← België

Arrest 264503 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 14/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.503 Rolnummer: A. 229762/XII-9599 Zaak: Arrest 264503 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 14/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-14 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-06-18 18:33 Fiche Arrest nr 264.503 van 14 oktober 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.503 van 14 oktober 2025 in de zaak A. 229.762/XII-9599 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2000 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing tot stopzetting van de stage van verzoeker in de opleiding Plastische Heelkunde genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid van 2 december 2019 en het advies van de Adviescommissie van 12 november 2019 dat als bijlage is gevoegd bij de beslissing tot stopzetting van de stage van 2 december 2019 en waarbij de administrateur-generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid zich aansluit. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.528 van 23 december 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. XII-9599-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanna Biebauw, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 13 juli 2017 dient verzoeker, in het kader van zijn opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde, een stageplan in. 3.2. Het stageplan wordt op 22 september 2017 goedgekeurd. XII-9599-2/14 3.3. Op 26 juni 2018 wordt de wijziging van het stageplan van verzoeker goedgekeurd. 3.4. Op 20 februari 2019 delen de coördinerend stagemeester heelkunde UZ KULeuven en het diensthoofd en coördinerend stagemeester plastische heelkunde UZ KULeuven aan de erkenningscommissie plastische heelkunde mee dat zij niet langer wensen in te staan voor opleiding van verzoeker en ontzegden zij hem patiëntencontact. 3.5. Verzoeker zet zijn standpunt uiteen in een schrijven van 15 maart 2019. 3.6. Met een brief van 1 april 2019 wordt verzoeker uitgenodigd voor de hoorzitting van 18 juni 2019. 3.7. Verzoeker legt een nota neer op de zitting van de erkenningscommissie op 18 juni 2019. 3.8. Op 8 juli 2019 wordt aan verzoeker kennisgegeven van het voornemen tot stopzetting van de opleiding op basis van het advies van de erkenningscommissie plastische heelkunde. Het advies zet uitgebreid uiteen waarom verzoeker niet geschikt is voor de door hem gekozen opleiding. 3.9. Verzoeker dient op 6 augustus 2019 een bezwaarschrift in tegen het voornemen tot stopzetting van zijn opleiding. 3.10. Op 26 augustus 2019 deelt de voorzitter van de adviescommissie mee dat de termijn om het bezwaar te behandelen met dertig dagen wordt verlengd. 3.11. De vergadering van de beroepskamer van arts-specialisten en huisartsen vindt plaats op 4 oktober 2019. XII-9599-3/14 3.12. Op 12 november 2019 wordt het advies van de beroepskamer meegedeeld aan verzoeker. Het luidt: “Tijdens de beraadslaging overlopen de leden van de adviescommissie de beroepsnota en bespreken ze de hoorzitting. De leden stellen vast dat er zich een zeer fundamenteel probleem voordoet, wat zowel uit de hoorzitting als uit de verslagen blijkt. [Verzoeker] is hoogbegaafd en heeft ADHD, en dat resulteert in attitudeproblemen die de opleiding tot plastisch chirurg zwaar hypothekeren. Bepaalde feiten, o.a. het voeren van reclame voor behandelingen met botox tegen een bepaalde prijs, worden ontkend, niettegenstaande er duidelijke bewijzen in het dossier te vinden zijn. Het feit dat deze handelingen in strijd zijn met de wettelijke opleidingsvoorwaarden en blijvend ontkend worden pleiten geenszins voor een verzachting van het standpunt van de erkenningscommissie. [Verzoeker] heeft een tweede kans gehad, doch heeft opnieuw blijk gegeven van gedrag en attitudes, die niet stroken met deze die van een modale arts assistent in opleiding zouden kunnen verwacht worden. Op basis van het dossier en op basis van de hoorzitting is geen enkel argument naar voor gekomen dat het advies van de erkenningscommissie fundamenteel zou kunnen weerleggen. De leden van de adviescommissie achten [verzoeker] niet geschikt voor de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde en gaan om die reden dan ook akkoord met de argumenten van de erkenningscommissie. […]Advies Op basis van de overwegingen, geformuleerd tijdens de beraadslaging ziet de adviescommissie zich genoodzaakt de stopzetting van de opleiding tot arts- specialist in de plastische heelkunde van [verzoeker] te adviseren. OM AL DEZE REDENEN Treedt de adviescommissie de motivering en het advies van de erkenningscommissie bij en adviseert zij de stopzetting van de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde van [verzoeker] stop te zetten”. 3.13. Op 26 november 2019 richt verzoeker een brief aan de minister met de vraag om het advies niet te volgen. 3.14. Op 2 december 2019 wordt de beslissing tot stopzetting van de opleiding in de plastische heelkunde ter kennis gebracht. Deze beslissing luidt als volgt: “Stopzetting van de stage in plastische heelkunde Geachte [verzoeker], Uw stage in de plastische heelkunde wordt stopgezet. Ik volg hiermee het advies van 12 november 2019 van de ‘Kamer van artsen- specialisten en huisartsen’ van de ‘Adviescommissie voor voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat)pleegzorgers’. XII-9599-4/14 U vindt het advies als bijlage bij deze beslissing”. Dit is de bestreden beslissing. 3.15. Met een brief van 5 december 2019 antwoordt de minister dat hij in deze geen beslissingsbevoegdheid heeft. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoeker Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoeker op. Dienaangaande laat zij gelden: “0. VOORAFGAAND : onontvankeliikheid van het annulatieberoep wegens gebrek aan belang 0.1. Op 10 september 2024 diende verzoekende partij een nieuw stageplan in, ondertekend door stagemeester-coördinator prof. dr. M. H., verbonden aan het UZ Brussel. […] Verzoekende partij zet de discipline op heden verder aan de Vrije Universiteit Brussel in plaats van de Katholieke Universiteit Leuven. […] Op 19 september 2024 werd verzoekende partij ook ingeschreven bij de Orde der Artsen. […] 0.2. ‘Wie een vernietigingsberoep instelt bij de Raad van State, moet getuigen van een volgehouden of actueel belang. Het belang dient namelijk te bestaan op het ogenblik van het inleiden van het beroep en het moet blijven bestaan tot op het moment van de uitspraak. Voldoet de vordering van de verzoeker tijdens die periode niet langer aan die voorwaarde, dan beschouwt de Raad het beroep als onontvankelijk.’ 0.3. Verzoekende partij verzocht om de vernietiging van de bestreden beslissing en blijft ook in zijn verzoek tot voortzetting argumenteren dat zijn volledige loopbaan in rook opgaat, nu zijn stage door de bestreden beslissing werd beëindigd. Verkeerdelijk stelt verzoekende partij zelfs dat abrupt een einde kwam aan zijn ‘beroepsdroom’ en deze beslissing hem ‘verhindert om ooit de betrokken beroepstitel te verwerven’. Meer nog, verzoekende partij stelt zelfs dat dit besluit een besluit is ‘dat iemands loopbaan definitief lamlegt’... Opmerkelijk is het dan dat verwerende partij moet vaststellen dat verzoeker op heden deze loopbaan verder zet... Van definitief lamleggen is dus allerminst sprake; meer nog verzoekende partij heeft zelfs een vraag tot XII-9599-5/14 verkorting van de stage van één jaar aangevraagd, gelet op zijn eerste jaar assistentschap in Bonheiden onder supervisie van dokter T. en ervaring die hij de afgelopen jaren had opgedaan o.m. via een PhD-traject in Nederland. […] Na vraag tot verlening van bijkomende stukken […] beoordeelde de erkenningscommissie de aanvraag en adviseerde positief over de aanvraag tot verkorting. Dit advies werd verleend d.d. 1 oktober 2024 en had volgende bemerking: ‘Er worden 6 maanden verkorting van de truncus communis toegestaan op basis van het Phd traject. Het examen van de truncus communis blijft vereist. U kan bijgevolg een stageplan indienen waarbij de duur van uw opleiding ingekort wordt met 6 maand(en). Bij ontvangst zal uw wijziging van stageplan ter advies aan de erkenningscommissie voorgelegd worden.[’] Het advies werd door de secretaris-generaal van het Departement Zorg d.d. 4 november 2024 bevestigd. […] Verzoekende partij diende vervolgens een nieuw stageplan in, ontvangen d.d. 23 september 2024. […] Dit stageplan werd door de erkenningscommissie d.d. 25 maart 2025 positief geadviseerd, waarna d.d. 2 april door de secretaris-generaal de goedkeuring volgde van het stageplan. […] Hieruit blijkt dat verzoekende partij van 1 oktober 2024 — 30 september 2025 werkzaam is in de Clinique Saint Pierre, campus St. Pierre Ottign[i]es, onder supervisie van stagemeester dr. M. B. 0.4. Verzoekende partij zet op heden zijn zogenaamde definitief lamgelegde loopbaan dus voort, zelfs met een verkorting die verleend werd van 6 maanden. De discretionaire bevoegdheid van verwerende partij stond verzoekende partij dus geenszins in de weg om zijn loopbaan verder te zetten; meer nog een gedeeltelijke verkorting werd zelfs toegestaan. 0.5. In die zin meent verwerende partij dat verzoekende partij allerminst nog enig belang heeft bij huidige procedure. Verzoekende partij verwezenlijkt verder zijn beroepsdroom. Verwerende partij heeft nooit ontkend dat verzoekende partij zijn carrière kon verderzetten. Maar zijn gedrag en attitude lieten te wensen over om de stage in het verleden te kunnen voorzetten. Ook verzoekende partij geeft deze shift in motivatie eigenlijk zelf aan en schrijft over zijn stagejaren: ‘Mijn gedrag was fout en een reflectie van mijn toenmalige jeugdigheid en gebrek aan tact en verantwoordelijkheidsgevoel (…)’ en verder benadrukt verzoekende partij ook zijn ‘attitudeprobleem’ tijdens de anderhalf jaar truncus communis. 0.6. Verzoekende partij slaat dus als het ware mea culpa, om vervolgens in het verzoek tot voortzetting elk schuldinzicht te laten varen. Dit is uiterst tegenstrijdig en getuigt allerminst van loyale procesvoering. Verzoekende partij lijkt van twee walletjes te willen eten; om zijn voortzetting van de stage te bemachtigen, doet hij getuigen van schuldinzicht en wil hij zijn beste beentje voorzetten, maar tegelijk ontkent hij de ernst van zijn gedrag in het verzoek tot voortzetting... 0.7. In ieder geval meent verwerende partij dat gelet op de goedkeuring van zijn stageplan d.d. 2 april 2025, verzoekende partij zijn opleiding kan verderzetten. Zijn belang bij de vernietiging van de beslissing tot beëindiging van de stage is hierdoor natuurlijk verloren gegaan, minstens kan verzoekende partij geen voordeel meer behalen uit de vernietiging die meer zou kunnen betekenen dan het mogen verderzetten van zijn opleiding, zijn droomloopbaan tot plastisch chirurg. 0.8. Het annulatieberoep moet om die reden dan ook worden afgewezen als onontvankelijk. Louter volledigheidshalve zal verwerende partij nog repliceren op de laatste memorie zoals deze door verzoekende partij werd XII-9599-6/14 ingediend, zo Uw Raad alsnog van oordeel zou zijn dat er toch nog sprake is van enig belang in huidige procedure, quod non. Er moet ook nog wel worden opgemerkt dat het niet meteen van processuele fair play getuigt om in het verzoek tot voortzetting op geen enkele wijze gewag te maken van deze evoluties. En ook om in de laatste memorie te blijven argumenteren als zou de motivatiebrief van 9 september 2024, […] niet geschreven zijn. Daarin schrijft de verzoekende partij letterlijk: ‘Mijn gedrag was fout en een reflectie van mijn toenmalige jeugdigheid en gebrek aan tact en verantwoordelijkheidsgevoel’. In het verzoek tot voortzetting wordt net omgekeerd gereageerd. Het is processueel niet echt fair maar zonder meer unfair om enerzijds de excuses aan te bieden, met een uitleg over de eigen jeugdigheid en dan de kans te krijgen om de draad op één of andere wijze weer te kunnen opnemen, maar dan aan uw Raad daaromtrent niets te vermelden en compleet omgekeerd te redeneren in het verzoek tot voortzetting. Dit is niet correct, dit klopt niet, dat schendt de fair play die ook mag verwacht[…] worden van de verzoekende partij. De beginselen van behoorlijk burgerschap bestaan ook. Maar in ieder geval toont dit aan dat de redeneringen die ten gronde ontwikkeld worden, hoe dan ook niet meer aanvaardbaar zijn.” 5. Verzoeker omschrijft zijn belang in het verzoekschrift als volgt: “A. BELANG 23. Verzoekende partij heeft onbetwistbaar belang bij de onderhavige vordering tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing sterkt er immers toe om de opleiding van verzoekende partij tot arts-specialist in de opleiding plastische heelkunde stop te zetten en verzoekende partij ongeschikt te verklaren om zijn stage in de discipline in kwestie voort te zetten. De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing berokkent verzoekende partij aldus hoe dan ook een concreet nadeel. Het is duidelijk dat verzoekende partij een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang heeft bij de vordering tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het belang van verzoekende partij werd overigens ook niet betwist in de UDN-procedure. Dit volstaat om het belang van verzoekende partij te erkennen. 24. Ten overvloede wijst verzoeker er nog op dat de stopzetting van de stage tot gevolg heeft dat verzoeker zijn stage als arts-specialist niet kan verder zetten. 25. Artikel 8 van de opleidingsovereenkomst tot arts-specialist die werd afgesloten tussen verzoekende partij en de KU Leuven, groep Universitaire Ziekenhuizen bepaalt veder het volgende […]: ‘Onderhavige opleidingsovereenkomst zal van rechtswege vóór 31 juli 2020 ontbonden worden zodra de erkenningscommissie/het Agentschap, dan wel de Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid, vóór 31 juli 2020 beslist tot stopzetting van de stage van de arts-specialist in opleiding in UZ Leuven en/of elders. In dat geval zijn partijen ten aanzien van elkaar geen enkele vergoeding, noch opzegtermijn verschuldigd.’ Aldus heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat de stage en de opleidingsovereenkomst van rechtswege werd beëindigd ten aanzien van verzoekende partij. XII-9599-7/14 Gelet op de beëindiging van de opleidingsovereenkomst brengt de bestreden beslissing ook financiële implicaties teweeg voor verzoekende partij […]. Naast het gegeven dat verzoekende partij zijn gespecialiseerde opleiding niet mag voleindigen, verliest verzoekende partij aldus eveneens zijn werkzaamheid als arts door toedoen van de bestreden beslissing. 26. De bestreden beslissing maakt verder ook dat de reeds doorlopen stageperiode van twee jaar niet in aanmerking wordt genomen. Het heeft eveneens tot gevolg dat de opleidingen die de verzoekende partij in de loop van de vernietigingsprocedure volgt in het buitenland en kunnen gelijkgesteld worden met een stage, niet in aanmerking worden genomen. Een vernietiging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat deze jaren alsnog met retroactieve kracht in aanmerking genomen moeten worden. 27. De bestreden beslissing ontneemt hem bovendien elk professioneel krediet en brengt ook ernstige morele schade teweeg. Zoals blijkt uit het dossier van verzoekende partij ambieert verzoeker sinds lange tijd een loopbaan als arts-specialist in de plastische heelkunde. De definitieve stopzetting van zijn opleiding tot specialist doet de inspanningen die hij hiervoor reeds heeft verricht teniet. In dat opzicht verliest verzoekende partij door de bestreden beslissing elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist. Ongeschikt worden bevonden voor de opleiding arts-specialist in de plastische heelkunde heeft onbetwistbaar implicaties voor het kunnen volgen van eender welke opleiding tot arts-specialist in een andere discipline. 28. Verzoeker beschikt zodoende over het vereiste belang.” In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker met “betrekking tot het belang”, naar “hetgeen eerder in het verzoekschrift tot nietigverklaring werd opgenomen”. In zijn laatste memorie geeft verzoeker evenmin verdere duiding over zijn belang bij het voorliggende annulatieberoep. In fine van zijn memorie laat hij wel gelden dat “[e]nkel een vernietiging […] immers de weg [kan] openen naar een nieuwe, correcte beoordeling van verzoekers opleidingsloopbaan – eventueel met inachtneming van de passende procedures en minder ingrijpende maatregelen – zonder de smet van een onterecht opgelegd beroepsverbod”. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede XII-9599-8/14 rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van de vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid XII-9599-9/14 hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 7. Verzoeker betwist de bestreden beslissing die ertoe strekt om zijn opleiding tot arts-specialist in de opleiding plastische heelkunde stop te zetten en om hem ongeschikt te verklaren om zijn stage in de discipline in kwestie voort te zetten. In het verzoekschrift geeft verzoeker vooreerst aan dat
  5. i)het duidelijk is dat hij een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang heeft bij de vordering tot nietigverklaring van de bestreden beslissing;
  6. ii)zijn belang niet werd betwist in de UDN-procedure en iii) dit volstaat om zijn belang te erkennen. XII-9599-10/14 Daarnaast benadrukt hij dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat hij zijn stage als arts-specialist niet kan verder zetten. Hij laat gelden dat de bestreden beslissing voor hem ook financiële implicaties teweegbrengt, nu hij zijn werkzaamheid als arts door toedoen van de bestreden beslissing verliest. Evenmin zullen zijn opleidingen gevolgd in de loop van de vernietigingsprocedure in het buitenland, in aanmerking worden genomen. Tot slot benadrukt hij dat de bestreden beslissing hem elk professioneel krediet ontneemt en ernstige morele schade teweegbrengt, nu
  7. i)de definitieve stopzetting van zijn opleiding tot specialist de inspanningen die hij hiervoor reeds heeft verricht teniet doet;
  8. ii)hij elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist verliest en iii) het ongeschikt worden bevonden voor de opleiding arts-specialist in de plastische heelkunde onbetwistbaar implicaties heeft voor het kunnen volgen van eender welke opleiding tot arts- specialist in een andere discipline. Te dezen omschrijft verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring zijn belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoeker heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft zijn door de bestreden beslissing vermeende veroorzaakte nadeel aangeduid. 8. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. De Raad van State stelt vast dat uit de door de verwerende partij bij haar laatste memorie bijgebrachte stukken blijkt dat:
  9. i)verzoeker zijn opleiding verder zet aan de Vrije Universiteit Brussel in plaats van aan de Katholieke Universiteit Leuven (stuk 32);
  10. ii)verzoeker op 19 september 2024 werd ingeschreven op de Lijst van de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen en hij bijgevolg gerechtigd is de geneeskunde in België uit te oefenen (stuk 33); iii) op 4 november 2024 door de secretaris-generaal van het departement Zorg, het advies van de Erkenningscommissie waarbij een 6 maanden verkorting van de truncus communis wordt toegestaan op basis van zijn Phd-traject wordt XII-9599-11/14 bevestigd (stuk 38) en
  11. iv)het door verzoeker op 23 september 2024 ingediende nieuw stageplan op 2 april 2025 door de secretaris-generaal van het departement Zorg wordt goedgekeurd, waaruit blijkt dat verzoeker van 1 oktober 2024 tot 30 september 2025 werkzaam is in de Clinique Saint Pierre, campus St. Pierre Ottignies, onder supervisie van stagemeester dr. B.M. 9. Verzoeker verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient verzoeker minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Ter zake heeft verzoeker, een stelplicht. Hij dient met andere woorden daarover een standpunt in te nemen en de nodige verduidelijkingen bij te brengen. Ter terechtzitting, dit is te dezen de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoeker, voor wat betreft de door de verwerende partij in haar laatste memorie opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie, daarvoor aanbood, heeft verzoekers loco optredende raadsvrouw niets ingebracht tegen de door de verwerende partij aangevoerde argumenten. Evenmin geeft verzoeker in zijn laatste memorie van 23 april 2025, die weliswaar voorafgaat aan de laatste memorie van de verwerende partij, doch werd opgesteld na het op 2 april 2025 goedgekeurde stageplan, enige duiding over de impact van de hogervermelde gewijzigde omstandigheden op zijn rechtens vereiste belang. Evenmin wordt het betoog van verzoeker, enerzijds, dat de bestreden beslissing hem elk professioneel krediet ontneemt en ernstige morele schade teweegbrengt, nu hij door de bestreden beslissing elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist wordt ontnomen en zijn ongeschikt bevinding voor de opleiding arts-specialist in de plastische heelkunde onbetwistbaar implicaties heeft voor het kunnen volgen van eender welke opleiding tot arts-specialist in een andere discipline, en anderzijds, dat enkel een vernietiging de weg kan openen naar een XII-9599-12/14 nieuwe, correcte beoordeling van zijn opleidingsloopbaan zonder de smet van een onterecht opgelegd beroepsverbod, bijgevallen. Niettegenstaande een morele genoegdoening door een verzoekende partij kan worden geput uit een gebeurlijke nietigverklaring, dient te dezen te worden benadrukt dat niet blijkt dat, door de tussenkomst van de hogervermelde gewijzigde omstandigheden, hem definitief elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist wordt ontnomen, noch dat hem een beroepsverbod wordt opgelegd. Uit de voornoemde gewijzigde omstandigheden (zie supra, nr. 8) volgt dat werd tegemoetgekomen aan de door verzoeker, ter staving van zijn vermeend moreel nadeel, aangevoerde elementen met name:
  12. i)dat hem elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist wordt ontnomen en zijn ongeschikt bevinding voor de opleiding arts-specialist in de plastische heelkunde onbetwistbaar implicaties heeft voor het kunnen volgen van eender welke opleiding tot arts-specialist in een andere discipline en
  13. ii)dat enkel een vernietiging de weg kan openen naar een nieuwe, correcte beoordeling van zijn opleidingsloopbaan zonder de smet van een onterecht opgelegd beroepsverbod. In die omstandigheden is wat verzoeker met de gevraagde nietigverklaring dan nog nastreeft niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door verzoeker aangevoerde middelen. 10. Verzoeker heeft geen actueel belang meer bij het voorliggende beroep tot vernietiging. 11. Het beroep is niet ontvankelijk. XII-9599-13/14 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9599-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.503 Gerelateerde publicatie(
  14. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.