← België

Arrest 264618 - Overheidsopdrachten - 22/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 Rolnummer: A. 246010/XIV-39883 Zaak: Arrest 264618 - Overheidsopdrachten - 22/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-23 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-14 04:07 Fiche Arrest nr 264.618 van 22 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 no lien 285704 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.618 van 22 oktober 2025 in de zaak A. 246.010/XIV-39.883 In zake: de NV C.B.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Christiaens en Cato Bevers kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2060 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de verwerende partij van 12 september 2025 waarin de overheidsopdracht voor leveringen met als voorwerp ‘aankoopcentrale stad Hasselt – raamovereenkomst voor het leasen van fietsen voor personeel en onderwijzend personeel van Groep Hasselt’ (met referentie 2025-6315) wordt gegund aan [de nv J.]”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 1 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.883-1/19 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025 om 11.00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaten Thomas Christiaens en Cato Bevers, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Simon Verhoeven en Bahar Kemali, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp ‘Aankoopcentrale stad Hasselt – raamovereenkomst voor het leasen van fietsen voor personeel en onderwijzend personeel van Groep Hasselt’. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.2. Het bestek dat op de opdracht van toepassing is bepaalt als selectiecriterium inzake de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver onder meer dat “de inschrijver moet beschikken over minimaal 2 (1 ref. van publieke overheid en 1 ref. van publieke overheid met onderwijzend personeel) XIV-39.883-2/19 gelijkaardige referenties van een omvangrijke opdracht voor het leveren van leasefietsen, uitgevoerd tijdens de laatste 5 jaar. (…)” Het bestek vermeldt als gunningscriteria: ‘prijs’ (gewicht 40), ‘procesflow voor de opdrachtgever en medewerker’ (gewicht 40) en ‘kwaliteit van de aangeboden diensten’ (gewicht 20). Het tweede gunningscriterium ‘procesflow voor de opdrachtgever en medewerker’ wordt als volgt omschreven: “De aanbesteder streeft naar een minimale administratieve last voor haar ondersteunende diensten (HR, financiën, …), maar ook voor haar medewerkers die wensen in te stappen in het fietslease-aanbod. De inschrijver beschrijft minimaal de info zoals gevraagd in punt 3.3.1 van de algemene technische bepalingen en de info op bijlage J: • Volledig en duidelijk beeld van het administratieve proces/stappenplan zowel ten opzichte van de opdrachtnemer als de betrokken werknemer. • Beschrijving van de simulatietool met overzicht van alle aspecten die aan bod komen in simulaties van leasefietsen aan werknemers. Bijzondere aandacht te schenken aan leaseprijs en voordeelpercentage, impact brutoloon, impact nettoloon, onderlinge verhoudingen… • Toelichting hoe zal worden omgegaan met het onderscheid tussen statutaire en contractuele werknemers. • Overzicht van alle verplichtingen en risico’s voor de aanbestedende overheid en werknemer in het kader van het leasecontract. • Voorstel van tussentijdse rapportering naar de opdrachtgever eventueel met geautomatiseerde data-uitwisseling. • Toelichting van facturatieproces. • Maatregelen, genomen om het risico van negatief saldo (onderwijzend personeel) te verminderen. Een negatief saldo ontstaat wanneer de prestaties van een medewerker na de simulatie verminderen, en de eindejaarspremie die ingevorderd wordt om de lease te betalen, lager is dan het afgesproken leasebedrag. • Beschrijving van ondersteuning die er is naar de opdrachtgever en de werknemers gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst. Evaluatie op basis van mate van ontzorging (integratie systemen, eenvoud, automatisatie, online tools, selfservice werknemers, …) : • Uitstekend (de toelichting voldoet volledig aan de verwachtingen van het bestuur en biedt veel bijkomende meerwaarde): 40 punten • Zeer goed (de toelichting voldoet volledig aan de verwachtingen van het bestuur en biedt een meerwaarde): 36 punten • Goed (de toelichting voldoet volledig aan de verwachtingen van het bestuur en biedt een beperkte meerwaarde): 30 punten XIV-39.883-3/19 • Matig (de toelichting voldoet op matige wijze aan de verwachtingen van het bestuur maar biedt geen meerwaarde): 24 punten • Voldoende (de toelichting voldoet nipt aan de verwachtingen van het bestuur maar biedt geen meerwaarde): 20 punten • Onvoldoende (de toelichting voldoet helemaal niet aan de verwachtingen van het bestuur): 0 punten”. Het derde gunningscriterium ‘kwaliteit van de aangeboden diensten’ wordt als volgt omschreven: “De inschrijver beschrijft op basis van een nota enkel de eventuele meerwaarde (vs. de minimumeisen) van de kwaliteit en de inhoud van de dienstverlening voor de medewerker (eindgebruiker). De nota is beknopt, beperkt zich tot de gevraagde en relevante informatie op basis van punten 3.3.2 tot en met 3.3.6 van de technische specificaties en wordt opgesteld op basis van de structuur opgelegd in bijlage K: • Diversiteit/uitgebreidheid van het aanbod • Onderhoud en herstelling • Verzekering • Pechverhelping • Communicatie De technische specificaties (punten 3.3.2. tot 3.3.7) vermelden de minimumeisen. Indien hieraan niet voldaan wordt, zal de offerte als onregelmatig beschouwd worden. Bij nazicht zal geëvalueerd worden in functie van extra services die de aanbieder ter beschikking stelt van de medewerker: • Uitstekend (de toelichting biedt veel bijkomende meerwaarde): 20 punten • Zeer goed (de toelichting biedt een meerwaarde): 15 punten • Goed (de toelichting biedt een beperkte meerwaarde): 10 punten • Neutraal (de toelichting biedt geen meerwaarde): 0 punten”. 3.3. Vier inschrijvers dienen een offerte in, onder wie de verzoekende partij en de nv J. 3.4. Er wordt een verslag van nazicht opgesteld. Wat de uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie van de inschrijvers betreft, bevat dit verslag de volgende samenvatting van het nazicht van de inschrijvers en besluit van de kwalitatieve selectie: “Samenvatting van het nazicht van de inschrijvers XIV-39.883-4/19 Naam Tijdig RSZ* Fisc. verpl.** Jur.¹ Fin.² Techn.³ [verzoekende Ja OK OK OK nvt OK partij] [bv C.V.] Ja OK OK OK nvt OK [nv J.] Ja OK OK OK nvt OK [B.M.S.B] Ja OK OK OK nvt Niet OK * of RSVZ voor zelfstandigen ** Attest fiscale verplichtingen ¹ Juridische situatie ² Economische en financiële draagkracht ³ Technische en beroepsbekwaamheid Besluit van de kwalitatieve selectie Volgende inschrijvers zijn uitgesloten of hun inschrijvingen bevatten essentiële tekortkomingen en worden dus niet geselecteerd: Naam Motivering [B.M.W.B.] De opgegeven referentie voldoet niet om aan te tonen dat de inschrijver ervaring heeft als dienstverlener met een leasingovereenkomst gesloten d.m.v. een overheidsopdracht met een publieke overheid met onderwijzend personeel met minimum 100 werknemers waarbij operationele lease van minimum 30 fietsen op basis van loonruil werd uitgevoerd. Na schriftelijke verduidelijking bij zowel inschrijver als organisatie opgegeven als referentie, werd bevestigd dat tot op heden geen leasingovereenkomsten werden uitgevoerd voor onderwijzend personeel. Volgende inschrijvers worden geselecteerd (eventuele tekortkomingen zijn niet essentieel): Naam Motivering [Verzoekende Geselecteerd op basis van het Uniform Europees Partij] Aanbestedingsdocument (UEA). [bv C.V.] Geselecteerd op basis van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA). [nv J.] Geselecteerd op basis van het Uniform Europees XIV-39.883-5/19 Aanbestedingsdocument (UEA). ”. De offertes van de drie geselecteerde inschrijvers worden regelmatig bevonden. Na de toetsing van de offertes aan de gunningscriteria behaalt de offerte van de nv J. een totale score van 87,06 punten, tegenover 79,00 punten voor de verzoekende partij en 74,72 punten voor de bv C.V. Voor het tweede gunningscriterium ‘procesflow voor de opdrachtgever en medewerker’ worden in het verslag van nazicht de volgende scores toegekend: “ 3 [nv J.] Zie evaluatiematrix 36,00 1 [verzoekende partij] Zie evaluatiematrix 24,00 2 [bv C.V.] Zie evaluatiematrix 20,00 ”. Voor het derde gunningscriterium ‘kwaliteit van de aangeboden diensten’ worden in het verslag van nazicht de volgende scores toegekend: “ 1 [verzoekende partij] Zie evaluatiematrix 15,00 2 [bv C.V.] Zie evaluatiematrix 15,00 3 [nv J.] Zie evaluatiematrix 15,00 ”. Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de nv J. als inschrijver met de economisch meest voordelige regelmatige offerte. 3.5. Op 12 september 2025 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt om het verslag van nazicht van de offertes goed te keuren en de opdracht te gunnen aan de nv J. XIV-39.883-6/19 Dit is de bestreden beslissing 3.6. Met een e-mailbericht en een aangetekende brief van 15 september 2025 stelt de verwerende partij de verzoekende partij ervan in kennis dat haar offerte niet werd gekozen. Met een navolgend e-mailbericht van 16 september 2025 bezorgt de verwerende partij aan de verzoekende partij ook de evaluatiematrix waarnaar in het verslag van nazicht wordt verwezen. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel XIV-39.883-7/19 Uiteenzetting van het middel 6. In het eerste middel, dat twee onderdelen omvat, voert de verzoekende partij de schending aan van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016) en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), en de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.” Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat, eerste middelonderdeel, de verwerende partij in haar beoordeling van de offertes m.b.t. de gunningscriteria ‘Procesflow voor de opdrachtgever en medewerkers’ en ‘Kwaliteit van de aangeboden diensten’ verschillende elementen uit de offerte van de verzoekende partij niet of niet correct in aanmerking heeft genomen, terwijl deze elementen wel aan bod komen in de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver; Terwijl de verwerende partij ertoe gehouden is de offertes zorgvuldig te onderzoeken en de beoordeling van de offertes zorgvuldig op te stellen; En terwijl de verwerende partij ertoe verplicht is een gelijke behandeling van de inschrijvers te waarborgen, in overeenstemming met artikel 4 van de Wet Overheidsopdrachten, alsook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; En terwijl de materiële motiveringsplicht de verwerende partij ertoe verplicht haar beslissing te steunen op pertinente en draagkrachtige motieven; En terwijl de formele motiveringsplicht de verwerende partij ertoe verplicht deze motieven weer te geven in de bestreden beslissing. En doordat, tweede middelonderdeel, de verwerende partij in de bestreden beslissing m.b.t. de gunningscriteria ‘Procesflow voor de opdrachtgever en medewerkers’ en ‘Kwaliteit van de aangeboden diensten’ louter een beschrijving geeft van elementen uit de ingediende offertes, maar geen waardering geeft aan deze elementen of aan de offertes in hun geheel; Terwijl de verwerende partij er, op grond van de materiële motiveringsplicht, toe gehouden is de offertes inhoudelijk te beoordelen en te vergelijken en een waardering te geven aan (de verschillende elementen aangeboden

  1. in)de offertes; En terwijl de formele motiveringsplicht de verwerende partij ertoe verplicht deze motieven ook te veruitwendigen in de beslissing.” XIV-39.883-8/19 7. In de toelichting van het middel zet de verzoekende partij uiteen dat het eerste middel in wezen gericht is tegen de beoordeling van de offertes, waarop de verwerende partij haar gunningsbeslissing gesteund heeft. In de toelichting bij het eerste onderdeel van het middel behandelt zij de onjuistheden en lacunes in de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij, wat de gunningscriteria ‘Procesflow voor de opdrachtgever en medewerkers’ en ‘Kwaliteit van de aangeboden diensten’ betreft. Een correcte en volledige beoordeling zou volgens de verzoekende partij minstens tot volgende aanpassingen moeten leiden: “De verzoekende partij moet bijkomende punten krijgen voor de aanwezigheid van volgende elementen in haar offerte, die niet in de evaluatiematrix worden genoemd: - Velopass; - Kosteloze overzetting van leasecontract naar nieuwe werkgever; - Gebruik van Peppol; - Tussentijdse rapportering; - In de mate dat deze elementen voor de gekozen inschrijver hebben geleid tot een hogere score (wat niet duidelijk is, zie tweede middelonderdeel); moet dit ook gelden voor de verzoekende partij. - Daarnaast moet de offerte van de verzoekende partij méér punten toegekend krijgen dan de offerte van de gekozen inschrijver voor de volgende elementen: - Een groter aantal fietshandelingen in de omgeving; - Een flexibeler onderhoudsbudget; - Een eigen vloot aan vervangfietsen; - Een ruimere verzekeringsdekking en een extra jaar garantie. - Uit het feit dat beide offertes voor het derde gunningscriterium dezelfde score toegekend hebben gekregen, volgt dat de verzoekende partij niet beloond werd voor de voordelen die haar offerte biedt in vergelijking met deze van de gekozen inschrijver.” Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, zet de verzoekende partij in de toelichting bij het middel in essentie uiteen dat de verwerende partij de offertes van de inschrijvers louter heeft omschreven in een evaluatiematrix, maar geen eigenlijke appreciatie of waardering heeft gegeven aan de offertes, waaruit een onderlinge vergelijking of aanduiding van relatieve plus- en minpunten blijkt. Er wordt volgens haar met andere woorden geen verband XIV-39.883-9/19 gemaakt tussen de beschrijving van de offertes enerzijds en de scores die aan de offertes worden toegekend anderzijds. Beoordeling 8. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op afgeleid uit een gebrek aan belang omdat de kritieken van de verzoekende partij in essentie “naast de kwestie” zouden zijn. De verwerende partij erkent evenwel zelf dat dit “mede de grond van de discussie raakt”. De exceptie wordt verworpen. 9. Luidens artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 behandelen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen zij op een transparante en proportionele wijze. Deze bepaling vormt een bijzondere uitdrukking van het (grondwettelijk) gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel. De aanbestedende overheid beschikt bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria over een beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats de aanbestedende overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. De Raad van State is niet bevoegd om de beoordeling van de offertes over te doen en zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van deze van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht vermag hij desgevraagd wel na te gaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven en of het bestuur daarbij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Het komt aan een verzoekende partij in de procedure voor de Raad van State toe om aannemelijk te maken dat het onderzoek van de offertes op onrechtmatige wijze is verricht. XIV-39.883-10/19 10. De kritiek die de verzoekende partij in het eerste middel ontwikkelt, richt zich op de wijze waarop de verwerende partij het tweede gunningscriterium ‘procesflow voor de opdrachtgever en medewerkers’ en het derde gunningscriterium ‘kwaliteit van de aangeboden diensten’ heeft beoordeeld. De inhoud en wijze van beoordeling van het tweede en derde gunningscriterium zoals aangekondigd in het bestek werd hoger reeds weergegeven onder punt 3.2. van het feitenrelaas. Het tweede gunningscriterium ‘procesflow voor de opdrachtgever en medewerkers’ heeft een weging van 40 punten terwijl het criterium ‘kwaliteit van de aangeboden diensten’ een weging van 20 punten vertegenwoordigt. Voor de beide gunningscriteria beschrijft het bestek de elementen die een meerwaarde kunnen vormen en die een invloed kunnen hebben op de evaluatie en de toegekende score. Het bestek vermeldt ook reeds de beoordelingsmethode. Voor beide criteria geldt, in essentie, dat de inschrijver in diens offerte de gevraagde toelichting beschrijft waarna die toelichting, aan de hand van de geboden meerwaarde, de score onvoldoende, voldoende, matig, goed, zeer goed of uitstekend krijgt. Aan elk van deze waarderingen is in het bestek ook een concrete score gekoppeld. 11. Voor de inhoudelijke beoordeling van het tweede en derde gunningscriterium verwijst het verslag van nazicht, waar de bestreden gunningsbeslissing op steunt, naar een evaluatiematrix, waarvan de verzoekende partij ook in kennis is gesteld en waarin de in het bestek vermelde beoordelingselementen per offerte worden beoordeeld. Op basis van deze beoordeling behaalt de offerte van de verzoekende partij de score “matig of 24/40”, hetgeen luidens de aangekondigde beoordelingsmethode inhoudt dat “de toelichting […] op matige wijze [voldoet] aan de verwachtingen van het bestuur, maar […] geen meerwaarde [biedt], terwijl de gekozen inschrijver de score “zeer goed of 36/40” behaalt, hetgeen luidens de beoordelingsmethode inhoudt dat “de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 XIV-39.883-11/19 toelichting […] volledig [voldoet] aan de verwachtingen van het bestuur en […] een meerwaarde [biedt]”. Wat het derde gunningscriterium betreft, scoren zowel de verzoekende partij als de gekozen inschrijver “zeer goed of 15/20”, hetgeen luidens de aangekondigde beoordelingsmethode inhoudt dat “de toelichting […] een meerwaarde [biedt]. 12. In het eerste onderdeel van het middel betoogt de verzoekende partij dat verschillende elementen uit haar offerte niet of niet correct in aanmerking werden genomen, terwijl deze elementen wel aan bod komen in de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver. Zij voert in dat verband per gunningscriterium diverse grieven aan die hieronder worden onderzocht. 13. Wat het tweede gunningscriterium betreft, betoogt de verzoekende partij dat een aantal elementen die zij eveneens in haar offerte aanbiedt in de evaluatiematrix ontbreken. Het gaat volgens haar om het systeem van velopass, de kosteloze overzetting van de leaseovereenkomst in geval van verandering werkgever, de mogelijkheid tot tussentijdse rapportering en de facturatiemogelijkheid via peppol. In dit verband brengt de Raad van State in de eerste plaats in herinnering dat een verzoekende partij die kritiek wil leveren op de toetsing door de aanbestedende overheid van de offertes aan de hand van de gunningscriteria, er niet mee kan volstaan één of meer uit hun context gehaalde onderdelen van de motivering selectief te citeren en te bekritiseren. Het is immers de motivering van de toetsing van de offertes in haar geheel genomen die afdoende moet zijn. Te dezen bekritiseert de verzoekende partij in essentie enkel vier deelelementen in de motivering die lacunes zou bevatten wat haar offerte betreft. De puntenscores werden echter toegekend op grond van een globale beoordeling. In de nota zet de verwerende partij uiteen dat de offerte van de gekozen inschrijver er wat het tweede gunningscriterium betreft “met kop en schouders” bovenuit steekt. Volgens de verwerende partij is de reden daarvoor, samengevat, dat de toelichting van de gekozen inschrijver zoals gevraagd in het bestek veel gedetailleerder was en bijgevolg de verwerende partij een veel beter zicht gaf in het voorstel van de gekozen inschrijver. Daarnaast heeft volgens de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 XIV-39.883-12/19 verwerende partij de gekozen inschrijver, in tegensteling tot de andere inschrijvers, een veel sterker en gedetailleerder/concreter voorstel ingediend wat het onderwijzend personeel betreft, waaraan de verwerende partij veel belang hecht. In haar verzoekschrift laat de verzoekende partij deze elementen onbesproken. In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting opwerpt dat het gaat om een motivering post factum wordt zij niet bijgevallen. Op het eerste gezicht blijken deze motieven immers ook reeds uit de evaluatiematrix waar bij de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver inzake verschillende beoordelingselementen sprake is van een “gedetailleerde omschrijving van de procedure, opgesplitst in een handig stappenplan per soort gebruiker en rol”, een “zeer gedetailleerde omschrijving van de tool, en de te doorlopen stappen bij registratie en doorloop procedure”, een “flexbudget check voor onderwijspersoneel” en “via ervaring met GO sterke meerwaarde ifv onderwijs”. Deze motieven lijken op het eerste gezicht ook bevestiging te vinden in het administratief dossier. Voorts wordt vastgesteld dat het tweede gunningscriterium betrekking heeft op de ‘Procesflow voor de opdrachtgever en medewerker’ waarbij een beschrijving en toelichting wordt gevraagd in relatie tot de minimale informatie zoals gevraagd in het bestek. Dat bij de beoordeling daarvan meer punten worden toegekend aan een offerte met een meer gedetailleerde omschrijving, gaat op het eerste gezicht de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten. Uit de verwijzing in de motivering naar het handig stappenplan per soort gebruiker, de “flexbudget check voor onderwijspersoneel” en de “via ervaring met GO sterke meerwaarde ifv onderwijs” kon voorts, in samenlezing met het voorwerp van de opdracht, op het eerste gezicht ook – en dit over verschillende beoordelingselementen heen – het grote belang worden afgeleid dat de verwerende partij gehecht heeft aan het verschil in aanbod op het vlak van het onderwijs. De kritiek op de beoordeling ter zake in het gunningsverslag kan dan ook niet worden aangenomen. XIV-39.883-13/19 14. Wat, vervolgens, de beoordeling van het derde gunningscriterium betreft, betoogt de verzoekende partij dat de beoordeling en puntentoekenning onzorgvuldig is opgesteld omdat haar offerte voor een heel aantal elementen meer voordelen biedt dan deze van de gekozen inschrijver zoals ook uit de evaluatiematrix blijkt. Zij benadrukt in dat verband meer concreet, (
  2. i)dat zij een groter aantal fietshandelaren heeft dan de gekozen inschrijver, (
  3. ii)dat haar onderhoudsbudget flexibeler is, (iii) dat zij op een betere wijze in een vervangfiets voorziet en (
  4. iv)dat de verzekering die zij aanbiedt een ruimere dekking bevat. Er wordt een gelijke score toegekend, hoewel blijkt dat haar offerte meer voordelen biedt in vergelijking met deze van de gekozen inschrijver. Deze grief wordt niet bijgevallen. Uit de bestreden beslissing en de evaluatiematrix blijkt dat alle offertes de beoordeling “zeer goed” hebben gekregen en, bijgevolg een score van 15/20 voor het derde gunningscriterium. Uit de evaluatiematrix blijkt ook dat de offertes onderling verschillen op het vlak van wat er wordt aangeboden in het licht van de beoordelingselementen uit het bestek. De globale gelijke score voor het derde gunningscriterium lijkt slechts te zijn toegekend na concrete afweging van de verschillende meerwaarden van de diverse offertes. In zoverre de verzoekende partij meer concreet verwijst naar de verschilpunten inzake het aantal fietshandelaren in de omgeving, het onderhoudsbudget, de vervangfiets en de verzekering, maakt zij, mede gelet op het verweer in de nota, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verwerende partij de grenzen van een zorgvuldige beoordeling te buiten is gegaan door te oordelen dat de verschilpunten tussen de offertes elkaar uitvlakken. Zo komt het op het eerste gezicht niet onredelijk voor dat in het kader van het beoordelingselement ‘uitgebreidheid van het aanbod’ de verwerende partij, ondanks de verschillen in het aantal en de locatie van de handelaars, voor zowel de offerte van de gekozen inschrijver als van de verzoekende partij een meerwaarde heeft toegekend wat de grote regionale spreiding van het netwerk van erkende fietshandelaren en onderhoudspartijen betreft. Hetzelfde lijkt te gelden wat de door de verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 XIV-39.883-14/19 partij aangehaalde verschilpunten tussen de offertes inzake het onderhoudsbudget, de vervangfiets en de verzekering betreft. 15. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. 16. In zoverre de verzoekende partij in een tweede onderdeel van het eerste middel voorts betoogt dat de verwerende partij de offertes van de inschrijvers in de evaluatiematrix louter heeft omschreven, maar er geen eigenlijke appreciatie of waardering aan heeft gegeven, wordt zij op het eerste gezicht evenmin bijgevallen. De verzoekende partij lijkt er in haar kritiek immers aan voorbij te gaan dat de beoordeling in de evaluatiematrix te dezen dient te worden samen gelezen met de in het bestek reeds aangekondigde beoordelingsmethode, die hoger onder de punt 3.2. en 10 reeds werd omschreven. Door het gebruik van bewoordingen zoals een “zeer gedetailleerde omschrijving”, “gedetailleerde omschrijving”, dan wel louter “omschrijving”, de vermelding van een “handig” stappenplan of de vaststelling dat er “geen noemenswaardige verschillen” zijn, kan voorts op het eerste gezicht worden afgeleid dat de evaluatiematrix geen loutere feitelijke opsomming van elementen bevat maar wel degelijk ook een eigenlijke appreciatie of waardering inhoudt. 17. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Besluit 18. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel XIV-39.883-15/19 19. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, samen gelezen met de artikelen 4, eerste lid, 8°, en 5, eerste lid, 9°, van de wet van 17 juni 2013 en “de beginselen inzake het regelmatigheidsonderzoek opgenomen in artikel 73 van de [wet van 17 juni 2016] en de artikelen 62, 63 en 75 van het [koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’]”. Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat het op basis van de gunningsbeslissing en het verslag van nazicht van de offertes niet duidelijk is of de verwerende partij heeft geverifieerd of de gekozen inschrijver werkelijk aan de selectiecriteria voldoet en of er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn; Terwijl de verwerende partij er, op grond van de artikelen 73 van de Wet Overheidsopdrachten en 62, 63 en 75 van het KB Plaatsing, toe gehouden is om te onderzoeken of de gekozen inschrijver aan de selectiecriteria voldoet en of er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn; En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel de verwerende partij verplicht tot een zorgvuldig onderzoek van het dossier, een zorgvuldige feitengaring en een zorgvuldig onderzoek van de offertes alvorens zij een gunningsbeslissing kan nemen; En terwijl de formele motiveringsplicht de verwerende partij ertoe verplicht om de motieven die aan de grondslag van de beslissing liggen, in de bestreden beslissing te veruitwendigen.” In de uiteenzetting van het middel betoogt de verzoekende partij in essentie dat het verslag van nazicht vermeldt dat de inschrijvers werden geselecteerd op basis van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), maar dat nergens in de besluitvorming of het verslag van nazicht blijkt dat de verwerende partij voorafgaand aan de gunning ook is overgegaan tot het opvragen van de ondersteunende documenten bij de gekozen inschrijver. Het is volgens haar dus onduidelijk of door de verwerende partij geverifieerd werd of de gekozen inschrijver werkelijk aan de selectiecriteria voldoet en of er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn. De bestreden beslissing vermeldt ook niet of de verwerende partij geverifieerd heeft of de gekozen inschrijver voldoet aan haar verplichtingen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen en fiscale schulden. De verwerende partij kan niet op wettige wijze besluiten de opdracht aan de gekozen inschrijver te gunnen zonder een zorgvuldig onderzoek van diens XIV-39.883-16/19 offerte en zonder te verifiëren of de gekozen inschrijver voldoet aan de selectiecriteria en niet onder één van de uitsluitingsgronden valt. Beoordeling 20. Hoewel in het verslag van nazicht, waar de bestreden beslissing op steunt, wordt vermeld dat drie inschrijvers, onder wie de verzoekende partij en de gekozen inschrijver, worden “geselecteerd op basis van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument”, bevat dit verslag evenzeer een samenvattende tabel inzake het nazicht van de uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectiecriteria die wat de gekozen inschrijver betreft telkens de vermelding “OK” bevat. Uit het verslag van nazicht blijkt bovendien dat één inschrijver niet wordt geselecteerd omdat de opgegeven referentie niet voldoet. Hoewel de vermelding in het verslag van nazicht inzake de selectie op basis van het UEA, zoals de verwerende partij in de nota ook erkent, “wat ongelukkig is geformuleerd”, lijkt de verzoekende partij in het licht van het geheel van de motivering niet te kunnen worden bijgevallen in haar kritiek dat het op basis van de gunningsbeslissing en het verslag van nazicht niet duidelijk zou zijn of de verwerende partij, voor het nemen van de gunningsbeslissing, geverifieerd heeft of de gekozen inschrijver werkelijk aan de selectiecriteria voldoet en of er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn. 21. Voorts lijkt het op het eerste gezicht niet van de aanbestedende overheid te worden vereist dat zij, wanneer er volgens haar geen problemen inzake de selectie of uitsluitingsgronden rijzen, dit onderzoek in extenso wordt weergegeven in het verslag van nazicht of de bestreden beslissing. De formele neerslag in het verslag van het nazicht, wanneer er, zoals te dezen, volgens de aanbestedende overheid geen probleem rijst inzake de kwalitatieve selectie en uitsluitingsgronden wat de gekozen inschrijver betreft, lijkt wel degelijk beperkt te mogen worden tot een bondige opsomming in tabelvorm met de vermelding “OK”. 22. Dat de verwerende partij de gekozen inschrijver niet louter geselecteerd heeft op basis van het UEA, maar voorafgaand aan de gunning wel ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 XIV-39.883-17/19 degelijk een onderzoek inzake de kwalitatieve selectie en uitsluitingsgronden heeft verricht, vindt op het eerste gezicht ook bevestiging in het administratief dossier. Zoals blijkt uit het administratief dossier werd hiertoe onder meer ook een Excel- tabel opgesteld die een fiche “administratief nazicht” bevat. Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de verwerende partij na verificatie van oordeel was dat de gekozen inschrijver voldeed aan de selectiecriteria en er geen reden was tot uitsluiting. 23. In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting nog betoogt dat niet blijkt dat een uittreksel uit het strafregister voorligt, zowel in hoofde van de gekozen inschrijver zelf als in hoofde van de leden van de raad van bestuur, geeft zij nog een nieuwe wending aan haar middel waarvan zij niet aantoont dat zij dit niet reeds in haar verzoekschrift kon ontwikkelen. 24. Het tweede middel is niet ernstig. VII. Besluit 25. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.883-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Inge Vos XIV-39.883-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.