id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.542 Rolnummer: A. 245621/XII-9909 Zaak: Arrest 264542 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-23 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-14 04:22 Fiche Arrest nr 264.542 van 17 oktober 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 264.542 van 17 oktober 2025 in de zaak A. 245.621/XII-9909 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 262 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold-II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 augustus 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de jury van 18 juli 2025, met referentie […], waarbij [verzoeker] ongeschikt werd bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris”. Verzoeker vraagt tevens om bij wijze van voorlopige maatregel “de verwerende partij te bevelen om vóór de aanvang van de opleiding tot hoofdcommissaris op 15 september 2025 een nieuwe beslissing te nemen over de toelating van verzoekende partij, met inachtneming van de motieven van Uw Raad, en dit op straffe van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging”. XII-99091/15 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 22 augustus 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025, om 14.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lion Janssens, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker en advocaat Oona Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie. XII-99092/15 3.
- Verzoeker neemt deel aan de vergelijkende selectie om te worden toegelaten tot de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie, sessie 2024-
- 3.
- Verzoeker slaagt in de kennisproef en doorstaat met gunstig gevolg het onderzoek naar de professionele vaardigheden. Voor de proef tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management middels een assessment center behaalt verzoeker de score van 39,78 %. Tot slot vindt op 6 juni 2025 het interview met de jury plaats, waarvoor verzoeker een resultaat behaalt van 31,39 %. 3.
- Op 1 juli 2025 verklaart de jury verzoeker “ongeschikt”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- De bestreden beslissing wordt bij aangetekende brief van 18 juli 2025 door de voorzitter van de jury ter kennis gegeven aan verzoeker. Deze brief vermeldt onder meer: “Ik kan u informeren dat de jury u ongeschikt (47,26%) heeft verklaard, omdat zij van oordeel is dat u op dit moment niet over de vereiste competenties beschikt om de opleiding “directiebrevet” te volgen. In de bijlage vindt u alle documenten die deze beslissing hebben gemotiveerd, namelijk: o Een overzicht van de resultaten van de kennisproef, van het onderzoek van de professionele vaardigheden, van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management van de kandidaat en van het interview voor de jury; o Een evaluatierapport van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management, opgesteld in samenwerking met de FOD BOSA; o De motivering van de definitieve beslissing van de jury. Als voorzitter van de jury sta ik te uwer beschikking, zo u dit wenst, om via een gesprek aanvullende informatie te verstrekken of om verduidelijking te geven met XII-99093/15 betrekking tot uw dossier. Indien dit het geval is, verzoek ik U om mij dit te melden via het emailadres AIG.IG@police.belgium.eu.” 3.
- De hiervoor vermelde aangetekende zending werd voor ontvangst ondertekend op 25 juli
- Bij e-mail van 19 juli 2025 werden aan verzoeker ook “een aantal documenten die betrekking hebben op uw deelname aan de procedure van het directiebrevet” bezorgd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de excepties
- De verwerende partij werpt twee excepties op. Vooreerst werpt de verwerende partij op dat het beroep niet-ontvankelijk is ratione temporis, omdat verzoeker niet voldoende diligent heeft gehandeld na kennisneming van de bestreden beslissing. Ten tweede werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen actueel belang heeft bij het beroep, omdat het geen nuttig effect meer kan hebben. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker de spoedeisendheid steunt op het gegeven dat de opleiding start op 15 september
- Daar de terechtzitting is bepaald op 16 oktober 2025, zal het missen van de opleiding een feit zijn op het ogenblik van de uitspraak over de vordering tot schorsing. Daarenboven wijst de verwerende partij erop dat volgens “de geldende voorschriften” het personeelslid verplicht aanwezig moet zijn van bij aanvang van de opleiding. Zelfs indien de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen, impliceert dit volgens de verwerende partij niet automatisch dat verzoeker met de opleiding kan starten. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een XII-99094/15 onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker zet uiteen dat de loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van aard is om de dreigende schade te vermijden en dat verschillende feitelijke en concrete gegevens de spoedeisendheid aantonen, zowel elk op zich als in cumulatie met elkaar. Vooreerst verwijst verzoeker naar de aanvangsdatum van de opleiding op 15 september
- Volgens verzoeker is het eigen aan een opleiding dat men die volledig en vanaf het begin kan aanvangen om de beste resultaten te bekomen en opdat de opleiding het gewenste effect kan hebben. Voorts wijst verzoeker erop dat het missen van de opleiding zeer ingrijpende persoonlijke gevolgen heeft en de persoonlijke ontwikkeling en de doorgroei van verzoeker hypothekeert. Dit geldt volgens verzoeker des te meer gelet op de leeftijdsgrenzen voor bevordering en de pensioenleeftijd van verzoeker. Verzoeker wijst ook op de gevolgen voor zijn loopbaanontwikkeling, daar het behalen van het directiebrevet de wettelijk verplichte toegangspoort is voor de bevordering tot hoofdcommissaris van politie en de opleiding om dat directiebrevet XII-99095/15 te behalen slechts éénmaal om de vier jaar wordt georganiseerd. Het voorgaande heeft volgens verzoeker tot gevolg dat hij de facto het reële vooruitzicht op benoeming tot hoofdcommissaris verliest. Ten overvloede wijst verzoeker erop dat het verlies van promotiekansen gepaard gaat met een aanzienlijk inkomensverschil. Volgens verzoeker kan de latere nietigverklaring de ontstane schade niet meer compenseren, omdat het onmogelijk is om gedurende een lopende cyclus nog in te schrijven. Verzoeker benadrukt dat hij niet uit is op schadevergoeding, maar wel op kennis en de reële mogelijkheid om door te groeien in zijn loopbaan. Zelfs indien verzoeker na een vernietigingsarrest nog zou kunnen instappen in de opleiding, zou die te ver gevorderd zijn. Verzoeker verwijst in dat verband naar wat hij de vaste rechtspraak noemt over de aanwezigheid van spoedeisendheid in het opleidingscontentieux. Tot slot wijst verzoeker erop dat een schorsingsarrest de verwerende partij ertoe kan aansporen om de bestreden beslissing te heroverwegen. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep XII-99096/15 tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De bestreden beslissing situeert zich binnen een selectieprocedure met het oog op de deelname aan de promotieopleiding tot het XII-99097/15 behalen van het directiebrevet, vereist voor de bevordering tot graad van hoofdcommissaris. Wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, moet ermee rekening houden dat hij niet geschikt wordt bevonden en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont uit zichzelf niet aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde. Zoals hierna zal blijken, toont verzoeker dat niet aan.
- Ter ondersteuning van de spoedeisendheid verwijst verzoeker vooreerst naar de startdatum van de opleiding op 15 september
- Verzoeker baseert de spoedeisendheid in wezen op de vaststelling dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om hem nog de mogelijkheid te geven alsnog geschikt te worden verklaard om de opleiding “directiebrevet” te volgen en om, vervolgens, te worden toegelaten tot de promotieopleiding die een aanvang neemt op 15 september
- Verzoeker voert in dat verband aan dat het “onmogelijk” is om gedurende een lopende cyclus nog in te schrijven, een standpunt dat door de verwerende partij wordt bijgevallen door te verwijzen naar de “geldende voorschriften”, waaruit zou volgen dat het personeelslid verplicht aanwezig moet zijn vanaf het begin van de opleiding.
- Daargelaten of het daadwerkelijk “onmogelijk” is om binnen een redelijke termijn na de start ervan nog deel te nemen aan een promotieopleiding, kan verzoeker worden bijgevallen dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om alsnog een andersluidende beoordeling te bekomen van zijn geschiktheid om de opleiding “directiebrevet” te volgen en te worden toegelaten tot de promotieopleiding die start op 15 september XII-99098/15 2025, maar die vaststelling geldt evenzeer ten aanzien van een uitspraak over de vordering tot schorsing. De gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op grond van een van de aangevoerde middelen – vooropgesteld dat er sprake is van een ernstig middel wat te dezen niet hoeft te worden onderzocht – heeft immers niet ipso facto tot gevolg dat verzoeker kan deelnemen aan de promotieopleiding. Een schorsingsarrest zou de verwerende partij er enkel toe kunnen aanzetten om de beslissing waarbij verzoeker ongeschikt werd bevonden om de opleiding aan te vatten, te heroverwegen. Verzoeker lijkt zich dit ook te realiseren, gelet op de gevorderde voorlopige maatregelen. Gelet op deze vaststellingen is het in de feiten onmogelijk dat verzoeker, na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen, alsnog tijdig geschikt wordt bevonden om de promotieopleiding aan te vatten op 15 september 2025, wat hij precies beoogt met zijn vordering. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing moet een nuttig effect hebben en moet verzoeker behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet (meer) kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond. Ook te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat het op het ogenblik van het sluiten van het debat praktisch nog mogelijk zou zijn om – na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen – tijdig geschikt te worden bevonden om de promotieopleiding aan te vatten op 15 september
- Dat geldt des te meer nu een vordering tot schorsing ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingesteld. Het auditoraatsverslag overweegt in dat verband: “
- In het licht van het voorgaande kan niet anders dan tegelijk worden benadrukt dat verzoeker, nadat de beslissing hem per e-mail (op 19 juli 2025) en per XII-99099/15 aangetekend schrijven (op 25 juli 2025, tegen ontvangstbewijs) ter kennis was gebracht, zich (pas) op 20 augustus 2025 tot de Raad heeft gericht, met het verzoek om bij de bepaling van de procedurekalender rekening te willen houden met de start van de promotieopleiding op 15 september
- Mede gelet op de aard van de gevorderde voorlopige maatregel, blijkt verzoeker zelfs een uitspraak (ruim) vóór 15 september 2025 te benaarstigen. Het moet onder de aandacht worden gebracht dat dit geen verwachting is die verzoeker – gerechtvaardigd – vermocht te koesteren. Verzoeker heeft gekozen voor de gewone schorsingsprocedure, opgestart op 20 augustus 2025, en derhalve niet voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid (die binnen een termijn van vijftien dagen of minder kon worden behandeld, cfr. artikel 17, §4, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Eens, zoals in casu, een gewone schorsingsvordering wordt ingesteld, wordt voorgeschreven dat uiterlijk binnen de zeven werkdagen de procedurekalender wordt vastgesteld en een zittingsdatum wordt bepaald binnen de zestig dagen na de vaststelling van die procedurekalender. De verwerende partij moet in die tijd, conform de procedurekalender, het administratief dossier neerleggen, en moet evident toegestaan worden op dienstige wijze verweer te voeren. Daarbij geniet het evenzeer de voorkeur een auditeur een schriftelijk verslag te laten opstellen, die daartoe over minstens vijftien werkdagen hoort te beschikken, waarna dit verslag uiterlijk binnen de vijf werkdagen voor de terechtzitting wordt meegedeeld aan de staatsraad-verslaggever en aan de partijen (bij gebreke waaraan de partijen een uitstel van de zitting kunnen vragen). Uiterlijk binnen de tien werkdagen na de terechtzitting wordt dan een arrest uitgesproken. (Cfr. artikel 17, §4, gecoördineerde wetten op de Raad van State; artikel 4 van het KB van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het ogenblik waarop de zaak met toepassing van de gewone schorsingsprocedure door de Raad van State kon worden onderzocht, is de tijd in die mate voortgeschreden, dat wat verzoeker zelf stelt te hebben willen vermijden, is gerealiseerd en door een schorsing niet meer kan worden geweerd: de promotieopleiding heeft een aanvang genomen op 15 september
- Daarbij komt dat verzoeker zelf geenszins aannemelijk maakt dat het nog mogelijk zou zijn om – na een schorsingsarrest – tijdig een nieuwe beslissing te bekomen om nog tot de lopende promotieopleiding te kunnen worden toegelaten. Eerder geldt zelfs het tegendeel: verzoeker beklemtoont zélf de onmogelijkheid daartoe. Wat verzoeker vordert, stemt niet overeen met de wijze waarop hij dit vordert. Had verzoeker daadwerkelijk willen vermijden dat de promotieopleiding zonder hem een aanvang nam op 15 september 2025, dan lag het op zijn weg om (zonder talmen) een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te initiëren. Het mag nog zo zijn dat er in het kader van de gewone schorsingsvordering in beginsel geen dwingende voorwaarde geldt om diligent en voortvarend op te treden, maar dit betekent niet dat de proceshouding, de procedurele keuzes of het eventuele talmen van een verzoeker om in rechte op te treden zonder invloed blijven op de beoordeling van de spoedeisendheid, nu een schorsing immers enkel voor de toekomst uitwerking heeft. Een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, moet bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om het beweerde schadelijke gevolg nog te kúnnen weren. In functie van de omstandigheden moet de zaak dan zo spoedig mogelijk en in het licht van het gevorderde bij de Raad van State aanhangig worden gemaakt. Te dezen vallen de procedurele keuzes van XII-990910/15 verzoeker, die pas een maand na betekening onderhavige vordering heeft ingesteld en beschouwd vanuit de uiteenzetting van de geschetste nadelige gevolgen en gevorderde maatregelen, niet te rijmen met de beweerde spoedeisendheid van de vordering. Verzoeker heeft niet zo snel als mogelijk gehandeld, om het door hem beweerde nadeel zo veel als mogelijk te beperken en het door hem beoogde voordeel nog te kunnen bekomen.” Na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en valt hij de hiervoor weergegeven analyse van het auditoraat bij.
- Verzoeker voert ook aan dat er sprake is van spoedeisendheid, daar het mislopen van de opleiding de persoonlijke ontwikkeling, de loopbaanontwikkeling en de doorgroei van verzoeker hypothekeert. Dit geldt volgens verzoeker des te meer gelet op zijn anciënniteit, de leeftijdsgrenzen voor bevordering en de pensioenleeftijd die verzoeker “binnen enkele jaren” zal bereiken. Daar hij 54,5 jaar oud is en de opleiding slechts éénmaal om de vier jaar wordt georganiseerd, meent hij het reële vooruitzicht op een bevordering tot hoofdcommissaris te verliezen. Met deze gegevens toont verzoeker evenwel niet aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die de zaak spoedeisend maken. Het weze herhaald dat wie deelneemt aan een selectieprocedure, ermee rekening moet houden dat hij niet geschikt wordt bevonden en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde (zie supra, nr. 9).
- Als bijzondere omstandigheid beroept verzoeker zich op zijn leeftijd van 54,5 jaar gekoppeld aan de leeftijdsgrenzen voor bevordering en zijn pensioenleeftijd. Dat argument overtuigt niet. Dat verzoeker thans de leeftijd heeft van 54,5 jaar, toont op zich in elk geval de spoedeisendheid niet aan, nu hij met die verwijzing naar zijn leeftijd niet aannemelijk maakt dat hij zich, vooraleer de procedure ten gronde is afgehandeld, in een toestand zal bevinden dat hij op dat ogenblik niet meer kan worden toegelaten tot de opleiding “directiebrevet”. In de mate dat verzoeker in combinatie met zijn leeftijd verwijst naar leeftijdsgrenzen XII-990911/15 voor bevordering en de pensioenleeftijd die hij “binnen enkele jaren” zal bereiken, stelt de Raad van State vast dat verzoeker geenszins uiteenzet op grond waarvan hij besluit tot een leeftijdsgrens, noch wat zijn wettelijke pensioendatum is. Verzoeker betrekt in zijn uiteenzetting ook geenszins artikel 5 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2016 ‘tot het bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ noch artikel artikel 32 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’, die respectievelijk de toelatingsvoorwaarden tot de promotieopleiding ‘hoofdcommissaris van politie’ en de bevorderingsvoorwaarden voor hoofdcommissaris van politie bevatten en die geen van beide van een enige leeftijdsdrempel gewag maken. In de mate dat verzoeker bij zijn standpunt betrekt dat de opleiding slechts éénmaal om de vier jaar wordt georganiseerd, maakt verzoeker, mede in het licht van wat voorafgaat, niet aannemelijk dat hij uitgesloten zou zijn van deelname aan een volgende opleiding – desgevallend in het kader van het na een nietigverklaring te verlenen rechtsherstel – temeer het auditoraatsverslag vaststelt dat het maximumaantal Nederlandstalige deelnemers aan de opleiding na de selectieprocedure waaraan ook verzoeker deelnam, lang niet werd bereikt.
- De vrees voor onomkeerbare gevolgen gegrond op verzoekers huidige leeftijd in combinatie met zijn wettelijke pensioenleeftijd en de gebruikelijke periodiciteit waarmee de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet wordt georganiseerd, komt de Raad van State in deze stand van het geding derhalve hoe dan ook als voorbarig voor, minstens reikt verzoeker geen concrete en overtuigende gegevens ter zake aan, die ertoe nopen anders te oordelen. Ze kan het spoedeisend karakter van de vordering niet motiveren.
- Voorts verwijst verzoeker naar het aanzienlijk inkomensverschil waarmee het verlies aan promotiekansen gepaard gaat. De omvang van een dergelijk financieel en economisch nadeel moet, om een gebeurlijke schorsing te XII-990912/15 verantwoorden, dermate zijn dat verzoeker de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Verzoeker kan zich er niet toe beperken louter aan te voeren dat hij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financieel-economische gevolgen in beginsel onomkeerbaar zijn. De Raad van State stelt vast dat verzoeker te dezen geen enkel stuk neerlegt dat toelaat de impact van de bestreden beslissing op de concrete financiële situatie van verzoeker te beoordelen om alzo desgevallend tot de onherroepelijkheid van de geleden of te lijden financiële schade te besluiten. De aangevoerde materiële nadelen op vlak van verloning volstaan bijgevolg niet om tot de spoedeisendheid van de vordering te besluiten.
- Tot slot verwijst verzoeker naar de vaste rechtspraak in het opleidingscontentieux dat er spoedeisendheid voorhanden is. In de mate dat verzoeker verwijst naar een dergelijke “vaste rechtspraak” om te besluiten dat voldaan is aan de voorwaarde van de spoedeisendheid, stelt de Raad van State vast dat, daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen, de vergelijking mank loopt. De rechtspraak waarnaar verzoeker verwijst slaat immers zonder uitzondering op onderwijsaangelegenheden.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die XII-990913/15 cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Voorlopige maatregel Vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel
- Verzoeker vraagt dat de Raad van State bij wijze van voorlopige maatregel zou bevelen dat de verwerende partij vóór de aanvang van de opleiding tot hoofdcommissaris op 15 september 2025 een nieuwe beslissing zou nemen over de toelating van verzoeker onder verbeurte van een dwangsom van 5000 euro per dag vertraging. Beoordeling
- Daar uit wat voorafgaat, blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van de spoedeisendheid en op grond daarvan de voorliggende vordering tot schorsing moet worden verworpen, moet de accessoire vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel hetzelfde lot ondergaan. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-990914/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-990915/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div