii)de bestreden beslissingen tot gevolg hebben dat zij haar kinderopvanglocatie niet langer zal kunnen uitbaten, waardoor zij haar job verliest en ook elke vorm van inkomen vanaf 1 juli 2023; iii) zij reputatieschade lijdt en haar capaciteiten nu in twijfel worden getrokken, wat ook haar toekomstige tewerkstellingsmogelijkheden ernstig in het gedrang brengt en
  9. iv)zij zelf geen kinderopvanglocatie meer zal kunnen opstarten, noch aan de slag zal kunnen gaan bij andere kinderopvanglocaties. Te dezen omschrijft verzoekster in het verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. XII-9669-12/16 Verzoekster heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft haar door de bestreden beslissingen vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid. 8. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. Anders dan verzoekster het ziet, wordt haar actueel belang door de verwerende partij in vraag gesteld, enerzijds, in de memorie van antwoord waarin wordt aangegeven dat de kinderopvanglocatie sedert 1 juli 2023 is gesloten en de vraag aan verzoekster wordt gesteld haar actueel belang dat zij nastreeft met de voorliggende procedure uiteen te zetten, en anderzijds, in haar laatste memorie waar in essentie wordt aangegeven dat bij raadpleging van de Kruispuntbank van Ondernemingen (hierna: KBO) Public Search blijkt dat verzoekster haar activiteiten heeft stopgezet sinds 31 maart 2024 en zij geen informatie bijbrengt over haar beroepsactiviteiten, noch of zij stappen heeft ondernomen om opnieuw een opvangvoorziening te organiseren, noch of zij überhaupt nog de organisatie van een kinderopvanglocatie ambieert. 9. De Raad van State stelt vast, na consultatie van de KBO Public Search, dat verzoekster met ondernemingsnummer 0832.249.013, sinds 31 maart 2024 de “activiteit entiteit natuurlijk persoon” heeft stopgezet, zoals terecht wordt aangegeven door de verwerende partij. 10. Verzoekster verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk, ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid, elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient verzoekster minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Ter zake heeft verzoekster een stelplicht. Des te meer wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld, dient die partij daarover een standpunt in te nemen en de nodige verduidelijkingen bij te brengen. XII-9669-13/16 11. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie beperkt verzoekster zich enerzijds met te verwijzen naar de uiteenzetting omtrent haar belang in het verzoekschrift, zonder enige bijkomende verduidelijking en anderzijds te poneren dat haar belang niet wordt betwist door de verwerende partij. Niet blijkt dat in de voornoemde memories door haar enige duiding wordt gegeven over de stopzetting van haar activiteiten sinds 31 maart 2024 en de mogelijke implicaties daarvan op haar belang bij de voorliggende procedure, niettegenstaande deze memories dateren van na de stopzetting op 31 maart 2024. Ter terechtzitting, dit is te dezen de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoekster, voor wat betreft de door de verwerende partij in haar laatste memorie opgeworpen gebrek aan actueel belang in haar hoofde, daarvoor aanbood, heeft zij evenmin iets ingebracht tegen de door de verwerende partij aangevoerde argumentatie. In zoverre verzoekster in het verzoekschrift nog aangeeft door de bestreden beslissingen reputatieschade te lijden en met andere woorden ter verantwoording van het rechtens vereiste belang een moreel nadeel aanvoert, waarbij zij in essentie laat gelden dat
  10. i)al haar capaciteiten op het gebied van kinderopvang nu in twijfel worden getrokken, wat haar toekomstige tewerkstellingsmogelijkheden ernstig in het gedrang brengt;
  11. ii)zij zelf geen kinderopvanglocatie meer zal kunnen opstarten en iii) onmogelijk nog aan de slag zal kunnen bij andere kinderopvanglocaties, wordt haar betoog niet bijgevallen. Niettegenstaande een morele genoegdoening door een verzoekende partij kan worden geput uit een gebeurlijke nietigverklaring, dient, los van de niet door verzoekster betwiste vaststelling dat zij haar activiteiten heeft stopgezet sinds 31 maart 2024, te dezen te worden benadrukt dat niet blijkt dat op grond van enige regelgeving verzoekster definitief de mogelijkheid zou worden ontnomen om opvangactiviteiten aan te bieden of te worden tewerkgesteld bij een andere kinderopvanglocatie, louter omwille van de bestreden beslissingen, noch dat zij indien zij aantoont aan de werkingsvoorwaarden te voldoen, zou worden weerhouden om opvang te organiseren. XII-9669-14/16 12. In die omstandigheden is wat verzoekster met de gevraagde nietigverklaring dan nog nastreeft niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door verzoekster aangevoerde middelen. 13. Verzoekster heeft geen actueel belang meer bij het voorliggende beroep tot vernietiging. 14. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9669-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9669-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.483 Gerelateerde publicatie(
  12. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.