← België

Arrest 264619 - Niet begeleide minderjarigen - 22/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 Rolnummer: A. 245555/VII-42988 Zaak: Arrest 264619 - Niet begeleide minderjarigen - 22/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-24 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-14 04:07 Fiche Arrest nr 264.619 van 22 oktober 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 no lien 285705 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.619 van 22 oktober 2025 in de zaak A. 245.555/VII-42.988 In zake: S.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Henrion kantoor houdend te 1340 Ottignies Chaussée de la Croix 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoekster dient met een enig verzoekschrift op 6 augustus 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 4 juni 2025 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De beschikking van 12 augustus 2025 stelt de procedurekalender vast. VII-42.988-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 18 september 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martine Kiwakana, die loco advocaat Valérie Henrion verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 15 mei 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 1 januari
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 28 mei 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet VII-42.988-2/14 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 28-05-2025 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 4 juni 2025 beslist de dienst Voogdij verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, van de artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 7, §1 en 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van het zorgvuldigheidsbeginsel als ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 VII-42.988-3/14 algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en verwijt de verwerende partij een kennelijke beoordelingsfout en een gebrek in haar motivering. Zij licht dit toe in twee middelonderdelen.
  8. In een eerste middelonderdeel verwijst verzoekster naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21 F.B. tegen België en laat zij gelden dat het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing niet was omringd met voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 van het EVRM. Het EHRM overweegt in voormeld arrest enerzijds dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman, en moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek, en anderzijds dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Verzoekster stelt dat te dezen aan geen van beide voorwaarden is voldaan. Concreet bevat het administratief dossier volgens verzoekster geen enkel formulier of document waaruit kan worden afgeleid dat verzoeksters rechten als patiënt werden gerespecteerd in het kader van de uitvoering van het medisch onderzoek, noch dat zij behoorlijk werd geïnformeerd over de noodzaak van haar toestemming met het medisch onderzoek. Bijgevolg is niet aangetoond dat verzoekster op vrije en geïnformeerde wijze instemde met het medisch onderzoek. Daarnaast werd verzoekster door de dienst Vreemdelingenzaken op het ogenblik waarop zij om internationale bescherming verzocht, onmiddellijk gestuurd in de richting van een medisch onderzoek, waarvan de resultaten de enige basis vormen voor de bestreden beslissing. Er vond geen voorafgaandelijk onderhoud plaats met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij die kon onderzoeken of de twijfel omtrent verzoeksters leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen. VII-42.988-4/14 Voor zover kan worden aangenomen dat het onderhoud dat plaatsvond op “28 mei 2025” werd gevoerd door een ambtenaar die specifiek is opgeleid voor de begeleiding van minderjarigen, laat verzoekster gelden dat prima facie niet uit de tijdens dit onderhoud opgestelde fiche blijkt dat die ambtenaar heeft onderzocht of de twijfel omtrent verzoeksters minderjarigheid met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek kon worden weggenomen. A fortiori blijkt uit geen enkel stuk van het administratief dossier dat een dergelijk minder ingrijpend onderzoek werd verricht. Verder acht verzoekster de formelemotiveringsplicht op manifeste wijze geschonden omdat de bestreden beslissing haar niet toelaat te begrijpen waarom zij als meerderjarig wordt beschouwd en dus geen voogd kreeg toegewezen. De motivering die wel is opgenomen in de bestreden beslissing is bovendien foutief, tegenstrijdig, ontoereikend en onvolledig. Verzoekster stipt in het bijzonder aan dat de bestreden beslissing niet specificeert welke medische onderzoeken werden uitgevoerd en wat de resultaten ervan waren, en dat die beslissing uitsluitend is gebaseerd op de eindconclusie van het medisch verslag. Nochtans volgt uit de resultaten van bepaalde deelonderzoeken dat verzoekster minderjarig zou kunnen zijn. Ten slotte is de opgegeven motivering in strijd met de voogdijwet en het koninklijk besluit van 22 december 2003 nu de dienst Voogdij geen informatie heeft ingewonnen bij de consulaire of diplomatieke posten van verzoeksters land van herkomst en evenmin het advies heeft gevraagd van het personeel of de maatschappelijk werkers van het opvangcentrum waar verzoekster verblijft of een persoonlijk onderhoud heeft georganiseerd met verzoekster zelf.
  9. In een tweede middelonderdeel bestempelt verzoekster de medische testen als onbetrouwbaar. Het feit dat drie verschillende medische onderzoeken worden verricht, verandert niets aan de gebreken die elk van deze tests vertonen. Verzoekster uit kritiek op elk van de uitgevoerde onderzoeken middels verwijzing naar (wetenschappelijke) artikels en een bijdrage uit een juridisch tijdschrift om te concluderen dat de bestreden beslissing ontoereikend is gemotiveerd en onwettig is. VII-42.988-5/14 Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel
  10. In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of twijfel over de leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
  11. Uit het administratief dossier blijkt te dezen prima facie dat verzoekster de nodige informatie heeft gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek en dat haar expliciet werd gevraagd of zij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat zij het recht had te weigeren en dat de dienst Voogdij in geval van weigering een beslissing zou nemen op basis van de elementen in het dossier. Naast de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” VII-42.988-6/14 van 15 mei 2025, waaruit slechts blijkt dat verzoekster werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat zij een document heeft ontvangen dat haar informeert over het verloop van de leeftijdstest en dat zij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek, bevat het administratief dossier namelijk ook een document van dezelfde datum “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge”, opgesteld door de dienst Voogdij en ondertekend door verzoekster, waarin voormelde elementen aan bod komen. Verzoekster lijkt op het eerste gezicht op vrije en geïnformeerde wijze te hebben ingestemd met het medisch onderzoek.
  12. Verder bevat het administratief dossier een document met als titel “[d]étermination de l’âge d’un MENA” waaruit blijkt dat aan verzoekster enkele vragen werden gesteld. Zo werd haar gevraagd of zij over identiteitsdocumenten beschikt en vervolgens of zij een paspoort, identiteitskaart of geboorteakte zou kunnen hebben of bekomen. Verzoekster antwoordde dat zij nooit identiteitsdocumenten heeft gehad. Zij bezat slechts een doopcertificaat dat in Eritrea is achtergebleven. Aangezien verzoekster niet over enig document beschikt, wordt in dit document geconcludeerd dat een medisch onderzoek noodzakelijk is om de twijfel omtrent haar minderjarigheid te kunnen wegnemen. Bijkomend vermeldt het document dat verzoekster werd geïnformeerd over de gevolgen van een eventuele weigering om het medisch onderzoek te ondergaan met een uitdrukkelijke verwijzing naar de voorwaarden gesteld door het EHRM. Anders dan verzoekster het ziet, lijkt de dienst Voogdij aldus te hebben onderzocht of de twijfel omtrent verzoeksters minderjarigheid kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Aangezien verzoekster geen identiteitsdocumenten kon overleggen en bovendien verklaarde nooit enig identiteitsdocument te hebben gehad, achtte de dienst Voogdij een medisch onderzoek te dezen noodzakelijk. Dit blijkt eveneens uit de bestreden beslissing. Op het eerste gezicht lijkt ook te zijn voldaan aan de tweede voorwaarde, gesteld door het EHRM in zijn arrest van 6 maart 2025, F.B. tegen België. VII-42.988-7/14
  13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Op het eerste gezicht lijkt verzoekster geen belang te hebben bij het opwerpen van deze schending, minstens blijkt de doelstelling van de formelemotiveringsplicht te zijn bereikt. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Het is niet vereist dat wordt aangegeven welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoekster werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoeksters voorgehouden leeftijd, dat verzoekster geen documenten kon voorleggen om haar leeftijd te bewijzen en er geen elementen waren die de twijfel over haar leeftijd konden wegnemen, dat verzoekster schriftelijk akkoord ging met het medisch onderzoek, en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoekster meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoekster voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat zij er geen kennis van kon nemen. Verzoekster heeft overigens duidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 VII-42.988-8/14 28 mei 2025 zijn opgenomen, vermits zij zelf een kopie van dat verslag bij het enig verzoekschrift heeft gevoegd en zij in het middel onder meer stelt dat te dezen uit de resultaten van verschillende medische deelonderzoeken volgt dat zij minderjarig zou kunnen zijn.
  14. Waar verzoekster in het middel kritiek uit op het eindresultaat van de medische leeftijdstest, stellende dat dit manifest fout en ondeugdelijk is omdat bij de eindconclusie geen rekening werd gehouden met het feit dat uit verschillende deelonderzoeken volgt dat verzoekster minderjarig zou kunnen zijn, werpt zij in wezen een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, lijkt de dienst Voogdij prima facie te hebben onderzocht of de twijfel omtrent verzoeksters minderjarigheid kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. In de bestreden beslissing wordt de reden weergegeven waarom werd overgegaan tot het medisch onderzoek, namelijk omdat verzoekster geen documenten kan voorleggen die haar leeftijd kunnen aantonen en er geen elementen aanwezig zijn die de twijfel omtrent haar leeftijd zouden kunnen wegnemen. De bestreden beslissing wordt vervolgens gedragen door het motief omtrent het resultaat van dat medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 VII-42.988-9/14 dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, lijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel te volgen uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Bovendien was de dienst Voogdij er op het eerste gezicht niet toe gehouden om verzoeksters verklaringen omtrent haar leeftijd te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Verder lijkt verzoekster niet concreet te onderbouwen dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 VII-42.988-10/14 aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 16 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is, de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar, zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Dit neemt niet weg dat de handpolsradiografie wel degelijk onderdeel uitmaakt van het meervoudig onderzoek. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn” en dat alle wijsheidstanden aanwezig zijn, die zich allen in ontwikkelingsstadium 10 bevinden. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,5 jaar. Het 95 % predictie-interval is 19,6 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met de aanwezigheid van een zichtbare frissuur, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
  15. Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Verzoeksters kritiek dat uit de resultaten van meerdere medische deelonderzoeken kan worden afgeleid dat zij minderjarig is, lijkt op basis van het voorgaande feitelijke grondslag te missen. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoekster “op datum van 28-05-2025 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. VII-42.988-11/14 Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoekster toont prima facie niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken,
  16. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Gelet op de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek diende verzoekster niet “het voordeel van de twijfel” te genieten waarop zij zich beroept en was de verwerende partij er niet toe gehouden een persoonlijk onderhoud te organiseren met verzoekster, advies in te winnen bij het personeel of de maatschappelijk werkers van het centrum waar verzoekster verblijft of om informatie in te winnen via de diplomatieke of consulaire posten van verzoeksters land van herkomst.
  17. Artikel 149 van de Grondwet is enkel van toepassing op jurisdictionele beslissingen en niet op beslissingen van een administratieve overheid zoals de bestreden beslissing. Verzoekster kan te dezen dus niet dienstig een schending van het voormelde artikel 149 inroepen.
  18. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet ernstig. VII-42.988-12/14 Tweede onderdeel van het enige middel
  19. Verzoekster weidt in een tweede middelonderdeel uit over de voorgehouden onbetrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch zij onderbouwt prima facie niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze zou zijn verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct zou zijn. Met haar algemene kritiek doet verzoekster wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar zij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoekster ontkracht op het eerste gezicht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoekster lijkt evenmin aannemelijk te maken dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of zij meer dan 18 jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
  20. Waar verzoekster in het opschrift van het middel nog een schending aanvoert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, lijkt zij noch in het eerste, noch in het tweede middelonderdeel uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden.
  21. Het tweede onderdeel van het enige middel is niet ernstig. VII-42.988-13/14 Conclusie
  22. Het ontbreekt het enige middel aan de vereiste ernst. Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord, wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.988-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.619 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.175 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.