id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.646 Rolnummer: A. 242721/IX-10517 Zaak: Arrest 264646 - Gerechtskosten – juridische bijstand - 24/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-29 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-14 04:08 Fiche Arrest nr 264.646 van 24 oktober 2025 Justitie - Gerechtskosten – juridische bijstand Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.646 van 24 oktober 2025 in de zaak A. 242.721/IX-10.517 In zake:
- J.D.
- de BV J. D. ADVOCAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2024, strekt tot de nietig- verklaring van elf beslissingen van het taxatiebureau Brussel NL van 12 juni 2024 en 13 juni 2024, waarbij geweigerd wordt de facturen 2023-0054, 2023-0056, 2023-0057, 2023-0058, 2023-0059, 2023-0061, 2023-0063, 2023-0064, 2023- 0065, 2023-0067 en 2023-0075 van 15 november 2023 voor de prestaties van ver- zoeker als curator in aanmerking te nemen en geweigerd wordt deze te betalen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.517-1/13 Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de verzoekende par- tijen en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij be- slissing van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gege- ven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is advocaat en curator. Verzoekster is de vennoot- schap die verzoeker gebruikt voor de facturatie van de door hem geleverde diensten als curator. IX-10.517-2/13 3.
- De voorliggende betwisting houdt verband met elf faillissemen- ten waarin verzoeker als curator was aangesteld en waarin, op zijn verzoek, de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, met toepassing van artikel XX.135, § 1, WER, de sluiting van het faillissement heeft uitgesproken omdat bleek dat het actief ontoereikend was om de vermoedelijke kosten voor het beheer en de vereffening van het faillissement te dekken. De ondernemingsrechtbank begroot in de vonnissen tot sluiting van het faillissement het ereloon van verzoeker zeven maal op 1102,50 euro (ex- clusief btw), drie maal op 1050,00 euro (exclusief btw) en één maal op 1157,65 euro (exclusief btw) en legt deze telkens ten laste van de Belgische Staat. 3.
- Na ontvangst van de elf 15 november 2023 gedateerde ereloon- facturen antwoordt de verwerende partij op 12 juni 2024 en 13 juni 2024 elfmaal als volgt: “Volgens artikel 41 van het KB van 15/12/2019 moet de prestatieverlener zijn kostenstaat/factuur indienen binnen de 6 maanden na de uitvoering van de prestatie. Wordt de kostenstaat te laat ingediend, dan zal de kostenstaat niet meer in aanmerking komen, en zal er bijgevolg ook geen uitbetaling kunnen gebeuren. Gelieve ons een creditnota met betrekking tot de te crediteren kosten- staat/factuur te sturen zodat we deze laatste kunnen annuleren.” Dat zijn de bestreden beslissingen. 3.
- De bestreden beslissingen vermelden volgende beroepsmoge- lijkheid: “Indien u niet akkoord gaat met deze beslissing, kan u binnen de 30 dagen na kennisgeving van de beslissing in beroep gaan door een gemotiveerd verzoekschrift te richten aan de directeur-generaal van het Directoraat-ge- neraal Rechtelijke Organisatie bij de Federale Overheidsdienst Justitie.” Op 8 juli 2024 deelt de verwerende partij het volgende mee: IX-10.517-3/13 “Graag wil ik mij excuseren dat ik blijkbaar de verkeerde beroepsprocedure heb uitgelegd. Blijkt dat de Directeur-generaal niet meer bevoegd is voor procedures buiten termijn. Zie hieronder de correcte beroepsprocedure. Wij bevestigen de ontvangst van uw kostenstaat van 07/06/2024 met refe- rentie […]. Helaas kan deze niet worden begroot in zijn huidige vorm. In toepassing van de bepalingen van artikel 41 van het Koninklijk Besluit van 15 december 2019, ‘op straffe van verval van rechten, dienen de pres- tatieverleners, met uitzondering van de telecomoperatoren, hun kostensta- ten in bij het taxatiebureau binnen zes maanden na de uitvoering van de prestatie, of indiening van hun verslag.’ Omdat de datum van de prestatie zoals aangegeven op de vordering [08/03/2022 of 10/05/2022 of 20/12/2022] is, wordt deze kostenstaat als zijnde ‘buiten termijn’ gekwalificeerd. Bovendien moet, gelet op de bepalingen van artikel 6, § 3, van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en de gelijkge- stelde kosten, onder uw aandacht worden gebracht dat de Directeur-gene- raal van het DG Team Support van de FOD Justitie (voorheen Algemene Directie van de Rechterlijke Orde) enkel beroepen kan behandelen die wor- den ingediend tegen beslissingen van de taxatiebureaus als dit beroep be- trekking heeft op het toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en de eventuele toeslagen. Uit het bovenstaande volgt dat de Directeur-generaal niet bevoegd is om beroepen betreffende weigering van betaling wegens niet-naleving van de bovengenoemde termijn van zes maanden te behandelen. Wij vestigen uw aandacht op het feit dat u deze beslissing kunt aanvechten door een beroep in te stellen bij de Raad van State (administratieve afde- ling) om de genomen beslissing nietig te doen verklaren wegens het niet nakomen van de voorgeschreven vormen, machtsoverschrijding, machtsaf- wending of misbruik van macht.” Dit bijkomend antwoord kan worden geacht deel uit te maken van de bestreden beslissingen als bevestiging en verduidelijking ervan en bevat een rechtzetting wat betreft de beroepsmogelijkheid. IV. Ambtshalve middel Uiteenzetting van het middel en standpunt van de partijen
- In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve de onbevoegdheid van de steller van de akte opgeworpen. Het taxatiebureau heeft geen enkele be- voegdheid met betrekking tot het ereloon van de curator in een faillissement waar- van de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de IX-10.517-4/13 boedel te dekken wanneer dat ereloon door de rechter in een vonnis is begroot ten laste van de verwerende partij. Ingevolge de artikelen XX.20, §§ 3 en 4, WER, XX.145 WER en 574, 2°, GerW is alleen de ondernemingsrechtbank bevoegd om tot begroting van het ereloon van de curator over te gaan.
- De verwerende partij betoogt in haar laatste memorie dat de ver- zoekers geen belang hebben bij het gegrond bevinden van het ambtshalve middel: “Zoals de verzoekende partij[en] bewe[ren], beschik[ken] zij voor alle be- streden beslissingen over uitvoerbare vonnissen van de ondernemingsrecht- bank, waarin de kwestieuze erelonen en kosten van de verzoekende partijen ten laste van de Belgische Staat worden gelegd. De eventuele vernietiging van de bestreden beslissingen verandert daaraan niets. De bestreden beslis- singen hebben op dit punt aan de verzoekende partijen geen waarborg ont- nomen.” Voor het overige verwijst de verwerende partij naar haar memo- rie van antwoord waar bij de behandeling van het eerste middel wordt onderstreept dat artikel 42 van het gerechtskostenbesluit van 15 december 2019 enkel betrek- king heeft op het ereloon van de curator van een faillissement “met in de massa van het faillissement onvoldoende activa om de geleverde prestatie te vergoeden”. In dit bijzondere geval, waarop voormeld artikel 42 van toepassing is, zal het ere- loon van de curator begroot moeten worden conform het bedrag dat is vastgesteld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 april 2018 ‘houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventie- functionarissen’. Dat artikel 9 bepaalt dat, wanneer het actief niet volstaat om de vergoedingen van de curator te dekken, hij een (geïndexeerde) forfaitaire vergoe- ding ontvangt. Bijgevolg is de “begroting” van het ereloon door de rechtbank ver- sus het taxatiebureau te dezen niet aan de orde, aangezien het bedrag van het ere- loon is vastgesteld bij koninklijk besluit. Blijft volgens de verwerende partij dan nog de vraag of de ge- vorderde erelonen – waarvan de bedragen vaststaan – en die ten laste vallen van de Belgische Staat, tijdig zijn ingediend om uitbetaald te worden. Hiervoor dient men terug te vallen op het bepaalde van artikel 41 van het gerechtskostenbesluit en kan IX-10.517-5/13 men niet anders dan vaststellen dat de elf facturen die door de verzoekers werden ingediend volledig buiten de wettelijke termijn van zes maanden na de uitvoering van de prestaties vallen, en bijgevolg niet meer in aanmerking kunnen komen voor uitbetaling. Zij wijst er nog op dat bijzondere wetten, “zoals in casu het Gerechts- kostenbesluit” in een kortere verjaringstermijn kunnen voorzien dan de gemeen- rechtelijke verjaringstermijn van tien jaar. Het ambtshalve middel is bijgevolg ongegrond, zo besluit de ver- werende partij.
- In hun laatste memorie sluiten de verzoekers zich aan bij het au- ditoraatsverslag. Zij stellen dat de verwerende partij geen inhoudelijk verweer voert over het ambtshalve middel. Zij merken op dat het een middel van openbare orde is, “en dus een uitzondering op het beginsel dat een verzoekende partij slechts op ontvankelijke wijze een onregelmatigheid mag aanvoeren wanneer die onregel- matigheid haar belangen schaadt”. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
- De verzoekers voeren een betwisting over de uitbetaling van – elf maal – een forfaitaire vergoeding van de curator bij onvoldoende actief. Zoals de verzoekers terecht opmerken, “zijn de bestreden beslis- singen op zich nadelig voor verzoekende partijen vermits middels de bestreden be- slissingen aan verzoekende partijen geweigerd wordt de facturen uitgaande van tweede verzoekende partij in aanmerking te nemen en uit te betalen”. Zij hebben wel degelijk belang om die weigering uit het rechtsverkeer verwijderd te zien. In zoverre houdt de exceptie verband met het middel. Bovendien raakt het middel de bevoegdheid van de steller van de akte. Ook al sluit artikel 14, IX-10.517-6/13 § 1, tweede lid, RvSt-Wet niet uit dat een verzoekende partij zelfs bij een middel van openbare orde een belang moet kunnen aantonen, worden bij die bepaling net de onregelmatigheden die “als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden” hiervan uitgezonderd. De exceptie faalt. b. gegrondheid van het middel
- Met de elf bestreden beslissingen neemt het taxatiebureau Brus- sel NL een beslissing over de uitbetaling van het ereloon van een curator door deze te weigeren omdat, eensdeels, dit ereloon beschouwd wordt als met gerechtskosten in strafzaken gelijkgestelde kosten en, anderdeels, de facturen ervoor buiten de ter- mijn van artikel 41 van het gerechtskostenbesluit werden ingediend. De vraag rijst echter of het taxatiebureau bedoeld in de wet van 23 maart 2019 ‘betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kos- ten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van strafvordering’ (“wet gerechtskosten in strafzaken”) daartoe wel bevoegd is.
- Artikel XX.145 WER, tweede lid, luidt: “De aan de curatoren bij wijze van ereloon of bij wijze van provisioneel ereloon verschuldigde bedragen, bedoeld in artikel XX.20 alsmede hun kosten, de gerechtskosten en de kosten aan derden in het kader van de ver- effening gesteld worden begroot door de rechtbank [versta: de onderne- mingsrechtbank] op basis van een daartoe opgesteld verzoekschrift en op het advies van de rechter-commissaris. Bij elk verzoek tot begroting van de gerechtskosten en kosten aan derden, worden de stukken die deze kosten verantwoorden gevoegd. De betalingen van de bedoelde erelonen, kosten en voorschotten worden verricht door de Deposito- en Consignatiekas aan de curator op basis van een door de rechter-commissaris ondertekend[e] staat.” Voor de faillissementen waarvan de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de boedel te dekken, bepaalt artikel IX-10.517-7/13 XX.20, § 4, vierde lid, WER dat een forfaitaire vergoeding van de curator wordt bepaald waarvan het jaarlijks geïndexeerd bedrag door de Koning wordt bepaald. Hieraan heeft de Koning uitvoering gegeven bij artikel 9 van het meervermelde koninklijk besluit van 26 april
- De bevoegdheid tot het begroten van het aan de curator verschul- digde ereloon voor faillissementen waarvan de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de boedel te dekken is dus uitdrukkelijk bij wet – in artikel XX.145 WER – aan de ondernemingsrechtbank opgedragen op basis van een bij koninklijk besluit geregeld forfaitair tarief. Luidens artikel 574, 2°, GerW neemt de ondernemingsrechtbank voorts kennis “van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit een insol- ventieprocedure bedoeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht, waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van de insolventie”.
- In de elf faillissementen waarop het huidige geschil ziet, heeft de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank zijn bevoegdheid tot het begroten van het ereloon van de curator uitgeput en de verwerende partij veroordeeld tot de forfaitaire erelonen.
- Het taxatiebureau heeft dus geen enkele bevoegdheid over de be- groting van het ereloon van de curator in een faillissement waarvan de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de boedel te dekken wan- neer dat door de rechter in een vonnis is begroot ten laste van de verwerende partij. Het is dergelijk vonnis dat een uitvoerbare titel oplevert voor uit- betaling “nu het boek XX [van het WER] zelf een voldoende wettelijke basis vormt voor de betaling van deze vergoeding ten laste van de Staat” (Verslag aan de Ko- ning bij het koninklijk besluit van 26 april 2018 ‘houdende vaststelling van de IX-10.517-8/13 regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventie- functionarissen’). De begroting van het ereloon van de curator is de (exclusieve) bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank. Er is geen enkele noodzaak noch be- voegdheid voor het taxatiebureau om in deze zaak tot verificatie en taxatie of be- groting van het ereloon over te gaan opdat tot uitbetaling wordt overgegaan. 12.
- Artikel 42, inleidende zin en 1°, van het gerechtskostenbesluit, waaraan de verwerende partij refereert, luidt: “De volgende kosten worden gelijkgesteld met gerechtskosten: 1° het ereloon van de curator van een faillissement, met in de massa van het faillissement onvoldoende activa om de geleverde prestaties te vergoe- den.” Voor deze gelijkstelling is in het Verslag aan de Koning vol- gende verantwoording te lezen: “In dit artikel staat een opsomming van kosten die in beginsel niet behoren tot de gerechtskosten in strafzaken, maar die, omwille van de aard van de procedures waarvoor ze worden gemaakt, worden beschouwd als beant- woordend aan een vergelijkbaar doel, en daarom worden gelijkgeschakeld met gerechtskosten in strafzaken. De aandacht wordt getrokken op het feit dat hoewel er geen gelijkstellingen kunnen bestaan die niet door de wetge- ver zijn gebeurd, deze lijst toch niet volledig is. Wat hier is overgebleven, zijn de kosten die kunnen ontstaan wanneer per- sonen, veelal advocaten, worden aangesteld door de rechter als tijdelijk mandataris of beheerder van de belangen of vermogens van natuurlijke of rechtspersonen. Dit zijn enerzijds de hiervoor genoemde minderjarigen en geesteszieken als te beschermen personen, en anderzijds de rechtspersonen die zich in een toestand van faillissement of vrijwillige ontbinding bevin- den, of nog, een of meer van de gewone beheerders die zich in een toestand van belangenconflict met de te beschermen rechtspersoon bevinden.” 12.
- De zienswijze van de verwerende partij, die erop neerkomt dat middels de gelijkstelling in artikel 42 van het gerechtskostenbesluit, het taxatiebu- reau toch bevoegdheid zou hebben over de taxatie van de erelonen van een curator IX-10.517-9/13 eerder al begroot door de rechter en ten laste gelegd van de Belgische Staat, wordt niet bijgevallen. De Raad van State maakt zich integendeel de volgende in het auditoraatsverslag neergeschreven en overigens door de verwerende partij niet concreet weersproken analyse eigen (voetnoten weggelaten): “Het auditoraat stelt vast dat het ereloon en de kosten van de curator bij ontoereikend actief duidelijk, op basis van een letterlijke lezing, niet onder de definitie van gerechtskosten in strafzaken opgenomen in artikel 3, § 1, van de wet [gerechtskosten in strafzaken] vallen en ook niet omschreven zijn in artikel 3, § 2, van de wet [gerechtskosten in strafzaken] als met in strafzaken gelijkgestelde kosten. Zij vallen vooreerst duidelijk en onbetwistbaar niet onder de kosten bedoeld in artikel 3, § 2, 1° tot 3°, van de wet [gerechtskosten in strafzaken]. Ook wanneer rechtsbijstand (kosteloze rechtspleging) werd toegestaan in een faillissement, vallen vervolgens het ereloon en de kosten van de curator niet onder artikel 3, § 2, 4°, van de wet [gerechtskosten in strafzaken] dat betrekking heeft op ‘vorderingen zoals bedoeld in paragraaf 1 bij elke rechtspleging die gepaard gaat met rechtsbijstand’. De opdracht van een curator heeft immers een evident ander doel en voorwerp dan de vorderin- gen bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet [gerechtskosten in strafzaken] die verband houden met strafonderzoeken en ook een ander type van opdracht- gever. Het ereloon en de kosten van de curator kunnen evenmin ingevolge andere bijzondere wetten worden gelijkgesteld met gerechtskosten in strafzaken zoals bedoeld in artikel 3, § 2, 5°, van de wet [gerechtskosten in strafzaken]. In de huidige stand van het recht voorziet immers geen enkele wetsbepaling in de gelijkstelling van het ereloon van de curator bij ontoereikend actief met gerechtskosten in strafzaken. De wet [gerechtskosten in strafzaken] heeft aan de Koning enkel overgela- ten te bepalen welke kosten niet als gerechtskosten dienen te worden be- schouwd. Aan de Koning werd in de wet evenwel geen bevoegdheid ver- leend om het toepassingsgebied van de wet [gerechtskosten in strafzaken] uit te breiden. Gelijkstelling van kosten met gerechtskosten (in strafzaken) kan, gelet op de hiërarchie der normen, dus niet bij koninklijk besluit geregeld worden, maar dient bij wet te gebeuren zoals artikel 3, § 2, 5°, van de wet [gerechts- kosten in strafzaken] overigens bepaalt: ‘Met gerechtskosten in strafzaken gelijkgestelde kosten worden be- doeld, de kosten veroorzaakt door: 5° daarmee gelijkgestelde uitgaven, in het kader van andere gerech- telijke procedures waarvoor bijzondere wetten voorzien in de ge- lijkstelling van de erdoor veroorzaakte kosten met gerechtskosten in strafzaken.’” IX-10.517-10/13 De gelijkstelling van het ereloon van de curator met gerechts- kosten in strafzaken vereist overeenkomstig artikel 3, § 2, 5°, van de wet gerechts- kosten in strafzaken een optreden van de wetgever (”bijzondere wetten”). Aange- zien er geen rechtsgrond is verleend aan de Koning voor de gelijkstelling, opgeno- men in artikel 42, 1°, van het gerechtskostenbesluit, moet deze bepaling met toe- passing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing blijven. 13.
- Volgens de verwerende partij ten slotte, “kan men niet anders dan vaststellen” dat de elf facturen die door de verzoekers werden ingediend “vol- ledig buiten de wettelijk[e] termijn van 6 maanden na de uitvoering van de presta- ties vallen, en bijgevolg niet meer in aanmerking kunnen komen voor uitbetaling”. Zij wijst er nog op dat bijzondere wetten, “zoals in casu het Gerechtskostenbesluit” in een kortere verjaringstermijn kunnen voorzien dan de gemeenrechtelijke verja- ringstermijn van tien jaar. 13.
- Met dit argument refereert de verwerende partij aan artikel 41 van het gerechtskostenbesluit, dat luidt: “Op straffe van verval van rechten, dienen de prestatieverleners, met uit- zondering van de telecomoperatoren, hun kostenstaten in bij het taxatiebu- reau binnen zes maanden na de uitvoering van de prestatie, of de indiening van hun verslag.” 13.
- Hiervóór is gebleken dat artikel 42, 1°, van hetzelfde besluit on- wettig is en buiten toepassing blijft. Die vaststelling volstaat – zonder dat moet worden onderzocht of de Koning vermag af te wijken van de gemeenrechtelijke verjaringsregels voor de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten of van de gemeenrechtelijke verjaringsregels die gelden inzake de (desnoods gedwon- gen) tenuitvoerlegging van vonnissen – om ook artikel 41 op de voorliggende zaak niet toepasselijk te achten, aangezien die bepaling hoe dan ook enkel geldt voor de kostenstaten die onder de toepassing van het gerechtskostenbesluit vallen en enkel door middel van de onwettig gebleken gelijkstelling van toepassing zou kunnen zijn op het ereloon van de curator. IX-10.517-11/13
- Het taxatiebureau is onbevoegd om de bestreden beslissingen te nemen. Het ambtshalve aangevoerde middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de elf beslissingen van het taxatiebureau Brus- sel NL van 12 juni 2024 en 13 juni 2024, waarbij geweigerd wordt de facturen 2023-0054, 2023-0056, 2023-0057, 2023-0058, 2023-0059, 2023-0061, 2023- 0063, 2023-0064, 2023-0065, 2023-0067 en 2023-0075 van 15 november 2023 voor de prestaties als curator van J.D. in aanmerking te nemen en geweigerd wordt deze te betalen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- zoekende partijen, elk voor de helft. IX-10.517-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig oktober tweeduizendvijfen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, David D’Hooghe, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.517-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.