id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.569 Rolnummer: A. 245547/XIV-39863 Zaak: Arrest 264569 - Varia (economische zaken) - 20/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-22 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-17 05:37 Fiche Arrest nr 264.569 van 20 oktober 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.569 van 20 oktober 2025 in de zaak A. 245.547/XIV-39.863 In zake: BV E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christoph De Preter en Pieter Paepe kantoor houdende te 1000 Brussel Tweekerkenstraat 45 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW OMBUDSDIENST VOOR FINANCIËLE DIENSTEN (OMBUDSFIN) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gilles Laguesse en Emmanuel Van Nuffel kantoor houdende te 1050 Brussel Louizalaan 81 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 augustus 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing “genomen door Ombudsfin van 11 juni 2025 […] dat wat betreft de basisbankdienst aangevraagd door [de verzoekende partij], de bank de toekenning ervan kan weigeren, verwijzend naar de door de bank aangehaalde Verordening (en voor de USD-rekening bijkomend verwijzend naar artikel 14 en 15 van KB).” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 13 augustus 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. XIV-39.863-1/8 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025, om 15:00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christoph De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tina Mazatteri, die loco advocaten Gilles Laguesse en Emmanuel Van Nuffel verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 11 juni 2025 besluit de verwerende partij in een bindend advies dat de betrokken bank de toekenning van een basisbankdienst kan weigeren voor de verzoekende partij. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één XIV-39.863-2/8 ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- De verzoekende partij zet in het verzoekschrift de spoedeisendheid als volgt uiteen: “(ii) [De verzoekende partij] dreigt onherroepelijke schadelijke gevolgen te ondervinden door de bestreden beslissing
- De onherroepelijke schade behoeft geen verdere uitleg: een bedrijf dat geen bankrekening heeft is een vogel voor de kat en riskeert faillissement en stelt zich bloot aan strafvervolging. (iii) De belangenafweging helt over in het voordeel van [de verzoekende partij] 174 Algemeen. De Raad van State heeft de mogelijkheid om bij de beoordeling van de spoedeisendheid de impact te analyseren op alle betrokken belangen van de Bestreden Beslissingen en een eventuele schorsing hiervan. Naar oordeel van ETT moeten volgende de belangen in ogenschouw worden genomen: de belangen van [de verzoekende partij] zelf; de belangen van het personeel en de bestuurders; de belangen van de Belgische Staat en van het EU-sanctiebeleid, en met name het belang dat de Staat en de Europese Unie hebben bij het behoud van hun soevereiniteit, en het vermijden dat Europese ondernemingen en banken hun beleidsbeslissingen afstemmen op het Amerikaanse ipv het Europese beleid; de belangen van andere onschuldige burgers binnen de Unie.
- Belang van [de verzoekende partij]. Verzoekster gaat hier niet verder op in; hierboven is reeds afdoende geschetst wat de bestreden beslissingen inhoudt voor [haar].
- Belang van het personeel. [De verzoekende partij] gaat hier niet verder op in; hierboven is reeds afdoende geschetst wat de Bestreden Beslissingen inhouden voor het personeel van [de verzoekede partij: het gebrek aan een bankrekening betekent de onmogelijkheid om loon uitbetaald te krijgen en, in het geval van faillissement, jobverlies.
- Belang van de bestuurders. [De vezoekende partij] houdt eraan uw Raad specifiek te wijzen op [haar] bestuurders […], [D.] De heer [D.] is gehuwd met [H.], samen hebben zij drie kinderen. Zij hebben in het verleden financiële engagementen aangegaan in persoonlijke naam, in het kader van hun gedreven ondernemerschap. Het “omvallen” van [de verzoekende partij] zal ook voor de leden van de familie [D.] leiden tot groot economisch en psychologisch verlies. Op dit ogenblik hebben schuldeisers reeds uitgevoerd op hun gezinswoning. [D.] en [H.] hebben in dit verband een verzetsprocedure ingesteld voor de Rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent ([…]). XIV-39.863-3/8
- Belang van andere onschuldige burgers en rechtspersonen. Helaas is [de verzoekende partij] niet de enige bona fide persoon die in het vizier komt van de OFAC-sancties, terwijl deze naar EU-recht vrij is van elke schuld. [De verzoekende partij] schat dat enkele tientallen (wellicht rond de 100) EU-burgers in dezelfde situatie verkeren. Het gaat bv. om de openbaar aanklager en bepaalde rechters van het Internationaal Strafhof, die tevens onderworpen zijn aan de fratsen van het Amerikaanse sanctiebeleid. Het gaat om mevrouw [X.], gezant bij de VN inzake de problematiek van de bezette Palestijnse gebieden. Het gaat ook om een Sloveense persoon “LH”, wiens rechtszaak momenteel hangt bij het Hof van Justitie. Het is van belang voor de basisbankdienstpraktijk zowel in België als in ander EU- lidstaten dat snel duidelijkheid komt voor deze personen. Zij zijn op dit ogenblik het slachtoffer van een combinatie van onverantwoord overheidsoptreden vanwege de USA, gecombineerd met een bovenmatig cynisme van de Europese bankensector. Met de bestreden beslissing moet Ombudsfin tot de orde worden geroepen om toekomstige gelijkaardige dwalingen te vermijden.
- Belang van het EU-sanctiebeleid. Het spreekt voor zich dat ook het belang van een effectief EU-sanctiebeleid mee in rekening moet worden gehouden. De bestreden beslissing en de weigeringsbeslissing van [de bank] doorkruisen volledig het EU-sanctie- en embargobeleid, doordat burgers en rechtspersonen die in regel zijn met de EU-sancties en EU-embargo’s, tóch van bankdiensten worden uitgesloten, en dit op basis van een Amerikaans overheidshandelen dat volledig strijdt met de meest essentiële fundamentele rechten (recht op een eerlijk proces en vermoeden van onschuld).” Beoordeling 6 Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar XIV-39.863-4/8 verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd.
- In het verzoekschrift beperkt de verzoekende partij zich ertoe te stellen dat de onherroepelijke schade geen verdere toelichting behoeft, aangezien een onderneming zonder bankrekening “een vogel voor de kat” is, het risico loopt op faillissement en zich blootstelt aan strafvervolging. Niet onder de titel ‘spoedeisendheid’, maar in een afzonderlijke rubriek van haar verzoekschrift, verwijst zij naar wettelijke bepalingen die volgens haar aantonen dat het ontbreken van een bankrekening neerkomt op een schending van de strafwet. Met deze uiteenzetting voldoet de verzoekende partij niet aan haar stel- en bewijsplicht. Dat het niet kunnen ondernemen zonder bankrekening aanzienlijke (financiële) gevolgen heeft – of minstens kan hebben – laat zich vermoeden, nu bancaire dienstverlening zonder meer essentieel lijkt om een onderneming te kunnen voeren. Om de Raad van State er echter van te overtuigen dat de impact hiervan redelijkerwijze niet kan worden gedragen tot er uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring, mag van de verzoekende partij XIV-39.863-5/8 op zijn minst worden verwacht dat zij deze impact toelicht en betrekt op haar individuele situatie. De verzoekende partij verzuimt dit te doen en beschouwt het daarentegen als een evidentie dat zij – zonder enige staving door bewijs(stukken) of inzicht in haar (financiële) toestand – door het ontbreken van een bankrekening in een dermate precaire (financiële) situatie terechtkomt, dat mag worden aangenomen dat zij de duur van een annulatieprocedure niet zal kunnen dragen. Volgens haar rechtvaardigt dit dat haar vordering met voorrang wordt behandeld. Daarbij gaat zij evenwel voorbij aan de eerder uiteengezette vereiste dat spoedeisendheid niet wordt vermoed, ongeacht de aard van de bestreden beslissing. De impact van het gebrek aan bancaire dienstverlening op haar (financiële) toestand ontslaat haar dan ook niet van de verplichting om, zelfs indien zij meent dat de onherroepelijke schade “geen verdere uitleg” behoeft, de nodige concrete stavingsstukken aan te brengen op basis waarvan de Raad van State, na wederhoor, over de merites kan oordelen. Het is immers niet aan de Raad van State om zich in een soort fact-finding mission te begeven en zelf op zoek te gaan naar bewijs van de ernstige of onherroepelijke gevolgen die de bestreden beslissing zou teweegbrengen indien de vordering niet wordt ingewilligd. De verwijzing ter terechtzitting naar arrest nr. 257.508 van 3 oktober 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.257.508), waarin volgens de verzoekende partij de spoedeisendheid besloten lag in de bestreden beslissing, leidt niet tot een andere conclusie. Daargelaten dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent en de verzoekende partij daaruit dus geen regel kan afleiden, blijkt uit het aangehaalde arrest dat de verzoekende partij in die zaak “met concrete elementen en met de vereiste stavingsstukken uiteenzet hoe zij op bijzondere wijze getroffen wordt door de bestreden beslissingen”. Bovendien merkt de Raad van State op dat in het door de verzoekende partij overgelegde “bijzonder verslag van de bestuurder aan de algemene vergadering van 7 maart 2025” wordt vermeld dat “alle betalingen moeten gebeuren via het principe van ‘derde-betalingen’ door klanten en familie.” De verzoekende partij verzuimt echter dit element te betrekken in haar stelling dat zij een “vogel voor de kat” is, en in het bijzonder te onderbouwen waarom deze betalingsmodaliteiten zonder bankrekening thans niet langer toelaten om de XIV-39.863-6/8 nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing persoonlijk te dragen gedurende de normale doorlooptijd van de annulatie- procedure, en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Eenzelfde vaststelling geldt wat het argument van de verzoekende partij betreft, dat zij zich blootstelt aan strafvervolging en waarbij zij zich beperkt tot het verwijzen naar wettelijke bepalingen. Ook dit enkele feit doet op zich niet overtuigen dat de impact hiervan redelijkerwijze niet gedragen kan worden tot een uitspraak volgt over het beroep tot nietigverklaring,
- In een afzonderlijke rubriek beroept de verzoekende partij zich op “aanzienlijke economische schade”. De voornaamste oorzaak van de aangevoerde economische achteruitgang lijkt echter de opname van de verzoekende partij op de sanctielijst van OFAC in de Verenigde Staten te zijn. Los van de vaststelling dat een ernstig financieel nadeel op zich onvoldoende is en geen afbreuk doet aan de verplichting van de verzoekende partij om concrete, op haar situatie toegespitste gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij niet kan wachten op een uitspraak ten gronde, slaagt de verzoekende partij er niet in om een voldoende rechtstreeks causaal verband aan te tonen tussen de omzetdaling en de bestreden beslissing. Meer bepaald wordt niet duidelijk gemaakt dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ertoe zou leiden dat de aanzienlijke schade (ex nunc) wordt weggenomen. Een dergelijke schorsing neemt immers de voornaamste oorzaak van de omzetdaling niet weg, aangezien zij er niet toe leidt dat de verzoekende partij van de sanctielijst wordt geschrapt – althans, de verzoekende partij onderbouwt dit niet met concrete gegevens of stukken.
- De verzoekende partij nodigt tot slot ook uit tot “een belangenafweging” waarbij zij vraagt haar belangen, die van het personeel en de bestuurders, de belangen van de Belgische Staat en van het EU-sanctiebeleid en van andere onschuldige burgers binnen de Europese Unie, in ogenschouw te nemen. XIV-39.863-7/8 De spoedeisendheid dient evenwel te bestaan in hoofde van de verzoekende partij zelf. Gevolgen voor derden – zoals de door de verzoekende partij aangehaalde personen en overheden – volstaan niet om spoedeisendheid te onderbouwen, aangezien zij niet aantonen dat de verzoekende partij persoonlijk in een situatie van onherroepelijke en schadelijke gevolgen terechtkomt.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij geen overtuigende en gestaafde redenen aanvoert waarom zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.
- De spoedeisendheid is niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.863-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.