← België

Arrest 264604 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.604 Rolnummer: A. 241587/IX-10447 Zaak: Arrest 264604 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-23 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-14 04:07 Fiche Arrest nr 264.604 van 22 oktober 2025 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping overige Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.604 van 22 oktober 2025 in de zaak A. 241.587/IX-10.447 In zake: K.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman Van Maldeghem kantoor houdend te 9030 Gent Brugsevaart 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Gent bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 maart 2024, strekt tot het verkrij- gen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van arrest nr. 258.601 van 26 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie inge- diend. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. IX-10.447-1/19 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pascal Lahousse, die loco advocaat Herman Van Mal- deghem verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. Aanleiding tot het verzoek 3.
  6. Tijdens het schooljaar 2019-2020 is verzoeker middels een tij- delijke aanstelling voor bepaalde duur (TABD) met een opdracht van 12/20 te- werkgesteld als leraar niet-confessionele zedenleer in het KTA MoBi te Gent (thans Tectura Gent-centrum), waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op 18 mei 2020 oordeelt de eerste evaluator van verzoeker dat hij “niet [voldoet] voor het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur” (TADD) omwille van enkele werkpunten. IX-10.447-2/19 Verzoeker stelt hiertegen een beroep in bij de raad van bestuur van de scholengroep, die op 9 juni 2020 de ‘beoordeling met werkpunten’ beves- tigt. Bij arrest nr. 258.601 van 26 januari 2024 vernietigt de Raad van State voormelde beslissing van de raad van bestuur, na te hebben vastgesteld dat de beoordeling is toegekend door een onbevoegde eerste evaluator. 3.
  7. In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat hij “pas op 31 augustus 2019 [versta: 2020], toen hij zich ter plaatse begaf bij KTA MoBi, geconfronteerd [werd] met het feit dat een andere leerkracht zijn plaats had inge- nomen”. Hij deed hierover per e-mail navraag bij de inspecteur niet-confessionele zedenleer: “Ik neem aan dat dit het gevolg was van de onvoldoende, die ik had gekregen voor mijn beoordeling, en waardoor mijn recht op TADD is uitgesteld, waardoor een andere leerkracht met TADD rechten voorrang heeft en die uren heeft gekregen. Klopt dat?”, waarop hij het volgende antwoord kreeg: “Dat klopt.” IV. Onderzoek A. De gevorderde schadevergoeding – standpunt van de partijen
  8. Verzoeker zet uiteen dat hij vanwege het gebrek aan mededeling van de bestreden beslissing, geen tewerkstelling in het schooljaar 2020-2021 kon vinden binnen een korte termijn. Om die reden moest hij zich noodgedwongen wenden tot de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen. In de periode van september 2020 tot september 2022 kon hij slechts een tweetal in tijd beperkte aanstellingen voor beperkte duur verkrijgen. Volgens verzoeker duurde het tot september 2022 alvorens hij een voltijdse TABD vond. IX-10.447-3/19 Aan de hand van die uiteenzetting schetst verzoeker twee scha- deposten, namelijk een verlies aan loon en een verlies aan anciënniteit omdat zijn tewerkstelling bij de verwerende partij niet is voortgezet. In het kader van de eerste schadepost (loonverlies) argumenteert verzoeker dat hij steeds vragende partij was voor een volledig uurrooster. Hij meent dat hij bij een positieve beoordeling vanaf september 2020 naar een volledige te- werkstelling was gegaan. Verzoeker begroot de schade vanwege inkomensverlies op 30.544,37 euro, wat hij verantwoordt aan de hand van een overzicht van zijn effectief loon (of werkloosheidsuitkeringen) afgezet tegen een simulatie van de si- tuatie bij voltijds loon over de betrokken periode. De schade vanwege het verlies van geldelijke anciënniteit in de toekomst begroot verzoeker op een totaal van 46.059,67 euro. In een bijbehorende toelichting maakt hij een berekening van het gemiddelde verlies aan inkomen per maand vanwege het verschil in anciënniteit en de weerslag daarvan op de uitge- stelde bezoldiging in juli en augustus, vakantiegeld en eindejaarspremie. Die bere- kening voert hij uit voor de periode vanaf maart 2024 tot zijn wettelijke pensioen- gerechtigde leeftijd in het jaar
  9. Tot slot argumenteert verzoeker dat de bestreden beslissing im- materiële en morele schade teweegbracht, die hij ex aequo et bono begroot op 25.000 euro.
  10. In zijn laatste memorie stelt verzoeker het niet eens te zijn met de redenering die uitgaat van een opdrachtbreuk van 12/20 en alzo besluit dat er geen loonverlies zou zijn. Hij wijst erop dat hem geen nieuwe aanstelling werd verleend en dat uit de navolgende aanstellingen in 2022-2023 blijkt dat hij een voltijdse aanstelling ambieerde. Het is voor hem onmogelijk te bewijzen dat hij als TADD een voltijdse aanstelling zou hebben verkregen. Het is voldoende dat hij de schade aannemelijk maakt (wat hij doet doordat hij bewijst een aanstelling voor IX-10.447-4/19 meer uren verkregen te hebben in 2022-2023 en erna) of minstens deze kans ver- loren heeft om meer uren te kunnen krijgen. Het hogere effectieve salaris verkreeg verzoeker net door méér uren te presteren en kan dan ook niet in mindering ge- bracht worden op de schade. Wanneer verzoeker voor een bepaalde maand meer uren gepresteerd heeft, is er voor die maand geen schade en kan deze onmogelijk gecompenseerd worden met andere maanden. Verzoeker meent dat zijn schadebe- rekening voor gederfd loon correct is en hij herneemt deze ongewijzigd in zijn laatste memorie. Verzoeker wijst erop dat ook zijn anciënniteit niet is hersteld en hij herneemt deze schadepost. Ook wat het morele leed betreft, handhaaft verzoeker de schade- post en merkt hij op dat hij een stressvolle periode heeft meegemaakt, wat niet ongedaan gemaakt wordt door het arrest.
  11. In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij het auditoraatsverslag, waarin de verwerping van het verzoek wordt voorgesteld. Specifiek wat de anciënniteit betreft, wenst de verwerende partij nog op te merken dat de arresten van de Raad van State erga omnes gelden, dus ook tegenover de Vlaamse Gemeenschap. Indien de weddeberekening hiermee geen rekening houdt, kan verzoeker ook zelf een rechtzetting vragen. B. Onwettigheid
  12. Uit arrest nr. 258.601 blijkt dat aan verzoeker een beoordeling is toegekend door een daartoe onbevoegde evaluator. De onwettigheid van de akte staat vast. IX-10.447-5/19 C. Het geleden nadeel dat niet door het vernietigingsarrest is hersteld 8.
  13. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis RvS-Wet kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de nietigverklaring niet volledig is hersteld. De bij arrest nr. 258.601 uitgesproken nietigverklaring houdt in, gelet op het onlosmakelijk ermee verbonden motief, dat gehandeld moet worden alsof er vóór 30 juni van het betrokken schooljaar geen door een bevoegde evalu- ator opgestelde beoordeling over verzoeker als TABD tot stand is gekomen. Dat betekent dan weer dat verzoeker op grond van het toepasselijke rechtspositiede- creet geacht wordt te voldoen aan de voorwaarde van een positieve beoordeling. Dat betekent evenwel nog niet, dat verzoeker geacht moet wor- den het daaropvolgende schooljaar te zijn aangesteld als TADD. 8.
  14. De erkenning van verzoekers recht op TADD, die volgt uit het vernietigingsarrest, volstaat niet om een verplichting voor de verwerende partij in het leven te roepen om verzoekers loopbaan retroactief te reconstrueren. Aangezien de verwerende partij hierover het stilzwijgen be- waart, moet worden aangenomen dat verzoeker voor het overige voldeed aan de voorwaarden, onder meer op het vlak van anciënniteit, om vanaf het schooljaar 2021-2022 bij de verwerende partij zijn recht op TADD te doen gelden. Aangezien de verwerende partij ook hierover het stilzwijgen be- waart, moet eveneens worden aangenomen dat zij na het arrest spontaan geen en- kele beslissing heeft genomen om verzoeker op welke wijze dan ook bijkomend rechtsherstel te geven voor de periode die aan het arrest voorafgaat. Er is, met an- dere woorden, geen enkele compensatie hetzij in natura hetzij als vervangende IX-10.447-6/19 maatregel ten gunste van verzoeker gevolgd en de verwerende partij beweert even- min dat nog rechtsherstel in natura mogelijk is. De opmerking van de verwerende partij dat het vernietigingsarrest erga omnes geldt, treft geen doel: het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest maakt van verzoeker geen door haar aange- steld personeelslid. Zonder een constitutieve beslissing daartoe van de verwerende partij, is er voor de Vlaamse Gemeenschap geen grond om verzoekers wedde of anciënniteit aan te passen op grond van prestaties die verzoeker niet heeft gepres- teerd en bij gebrek aan een beslissing van de verwerende partij ook niet geacht kan worden te hebben gepresteerd. Hieruit volgt, dat het verzoeker is toegelaten een vergoeding te vorderen voor de materiële en de morele schade die hij ingevolge de vastgestelde onwettigheid heeft geleden en die niet volledig is goedgemaakt door de nietigver- klaring. 8.
  15. Aangezien verzoeker aan het vernietigingsarrest niet recht- streeks een recht kan ontlenen om effectief aangesteld te worden als TADD, is het nadeel dat hij vermag aan te voeren het verlies van een kans om zo een aanstelling te krijgen. Ook het verlies van een kans kan een vergoedbare schade uitmaken. Over die kans hierna meer. D. Het causaal verband
  16. Het valt een verzoekende partij toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat zij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid.
  17. Hoewel niet vaststaat dat verzoeker een gunstige beoordeling zou hebben gekregen, indien deze was uitgevoerd door de bevoegde evaluator en evenmin uit een gunstige beoordeling automatisch volgt dat hij effectief een IX-10.447-7/19 aanstelling voor doorlopende duur zou hebben verkregen, staat wel vast dat ver- zoeker zonder de begane onwettigheid een kans zou hebben gekregen om met een gunstige beoordeling zijn recht op TADD te doen gelden en aldus een TADD te verkrijgen. Het oorzakelijk verband tussen de begane onwettigheid, enerzijds, en het verlies van een kans, anderzijds, staat bijgevolg vast. De omstandigheid dat het niet zeker is dat verzoeker zonder de begane onwettigheid een gunstige beoordeling zou hebben gekregen, doet daaraan geen afbreuk, maar is wel relevant voor de begroting van de omvang van de schade, wat nader wordt toegelicht sub
  18. Niet blijkt dat verzoeker na arrest nr. 258.601 van 26 januari 2024 een nieuwe beslissing van de verwerende partij heeft afgedwongen op grond van zijn aanspraken op een TADD. Vanaf die uitspraak bevindt verzoeker zich in rechte in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden, zo hij toentertijd een positieve beoordeling had gekregen. Zijn stilzitten heeft tot gevolg dat het causaal verband tussen de vastgestelde onwettigheid en eventuele schade door eigen toe- doen is verbroken en dat hij geen schadevergoeding kan vorderen voor de periode vanaf de uitspraak, aangezien die schade niet het rechtstreekse gevolg is van de vastgestelde onwettigheid. Overigens beperkt verzoeker zijn schadeposten in zijn overzichtstabel effectief tot februari
  19. Dat verzoeker geen nieuwe tewerkstelling kon vinden omdat hij niet werd ingelicht, staat los van de toegekende beoordeling zelf maar houdt ver- band met de kennisgeving ervan. Bovendien wordt bedacht, dat tijdelijke perso- neelsleden in het onderwijs jammer genoeg vaak moeten verdragen dat er pas kort vóór de start van het schooljaar, en soms slechts erna, duidelijkheid komt over het beschikbare uurrooster. Dat heeft te maken met tal van factoren, zoals het aantal inschrijvingen van leerlingen en hun studiekeuzes, sollicitaties van andere leer- krachten met grotere aanspraken of de terugkeer van een vast benoemde naar een niet-vacante opdracht. Ook als verzoeker zijn recht op TADD had kunnen doen IX-10.447-8/19 gelden, was het niet geheel uitgesloten dat hij later te horen zou krijgen dat hij moest wijken voor een personeelslid met méér rechten. Mogelijke nadelen die vol- gen uit de laattijdige informatie, zijn niet het gevolg van de vastgestelde onwettig- heid en komen niet voor vergoeding in aanmerking. E. Omvang van de te vergoeden schade a. verlies van een kans
  20. Verzoeker neemt als uitgangspunt dat hij ingevolge de nietigver- klaring van de beslissing van de raad van bestuur bij ’s Raads arrest nr. 258.601, geacht moet worden een positieve beoordeling te hebben gekregen. Dat is voor zijn schadebegroting evenwel een verkeerde redenering. In het kader van de schadever- goeding tot herstel, moet een andere gedachteoefening worden gemaakt en moet de schade worden onderzocht en begroot vanuit de veronderstelling dat de onre- gelmatigheid niet zou zijn gebeurd. Er moet, met andere woorden, worden uitgegaan van de hypo- these dat verzoeker tijdig is beoordeeld door een bevoegde evaluator.
  21. Dat die bevoegde evaluator verzoeker een positieve beoordeling zou hebben gegeven, is geenszins verworven. Nu de beoordeling van verzoeker niet is vernietigd wegens een materiële onwettigheid, maar wel wegens een procedurele misstap, namelijk de onbevoegdheid van de evaluator in kwestie, heeft de Raad zich in de annulatiepro- cedure niet uitgesproken over de motieven van de toegekende beoordeling. Het valt de Raad van State niet toe om thans in het kader van een onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding in de plaats van het bestuur te oordelen over de prestaties van verzoeker als TABD in het schooljaar 2019-
  22. IX-10.447-9/19 Het is geenszins uitgesloten dat verzoeker vanwege de bevoegde evaluator óók een beoordeling met werkpunten zou hebben gekregen en zelfs een negatieve beoordeling behoort tot de mogelijkheden, waarbij aangenomen wordt dat de raad van bestuur bij een eventueel beroep de beoordeling zou bevestigen. De onzekerheid of de bevoegde evaluator wel of niet een beslis- sing zou hebben genomen met dezelfde draagwijdte als de onwettig verklaarde be- slissing, betekent dat verzoeker slechts een kans heeft verloren op het vermijden van het nadeel dat hij beweert te hebben geleden omwille van de onwettige hande- ling. De door verzoeker geleden schade is het gevolg van het verlies van een kans. Wanneer het onzeker is of de vastgestelde onwettigheid van de bestreden beslissing een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade omdat de schade zich ook kon hebben voorgedaan indien de bestreden beslissing rechtmatig was geweest, heeft de benadeelde recht op een gedeeltelijke schadeloosstelling voor de schade in ver- houding tot de waarschijnlijkheid waarmee de onwettigheid van de bestreden be- slissing de schade heeft veroorzaakt. De omstandigheid dat het niet zeker is dat het personeelslid zon- der de begane onwettigheid een positieve beoordeling (en dus een recht op TADD) zou hebben gekregen, doet geen afbreuk aan het verlies van een kans daartoe, maar is wel relevant voor de begroting van de schade. Voor de begroting van de schade, moet bijgevolg rekening wor- den gehouden met de kans op een positieve beoordeling die, bij gebrek aan nadere informatie, door de Raad naar billijkheid op één op drie wordt gesteld. b. weddeverlies
  23. Verzoeker berekent zijn weddeverlies vanuit de aanname dat hij gewis een aanstelling voor doorlopende duur én dan nog een TADD met een vol- ledig uurrooster zou hebben gekregen. Bij de begroting van het salaris waarop hij IX-10.447-10/19 recht zou hebben gehad in de periode van september 2020 tot januari 2024, gaat hij uit van een voltijdse opdracht met een volledige opdrachtbreuk in de salaris- schaal met kengetal
  24. Hierin kan hij niet worden bijgevallen. Het komt een verzoe- kende partij toe het bewijs te leveren van de geleden schade. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat hij zelfs na een positieve beoordeling en het verwerven van een recht op TADD effectief een opdracht met een volledige opdrachtbreuk zou hebben verkregen. In het inleidend verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel voert hij enkel aan dat hij “steeds vragende partij voor een volledig uurrooster” was, “zonder problemen een volledig uurrooster [zou] bekomen hebben” en “[n]aar alle waarschijnlijkheid […] vanaf september 2020 bij een positieve beoordeling dan ook naar een volledige tewerkstelling [zou zijn] gegaan”. Dat zijn slechts wensen en gissingen. Verzoeker laat echter na om die persoonlijke overtuiging ook aan de hand van concrete overtuigingsstukken te staven, minstens om ze voldoende aannemelijk te maken, bijvoorbeeld aan de hand van een vacature voor een vol- tijdse betrekking. Bij gebrek aan dergelijke overtuigingsstukken kan niet zonder meer worden aangenomen dat verzoeker aanspraak zou kunnen maken op een ver- lies van (een kans op) het salaris dat zou voortvloeien uit een opdracht met een volledige opdrachtbreuk. Als verzoeker van de bevoegde evaluator een positieve beoorde- ling zou hebben gekregen, dan verwierf hij het recht op TADD. Dat leert evenwel nog niets met zekerheid over zijn tewerkstelling in de navolgende schooljaren. Het betekent enkel dat hij voorrang verwerft op sommige andere tijdelijke personeels- leden. Verzoeker toont niet aan dat hij als TADD méér uren zou krijgen, laat staan een voltijds uurrooster. Evenzogoed zou hij in concurrentie kunnen zijn gekomen IX-10.447-11/19 met vast benoemden of met andere TADD die grotere aanspraken laten gelden – inzonderheid met de sub 3.2 vernoemde persoon die in dezelfde uren is aange- steld en waarvoor hij als TABD moest wijken – en finaal zelfs als TADD zonder lesopdracht zijn gebleven. Maar ook dit is enkel speculatie. Gelet op de stukken die aan de Raad zijn voorgelegd en het stil- zwijgen van de verwerende partij in andere zin, acht de Raad van State het daarom aannemelijk dat verzoeker, mits hij zich kon beroepen op een recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur, zicht zou hebben gehad op eenzelfde opdracht met opdrachtbreuk 12/20 zoals in het schooljaar 2019-
  25. In zijn e-mail van 12 november 2020 geeft hij immers aan dat hij vaststelde dat “een andere leer- kracht de uren had gekregen, die ik had in 2019-2020”. Daarom mag, bij gebrek aan andere informatie, ervan worden uitgegaan dat verzoeker als TADD de uren waarin hij als TABD was aangesteld, zou hebben behouden.
  26. In het auditoraatsverslag is een gedetailleerde en onderbouwde berekening opgenomen van het theoretische weddeverlies voor de periode van sep- tember 2020 tot januari 2024 op basis van een opdrachtbreuk van 12/20, opgesplitst volgens maandsalaris, uitgestelde bezoldiging voor de maanden juli en augustus, vakantiegeld en eindejaarstoelage. Verzoeker betwist wel de toepassing van deze opdrachtbreuk, maar geeft geen kritiek op de becijfering zelf. De verwerende partij verklaart in haar laatste memorie zich aan te sluiten bij het auditoraatsverslag en weerspreekt deze berekening evenmin. In die omstandigheden kan de Raad de berekeningswijze van het auditoraat bijvallen, waarbij wordt vastgesteld dat het netto-inkomen waarop ver- zoeker recht zou hebben gehad bij een opdracht van 12/20 voor die periode begroot wordt op 95.707,13 euro.
  27. Artikel 11bis RvS-Wet strekt er evenwel slechts toe verzoeker voor de werkelijk geleden schade te vergoeden. Terecht weerspreekt verzoeker niet IX-10.447-12/19 het principe dat rekening moet worden gehouden met inkomsten die hij in diezelfde periode effectief heeft genoten. Rekening wordt gehouden met de inkomsten – werkloosheids- uitkeringen en beroepsinkomsten – zoals verzoeker die in de feiten heeft genoten. Anders dan verzoeker evenwel betoogt, moet die compensatie niet maand per maand beschouwd worden, maar wel overheen de volledige periode als geheel. Immers, indien verzoeker zonder de vastgestelde onwettigheid gedurende dezelfde periode voor doorlopende duur was aangesteld bij de verwerende partij zou hij het inkomen dat hij in die periode effectief elders heeft verworven, niet hebben kunnen genieten.
  28. Het auditoraat heeft de in de betrokken periode werkelijk geno- ten inkomsten van verzoeker gecontroleerd aan de hand van de door verzoeker neergelegde stukken, inzonderheid diens aangiftes in de personenbelasting. Op grond van zijn bevindingen heeft het auditoraat vervolgens de door verzoeker op- gegeven sommen verbeterd. Verzoeker heeft die verbeteringen niet betwist in zijn laatste memorie. Gelet op deze rechtzettingen, mag het totale bedrag aan effec- tieve netto-inkomsten van verzoeker in de bewuste periode worden vastgesteld op 105.829,85 euro.
  29. Hieruit moet worden besloten dat verzoeker, vergeleken met de situatie waarin hij zijn betrekking bij de verwerende partij had voortgezet aan de hand van eenzelfde opdrachtbreuk, in de periode van september 2020 tot januari 2024, geen daadwerkelijk inkomensverlies heeft geleden. Hij heeft daarentegen, ten gevolge van zijn betrekking met een volledige opdrachtbreuk een hoger inko- men genoten (105.829,85 euro) in vergelijking met het verloren inkomen waarop verzoeker aanspraak zou maken als hij zijn toenmalige opdracht had voortgezet (95.707,13 euro). IX-10.447-13/19
  30. De schadepost wegens inkomensverlies wordt verworpen. c. anciënniteitsverlies
  31. Zoals hiervóór is uiteengezet, heeft verzoeker een kans verloren om, na een gunstige beoordeling door de bevoegde evaluator, een TADD-aanstel- ling te verkrijgen en op die basis wedde-anciënniteit op te bouwen. Ook dat verlies van een kans komt in aanmerking voor vergoeding.
  32. Voor de periode tot aan het arrest (januari 2024) is gebleken dat verzoeker méér inkomen had dan waar hij op grond van de gemiste kans aanspraak op kon maken. Die simulatie hield ook rekening met de anciënniteitsaanpassingen, zodat hij voor die periode om dezelfde reden ook geen anciënniteitsverlies kan re- cupereren. De navolgende berekening betreft bijgevolg het anciënniteitsgebonden weddeverlies vanaf februari
  33. Op het einde van verzoekers TABD had hij een anciënniteit ver- worven van 6 jaar en 4 maanden (6j4m). Rekening houdend met de naderhand door hem gepresteerde op- drachten staat de teller voor verzoeker einde januari 2024 op 8 jaar en 3 maanden (8j3m). Bij een doorlopende tewerkstelling zou dat zijn geweest: (6j4m + 3j5m=) 9 jaar en 9 maanden (9j9m). Het verschil is (9j9m-8j3m=) 1 jaar en 6 maanden (of 18 maan- den). Volledigheidshalve mag worden opgemerkt dat voor de bereke- ning van de geldelijke anciënniteit geen onderscheid wordt gemaakt tussen IX-10.447-14/19 deeltijdse en voltijdse prestaties. Met andere woorden, ook met een opdracht van 12/20 zou verzoeker de anciënniteit opbouwen zoals hiervóór berekend.
  34. Verzoeker heeft, op basis van de verkeerde veronderstelling dat zijn toekomstig verlies aan geldelijke anciënniteit aan 100% berekend moet wor- den – dus 18 maanden – deze op beredeneerde wijze begroot op 46.059,67 euro. De berekeningswijze, die hij in de bijlagen bij zijn verzoekschrift heeft toegelicht, is door de verwerende partij op zich niet betwist, zodat de Raad ze overneemt, maar rekening houdend met de leer van de gemiste kans, om de hiervóór gegeven rede- nen, tot één derde vermindert. De aan verzoeker toe te kennen schadevergoeding voor verlies aan geldelijke anciënniteit bedraagt dan (46.059,67/3=) 15.353,22 euro. d. moreel nadeel
  35. Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding tot herstel moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden be- stuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekende partij toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft.
  36. Verzoeker verantwoordt de gevorderde morele schadevergoe- ding in het inleidend verzoekschrift als volgt: “Ten tweede heeft deze onwettige beslissing ook zijn tol geëist op mentaal vlak voor verzoeker. Hij werd onverwachts geconfronteerd met het einde van zijn tewerkstelling. Deze stressvolle periode had zijn weerslag zowel op professioneel als privé vlak. Verzoeker moest op zoek naar een nieuwe school zonder TADD. Daarbij kwam nog eens een negatieve beoordeling met werkpunten, wat het solli- citeren aanzienlijk moeilijker maakte. IX-10.447-15/19 Ook op professioneel niveau heeft verzoeker gedurende twee jaar geen vaste tewerkstelling gehad, wat resulteert in een gat van twee jaar in zijn curriculum vitae. Dit brengt met zich mee dat hij zich moet verantwoorden naar toekomstige werkgevers en dat hij bij het solliciteren herinnerd wordt aan deze gebeurtenis. Het niet bekomen van een vaste voltijdse betrekking binnen zijn geprefe- reerde geografische locatie in Gent, en het stigma dat op verzoeker rust, heeft eveneens een immense impact gehad. Verzoeker kon ook geen TADD bekomen binnen de desbetreffende scho- lengroep GO!. Hierdoor zit verzoeker met een aanzienlijk nadeel aangezien hij nog steeds een tewerkstelling binnen de geografische zone en deze scho- lengemeenschap (Gent) ambieert in de toekomst in deze regio. Verzoeker zag zich ook verplicht om in andere scholengroepen te sollicite- ren.”
  37. Verzoeker beweert dat het solliciteren “aanzienlijk moeilijker” verliep ingevolge de hem toegekende beoordeling met werkpunten. Hij laat even- wel na om dit te concretiseren, zodat hij de Raad niet ervan overtuigt dat dit moreel nadeel zich effectief heeft gemanifesteerd en nog minder dat het voor vergoeding in aanmerking komt.
  38. Volgens verzoeker had de beslissing ook een weerslag op “privé vlak”, maar hij laat na daarover enige toelichting te geven, zodat er geen rekening mee kan worden gehouden.
  39. Evenmin maakt verzoeker concreet inzichtelijk hoe de schade zich zou hebben gemanifesteerd in verband met “het stigma dat op verzoeker rust”, laat staan hoe die beweerde schade niet geheel verholpen is door de nietigverkla- ring van de bestreden beslissing. In dat verband mag eraan worden herinnerd dat eenieder die is aangesteld als TABD – als het ware in een proefperiode voor een latere TADD – aan een beoordeling wordt onderworpen en er rekening moet mee houden dat die níét positief is. De teleurstelling die daarmee gepaard gaat, is een nadeel dat inherent is aan een proefperiode en komt al om die reden niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking. Een beoordeling met werkpunten is overigens geen IX-10.447-16/19 negatieve beoordeling en is niet uitzonderlijk. Verzoeker voert niet aan dat de be- oordeling met werkpunten is verlopen in bewoordingen of omstandigheden die voor hem van speciaal grievende aard zijn.
  40. Ten slotte mag nogmaals worden herhaald dat de vastgestelde onwettigheid geenszins waarborgt dat verzoeker een gunstige beoordeling had ge- kregen, mocht ze niet hebben plaatsgevonden. Omgekeerd heeft verzoeker ingevolge het vernietigingsarrest op moreel vlak thans méér dan enkel een kans op een positieve beoordeling: gelet op het met de nietigverklaring onlosmakelijk verbonden motief, moet verzoeker wor- den geacht een gunstige beoordeling gekregen te hebben (en moeten de verwerende partij en derden in de toekomst daarnaar handelen). Ook verzoeker kan zich bijgevolg sedert dat arrest bij de verwe- rende partij beroepen op zijn recht op TADD. Dat betekent dat het arrest is tege- moetgekomen aan zijn ambities voor “een tewerkstelling binnen de geografische zone en deze scholengemeenschap (Gent)”. Van de weeromstuit kan verzoeker geen nadeel meer hardmaken dat verband zou houden met een verantwoording die hij zou moeten geven bij andere toekomstige werkgevers, die hij overigens ook kan informeren over het vernietigingsarrest.
  41. Met de gegevens waarvan verzoeker in zijn uiteenzetting gewag maakt, toont hij niet aan dat het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden en dat hij een ander moreel leed heeft geleden dat voor ver- goeding in aanmerking komt.
  42. De schadevergoeding voor morele schade wordt verworpen. IX-10.447-17/19 e. intresten
  43. Verzoeker vraagt het “loonverlies en verlies aan anciënniteit tot en met februari 2024 […] te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de desbetreffende maanden, en de gerechtelijke intresten vanaf heden”, het “verlies aan anciënniteit vanaf maart 2024 […] te vermeerderen met de gerechtelijke in- tresten vanaf heden” en de “immateriële schade […] te vermeerderen met de ge- rechtelijke intresten vanaf heden”.
  44. Die vraag, waarop de verwerende partij niet reageert, wordt gelet op wat voorafgaat enkel ingewilligd wat de schadevergoeding voor het anciën- niteitsverlies betreft, met dien verstande dat gerechtelijke intresten lopen vanaf de datum van de uitspraak (“heden”) tot aan de datum van de gehele betaling. BESLISSING
  45. Aan K.W. wordt een schadevergoeding tot herstel toegekend ten bedrage van 15.353,22 euro, meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet.
  46. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige.
  47. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot scha- devergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-10.447-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig oktober tweeduizend vijf- entwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.447-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.