id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.486 Rolnummer: A. 245989/XII-9927 Zaak: Arrest 264486 - Tucht (openbaar ambt) - 13/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-14 04:20 Fiche Arrest nr 264.486 van 13 oktober 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 264.486 van 13 oktober 2025 in de zaak A. 245.989/XII-9927 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Damen kantoor houdend te 2600 Berchem Elisabethlaan 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5347 RUPEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Wilrijk Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 26 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van 13 september 2025 tot verlenging van de voor- lopige schorsing van verzoekster bij ordemaatregel. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 30 september 2025 werd de procedureka- lender vastgesteld. XII-9927-1/11 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Zoë Caron, die loco advocaat Walter Damen verschijnt voor verzoekster, en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is inspecteur van politie van de lokalepolitiezone. 3.
- Op 17 januari 2024 meldt de procureur des Konings aan de korpschef dat verzoekster in verdenking werd gesteld in het kader van een gerech- telijk onderzoek. 3.
- Op 17 januari 2024 beslist de korpschef om verzoekster bij hoog- dringendheid voorlopig te schorsen met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde met ingang van de ontvangst van die beslissing. XII-9927-2/11 Nadat verzoekster op 19 januari 2024 wordt gehoord, bekrachtigt het politiecollege op 22 januari 2024 de voorlopige schorsing bij ordemaatregel. Deze beslissing wordt door verzoekster niet bestreden voor de Raad van State. 3.
- Op 8 mei 2024, 11 september 2024, 10 januari 2025 en 12 mei 2025 beslist het politiecollege om de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor, respectievelijk, een eerste, tweede, derde en vierde keer en dit tel- kens voor een termijn van vier maanden met inhouding van 25% van de bruto maandwedde. Geen van deze beslissingen wordt door verzoekster bestreden voor de Raad van State. 3.
- Op 13 september 2025 beslist het politiecollege om de voorlo- pige schorsing bij ordemaatregel een vijfde keer te verlengen voor een termijn van vier maanden met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigver- klaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het on- derzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende XII-9927-3/11 noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- In het verzoekschrift zet verzoekster uiteen dat er te dezen mani- fest sprake is van spoedeisendheid. Vooreest wijst verzoekster erop dat zij met de nodige diligentie haar vordering heeft ingediend. Voorts wijst verzoekster op de grote financiële impact, het feit dat zij al meer dan één jaar voorlopig geschorst is en het gegeven dat zij een zware tuchtsanctie riskeert, om daaruit te besluiten dat een gewone schorsings- en vernietigingsprocedure niet het gewenste effect zou hebben en te laat zou komen. Verzoekster licht toe dat zij ten onrechte al meer dan een jaar 25% van haar bruto maandwedde misloopt. Daarnaast is er volgens ver- zoekster sprake van reputatieschade: ondanks het feit dat zij op strafrechtelijk vlak werd vrijgesproken, werd dit niet gecommuniceerd binnen de politiezone en wordt de negatieve beeldvorming rond haar persoon versterkt, omdat zij niet opnieuw aan de slag mag gaan. Voorts zet verzoekster uiteen dat er sprake is van spoedeisend- heid wanneer een verzoeker het resultaat van een procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe zich in een toestand toestand te bevinden met onher- roepelijke schadelijke gevolgen. Volgens verzoekster is dat te dezen het geval daar de bestreden beslissing een duurtijd heeft van vier maanden en al is ingegaan op 13 september
- De schade is volgens verzoekster ook onomkeerbaar, daar zij haar beroep niet kan uitoefenen en 25% van haar inkomen verliest. Tot slot verwijst verzoekster naar het begrip spoedeisendheid in de zin van artikel 584 van het Ge- rechtelijk Wetboek zoals geïnterpreteerd door de gewone hoven en rechtbanken om te besluiten dat te dezen aan de vereiste van de spoedeisendheid is voldaan. XII-9927-4/11 Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst drin- gende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van pre- cieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoer- legging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schor- sings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te ver- krijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Op- dat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, XII-9927-5/11 moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende nood- zakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzake- lijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden onder- steund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het re- sultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onher- roepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende par- tij te dezen nalaat te doen.
- Hoewel de Raad van State te dezen geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld eenmaal zij van de bestreden beslissing kennis kreeg, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke, maar geen vol- doende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijk- heid zou zijn voldaan.
- In de mate dat verzoekster de financiële impact van de bestreden beslissing aanvoert, in het bijzonder het gegeven dat zij al meer dan een jaar 25% XII-9927-6/11 van haar bruto maandwedde misloopt, voert zij in wezen een louter financieel na- deel aan. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor verzoekster gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat zij, wil zij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en sta- vingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslis- sing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou wor- den uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoekster veilig te stellen. Een financieel nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid – laat staan de uiterst dringende nood- zakelijkheid – tenzij verzoekster concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten. Te dezen levert verzoekster dat bewijs niet. Zij verwijst louter naar het gedeeltelijk verlies aan beroepsinkomen, maar zet op geen enkele wijze in concreto uiteen waaruit de “zeer nadelige gevolgen” bestaan, noch waarom die van een dergelijke ernst getuigen dat zij de normale afloop van een schorsingsproce- dure niet kan afwachten. Een financieel verlies kan, behalve indien het tegendeel wordt aangetoond of op zijn minst overtuigend aannemelijk wordt gemaakt, bo- vendien in beginsel worden hersteld na een eventueel annulatiearrest. In de mate dat verzoekster erop wijst dat zij de gedeeltelijke in- houding van wedde al meer dan een jaar ondergaat, merkt de Raad van State op dat de bestreden beslissing slechts uitwerking heeft gedurende vier maanden en dat de gevolgen verbonden aan andere beslissingen tot (verlenging van de) voorlopige schorsing die aan de bestreden beslissing voorafgaan – en die door verzoekster niet werden aangevochten – te dezen de uiterst dringende noodzakelijkheid niet kunnen verantwoorden. XII-9927-7/11
- In de mate dat verzoekster aanvoert dat zij reputatieschade lijdt, omdat zij nog steeds voorlopig geschorst blijft ondanks de strafrechtelijke vrij- spraak die niet werd gecommuniceerd binnen de politiezone, merkt de Raad van State het volgende op. De thans bestreden beslissing betreft een verlenging van de or- demaatregel van de voorlopige schorsing met inhouding van wedde voor de duur van vier maanden. Ze is, na de beslissing van 19 januari 2024, de zesde op zichzelf staande beslissing waarbij de aanvankelijk met een beslissing van 19 januari 2024 opgelegde voorlopige schorsing met inhouding van wedde voor een duur van vier maanden, wordt verlengd voor eenzelfde duur. De bestreden beslissing betreft aldus een (vijfde) verlenging van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel waarbij – uit zijn aard – een dergelijke beslissing de schuld van verzoekster buiten beschouwing laat. De eigen beoorde- ling van de draagwijdte van de bestreden beslissing, noch de enkele, in algemene termen gestelde verwijzing naar de perceptie door derden van de betekenis en de draagwijdte van de bestreden verlenging en de vermeende weerslag hiervan op de reputatie van verzoekster, tonen op zich niet aan dat verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Dat de ordemaatregel van de voorlopige schorsing – niettegen- staande een dergelijke ordemaatregel het vermoeden van onschuld intact laat – aan de betrokkene reputatieschade zou berokkenen, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en ze in afwachting van een uitspraak ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing zoals een ordemaatregel gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de ordemaatregel immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en het vereiste rechtsherstel zal moeten volgen. De ge- noegdoening van een vernietigingsarrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden XII-9927-8/11 aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoeg- doening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoekster brengt evenwel geen bijzondere omstandigheden aan die aannemelijk maken dat dit te dezen het geval is. In de mate dat verzoekster de aangevoerde reputatieschade kop- pelt aan het gegeven dat zij voorlopig geschorst blijft, hoewel zij op strafrechtelijk vlak werd vrijgesproken, stelt de Raad van State vast dat artikel 59, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) als één van de twee cumulatieve voorwaarden om tot een voorlopige schorsing te kunnen beslissen vereist dat tegen het perso- neelslid, hetzij een tuchtprocedure loopt, hetzij een opsporingsonderzoek loopt, hetzij een strafvervolging werd ingesteld. Niets belet aldus dat, hoewel de eerste beslissing tot voorlopige schorsing van 17 januari 2024 was gebaseerd op de jegens verzoekster lopende strafvervolging, de thans bestreden beslissing steunt op de tuchtprocedure in het kader waarvan op 30 juli 2024 ten aanzien van verzoekster een voorstel van zware tuchtstraf werd geformuleerd. De thans bestreden beslis- sing, ook al betreft het een verlenging van de vorige schorsingsperiode, is immers het resultaat van een op zich staande beoordeling van het vervuld zijn van de voor- waarden die dienaangaande in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet worden gefor- muleerd. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat door de verlenging van de voor- lopige schorsing op een andere grondslag te steunen dan in de eerste beslissing tot voorlopige schorsing, de aangevoerde reputatieschade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen ver- schaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
- Voorts meent verzoekster dat zij de procedure tot nietigverkla- ring niet kan afwachten, omdat de bestreden beslissing slechts een duurtijd heeft van vier maanden die reeds is ingegaan op 13 september 2025, zodat de schade zoals het niet kunnen uitoefenen van haar beroep, dan onomkeerbaar zal zijn. XII-9927-9/11 Ook dit argument overtuigt niet. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan de uiterst dringende noodzakelijkheid niet voortkomen uit de enkele omstan- digheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden beslis- sing haar volledige uitwerking heeft gehad (zie supra, nr. 6). Verzoekster brengt geen feitelijke gegevens aan, eigen aan de voorliggende zaak, die te dezen ertoe nopen om anders te oordelen.
- Verzoekster verwijst tot slot naar het begrip ‘spoedeisendheid’ in de zin van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, doch blijft in gebreke in con- creto uiteen te zetten waarom dat begrip, zoals geïnterpreteerd door de gewone hoven en rechtbanken, te dezen zou doen besluiten dat voldaan is aan de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770,00 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9927-10/11
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9927-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.