← België

Arrest 264515 - Overheidsopdrachten - 15/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.515 Rolnummer: A. 244474/XIV-39768 Zaak: Arrest 264515 - Overheidsopdrachten - 15/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-22 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-14 04:21 Fiche Arrest nr 264.515 van 15 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.515 van 15 oktober 2025 in de zaak A. 244.474/XIV-39.768 In zake:

  1. I.A. woonplaats kiezend te
  2. P.J. woonplaats kiezend te tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK PARLEMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Pauline Darras kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 24 maart 2025, strekt tot de nietigverklaring van “De beslissing van de verweerder d.d. 12/03/2025 om de aanbesteding [‘raamovereenkomst voor tolkdiensten’] niet aan verzoekers te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit verslag, waarin wordt besloten om het beroep te verwerpen, werd ter kennis gebracht van de partijen. XIV-39.768-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 23 mei 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 10 september
  5. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit, verdeeld in twee percelen, met het oog op het sluiten van een raamovereenkomst voor de verstrekking van tolkdiensten aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Brusselse ombudsman (‘Ombuds.brussels’). De raamovereenkomst heeft een duur van één jaar en is driemaal stilzwijgend verlengbaar. De verwerende partij is belast met de gunning van de opdracht en treedt op als aankoopcentrale voor het Brussels Hoofdstedelijk XIV-39.768-2/11 Parlement, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Brusselse ombudsman (‘Ombuds.brussels’). Als plaatsingswijze wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3
  8. In het bestek dat op de opdracht van toepassing is, wordt in punt 2.3 bepaald dat de inschrijver overeenkomstig artikel 73 van de wet van 17 juni 2013 ‘inzake overheidsopdrachten’ een ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) voorlegt. Met een e-mailbericht van 9 oktober 2024 worden de verzoekende partijen door het diensthoofd Redactie-Vertaling van de Directie Verslaggeving in kennis gebracht van de overheidsopdracht, en hen een “beknopte gids” bezorgd teneinde duidelijkheid te scheppen over de te volgen stappen in de procedure. In deze gids wordt het volgende vermeld over de in te vullen bijlagen: “[…] De documenten die u moet invullen (dat mag ook manueel), inscannen en uploaden, zijn bijlage 1,2,3 en eventueel 4 bij het bestek. Bijlage 5 en 6 zijn louter informatief en hoeven niet te worden ingediend. In bijlage 1 moet u uw identiteitsgegevens, die van uw contactpersoon en eventuele mede- of onderaannemers opgeven. Bijlage 2 is een Excel-bestand waarin u in de gele velden uw prijzen moet opgeven. […] Bijlage 3 peilt naar de kwaliteit van de dienstverlening, uw beschikbaarheid en de samenwerking. Vul hier vooral relevante tolkervaring in overheidsinstellingen in. Bijlage 4 hoeft u alleen in te vullen als u een beroep doet op andere ondernemers om uw beroepsbekwaamheid aan te tonen. In bijlage 5 is een checklist met de documenten die u moet uploaden. Bijlage 6 beschrijft de regels die u in acht moet nemen aangaande de verwerking van persoonsgegevens. […]”. XIV-39.768-3/11 3.
  9. De uiterste datum voor indiening van de offertes is 31 oktober 2024, om 11u
  10. 39 inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de tweede verzoekende partij en de eenmanszaak [P.] van de eerste verzoekende partij. 3.
  11. Op 14 februari 2025 stelt de verwerende partij een beoordelingsverslag op. Er wordt vastgesteld dat bij de offerte van de tweede verzoekende partij en de eenmanszaak [P.] van de eerste verzoekende partij het UEA ontbreekt en deze offertes bijgevolg substantieel onregelmatig zijn. 3.
  12. Op de zitting van 26 februari 2025 beslist het Bureau van het Brussel Parlement, met verwijzing naar het beoordelingsverslag van 14 februari 2025, dat als bijlage bij deze beslissing is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt, dat onder meer de offertes van de tweede verzoekende partij en de eenmanszaak [P.] van de eerste verzoekende partij substantieel onregelmatig zijn, en de raamovereenkomsten worden gegund aan derden. Met een aangetekende brief en e-mailbericht van 7 maart 2025 worden de verzoekende partijen in kennis gesteld van de wering van hun respectievelijke offertes, als volgt: “[…] De precieze motieven voor de wering van uw offerte worden vermeld in onderstaand uittreksel uit de gemotiveerde gunningsbeslissing en het gunningsverslag: De offerte van de betrokken inschrijvers bevat geen tijdig ingediend Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Artikel 73, § 1, eerste lid, van de Wet Overheidsopdrachten 2016 bepaalt uitdrukkelijk dat de inschrijvers het door hen ingevulde UEA voorleggen op het ogenblik van de indiening van de offertes. In uitvoering van deze bepaling schrijft artikel 38 van het Koninklijk Besluit Plaatsing 2017 voor dat het UEA wordt voorgelegd op het ogenblik van de indiening van de offertes [...] overeenkomstig artikel 73 van de wet. Zowel in punt 2.1.1 van het bestek als in bijlage 5 van het bestek (genaamd ‘Checklist bij de offerte te voegen documenten’) werden de potentiële inschrijvers gewezen op de noodzaak om een UEA in te dienen. XIV-39.768-4/11 Bij de vaststelling dat er geen UEA is ingediend, moet de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 76, § 1, vierde lid, en artikel 76, § 3, van het Koninklijk Besluit Plaatsing 2017, de offerte substantieel onregelmatig en bijgevolg nietig verklaren. Conform het Verslag aan de Koning111 bij het Koninklijk Besluit Plaatsing en de rechtspraak van de Raad van State, beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte noch discretionaire bevoegdheid ter zake. De aanbestedende overheid mag de inschrijvers ook niet vragen om alsnog een UEA in te dienen. Indien u een kopie wenst van de gehele gemotiveerde gunningsbeslissing en gunningsverslag, kunt u een e-mail zenden aan de juridische dienst (juridischedienst@parlement.brussels). De verschillende percelen van deze opdracht werden gegund aan de andere, regelmatige inschrijvers. […]” IV. Nadere bepaling van het voorwerp
  13. Blijkens het administratief dossier is de bestreden beslissing genomen op 26 februari 2025 en aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht met een aangetekende brief en e-mailbericht van 7 maart
  14. V. Toepassing kortedebattenprocedure Standpunt van de verzoekende partijen
  15. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift het volgende uiteen: “Overwegende dat de verzoekers al sinds geruime tijd actief zijn op de vrije tolkenmarkt in België en dat zij in de loop der jaren een uitstekende reputatie hebben opgebouwd, zowel bij hun klanten als bij hun collega’s; Dat zij in het kader van hun werkzaamheden tolkopdrachten uitvoeren voor onder andere de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Belgische Senaat, Federale Overheidsdiensten, vakbondsorganisaties en private ondernemingen; Dat zij in het verleden ook al ten overvloede hun diensten ter beschikking hebben gesteld aan de verweerder en dat zij ten bewijze hiervan een aantal facturen en betalingsbewijzen van de voorbije maanden overleggen (zie stuk 2); Dat zij, in het kader van hun opdrachten voor de verweerder, gecontacteerd werden door het hoofd van de tolkdienst of door een medewerker van de vertaaldienst (die er in vast dienstverband werken) en dat dit altijd geschiedde op basis van onderling vertrouwen en een goede verstandhouding; Dat zij, zonder blijk te willen geven van enige hoogmoed, de mening zijn toegedaan XIV-39.768-5/11 dat ze in de loop der jaren zeer goed vertrouwd zijn geraakt met de werking en de terminologie van het Brussels Parlement en dat ze ook menen te kunnen stellen dat dit Parlement geen geheimen meer voor hen heeft; Dat zij dan ook enigszins verrast waren toen zij op woensdag 09 oktober 2024 elektronisch gecontacteerd werden door het hoofd van de dienst ‘Redactie Verslaggeving’ teneinde hen ervan in kennis te stellen dat de verweerder zich genoodzaakt zag om over te gaan tot een aanbestedingsprocedure voor de tolkdiensten (zie stuk 3), terwijl er nooit sprake was geweest van enige moeilijkheden in de vorige manier van werken en er ook nooit dergelijke aanbestedingsprocedure werd opgestart in de andere parlementen die ons land rijk is, zoals met name de Kamer van Volksvertegenwoordigers of nog de Belgische Senaat; Dat er in dit elektronisch bericht vermeld werd dat de aanbestedingsprocedure ‘minder ingewikkeld was dan op het eerste gezicht leek’; Dat niets minder waar was en dat het de verzoekers door deze ene zin voorkwam dat deze aanbesteding slechts een formaliteit was en dat de verweerder bij eventuele problemen blijk zou geven van enige inschikkelijkheid, quod non in casu; Dat de verzoekers wensen te benadrukken dat zij helemaal niet vertrouwd zijn met dergelijke aanbestedingsprocedures en daar zij als eenmanszaken opereren, beschikken zij jammer genoeg ook niet over een juridische dienst die hen in een dergelijk proces zou kunnen bijstaan; Dat het bestek van de aanbesteding maar liefst 54 (!) pagina’s (zie stuk 4) telde en dat verzoekers door hun talrijke professionele verplichtingen niet over de nodige tijd beschikten om dit document tot in de kleinste details uit te pluizen (de verzoekers dienden hun offerte uiterlijk in te dienen op 31 oktober); Dat bij elektronisch bericht dat de verzoekers van de verweerder op 09 oktober 2024 ontvangen hebben (zie stuk 3) ook nog een beknopte gids (zie stuk 5) gevoegd was die tot doel had om de verzoekers wegwijs te maken in de aanbestedingsprocedure; Dat de verzoekers zich uitsluitend gebaseerd hebben op deze beknopte gids om hun dossier in te dienen; Dat er in deze beknopte gids letterlijk het volgende wordt vermeld: ‘De documenten die u moet invullen (dat mag ook manueel), inscannen en uploaden, zijn bijlage 1, 2, 3 en eventueel 4 bij het bestek. Bijlage 5 en 6 zijn louter informatief en hoeven niet te worden ingediend’. Dat de verzoekers hier gevolg aan hebben gegeven en derhalve uitsluitend bijlagen 1, 2, 3 en 4 bij hun dossier hebben gevoegd en verder geen belang hebben gehecht aan bijlagen 5 en 6; Dat de verzoekers deze bijlagen correct en tijdig hebben ingediend; Dat de aanbesteding niet aan de verzoekers werd gegund omdat ze geen Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UAE) bij hun offerte gevoegd hadden; Dat er in de beknopte gids nergens gewag werd gemaakt van een Europees Aanbestedingsdocument; Dat de enige plek waar verwezen werd naar dit Europees Aanbestedingsdocument bijlage 5 betrof, terwijl er in de beknopte gids duidelijk gesteld werd dat de bijlagen 5 en 6 louter informatief waren en niet hoefden te worden ingediend; Dat de verzoekers later op basis van het gunningsverslag (zie stuk 6) vernomen hebben dat er maar liefst 14 (!) kandidaten geweigerd werden in het kader van de aanbestedingsprocedure omdat zij dit Europees Aanbestedingsdocument niet bij hun dossier hadden gevoegd, hetgeen meer dan 1/3 vertegenwoordigt van alle ingediende offertes; Dat dit zeer hoge cijfer toch op z’n minst de indruk wekt dat er sprake is van enige onduidelijkheid in de beknopte gids die de verweerder ter beschikking heeft gesteld XIV-39.768-6/11 aan de tolken; Dat de verzoekers eveneens wensen te benadrukken dat er in het document ‘prijsinventaris’ (waarin verzoekers hun prijzen voor de aanbesteding dienden op te geven – zie stuk 7) sprake was van een ernstige vertaalfout (‘tarif honoraire’ werd vertaald door ‘uurtarief’) hetgeen in hoofde van de verzoekers voor heel wat verwarring heeft gezorgd en misschien wel eens een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben gehad op het eindresultaat (het prijscriterium telde voor 50% mee in de beoordeling van de offertes); Dat het verzoekers bovendien ter ore is gekomen dat de verweerder in de loop van de aanbestedingsprocedure contact heeft opgenomen met een aantal tolken met het verzoek om nog bijkomende documenten bij hun dossier te voegen (zoals een bewijs van goed gedrag en zeden of nog bijkomende informatie over een omzetcijfer); Dat de verzoekers dan ook niet inzien waarom de verweerder dit ook niet had kunnen doen bij de tolken die geen Europees Aanbestedingsdocument hadden ingediend; Dat de verzoekers zich hierdoor onterecht aangedaan voelen aangezien de verweerder in het kader van deze aanbestedingsprocedure blijkbaar met twee maten en twee gewichten te werk is gegaan; Dat het uiteraard geen twijfel lijdt dat de verzoekers dit Europees Aanbestedingsdocument bezorgd zouden hebben indien de verweerder hierom verzocht zou hebben; Dat de verzoekers, na de betekening van de beslissing van de verweerder om hen de aanbesteding niet te gunnen, zelf op zoek zijn gegaan naar dit Europees Aanbestedingsdocument; Dat de verzoekers, na lange omzwervingen via de kronkels van het wereldwijde web, dit kwestieuze Europees Aanbestedingsdocument uiteindelijk hebben kunnen vinden; Dat de verzoekers zo hebben kunnen ontdekken dat er in Europees Aanbestedingsdocument onder meer gepeild werd of ze ‘zich schuldig hebben gemaakt aan kinderarbeid of andere vormen van mensenhandel’, ‘terroristische misdrijven hadden gepleegd of andere strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten’ en ‘alle verplichtingen waren nagekomen op het vlak van milieurecht’; Dat de verzoekers kunnen begrijpen dat de verweerder alle wettelijke procedures ter zake moet naleven, maar zich desalniettemin afvragen in welke mate dit soort vragen relevant zijn en van toepassing zijn op hun beroep en er niet voor zorgen dat de procedure nodeloos complex wordt; Dat de verzoekers vrezen dat de beslissing van de verweerder om hen de aanbesteding niet te gunnen hen ernstige financiële schade zal berokkenen aangezien de verweerder een van hun belangrijkste klanten is; Dat de verzoekers dan ook de hoop koesteren dat de verweerder enig begrip zal kunnen opbrengen voor het feit dat de verzoekers geen andere uitweg zien dan het instellen van onderhavig beroep en dat dit beroep op generlei wijze een invloed zal hebben op de uitstekende samenwerking en verstandhouding die ze in de loop der jaren met de verweerder hebben opgebouwd;” Zij vragen om die redenen voor recht te verklaren “dat de aanbestedingsprocedure in hoofde van de verweerder niet op een regelmatige manier verlopen is”, en “[d]e beslissing van de verweerder dd. 12/03/2025 om de aanbesteding niet de verzoekers te gunnen, nietig te verklaren en de verzoekers XIV-39.768-7/11 alsnog de mogelijkheid te bieden om het Europees Aanbestedingsdocument bij hun offerte te voegen”. Beoordeling
  16. Door het auditoraat wordt voorgesteld toepassing te maken van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) en het beroep tot nietigverklaring te verwerpen, op grond van de volgende overwegingen: “IV. Ontvankelijkheid van de vordering […] Ontvankelijkheid van de vordering in zoverre de verzoekende partij vraagt om ‘de verzoekers alsnog de mogelijkheid te bieden om het Europees Aanbestedingsdocument bij hun offerte te voegen’ […]
  17. Met haar vordering beoogt de verzoekende partij de bestreden beslissing nietig te verklaren ‘en de verzoekers alsnog de mogelijkheid te bieden om het Europees Aanbestedingsdocument bij hun offerte te voegen’. […]
  18. In zoverre de verzoekende partij van de Raad van State verwacht, in het geval dat het aangevoerde middel gegrond zou worden bevonden, haar alsnog de mogelijkheid te bieden een UEA toe te voegen, moet worden opgemerkt dat de Raad van State niet over die bevoegdheid beschikt. Wel kan de Raad van State, bij het gegrond bevinden van het middel, de bestreden beslissing nietig verklaren. V. Onderzoek van het aangevoerde middel […] Beoordeling:
  19. De grief van de verzoekende partijen inzake het weren van hun offertes door het niet-bijvoegen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: ‘UEA’) kan in verband worden gebracht met meerdere rechtsregels of -beginselen. De verzoekende partijen laten het na die te specificeren. Het komt niet aan de Raad van State toe, en dus evenmin aan het Auditoraat, om het middel op dit punt aan te vullen. Hierna wordt dus slechts de essentie van het middel beoordeeld, zoals dit redelijkerwijze uit het verzoekschrift mocht worden begrepen.
  20. In het beoordelingsverslag wordt de opdracht gekenmerkt als ‘openbare procedure boven de Europese drempels’.[…] De opdracht wordt ook Europees bekendgemaakt.[…] De verzoekende partijen betwisten niet dat de waarde van de voorliggende opdracht de drempel voor de Europese bekendmaking overschrijdt.
  21. Onder punt ‘2.3 Uniform Europees Aanbestedingsdocument’ op bladzijde 17 van het toepasselijke bestek wordt bepaald dat bij de offerte het UEA moet worden gevoegd.[…] De verzoekende partijen erkennen dat zij het verplichte UEA niet bij hun respectievelijke offertes hebben gevoegd.
  22. Artikel 38, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017[…] legt op dat bij opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel XIV-39.768-8/11 voor de Europese bekendmaking, het UEA ‘overeenkomstig artikel 73 van de wet’ wordt voorgelegd. De doelstelling van het UEA – administratieve vereenvoudiging zoals omschreven in overweging 84 van de Richtlijn 2014/24 – verhindert niet dat de verplichting die tot stand kwam met het oog op het realiseren van die doelstelling en die in de op de zaak toepasselijke regelgeving is opgenomen, moet worden nageleefd. Artikel 73, § 1, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016[…] bepaalt uitdrukkelijk dat ‘op het ogenblik van de indiening’ van de aanvragen tot deelneming of de offertes, naargelang het geval, de kandidaten of inschrijvers het door hen ingevulde UEA voorleggen. In uitvoering van deze bepaling schrijft artikel 38 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 voor dat het UEA ‘op het ogenblik van de indiening van de aanvragen tot deelneming en/of van de offertes […] overeenkomstig artikel 73 van de wet’ wordt voorgelegd[…]. Artikel 76, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, bepaalt: ‘De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : […] 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers;[…]’. Artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, bepaalt: ‘Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig. […]’. In het verslag aan de Koning wordt inzake die bepaling verduidelijkt: ‘In geval van een substantiële onregelmatigheid, moet de offerte steeds nietig worden verklaard en beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte’. […]
  23. Gelet op het hiervoor vermelde artikel 76, § 1, vierde lid, 2°, en 76, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 is de verwerende partij verplicht om de offerte van de verzoekende partij te weren wegens het ontbreken van het rechtens vereiste UEA. Dat meerdere inschrijvers deze verplichting naast zich hebben neergelegd, doet dan ook niet anders besluiten. Ook de kritiek van de verzoekende partijen dat deze verplichting is opgenomen in bijlage 5 ‘checklist’, bijlage die niet verplicht moest worden bijgevoegd, tast de hiervoor vastgestelde verplichting tot het voorleggen van het UEA niet aan. De verplichting tot het bijvoegen van het UEA volgt immers niet uit de ‘checklist’, noch uit de beknopte gids met richtsnoeren[…], maar wel rechtstreeks uit de hiervoor vermelde bepalingen. De (niet verplicht bij te voegen) bijlage 5 vormt overigens slechts een overzicht van de documenten die moeten worden opgeladen – en behelst niét het UEA als zodanig -, zodat niet valt in te zien hoe de grieven gericht tegen bijlage 5 enig gevolg zouden kunnen ressorteren op de verplichting om het UEA bij te voegen. Daarenboven vindt de verplichting tot het indienen van het UEA ondubbelzinnig bevestiging in punt 2.3 van het bestek[…] en worden de inschrijvers – ook blijkens het bestek – er zowel bij de delen aangaande de uitsluitingsgronden[…], ‘kwalitatieve selectie’[…] en ‘onderaanneming’[…] aan herinnerd dat een UEA moet worden ingevuld, zodat de kritiek van de verzoekende partij dat enkel naar het UEA werd verwezen ‘in bijlage 5’, grondslag mist. […] Dat de verzoekers geen acht hebben geslagen op de inhoud van het bestek, ‘gelet op hun talrijke professionele verplichtingen’ […], doet niets af aan de voormelde vereiste. Het zijn in de eerste plaats immers de verzoekende partijen zélf die de verantwoordelijkheid dragen om hun respectievelijke offertes op zorgvuldige wijze te redigeren, met oog voor de XIV-39.768-9/11 inhoud van de opdrachtdocumenten. De opmerking van de verzoekende partijen dat de verplichting om een UEA bij te voegen de procedure ‘nodeloos complex’ maakt[…], doet evenmin afbreuk aan de verplichting daartoe van zodra de waarde van de opdracht de Europese drempels bereikt[…] wat te dezen door de verzoekende partijen niet wordt betwist. Zoals gesteld, beschikt de verwerende partij in de voorliggende omstandigheden over geen enkele beoordelingsmarge ter zake. Gelet op het ontbreken van het verplicht toe te voegen UEA, en de daaraan gekoppelde sanctie uit artikel 76, § 1, vierde lid, 2°, en 76, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, had de verwerende partij geen andere mogelijkheid dan de respectievelijke offertes van de verzoekende partijen nietig te verklaren. Er is volgens auditeur-verslaggeefster dan ook niet aangetoond dat deze offertes ten onrechte zijn geweerd, noch dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel met de voeten heeft getreden door aan andere inschrijvers beweerdelijk wel de mogelijkheid te bieden om hun offerte – overigens voor andere bij te voegen documenten dan het verplicht toe te voegen UEA – te regulariseren. Zoals hiervoor vastgesteld, beschikte de aanbestedende overheid in casu, gelet op de aard van de onregelmatigheid, immers over geen enkele beoordelingsmarge.[…] In die situatie biedt de overheidsopdrachtenreglementering géén regularisatiemogelijkheid.[…] Zoals de verzoekende partijen overigens zelf aanvoeren, zijn alle inschrijvers wiens offerte geen UEA bevatte, evenzeer geweerd, zodat de verzoekende partijen in die omstandigheden evenmin aantonen dat zij niet op voet van gelijkheid met de andere inschrijvers zijn behandeld, wel integendeel[…]
  24. Nog daargelaten de vraag naar het belang dat de verzoekende partijen – die, zoals hiervóór vastgesteld, terecht zijn geweerd - kunnen doen gelden bij hun standpunt dat de ‘prijsinventaris’ een ernstige vertaalfout zou bevatten, moet worden opgemerkt dat zij opnieuw niet duiden welke rechtsregels- of beginselen zij geschonden achten, noch tonen zij met deze blote bewering aan hoe dit de eindrangschikking zou hebben beïnvloed.
  25. Gelet op de onduidelijkheid van het middel, is het meerdere en het overige volgens het Auditoraat niet-ontvankelijk wegens obscuri libelli.
  26. Naar de opvatting van het Auditoraat moet het enig middel, in zoverre het ontvankelijk is, worden verworpen. De bovenstaande vaststellingen vereisen slechts korte debatten.”
  27. Bij beschikking van 23 mei 2025 werd aan de partijen voorgesteld, overeenkomstig artikel 26, § 2, van het algemeen procedurereglement, dat deze zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom uitdrukkelijk verzoekt binnen een termijn van 15 dagen. De verzoekende partijen hebben geen openbare terechtzitting gevraagd en aldus geen gebruik gemaakt van de eerste procedurele gelegenheid die zich in het kader van de toegepaste procedure van artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement aanbood om nog op het standpunt van het auditoraat te repliceren. XIV-39.768-10/11 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep.
  29. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
  30. Het door de verzoekende partijen te veel betaalde bedrag van 26 euro aan bijdrage dient te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Patricia De Somere. XIV-39.768-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.515 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.