id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.517 Rolnummer: A. 241660/XIV-39515 Zaak: Arrest 264517 - Overheidsopdrachten - 15/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-16 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-14 04:21 Fiche Arrest nr 264.517 van 15 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 264.517 van 15 oktober 2025 in de zaak A. 241.660/XIV-39.515 In zake :
- de NV A.
- de BV L. samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Inne Clinckers kantoor houdend te 2980 Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF SPORT, CULTUUR EN RECREATIE IEPER (AGB VAUBAN) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Grasse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing dd. 5 februari 2024 ‘Nieuw zwembad: overheidsopdracht ontwerp en bouw – gunning’ van AGB Vauban waarbij de overheidsopdracht voor werken ‘Ontwerp en Bouw (DB) van een zwembad te Ieper’ wordt gegund aan [een derde]”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.515-1/9 Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Uschi Steurs, die loco advocaten Dirk De Keuster en Inne Clinckers verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Babette Moors, die loco advocaten Steven Van Grasse en Simon Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp ‘ontwerp en bouw van een zwembad te Ieper’. 3.
- Op 4 juli 2022 selecteert de verwerende partij vier kandidaten om deel te nemen aan de onderhandelingen, waaronder de verzoekende partijen, samen vormend een tijdelijke maatschap. XIV-39.515-2/9 Op 4 februari 2024 wordt een gunningsverslag opgesteld. 3.
- Op 5 februari 2024 beslist de verwerende partij de opdracht toe te wijzen aan een derde. Dit is de bestreden beslissing. Met een aangetekende brief, verzonden op 9 februari 2024, en een email-bericht van dezelfde datum worden de verzoekende partijen in kennis gesteld van deze beslissing. De gunningsbeslissing en het gunningsverslag worden bijgevoegd. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken Standpunt van de partijen
- Anticiperend op de vertrouwelijke neerlegging van bepaalde stukken uit het administratief dossier, vragen de verzoekende partijen in het verzoekschrift om “de vertrouwelijke behandeling van de stukken uitdrukkelijk op te heffen in het belang van haar rechtsbescherming en haar inzage te verlenen in het volledige administratief dossier”. Om hun recht van verdediging maximaal te kunnen uitoefenen, menen de verzoekende partijen inzage te moeten krijgen in de offerte, de gevoerde onderhandelingen en de BAFO van de gekozen inschrijver. De verzoekende partijen schragen hun verzoek tot opheffing van de vertrouwelijkheid van de stukken uit het administratief dossier in essentie door te stellen dat de rechtsbescherming te dezen zwaarder doorweegt dan het recht op bedrijfsgeheim. De verzoekende partijen betogen voorts dat inzage van het volledig administratief dossier noodzakelijk is voor het eerste en het derde middel.
- De verwerende partij vraagt om een aantal stukken als vertrouwelijk te behandelen aangezien het volgens haar documenten betreft die bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten. De verwerende partij legt deze stukken afzonderlijk neer en geeft de vertrouwelijkheid ervan uitdrukkelijk aan. Een aantal XIV-39.515-3/9 van deze stukken worden overigens door de verzoekende partijen zelf als niet- vertrouwelijke stukken neergelegd.
- De verzoekende partijen zetten in de memorie van wederantwoord uiteen waarom het verzet van de verwerende partij tegen de vrijgave van het stukkenbundel ongegrond zou zijn. Ook in hun laatste memorie blijven zij aandringen om de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken op te heffen en hun inzage te verlenen in het volledige administratief dossier, die volgens haar noodzakelijk is voor het eerste en het derde middel. Beoordeling
- Op grond van artikel 26 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013) dient de Raad van State, als de ter zake bevoegde verhaalinstantie, de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om, enerzijds, de vertrouwelijkheid van bepaalde commerciële gegevens en zakengeheimen te waarborgen, en anderzijds, het recht van de partijen op een effectieve rechtsbescherming en op een eerlijk proces te waarborgen, in het bijzonder door te voorzien in een voldoende mate van tegenspraak. Het lichten van de vertrouwelijkheid van een stuk dat vertrouwelijke informatie of zakengeheimen bevat, is slechts mogelijk indien zulks noodzakelijk is om het recht op een eerlijk proces te waarborgen. Wat meer in het bijzonder een daartoe strekkend verzoek uitgaande van een verzoekende partij betreft, betekent dit dat deze partij aannemelijk moet maken dat zij zonder kennisneming van het vertrouwelijk stuk niet over voldoende gegevens beschikt om haar middelen te formuleren. XIV-39.515-4/9
- De partij die om de openbaarmaking van vertrouwelijke stukken verzoekt, moet aannemelijk maken dat de openbaarmaking haar zaak kan dienen, met andere woorden dat de niet-vertrouwelijke stukken niet volstaan om haar betoog te onderbouwen. Er is geen aanleiding tot lichting van de vertrouwelijkheid als de betrokken partij niet aantoont welk belang zij daarbij zou hebben. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep (zie infra, punten 13 en 14) is het lichten van de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken niet noodzakelijk voor de oplossing van het geschil. De verzoekende partijen lichten in hun laatste memorie ook niet toe waarom dit in het kader van die beoordeling wel noodzakelijk zou zijn.
- De vraag tot het lichten van de vertrouwelijkheid wordt niet ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij stelt dat de verhaaltermijn van zestig dagen is bepaald in artikel 23, §§1 en 2, van de wet van 17 juni 2013, dewelke een lex specialis vormt ten opzichte van artikel 4, §2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). De verwerende partij beklemtoont dat de kennisgeving van de bestreden beslissing, inclusief het integrale gunningsverslag en de gunningsbeslissing, is gebeurd op 9 februari 2024 en met een aangetekende brief, verzonden op dezelfde datum. De termijn van zestig dagen neemt volgens de verwerende partij aanvang op datum van verzending van de aangetekende zending, waarbij de dies a quo niet is inbegrepen, zijnde dus 10 februari 2024, zodat het verzoekschrift ingediend op 10 april 2024 zonder meer laattijdig is. XIV-39.515-5/9
- In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat artikel 23, §1, tweede lid, van de wet van 17 juni 2013 bepaalt dat “wanneer deze wet een mededelingsplicht oplegt, in geval van niet-gelijktijdige zendingen, de termijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de laatste verzending”. Zoals blijkt uit het administratief dossier neergelegd door de verwerende partij mochten de verzoekende partijen de laatste kennisgeving, deze hen toegezonden met een aangetekende brief, slechts ontvangen op 12 februari
- Bij de interpretatie van artikel 23 van de wet van 17 juni 2013 dient immers rekening te worden gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de toepassing van de Rechtsbeschermingsrichtlijnen. De verzoekende partijen vervolgen dat “[v]olgens het Hof […] het doeltreffendheidsbeginsel mee[brengt] dat de termijn voor het instellen van […] beroepen bedoeld in de Rechtsbeschermingsrichtlijnen slechts beginnen te lopen vanaf de datum waarop de benadeelde kennis had of moest hebben van de gestelde schending van de Uniebepalingen (zie o.m. HvJ 12 maart 2015, nr. C538/13, eVigilo, overw. 52), hetgeen niet hetzelfde is als de datum van verzending […] zoals door Verwerende partij verkeerdelijk aan Uw Raad wordt voorgesteld”. Deze kennisgeving betreft de in ontvangstname van de aangetekende brief. Zij verwijzen ook naar artikel 4, §1, van de algemene procedureregeling. De termijn van zestig dagen betreft een termijn die begint te lopen vanaf de kennisgeving en niet vanaf de verzending. Het is vaste rechtspraak dat de ontvangstname van de aangetekende brief geldt en niet de verzending van een e-mail, wat rechtsonzekerheid zou veroorzaken. De termijn van zestig kalenderdagen is derhalve pas beginnen lopen op 13 april
- In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen louter wat zij eerder in de memorie van wederantwoord hebben uiteengezet. XIV-39.515-6/9 Beoordeling
- Door het auditoraat wordt de exceptie ratione temporis bijgevallen op grond van de volgende overwegingen: “
- Artikel 23, § 1, van de rechtsbeschermingswet, gelezen in samenhang met paragraaf 2, bepaalt dat de vordering tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt ingesteld binnen een termijn van zestig dagen ‘vanaf de bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming van de rechtshandeling, al naargelang’. In het geval van niet-gelijktijdige zendingen beginnen de termijnen slechts te lopen vanaf de dag van de laatste verzending indien de wet een mededelingsplicht oplegt. In elk geval beginnen de termijnen maar te lopen voor zover de motivering is meegedeeld. Krachtens artikel 68 van de rechtsbeschermingswet gebeurt de berekening van de in deze wet bepaalde termijnen ‘overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden in het recht van de Europese Unie’ (hierna: verordening 1182/71). Te dezen vereist artikel 8, paragraaf 1, 3° van de rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013 dat de aanbestedende overheid onmiddellijk na de gemotiveerde gunningsbeslissing, daarvan kennisgeving doet aan iedere niet-gekozen inschrijver. Artikel 9/1, § 1, van de rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013 verplicht de aanbestedende instantie ertoe om onmiddellijk de in artikel 8 van die wet bedoelde mededeling te doen ‘per fax, per e-mail of via de elektronische platformen […] en, dezelfde dag, per aangetekende zending’. Gelet op de verplichte mededeling van de bestreden beslissing opgenomen in artikel 8, §1, 3° van de rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013, dient de in artikel 23, §§ 1 en 2, van voormelde wet bepaalde beroepstermijn te worden geacht in te gaan met de kennisgeving daarvan aan de verzoekende partij. Artikel 3, eerste lid, van verordening 1182/71 bepaalt voorts dat ‘wanneer een in dagen [...] omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, [...] de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen’.
- Niet de datum van ontvangst van de aangetekende zending is bepalend als uitgangspunt voor de berekening van de termijn van zestig dagen, maar wel de datum van de kennisgeving – d.i. de dag van verzending – van de gemotiveerde gunningsbeslissing. […]
- De hiervoor geschetste termijnregeling […] maakt geen onderscheid wat betreft het schorsings- en annulatieberoep in de mate dat de beroepstermijn aanvangt vanaf de kennisgeving, d.i. de datum van verzending ervan, en dus niet de datum van ontvangst van de bestreden beslissing. XIV-39.515-7/9 Dat de wetgever er ook voor de vordering tot nietigverklaring welbewust voor heeft gekozen om af te wijken van de formulering van artikel 4, §1, derde lid, van het algemeen procedurereglement, vindt bovendien steun in het gegeven dat de wetgever de destijds gedane suggestie van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij het ontworpen artikel 65/23 over de verhaaltermijnen, om het begrip ‘kennisgeving’, te vervangen door ‘betekening’, met verwijzing naar de formulering in artikel 4, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement, naast zich heeft neergelegd. […]
- Te dezen blijkt uit de stukken […] van het administratief dossier dat de verzending van de aangetekende zending gebeurde op dezelfde dag als de mededeling per email op 9 februari
- De motieven van de bestreden beslissing zijn bij de kennisgeving gevoegd, alsook het integraal gunningsverslag. In de bestreden beslissing worden bovendien de verhaalmogelijkheden, termijnen en bevoegde verhaalinstantie vermeld. Het wordt door de verzoekende partijen niet betwist dat zij met de aangetekende zending, die zij als stuk bij hun verzoekschrift hebben gevoegd, kennis kregen van de motieven van de bestreden beslissing en van de verhaalmogelijkheden, verhaalinstantie en verhaaltermijnen. Gelet op het voorgaande, ving de termijn om tegen de thans bestreden beslissing een vordering tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen bijgevolg aan op de dag na de dag waarop de kennisgeving werd verricht. Zoals hiervoor uiteengezet, is de gebeurtenis die de termijn heeft doen ingaan, de verzending van de aangetekende brief van 9 februari
- Vermits de aangetekende brief met kennisgeving werd verstuurd op vrijdag 9 februari 2024, ving de termijn aldus aan op zaterdag 10 februari 2024, en was de laatste dag om de vordering in te stellen dinsdag 9 april
- Het inleidend verzoekschrift is vervolgens pas elektronisch neergelegd op woensdag 10 april 2024, dus buiten de termijn van 60 dagen. Uit het systeem e-tracker van bpost blijkt weliswaar dat de zending slechts door bpost aan de verzoekende partijen werd overhandigd op maandag 12 februari 2024, maar dat is – gelet op wat hiervóór sub nrs. 4 en 5 is uiteengezet - niet van aard om het anders te zien. […]
- Het beroep is onontvankelijk ratione temporis.”
- De verzoekende partijen hebben, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om inhoudelijk nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat te geven. Zij beperken zich ertoe te parafraseren wat zij eerder hebben uiteengezet. De Raad van State ziet dan ook geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep niet-ontvankelijk. XIV-39.515-8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.515-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.517 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.