← België

Arrest 264650 - Kerkfabrieken - 24/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.650 Rolnummer: A. 239804/X-18449 Zaak: Arrest 264650 - Kerkfabrieken - 24/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-27 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-14 04:08 Fiche Arrest nr 264.650 van 24 oktober 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Kerkfabrieken Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.650 van 24 oktober 2025 in de zaak A. 239.804/X-18.449 In zake : de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de VZW V.V. 2. E.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Fadili kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13, bus C1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen van 7 juni 2023 houdende de erkenning van de islamitische lokale geloofsgemeenschap ‘El Mouslimine’ te Antwerpen. X-18.449-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw V.V. en de E.V. hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maarten Van Den Nieuwenhuyzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verwerende partij en advocaat Lene Ariën, die loco advocaat Ali Fadili verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-18.449-2/16 III. Wettelijk kader 3.1. De artikelen 230 en volgende van titel IV. Bijzondere bepalingen voor de orthodoxe en islamitische erediensten, hoofdstuk II. Bijzondere bepalingen voor de islamitische eredienst, van het decreet van 7 mei 2004 ‘betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten’ (hierna: het decreet van 7 mei 2004) bepalen: “Afdeling 1 Comité Artikel 230. De Vlaamse regering erkent de islamitische gemeenschappen en hun gebiedsomschrijving op voorstel van het door de federale overheid erkende representatief orgaan van de islamitische eredienst, verder het erkend representatief orgaan genoemd. Artikel 231. De islamitische gemeenschap is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid die bestuurd wordt door een comité. De zetel van de islamitische gemeenschap wordt bepaald door het comité. Artikel 232. De islamitische gemeenschap is belast met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken. De islamitische gemeenschap is belast met het onderhoud en de bewaring van de moskee of moskeeën van de islamitische gemeenschap en met het beheer van de goederen en de gelden die eigendom zijn van de islamitische gemeenschap of die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst in de islamitische gemeenschap. […].” 3.2. Met het decreet van 22 oktober 2021 ‘tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten’ (hierna: het decreet van 22 oktober 2021) wordt een nieuw kader ingevoerd voor de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen. 3.3. Voor lokale geloofsgemeenschappen die een aanvraag tot erkenning vóór 1 juli 2019 hebben ingediend, geldt bij wijze van X-18.449-3/16 overgangsregeling de (verkorte) erkenningsprocedure bepaald in artikel 67 van het decreet van 22 oktober 2021: “§ 1. In afwijking van hoofdstuk 2 kunnen de lokale geloofsgemeenschappen die conform artikel 3, § 1, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 juli 2008 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 27 mei 2004 tussen de Federale Overheid, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de erkenning van de erediensten, de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten, de kerkfabrieken en de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten een aanvraag tot erkenning bij het representatief orgaan hebben ingediend voor 1 juli 2019 erkend worden met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 6. § 2. Het representatief orgaan bezorgt binnen één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet een geactualiseerd dossier aan de Vlaamse Regering dat, op straffe van onontvankelijkheid, al de volgende gegevens en documenten bevat: 1° de identificatie van de lokale geloofsgemeenschap: de naam en de denominatie van de lokale geloofsgemeenschap; 2° in voorkomend geval de huidige juridische structuur, de naam, het adres, statuten en het nummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen; 3° de gebiedsomschrijving, namelijk de duidelijke aanwijzing van het territoriale werkingsgebied van de lokale geloofsgemeenschap: de naam van de gemeente(

  1. n)of van de delen ervan; 4° de vermelding van de financierende overheid en in voorkomend geval een voorstel van verdeelsleutel van de kosten tussen de financierende overheden; 5° het adres van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst en het adres van alle andere infrastructuur die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt; 6° voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de personen die, als de lokale geloofsgemeenschap wordt erkend, conform artikel 15 aangesteld worden als leden van het tijdelijk voltallig bestuursorgaan en voor elk van hen, een uittreksel uit het strafregister, conform artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat niet ouder is dan negentig dagen. Het tijdelijk voltallig bestuursorgaan treedt tijdens de procedure, vermeld in dit artikel, eveneens op als bestuursorgaan van de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap. Als er tussentijdse wijzigingen zijn, meldt ze dat binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 7° voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de bedienaars van de eredienst en hun vervangers en voor elk van hen, een uittreksel uit het strafregister, conform artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat niet ouder is dan negentig dagen. Als er X-18.449-4/16 tussentijdse wijzigingen zijn, meldt het tijdelijk voltallig bestuursorgaan, vermeld in punt 6°, dat binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 8° de personen, vermeld in punt 6° en 7°, ondertekenen een schriftelijke verklaring op eer waarin ze zich ertoe verbinden de erkenningscriteria, vermeld in artikel 7 en de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 na te leven, met dien verstande dat de woorden ‘het voorlopig bestuursorgaan’, vermeld in artikel 7, worden gelezen als ‘het tijdelijk voltallig bestuursorgaan’, vermeld in punt 6°; 9° de laatste jaarrekening voor het geheel van de activiteiten van de lokale geloofsgemeenschap, aangevuld met een jaarrekening voor dat gedeelte van haar activiteiten dat betrekking heeft op de materiële aspecten van de eredienst, opgemaakt conform de modellen die gelden voor de besturen van de eredienst; 10° een overzicht van alle giften in natura of in contanten met betrekking tot de materiële aspecten van de eredienst waarvan de lokale geloofsgemeenschap de twee voorgaande jaren rechtstreeks of onrechtstreeks de begunstigde was en die een waarde hebben van 1000 euro en meer. Het overzicht van de giften vermeldt de datum van de gift, de waarde van de gift, de aard van de gift, de wijze waarop de transactie is uitgevoerd en de volgende identificatiegegevens van de schenker:
  2. a)voor natuurlijke personen: 1) de voor- en achternaam; 2) het adres van de hoofdverblijfplaats; 3) de geboortedatum en de plaats; 4) de nationaliteit;
  3. b)voor rechtspersonen of structuren zonder rechtspersoonlijkheid: 1) de naam; 2) in voorkomend geval het ondernemingsnummer; 3) de rechtsvorm; 4) het adres van de zetel; 11° een ontwerp van meerjarenplan voor de komende zes jaar, waarin een inschatting wordt gegeven van de ontvangsten en uitgaven van het op te richten bestuur van de eredienst na de erkenning, opgemaakt conform de modellen die gelden voor de besturen van de eredienst. § 3. De Vlaamse Regering brengt al de volgende instanties binnen dertig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag tot erkenning, bezorgd door het representatief orgaan, op de hoogte van die aanvraag: 1° het bestuursorgaan, vermeld in paragraaf 2, 6°; 2° het representatief orgaan; 3° de financierende overheid; 4° de federale overheid; 5° in voorkomend geval de adviserende gemeente. § 4. Uiterlijk vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 3, bezorgen het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente een advies aan de Vlaamse Regering waarin wordt geadviseerd of de lokale X-18.449-5/16 geloofsgemeenschap voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 7, met uitzondering van punt 10° en 11°. Als een van de instanties, vermeld in het eerste lid, het advies niet op tijd bezorgt, kan aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan. § 5. Uiterlijk zes maanden nadat de termijn, vermeld in paragraaf 4, is verstreken, beslist de Vlaamse Regering over de erkenning en brengt ze het bestuursorgaan vermeld in paragraaf 2, 6°, het representatief orgaan, de federale overheid, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente op de hoogte van deze beslissing. De Vlaamse Regering beoordeelt de erkenning van een lokale geloofsgemeenschap op basis van de verplichtingen, vermeld in artikel 7, met uitzondering van punt 10° en 11°. De beslissing tot erkenning bevat in voorkomend geval al de elementen, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid. Het erkenningsbesluit, vermeld in het tweede lid, wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 6. Als de lokale geloofsgemeenschap wordt erkend, is artikel 15 van toepassing.” 3.4. Overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 7 van afdeling 1. Erkenningscriteria, hoofdstuk 2. Erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, van het decreet van 22 oktober 2021, kan een lokale geloofsgemeenschap worden erkend als ze aan de volgende criteria voldoet: “1° ze heeft een juridische structuur die aangepast is aan het aangevraagde openbaar statuut en waarover er transparantie is; 2° ze is financieel leefbaar en biedt transparantie daarover; 3° ze ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks financiering of ondersteuning als die financiering afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid. Ze ontvangt geen financiering of ondersteuning die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met terrorisme, extremisme, spionage of clandestiene inmenging; 4° ze toont de maatschappelijke relevantie aan van de lokale geloofsgemeenschap aan de hand van:
  4. a)de bevestiging door het representatief orgaan dat de lokale geloofsgemeenschap minstens tweehonderd leden telt binnen de gebiedsomschrijving;
  5. b)de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken;
  6. c)het onderhoud en de bewaring van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst;
  7. d)het onderhouden van duurzame contacten met de lokale overheid van de gemeente waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn; X-18.449-6/16
  8. e)het respecteren van het principe van goed nabuurschap en het onderhouden van duurzame contacten met de lokale gemeenschap waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn; 5° de leden van het voorlopig bestuursorgaan leven, behalve bij incidentele overmacht, al de volgende verplichtingen na:
  9. a)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook, medewerking te verlenen aan activiteiten die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan;
  10. b)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de organisatie en werking van het voorlopig bestuursorgaan;
  11. c)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die in door de lokale geloofsgemeenschap gebruikte lokalen en plaatsen aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de gebruikte lokalen en plaatsen;
  12. d)de verplichting om, onverminderd de vrijheid van godsdienst, alle redelijke inspanningen te ondernemen om geldende wetgeving na te leven en niet hun medewerking te verlenen aan handelingen strijdig met de geldende wetgeving, in het bijzonder de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  13. e)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook aan te zetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan; 6° ze toont aan dat het toekomstig bestuur van de eredienst houder zal worden van zakelijke rechten op de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst of bij gebreke daarvan, wanneer de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst geen eigendom zijn van een publieke rechtspersoon, kan ze een afschrift voorleggen van een overeenkomst die met de eigenaar van de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst is gesloten over het gebruik van de gebouwen of de andere infrastructuur door het toekomstig bestuur van de eredienst; 7° het voorlopig bestuursorgaan bezorgt de voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de leden van het voorlopig bestuursorgaan aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente. Als er tussentijdse wijzigingen zijn, meldt het voorlopig bestuursorgaan dat binnen dertig dagen aan deze instanties; 8° ze heeft enkel bedienaars van de eredienst en hun vervangers die voldoen aan de inburgeringsplicht die in voorkomend geval op hen van toepassing is conform het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie en inburgeringsbeleid; 9° ze heeft geen bedienaars van de eredienst en hun vervangers die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid; X-18.449-7/16 10° ze voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 11 en 12; 11° ze doorloopt de wachtperiode van vier jaar, vermeld in afdeling 3, met gunstig gevolg.” 3.5. De artikelen 14 en 15 van hoofdstuk 2. Erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, afdeling 4. Erkenning, van het decreet van 22 oktober 2021 bepalen: “Artikel 14. § 1. Uiterlijk zestig dagen na het einde van de wachtperiode, vermeld in paragraaf 3 en artikel 10, neemt de Vlaamse Regering, na schriftelijk advies ingewonnen te hebben bij de bevoegde instantie, een beslissing over de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap en brengt ze het voorlopig bestuursorgaan, het representatief orgaan, de federale overheid, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente op de hoogte van die beslissing. § 2. Als de Vlaamse Regering beslist dat de lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 7, en de aanvraag tot erkenning volledig is conform artikel 8, tweede lid, bevat het erkenningsbesluit al de volgende elementen: 1° de naam van het bestuur van de eredienst; 2° de gebiedsomschrijving; 3° in voorkomend geval de verdeelsleutel van de kosten tussen de financierende overheden. Het erkenningsbesluit van de Vlaamse Regering, vermeld in het eerste lid, wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. […] Artikel 15. Het representatief orgaan stelt binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 14, § 2, het voltallige bestuursorgaan van het bestuur van de eredienst aan overeenkomstig de samenstelling van het bestuursorgaan, bepaald in het decreet van 7 mei 2004 tot aan de eerste gedeeltelijke vernieuwing van het bestuursorgaan. Het lot wijst de leden aan die bij de eerste gedeeltelijke vernieuwing uittreden. De eerste gedeeltelijke vernieuwing van het bestuursorgaan valt samen met de reguliere cyclus die geldt voor de andere besturen van dezelfde eredienst, conform het decreet van 7 mei 2004.” IV. Feiten 4.1. Het Executief van de Moslims van België dient op 29 oktober 2015 een aanvraag in bij de Vlaamse regering voor de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap “El Mouslimine” te Antwerpen. X-18.449-8/16 Op 1 juli 2022 dient het Executief van de Moslims van België een geactualiseerd dossier in. 4.2. Met een aangetekend schrijven van 18 juli 2022 brengt de Vlaamse regering de volgende instanties op de hoogte van de ontvankelijke aanvraag: °het tijdelijk voltalig bestuursorgaan van de lokale islamitische geloofsgemeenschap; °het representatief orgaan van de islamitische eredienst; °de financierende overheid, namelijk de provincie Antwerpen; °de adviserende gemeente, namelijk de stad Antwerpen: °de federale overheid. Tevens vraagt de Vlaamse regering aan het representatief orgaan, de provincie Antwerpen en de stad Antwerpen advies over de mate waarin de lokale islamitische geloofsgemeenschap “El Mouslimine” voldoet aan de verplichtingen vermeld in artikel 7 van het decreet van 22 oktober 2021, met uitzondering van de punten 10° en 11°. 4.3. Met een aangetekend schrijven van 25 juli 2022 vraagt de Vlaamse regering advies aan de federale minister van Justitie, die bevoegd is voor de erediensten. 4.4. Op 12 oktober 2022 brengt het Executief van de Moslims van België, als representatief orgaan, een gunstig advies uit. 4.5. Op 13 oktober 2022 brengt de verzoekende partij een ongunstig advies uit. 4.6. Op 24 oktober 2022 brengt de gemeenteraad van de stad Antwerpen een gunstig advies uit. X-18.449-9/16 4.7. Op 6 maart 2023 brengt de federale minister van Justitie een gunstig advies uit. 4.8. Op 15 mei 2023 brengt de Informatie- en Screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen van het agentschap Binnenlands Bestuur (hierna: ISD) een gunstig advies uit. 4.9. Op 7 juni 2023 erkent de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen de lokale geloofsgemeenschap “El Mouslimine” te Antwerpen. Dit is de bestreden beslissing, die het volgende bepaalt. “Artikel 1. De islamitische lokale geloofsgemeenschap ‘El Mouslimine’ met als vestigingsplaats Jan Palfijnstraat 35, 2060 Antwerpen, wordt erkend. Art. 2. De gebiedsomschrijving van de lokale geloofsgemeenschap ‘El Mouslimine’ is als volgt: 2000 Antwerpen, 2018 Antwerpen, 2020 Antwerpen, 2030 Antwerpen, 2050 Antwerpen, 2060 Antwerpen, 2040 Berendrecht, 2100 Deurne, 2140 Borgerhout, 2170 Merksem, 2180 Ekeren, 2600 Berchem, 2610 Wilrijk en 2660 Hoboken. Art.3. De verdeelsleutel wordt als volgt vastgesteld: Provincie Antwerpen 100 % Art. 4. Het representatief orgaan van de islamitische eredienst stelt binnen 30 dagen na de kennisgeving van dit ministerieel besluit het voltallig bestuursorgaan van het bestuur van de eredienst aan overeenkomstig het Eredienstendecreet van 7 mei 2004 tot aan de eerste gedeeltelijke vernieuwing van het bestuursorgaan in 2026. […].” X-18.449-10/16 V. Vraag tot vertrouwelijke behandeling Standpunt van de partijen 5.1. De verwerende partij legt met haar memorie van antwoord het advies van de ISD (stuk 15) als vertrouwelijk stuk neer”. Zij wijst erop dat dit stuk overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 maart 2000 ‘tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ door de ISD gemerkt werd met de vermelding “beperkte verspreiding”. Die kwalificatie impliceert dat de verspreiding van dit document zodoende beperkt moet blijven “tot de personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen”. De verwerende partij leidt daaruit af dat de vertrouwelijkheid van het stuk dan ook bewaard moet blijven ten aanzien van de verzoekende partij. Volgens de verwerende partij is het bijgevolg niet mogelijk om het advies als niet- vertrouwelijk aan het administratief dossier toe te voegen. 5.2. De verzoekende partij betoogt in haar memorie van wederantwoord dat de ISD nergens verzocht heeft om het document in rechte als vertrouwelijk te beschouwen. Evenmin heeft de verwerende partij concreet aangetoond welke belangen zouden worden geschaad door de openbaarmaking van het advies ten aanzien van minstens de verzoekende partij. Zij argumenteert voorts dat zij een belangrijke adviserende rol heeft als betrokken actor bij de erkenningsdossiers van lokale geloofsgemeenschappen. De lokale besturen zijn het best geplaatst om in dialoog te gaan met de lokale geloofsgemeenschappen, zodat ze over alle relevante gegevens dienen te beschikken. Zulks geldt des te meer nu ook de ISD bepaalde kanttekeningen blijkt te plaatsen bij de beoordeling van de financiële leefbaarheid van de lokale geloofsgemeenschap. Zo zou zij enkel financieel leefbaar zijn voor X-18.449-11/16 wat betreft de exploitatiekosten, terwijl zij de investeringskosten niet zelf kan dragen en de financierende overheid daarvoor dan maar moet instaan. Beoordeling 6. Het hierna besproken eerste middel kan worden beoordeeld zonder acht te slaan op het stuk dat de verwerende partij als vertrouwelijk heeft aangemerkt. Het is vooralsnog dan ook niet nodig om uitspraak te doen over de vertrouwelijkheid ervan. VI. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 7. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 67, § 5, van het decreet van 22 oktober 2021, van artikel 7, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ (hierna: het delegatiebesluit), alsook van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij bekritiseert dat de bestreden beslissing, die voorziet in de erkenning van een lokale geloofsgemeenschap en in de oprichting van het bestuur van de eredienst, zijnde een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, uitgaat van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen. Artikel 7, 6°, van het delegatiebesluit bepaalt nochtans dat de delegatie zoals bedoeld in artikel 6 van dat besluit, waarop de bestreden beslissing steunt, niet de oprichting en de wijze van samenstelling van raden, commissies, diensten, instellingen of rechtspersonen omvat. De bestreden beslissing, die voorziet in de oprichting van het bestuur van de eredienst, kon zodoende enkel door de voltallige Vlaamse regering genomen worden. De Vlaamse minister is ten onrechte “op eigenstandige wijze” overgegaan tot de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap “El Mouslimine”. X-18.449-12/16 Beoordeling 8.1. Voor een lokale geloofsgemeenschap die, zoals te dezen, een aanvraag tot erkenning heeft ingediend vóór 1 juli 2019, geldt de erkenningsregeling zoals bepaald in artikel 67 van het decreet van 22 oktober 2021 (zie randnummer 3.3). Naar luid van paragraaf 5 van dit artikel wordt de beslissingsbevoegdheid over de erkenning van de plaatselijke geloofsgemeenschappen aan de Vlaamse regering opgedragen. 8.2. Volgens artikel 21, eerste lid, van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 ‘over de Vlaamse instellingen’ (hierna: het bijzonder decreet van 7 juli 2006) regelt de Vlaamse regering haar werkwijze, “[o]nverminderd de bepalingen van dit bijzonder decreet en van de bijzondere wet [lees: de Bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 (BWHI)]”. Artikel 22 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 luidt: “Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt de Vlaamse Regering collegiaal, volgens de procedure van consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren.” 8.3. De laatste bepaling bevestigt het principe dat onder meer de gewestregeringen collegiale organen zijn en dat, in beginsel, beslissingen over alle zaken die tot hun bevoegdheid behoren, door de regering moeten worden genomen. De individuele regeringsleden hebben, eveneens in beginsel, alleen de bevoegdheid om die beslissingen voor te bereiden en uit te voeren; zij hebben in principe geen beslissingsmacht. Gelet op het eerste zinsdeel van de voormelde bepaling, geldt dit evenwel “[o]nverminderd de door haar toegestane delegaties”. Met andere woorden hebben de individuele regeringsleden beslissingsbevoegdheid in de mate dat ze over “door haar [lees: de Vlaamse regering] toegestane delegaties” beschikken. X-18.449-13/16 8.4. Wat de regeerperiode betreft die te dezen aan de orde is, worden de vermelde delegaties geregeld door het delegatiebesluit. Naar luid van artikel 5, eerste lid, ervan “[oefent] [e]lk lid van de Vlaamse Regering […] de in dit hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen”. Artikel 6, eerste lid, 1°, van het delegatiebesluit verleent delegatie aan de leden van de Vlaamse regering voor “het nemen van beslissingen voor de toepassing van de verdragen, EG-verordeningen, samenwerkingsakkoorden, wetten, decreten, verordeningen, koninklijke besluiten, besluiten van de Vlaamse Regering en ministeriële besluiten”. Een Vlaamse minister is bijgevolg bevoegd om beslissingen te nemen voor de toepassing van onder meer de decreten en besluiten van de Vlaamse regering, wanneer het gaat om een aangelegenheid die hem of haar is toegewezen. 8.5. Blijkens het te dezen toepasselijke artikel 4, § 1, 1°, van het besluit van 2 oktober 2019 van de Vlaamse regering tot ‘bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering’ is Bart Somers, viceminister-president van de Vlaamse regering en auteur van de bestreden beslissing, bevoegd voor “het beleidsveld Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, vermeld in artikel 3 van het organisatiebesluit”. Met dat “organisatiebesluit” wordt bedoeld het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 ‘met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie’ (hierna: het organisatiebesluit). 8.6. Onder dit beleidsveld vallen, overeenkomstig artikel 3, § 1, van het organisatiebesluit, onder meer “de binnenlandse aangelegenheden, vermeld in artikel 6, § 1, VIII van de bijzondere wet [lees: BWHI]”. Luidens artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, BWHI, zijn de gewesten bevoegd voor: “de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten.” Hieruit volgt dat de gewesten met betrekking tot de besturen van de erediensten alleen niet-bevoegd zijn voor “de erkenning van de erediensten” en X-18.449-14/16 “de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten”. De “erkenning van de erediensten” is evenwel niet te verwarren met de erkenning van de plaatselijke geloofsgemeenschappen. Dat laatste maakt een gewestbevoegdheid uit. 8.7. Samenvattend, behoort het dus tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding om – alleen – beslissingen te nemen inzake de erkenning van de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de (door de federale overheid) erkende eredienst. 8.8. De verzoekende partij brengt hiertegen in dat niet de Vlaamse minister maar de Vlaamse regering te dezen bevoegd is, nu met het bestreden besluit wordt voorzien in “de oprichting van een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid”, een bevoegdheid die niet aan de Vlaamse minister kan gedelegeerd worden, gelet op artikel 7, 6°, van het delegatiebesluit, dat bepaalt dat de bij artikel 6 van het delegatiebesluit toegestane delegatie niet omvat: “6° de oprichting en de wijze van samenstelling van raden, commissies, diensten, instellingen of rechtspersonen.” 8.9. Dit standpunt wordt niet bijgevallen. Het bestreden besluit, genomen met toepassing van artikel 67, § 5, van het decreet van 22 oktober 2021, is beperkt tot de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap “El Mouslimine”. De oprichting van het bestuur van de eredienst gebeurt vervolgens van rechtswege, op grond van artikel 231, eerste lid, van het decreet van 7 mei 2004 (zie randnummer 3.1). Dat artikel 4 van het bestreden besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van het decreet van 22 oktober 2021 (zie randnummer 3.5), vermeldt dat “[h]et representatief orgaan van de islamitische eredienst […] binnen 30 dagen na de kennisgeving van dit ministerieel besluit het voltallig bestuursorgaan van de eredienst aan[stelt] overeenkomstig het Eredienstendecreet X-18.449-15/16 van 7 mei 2004 tot aan de eerste gedeeltelijke vernieuwing van het bestuursorgaan in 2026”, doet niet anders besluiten. 8.10. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 8.11. Het middel wordt verworpen. 9. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van het ongegrond bevonden eerste middel. Er is reden om het debat te heropenen en het bevoegde lid van het auditoraat te belasten met het aanvullend onderzoek van de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.449-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.