← België

Arrest 264655 - Examens (onderwijs) - 24/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.655 Rolnummer: A. 246129/IX-10757 Zaak: Arrest 264655 - Examens (onderwijs) - 24/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-29 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-15 03:47 Fiche Arrest nr 264.655 van 24 oktober 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.655 van 24 oktober 2025 in de zaak A. 246.129/IX-10.757 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Jade Leenaert en Niels Lemaire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 14 oktober 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts van 9 oktober 2025 waarbij het beroep van verzoekster ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing tot intrekking van de beslissing van 14 juli 2025 tot gunstige rangschikking op het toelatingsexamen tandarts van 3 juli 2025 en tot uitsluiting van de rangschikking van de in 2025 afgelegde toelatingsexamens, wordt bevestigd. IX-10.757-1/27 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 15 oktober 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Regelgeving en feiten 3.1. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor – onder meer – de opleidingen tot arts en tandarts – één per opleiding (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). IX-10.757-2/27 Deze toelatingsexamens beogen het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige respectievelijk tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van deze examens geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in de studiegebieden Geneeskunde en Tandheelkunde (artikel II.187, §§ 1 en 2, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste en tweede lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts en 252 voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts (artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord IX-10.757-3/27 levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2025 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2025’ (“WER”). 3.2. Verzoekster neemt op 2 juli 2025 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts – dat op 71 locaties plaatsvindt – en op 3 juli 2025 aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts – dat op 23 locaties plaatsvindt. Verzoekster neemt aan de examens deel in een instelling van secundair onderwijs te Beringen. Zij heeft, conform artikel 27 van het WER, vooraf haar “volgorde van voorkeursopleiding” gemeld, waarbij de opleiding tot tandarts haar voorkeur geniet boven de opleiding tot arts. Voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts is zij geslaagd voor de beide examenonderdelen en behaalt zij een algemeen totaal van 170 op 240 punten. Dit resultaat is hoger dan de cesuur van 158 op 240 punten. Voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts behaalt zij 82 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 71 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 153 op 240 punten in het totaal. Ook dit resultaat is hoger dan de cesuur van 143 op 240 punten. 3.3. Bij haar beraadslaging op 9 juli 2025 stelt de examencommissie vast dat er bij de toelatingsexamens “pogingen tot fraude” zijn gemeld. Daarbij wordt onder meer gerefereerd aan het “[g]ebruik van chatGPT”. Twee deelnemers aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts en één deelnemer aan het IX-10.757-4/27 toelatingsexamen voor de opleiding tot dierenarts worden om die reden van de rangschikking uitgesloten. 3.4. Op 14 juli 2025 deelt de examencommissie aan verzoekster mee dat zij gunstig is gerangschikt voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts. 3.5. Na uitgebreide berichtgeving in de media over de mogelijkheid voor de deelnemers aan de respectievelijke toelatingsexamens om tijdens die examens “andere tabbladen open te klikken, en eventueel een andere website te lanceren”, worden verschillende onderzoeken ingesteld. Op 31 augustus 2025 beraadslaagt de examencommissie over een en ander. Het verslag van die vergadering leest als volgt: “1. Verwelkoming & agenda […] De examencommissie komt samen naar aanleiding van de recente commotie rond vermeende fraude en gebruik van chatGPT tijdens de toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts. De examencommissie vraagt Ahovoks om het onderzoek dat loopt toe te lichten. Ahovoks voorziet eerst een korte inleiding over de organisatie van het examen in de huidige vorm en de daarbij gemaakte keuzes en risico- afwegingen. Daarna wordt het lopende onderzoek toegelicht. 2. Toelichting huidige organisatie van het toelatingsexamen Om de decentrale organisatie mogelijk te maken, wordt jaarlijks beroep gedaan op secundaire scholen en instellingen voor hoger onderwijs. In 2025 werd het examen afgenomen op 71 locaties (71 voor het examen arts, 23 voor het examen tandarts en 9 voor het examen dierenarts). De deelnemers maken het examen allemaal in hetzelfde digitale examenprogramma: de toepassing AssessmentQ van aanbieder Televic. De gebruikte examentoestellen zijn in het beheer van de partnerlocaties, beperkt aangevuld met gehuurde toestellen. Daardoor zijn er zowel verschillen in het type examentoestel als in de besturingssystemen. Om de gelijke omstandigheden van het toelatingsexamen te bewaken, wordt het examen centraal gemonitord in het coördinatiecentrum in Brussel. In geval van technische problemen kan de organisatie snel en efficiënt actie ondernemen. Uit de risicoanalyse van de organisatie volgde dat de meest zorgvuldige en haalbare fraudebestrijding bestond uit centrale monitoring vanuit Brussel in combinatie met actief toezicht door de toezichthouders. IX-10.757-5/27 Inzetten op actief toezicht is belangrijk, niet enkel om mogelijke fraude door toegang tot generatieve AI aan te pakken maar ook om alle andere mogelijkheden tot fraude aan te pakken. Het toezicht gebeurt door onderwijspersoneel en personeelsleden van Ahovoks. Toezichters ondertekenen een deontologische code met gedragsregels en ontvangen uitgebreide instructies. Zo staat in hun informatiebundel onder meer om rond te wandelen en actief te controleren of geen andere schermen geopend worden tijdens het examen. Ook controleren ze actief op het gebruik van bv. smartphones. Er werd ook voorzien dat in elke examenlocatie voldoende toezichthouders aanwezig zijn om de nodige controles te kunnen uitvoeren. 3. Toelichting onderzoek Er werden parallel 3 soorten onderzoek uitgevoerd: een grondige analyse van de data uit de examentoepassing AssessmentQ, een steekproefcontrole op de examentoestellen en een statistische itemanalyse naar de moeilijkheidsgraad van het examen. 2.1. Analyse van de applicatiedata uit AssessmentQ Voor wat betreft de data-analyse gebeurde dit in 3 fases. Ahovoks genereerde een databestand van alle deelnemers met onder meer informatie over de tijd die deelnemers nodig hadden om een vraag te beantwoorden en het aantal keer dat ze een ander tabblad hebben geopend. Zij maakten op basis hiervan een lijst met verdachte handelingen in het navigatiegedrag van gunstig gerangschikte deelnemers. De beschikbare data werden daarnaast (volledig geanonimiseerd) onderzocht door een externe partner, Youston. Die gebruikt een eigen analysemodel op basis van AI-patroonherkenning. Youston maakt een overzicht van alle examensessies uit de drie examens (arts, tandarts en dierenarts) met mogelijk risicovolle handelingen. Televic (de aanbieder van de examensoftware) vergeleken het veranderen van tabblad in de sessiehistoriek met de tijdsduur die deelnemers besteden aan individuele examenvragen. Het analysemodel van Youston werd verfijnd in een tweede fase en in een derde fase vergeleken met de analyses van Televic. Uit de analyses blijkt geen enkele indicatie voor een grootschalige fraude. 2.2. Steekproefcontrole op de examentoestellen Ahovoks voerde parallel ook een steekproefcontrole uit bij de partnerlocaties om te controleren of er op die locaties nog aanwijzingen waren op de gebruikte toestellen voor het gebruik van AI. Na een informatieve contactname met de scholen door Ahovoks werd een externe partner PwC ingeschakeld om op donderdag 28 en vrijdag 29 augustus plaatsbezoeken uit te voeren. Uit een beperkte steekproef bleek al snel dat op de examenlocaties nog weinig geschikte data aanwezig waren en dat deze data ook zeer gefragmenteerd waren. 2.3. Analyse moeilijkheidsgraad Er is gekeken naar de resultaten van het toelatingsexamen geneeskunde tussen 2020 en 2025, met name naar de verdeling van de scores, hoe ver die uit elkaar lagen en wat de gemiddelde en middelste score was. De evolutie IX-10.757-6/27 van de eindscores van de examens en de afwijkingen in de histogrammen en boxplots van 2025 zijn voornamelijk beïnvloed door de afwijkende scores van het onderdeel GC in 2024. Een volgende stap is een gedetailleerde beschrijving van de vastgestelde patronen aan de examencommissie te bezorgen en te bepalen bij welke deelnemers effectief sprake is van verdachte gedragspatronen. Daarbij zullen de deelnemers die gunstig gerangschikt waren uitgenodigd worden n.a.v. de vaststellingen.” In aansluiting daarop beraadslaagt de examencommissie opnieuw op 2 september 2025. In het verslag van die vergadering is te lezen wat volgt: “2. Werkwijze & aanpak Zoals toegelicht in het verslag van 31 augustus 2025, hebben Ahovoks en het databedrijf Youston onderzoek gevoerd naar verdachte digitale handelingen tijdens de toelatingsexamens. Vandaag buigt de examencommissie zich over de individuele cases van de deelnemers die gunstig gerangschikt werden voor 1 van de 3 examens en bij wie digitale onregelmatigheden werden vastgesteld. De examencommissie beslist welke deelnemers ze wil uitnodigen om gehoord te worden. Hierbij spreekt de examencommissie het voornemen uit om de oorspronkelijke beslissing tot gunstige rangschikking van deze deelnemers in te trekken en ze vervolgens uit te sluiten van rangschikking op basis van de vastgestelde onregelmatigheden. De examencommissie beslist vandaag enkel wie ze wil horen. Deze deelnemers zullen op 3 september 2025 een brief ontvangen, zowel via e-mail als aangetekende zending, waarin zij in kennis gesteld worden van de vastgestelde digitale onregelmatigheden, evenals van het voornemen tot intrekking van de gunstige rangschikking en tot uitsluiting van de rangschikking. Zij worden uitgenodigd om op 10 september 2025 gehoord te worden en krijgen de mogelijkheid tot inzage in hun dossier. In de daaropvolgende dagen zal de examencommissie een definitieve beslissing nemen. 3.Bespreking individuele dossiers De examencommissie bespreekt eerst de 22 individuele dossiers die uit de analyse van de applicatieloggings naar boven kwamen. De verdeling is in onderstaande tabel af te lezen, waarbij wordt aangegeven over welk examen het gaat en hoe hoog het risico wordt ingeschat door Youston. Arts Tandarts Dierenarts Urgent 3 1 0 Hoog 1 0 0 Medium 0 1 0 Laag 3 1 12 IX-10.757-7/27 Na een inhoudelijke bespreking van de individuele dossiers heeft de examencommissie beslist om 6 van deze deelnemers uit te nodigen om gehoord te worden. Het gaat om de 6 cases die gevlagd werden met een urgent, hoog of medium risico. Voor de andere dossiers stelde de commissie vast dat er onvoldoende aanleiding was om deze deelnemers uit te nodigen. Deze deelnemers werden in de analyse ook gemarkeerd als ‘laag risico’. De examencommissie wenst daarenboven ook het nodige gewicht te geven aan deelnemers die meerdere keren het examenplatform hebben verlaten tijdens het examen en daartoe een zogenaamde tabwissel hebben gedaan. Het gebruik van een andere toepassing dan de examentoepassing zelf is in het werkings- en examenreglement immers uitdrukkelijk [verboden]. Op basis van de analyse van Ahovoks bekeek de commissie het aantal deelnemers dat 2 keer of meer uit het examenplatform is gegaan tijdens het examen en koppelde dit aan een duurtijd van tenminste 20 seconden buiten het examenplatform zonder dat hiervoor een duidelijke technische aanleiding was. De examencommissie beslist om ook deze 19 gunstig gerangschikte deelnemers, die uit deze analyse van Ahovoks naar boven komen, uit te nodigen om gehoord te worden. In totaal nodigt de examencommissie dus 25 deelnemers uit om gehoord te worden, nl. deelnemers die gunstig gerangschikt werden voor volgende toelatingsexamens: 19 voor het toelatingsexamen arts, 4 voor tandarts en 2 voor dierenarts.” 3.6. Op 3 september 2025 deelt de examencommissie aan verzoekster haar voornemen mee om de eerdere beslissing waarbij zij gunstig werd gerangschikt in te trekken en haar uit te sluiten van de rangschikking, “dit in toepassing van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2023 over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts en de artikelen 48 en 49 Werkings- en Examenreglement 2025”. Als grond daartoe, verwijst de examencommissie naar wat volgt: “Naar aanleiding van een onderzoek naar onregelmatigheden tijdens het toelatingsexamen door gebruik van andere software/webpagina’s dan het online examenplatform is gebleken dat er onregelmatigheden werden begaan tijdens het door u afgelegde examen. Uit de analyse van het door u afgelegde examenonderdeel KIW blijkt dat u in totaal 10 tabwissels heeft gedaan. Dit wil zeggen dat u 10 keer de examentoepassing hebt verlaten en vervolgens bent teruggekeerd. In totaal gaat het om 1 minuut en 28 seconden dat u tijdens de looptijd van het examen niet in het toetsingsplatform assesmentQ aan het werken was. IX-10.757-8/27 U beantwoordde verschillende vragen nadat u de examentoepassing heeft verlaten. Uit de analyse van het door u afgelegde examenonderdeel GC blijkt dat u in totaal 11 tabwissels heeft gedaan. Dit wil zeggen dat u 11 keer de examentoepassing hebt verlaten en vervolgens bent teruggekeerd. In totaal gaat het om 1 minuut 32 seconden dat u niet in het toetsingsplatform assesmentQ aan het werken was. U beantwoordde verschillende vragen nadat u de examentoepassing heeft verlaten. Uit het dossier en de gedetailleerde logging blijken daarnaast verschillende handelingen die door u tijdens het examen werden gesteld te zijn gevlagd als verdacht gedrag.” 3.7. Verzoekster gehoord, beslist de examencommissie op 12 september 2025 om haar gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts in te trekken en haar uit te sluiten van de rangschikking voor de beide toelatingsexamens waaraan zij heeft deelgenomen. Verzoekster dient daarop bezwaar in bij de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen (hierna: beroepsinstantie). 3.8. Op 13 oktober 2025 beslist de beroepsinstantie, verzoekster gehoord, om het beroep van verzoekster ongegrond te verklaren en de voormelde beslissing van de examencommissie van 12 september 2025 te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij IX-10.757-9/27 uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid 5. De spoedeisendheid is aangetoond, net zoals terecht beroep werd gedaan op de uiterst dringende noodzakelijkheid. De verwerende partij betwist zulks overigens niet. VI. Ernst van een onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen 6. Een eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 48 en 49 van het WER, “in samenhang gelezen met het vermoeden van onschuld en het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, materieel motiverings-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekster zelf stelt “[i]n essentie” aan te voeren dat er “geenszins sprake is van fraude tijdens het toelatingsexamen, dat hier minstens geen bewijs van voorligt” en dat er “bovendien geen onregelmatigheid werd vastgesteld voor of tijdens het examen waardoor een toepassing van artikel 49 WER in elk geval onmogelijk is”. Verzoekster wijst onder meer erop dat de bestreden beslissing steunt op de bepalingen van de artikelen 48 en 49 van het WER. Volgens haar is er geen sprake van een onregelmatigheid in de zin van artikel 48 van het WER. Het openen van een leeg tabblad of een “tabswitch” tijdens het examen – “zonder te surfen naar enige website, dan wel enige software te gebruiken” – acht zij géén volgens het WER verboden handeling. IX-10.757-10/27 Het is naar haar zeggen evenmin een hulpmiddel waarvan het gebruik door dezelfde bepalingen van het WER is verboden. Verzoekster leest evenmin in artikel 48 van het WER dat het verlaten van het examenplatform verboden is. Deze bepaling van het WER legt alleen vast welke hulpmiddelen mogen worden gebruikt tijdens het examen. Ook tijdens het examen werd zo een verbod niet toegelicht. Wanneer verzoekster een leeg tabblad opende, deed zij dat naar eigen zeggen met als enig doel zich beter te kunnen concentreren. Verzoekster neemt voorts aanstoot eraan dat in de oorspronkelijke beslissing van de examencommissie een tabbladwissel als een onregelmatigheid werd beschouwd, maar dat in de thans bestreden beslissing zo een tabbladwissel wordt gelijkgesteld met het openen van een andere webpagina. Daarvoor ziet zij nergens een rechtsgrond. Volgens verzoekster wijzigt de verwerende partij daarmee ook haar eerdere standpunt “op fundamentele wijze”. Dat maakt, steeds volgens verzoekster, een schending uit van de materiëlemotiveringsplicht en van de rechten van verdediging. Wat dat laatste betreft, doet verzoekster gelden dat zij niet eerder – schriftelijk of mondeling – heeft kunnen repliceren op dat motief. Zij wijst ook erop dat het wisselen van tabblad niet zonder bewijs gelijk te stellen is met het openen van een andere webpagina. Er wordt haar alleen een tabbladwissel verweten, niet het openen van een andere webpagina. Verzoekster stelt zich de vraag waarom het mogelijk is een tabbladwissel uit te voeren, terwijl dat verboden is. De verwerende partij kon deze mogelijkheid eenvoudig wegnemen. Waar deze laatste stelt dat de naleving van het WER een individuele verantwoordelijkheid van iedere deelnemer vormt, verliest zij volgens verzoekster uit het oog dat zij als administratieve overheid óók “bepaalde verantwoordelijkheden” heeft. Verzoekster beticht de verwerende partij van een “onzorgvuldigheid in de organisatie van het examen”. IX-10.757-11/27 In het verslag van de examencommissie van 11 en 12 september 2025 leest verzoekster dat twintig andere deelnemers aan het toelatingsexamen niet werden uitgesloten, omdat voor hen werd aangenomen dat de tabbladwissels waren toe te schrijven aan technische problemen of de toepassing van de energiebesparingsstand. Dat staat volgens verzoekster in schril contrast met de beslissing om haar “enkel en alleen op basis van de tabbladwissels, zonder enige andere vorm van bewijs” uit te sluiten van de rangschikking. Waarom de redenering dat het verlaten van het examenplatform een onregelmatigheid uitmaakt, niet werd doorgetrokken naar de andere twintig deelnemers, begrijpt verzoekster niet. Daarin ziet zij dan weer een schending van het gelijkheidsbeginsel gelegen. 7. In haar nota zet de verwerende partij uiteen dat volgens artikel 48 van het WER enkel de aldaar opgesomde elementen zijn toegelaten. Volgens een “a contrario-redenering” zijn alle zaken die niet werden opgesomd, niet toegelaten. Dat is bepaald dat alleen het online examenplatform mag worden gebruikt, impliceert volgens de verwerende partij dat het verboden is een ander tabblad te openen. Omdat enkel het gebruik van de examentoepassing is toegestaan, geldt er een verbod om het examenplatform te verlaten. Door het verlaten van het examenplatform werd “per definitie” een andere toepassing gebruikt. Dat is strijdig met artikel 48 van het WER. Volgens de verwerende partij heeft verzoekster het verkeerd voor waar zij stelt dat het openen van een leeg tabblad zonder te surfen naar een website, geen schending van artikel 48 van het WER inhoudt. De verwerende partij wijst erop dat het bewezen is dat verzoekster andere tabbladen dan het examenplatform heeft geopend – verzoekster heeft dat zelf bekend. Dat is al strijdig met artikel 48 van het WER. De verwerende partij geeft aan dat “het openen van een tabblad altijd [inhoudt] dat een webpagina wordt geopend”, want “[e]lk tabblad op zich is namelijk een webpagina – die trouwens nooit volledig leeg is – aangezien er altijd een website wordt getoond, al is het maar de startpagina van een zoekmachine (bv. Google)”. Daarom moet volgens de verwerende partij geen bewijs voorliggen van IX-10.757-12/27 het gebruik van enig hulpmiddel of een softwaretoepassing: het louter openen van een tabblad vormt op zich een schending van de voormelde bepaling van het WER. De verwerende partij betwist voorts dat er sprake is van een wijziging van standpunt ten opzichte van de beslissing van de examencommissie. De thans bestreden beslissing is een bevestiging van de beslissing van de examencommissie, waarbij “hoogstens” de motivering werd verfijnd. Bovendien verbiedt niets de beroepsinstantie om een ander standpunt in te nemen dan de examencommissie. Er anders over oordelen, zou volgens de verwerende partij de inhoud van een beroepsprocedure tenietdoen. Dat verzoekster daarop niet heeft kunnen repliceren, doet daaraan geen afbreuk. De beroepsinstantie is niet ertoe gehouden, zo betoogt de verwerende partij, om haar motieven voorafgaand aan de te nemen beslissing aan verzoekster mee te delen. De rechten van verdediging gelden volgens haar slechts in een jurisdictionele procedure en dat is hier niet het geval. Dat het mogelijk was om een tabblad te openen, betekent volgens de verwerende partij “niet per definitie” dat zij het toelatingsexamen op een onzorgvuldige wijze heeft georganiseerd. Beveiligingsmechanismen of ‘blokkeringen’ zouden ertoe kunnen leiden dat de centrale monitoring onvoldoende zou werken. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is volgens de verwerende partij evenmin sprake. Enkele deelnemers voerden aan dat technische problemen of de energiebesparingsstand de “digitale onregelmatigheden” hadden veroorzaakt. Uit onderzoek bleek dit verweer juist. Verzoekster heeft dat nooit aangevoerd. Zij heeft daarentegen toegegeven dat zij tijdens het toelatingsexamen bewust nieuwe tabbladen heeft geopend. Nazicht van de applicatielogs van verzoekster leert trouwens, zo stelt de verwerende partij, dat haar computer niet in energiebesparingsstand is gegaan. De situaties zijn bijgevolg niet vergelijkbaar, zo besluit de verwerende partij. IX-10.757-13/27 Waarom de browsergeschiedenis niet werd gecontroleerd, werd volgens de verwerende partij al in de bestreden beslissing beantwoord. Bovendien, zo geeft zij nog aan, beroept zij zich “helemaal niet op die browsergeschiedenis om de onregelmatigheid aan te tonen”. Beoordeling 8. De grieven die verzoekster in haar eerste middel ter sprake brengt en waarmee zij onder meer betwist tijdens het toelatingsexamen tegen de bepalingen van het WER te hebben gezondigd, heeft zij, zo lijkt, in min of meer gelijkaardige bewoordingen ook aan de beroepsinstantie voorgelegd. De beroepsinstantie heeft daarop in de bestreden beslissing als volgt geantwoord: “Verzoekster stelt dat er een schending is van de artikelen 48 en 49 WER, in samenhang gelezen met het vermoeden van onschuld en het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, materieel motiverings- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stelt dat zij geen fraude gepleegd heeft tijdens het toelatingsexamen, dat hier minstens geen bewijs van voorligt, evenals dat er bovendien geen onregelmatigheid werd vastgesteld voor of tijdens het examen waardoor een toepassing van artikel 49 WER in elk geval onmogelijk is.

  1. a)Onregelmatigheid in de zin van artikel 48 WER De beroepsinstantie stelt vast dat verzoekster in dit eerste middel uitgaat van een juridisch foutief uitgangspunt, met name dat artikel 48 WER zou vereisen dat ‘er een hulpmiddel in strijd met deze bepaling zou zijn gebruikt’. Dit is niet correct. Artikel 48 WER bevat geen lijst met ‘verboden hulpmiddelen’. Artikel 48 WER somt omgekeerd op waarvan de deelnemers enkel mogen gebruik maken om de examenvragen op te lossen: ‘Tijdens het toelatingsexamen mogen deelnemers enkel gebruik maken van de volgende elementen om de examenvragen op te lossen: • Online examenplatform (examenvragen, antwoordmogelijkheden en indienen van antwoorden); • Rekenmachine in het online examenplatform (geen andere rekenmachine); • Formularium dat door de organisatie wordt voorzien; • Kladpapier dat door de organisatie wordt voorzien.’ Hieruit vloeit voort dat de deelnemer digitaal enkel kan gebruik maken van het online examenplatform. IX-10.757-14/27 Dat het verlaten van de examentoepassing nergens wordt verboden, strijdt met het eerste lid van artikel 48 WER dat bepaalt dat ‘enkel’ gebruik mag worden gemaakt van de daarin opgesomde elementen. Dit impliceert uiteraard dat het online examenplatform niet mag worden verlaten. Er is dus weldegelijk sprake van een dergelijk verbod. Uit de stukken in het dossier blijkt duidelijk dat ook gebruik is gemaakt van andere tabbladen. De geregistreerde tabwissels bewijzen ontegensprekelijk dat er andere tabbladen zijn gebruikt, minstens door het examenplatform te verlaten. Er werd tijdens de hoorzitting van 10 september 2025 door verzoekster herhaaldelijk expliciet bevestigd dat zij het examenplatform meermaals verlaten heeft. Zij bevestigt dit overigens opnieuw in haar intern beroep. In dit verband moet vastgesteld worden dat zij evenmin de passage in de bestreden beslissing betwist, waarin gesteld wordt dat zij ‘11 keer de examentoepassing (heeft) verlaten en vervolgens (
  2. is)teruggekeerd’ en dat ‘het in totaal gaat om 1 minuut 32 seconden dat u niet in het toetsingsplatform assessmentQ aan het werken was’, en dit terwijl ze nochtans deze passage expliciet in het interne beroep citeert. Het ‘buiten het ‘online examenplatform’ gaan’ is op zich genomen reeds in strijd met de in artikel 48 WER expliciet en exhaustief opgesomde toegelaten elementen. Daar waar verzoekster in het intern beroep voorhoudt dat ‘het louter openen van een leeg tabblad, in geen geval een hulpmiddel betreft dat conform artikel 48 WER niet is toegelaten tijdens het examen’ en dat ‘er geen enkel verbod is opgelegd om de examentoepassing te verlaten’ vertrekt dit bijgevolg van een juridisch foutieve lezing van artikel 48 WER. Het uitvoeren van een tabwissel vereist overigens dat een nieuw tabblad en dus een nieuwe webpagina wordt geopend. Immers is het nieuw geopende tabblad op zichzelf ook een webpagina. Er is dus geen sprake van een ‘leeg tabblad’. Verzoekster licht ook niet toe wat zij concreet bedoelt met een ‘leeg tabblad’. Het gebruiken van een nieuw tabblad, leeg of niet, en dus de examentoepassing verlaten, strijdt hoe dan ook met artikel 48 WER. De reden waarom deze werden geopend of waarom de examentoepassing werd verlaten, is niet relevant, het openen resp. verlaten op zich is onrechtmatig en voldoende om te beslissen tot een schending van artikel 48 WER. Anders dan verzoekster voorhoudt, vereist artikel 48 WER ook geen frauduleus opzet. Aangezien verzoekster ingevolge artikel 15 BVR door de inschrijving bevestigt kennis genomen te hebben van het WER, stelt zij eveneens tevergeefs niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat zij de examentoepassing niet zou mogen verlaten hebben. De beroepsinstantie meent eveneens dat de mogelijkheid dat de examenapplicatie kon worden verlaten tijdens het toelatingsexamen geen afbreuk doet aan de vastgestelde onregelmatigheden. Het staat aan elke individuele deelnemer zelf om de bepalingen uit het WER na te leven. Dat uit de examenapplicatie gegaan kan worden, heeft zijn bestaansreden uit het feit dat het om de gelijke omstandigheden van het toelatingsexamen voor alle deelnemers te bewaken, noodzakelijk is dat het examen centraal IX-10.757-15/27 gemonitord wordt in het coördinatiecentrum in Brussel. In geval van technische problemen kan de organisatie dan snel en efficiënt actie ondernemen. Het begaan van een onregelmatigheid, ongeacht het opzet ervan, kan aanleiding geven tot een sanctie. De intrekking van de eerdere gunstige beslissing is mogelijk, zelfs indien er geen frauduleus opzet is. Dit staat ook met zoveel woorden te lezen in de bestreden beslissing van de examencommissie: ‘Hiermee wordt toegegeven dat effectief bewust uit het examenplatform werd gestapt, wat op zichzelf al een schending van artikel 48 WER is. De vermelding dat dit onhandig en naïef examengedrag zou zijn, ingegeven door stress, verandert niets aan deze vaststelling. De al dan niet frauduleuze intentie hiervan is irrelevant.’ De beroepsinstantie kan dit standpunt enkel maar onderschrijven. De beroepscommissie stelt vast dat er effectief sprake is van onregelmatigheden in strijd met artikel 48 WER. Verzoekende partij gaat opnieuw uit van het juridisch incorrecte standpunt dat een tabbladwissel en/of het verlaten van het examenplatform op zich geen verboden handeling zou zijn. De verwijzing in de bestreden beslissing naar ‘fraude’ is een motief ten overvloede, die toelaat om de beslissing op elk moment, los van enige termijn, in te trekken. In dergelijke omstandigheden is de bestreden beslissing dan ook niet willekeurig en niet in strijd met het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.
  3. b)Toepassing van artikel 49 WER De beroepscommissie stelt vast dat verzoekster onterecht meent dat enkel een sanctie kan worden genomen in de in het beroepschrift opgesomde gevallen, gebaseerd op de zinsnede ‘Ten aanzien van deelnemers die wel notities nemen op andere documenten of gebruik maken van andere software/webpagina’s dan het online examenplatform, zal de examencommissie sancties treffen volgens artikel 49’. Evenwel voorziet artikel 49 WER zonder meer in de mogelijkheid tot het opleggen van een sanctie van zodra een ‘onregelmatigheid’ wordt vastgesteld of vermoed (‘Wanneer vastgesteld of vermoed wordt dat een deelnemer voor of tijdens het toelatingsexamen een onregelmatigheid pleegt’). Er werd hoger toegelicht waarom er sprake is van een ‘onregelmatigheid’. De examencommissie maakte bijgevolg terecht toepassing van artikel 49 WER. Daarenboven – ten overvloede – lichtte de beroepscommissie reeds hoger toe dat een ‘leeg tabblad’ niet anders kan dan beschouwd te worden als ‘gebruik van een andere webpagina’ in de zin van de laatste alinea van artikel 48 WER.
  4. c)Vermoeden van onschuld – onvoldoende bewijs De beroepsinstantie is van oordeel dat de stukken in het dossier voldoende aantonen dat er, los van de intentie van verzoekster, sprake is van een onregelmatigheid. Het vermoeden van onschuld is een grondbeginsel van IX-10.757-16/27 het strafrecht en bestaat erin dat een verdachte als onschuldig wordt beschouwd totdat zijn of haar schuld buiten redelijke twijfel is bewezen. Voor zover hier van toepassing, heeft de examencommissie duidelijk met respect van dit beginsel gehandeld. Verzoekster werd teneinde de rechten van verdediging te respecteren door de examencommissie gehoord. Zij bevestigde tijdens deze hoorzitting meermaals, en ten andere ook in haar interne beroep, dat zij herhaaldelijk uit het examenplatform geweest is, hetgeen op zich een onregelmatigheid uitmaakt. Dat zij tijdens het toelatingsexamen buiten het examenplatform is geweest, staat bijgevolg buiten kijf. Verzoekster stelt ten onrechte dat de ‘ten laste gelegde feiten niet bewezen zouden zijn’. Anders dan verzoekster stelt, heeft zij wel degelijk na een tabwissel een definitief antwoord ingegeven of aangepast. Dit wordt uitdrukkelijk in de beslissing van de examencommissie toegelicht en verzoekster betwist dit niet: ‘Bovendien blijkt dat voor het onderdeel KIW vraag WIS09 na 4 tabwissels correct werd beantwoord, vraag FYS02 na 2 tabwissels correct werd beantwoord en vraag CHE02 na 1 tabwissel correct werd beantwoord. Bij het onderdeel GC blijkt dat vraag VAA01 correct werd beantwoord na 2 tabwissels, vraag VAA10 correct werd beantwoord na 4 tabwissels en vraag VAA18 na 5 tabwissels correct werd beantwoord. De korte tijd die werd gespendeerd op andere tabbladen toont niet aan dat geen gebruik kon worden gemaakt van andere software/webpagina’s’. De beroepsinstantie stelt vast dat dit duidelijk ook uit de excel van de applicatielogs blijkt. Verzoekster gaat enkel in op vraag WIS09. Of de argumentatie van verzoekster ter zake al dan niet correct is, is irrelevant. De beroepsinstantie stelt vast dat de examencommissie op zich reeds het herhaaldelijk verlaten van het examenplatform in strijd met artikel 48 WER terecht als een onregelmatigheid kwalificeerde. Overigens is de verantwoording die verzoekster nu plots – en voor het eerst in het interne beroep – geeft aan het verlaten van het platform ánders dan deze die ze tijdens het horen door de examencommissie naar voren schoof. Daar waar ze voorhield dat het kortstondig verlaten van het platform tot doel had haar stressgevoel te verlagen, stelt ze nu plots m.b.t. vraag WIS09 dat ‘de tabwissels uit de examenapplicatie telkens slechts enkele seconden zijn, dit is volledig in overeenstemming met de tijd die nodig is om zulke berekening te maken’. Dit is een nieuw argument, dat overigens evenmin steek houdt. Indien de berekeningen handmatig op het kladblad gemaakt werden, dan diende zij hiervoor niet uit het examenplatform te gaan. Indien de berekeningen met de digitale rekenmachine gemaakt werden, dan betekent dit dat ze de rekenmachine buiten het examenplatform gebruikt heeft, hetgeen evenzeer strijdt met artikel 48 WER, nu deze bepaling uitdrukkelijk voorschrijft dat enkel de ‘rekenmachine in het online examenplatform (geen andere rekenmachine)’ gebruikt mag worden. Verzoekster stelt op pg. 12 dan ook enigszins ongenuanceerd dat het gebruik van ‘een’ rekenmachine was toegelaten. IX-10.757-17/27 Anders dan verzoekster voorhoudt, staat in de bestreden beslissing geenszins te lezen ‘Er is een vermoeden van fraude dus zal verzoekster in die korte tijdspanne gebruik hebben kunnen maken van verboden software.’ Hoe dan ook doet een eventuele schending van het vermoeden van onschuld geen afbreuk aan de vastgestelde en bewezen onregelmatigheid, hetwelk zoals toegelicht volstaat voor de toepassing van artikel 49 WER.
  5. d)Toepassing artikel 49 WER onmogelijk door situering in de tijd Ook het verweer omtrent de temporeel beperkte toepassingsmogelijkheid van artikel 49 WER en de daaraan gekoppelde gevolgen voor de beslissing van 12 september 2025 wordt door de beroepscommissie niet bijgetreden. Artikel 49 WER verwijst weldegelijk naar ‘onregelmatigheden gepleegd voor of tijdens het toelatingsexamen’, wat hier het geval is aangezien tijdens het examen verschillende keren het examenplatform verlaten werd, wat in strijd is met artikel 48 WER. Artikel 49 voorziet inderdaad in een procedure die moet worden gevolgd in de situatie waarbij tijdens het afleggen van het examen wordt vermoed of wordt vastgesteld dat er onregelmatigheden zijn gebeurd. Evenwel zijn een aantal zinsneden uit artikel 49 niet exclusief verbonden aan deze situaties. Dit artikel spreekt immers evenzeer over ‘Na het toelatingsexamen dient de examencommissie te beraadslagen over het eventueel sanctioneren van de vastgestelde onregelmatigheden. Desgevallend kan de examencommissie beslissen dat de deelnemer niet in aanmerking komt voor rangschikking. De examencommissie kan geldig beslissen over de te nemen maatregelen. Alvorens over te gaan tot eindberaadslaging kan de voorzitter de deelnemer die van een onregelmatigheid verdacht wordt, horen.’ De in de voorgaande alinea’s expliciet opgenomen procedurele vereisten verhinderen op geen enkele manier dat ook ná het afleggen van het toelatingsexamen nog onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Nergens in artikel 49 WER staat te lezen dat een sanctie of een maatregel enkel genomen zou kunnen worden wanneer de onregelmatigheid voor of tijdens het toelatingsexamen wordt vastgesteld. Verzoekster geeft een lezing aan artikel 49 WER die het niet heeft. In de mate dat verzoekster opwerpt dat geen proces-verbaal is opgemaakt conform artikel 49 WER, stelt de beroepscommissie vast dat deze formaliteit luidens artikel 49 WER enkel geldt voor de vaststelling van de onregelmatigheid voor of tijdens het toelatingsexamen zelf. Verzoekster heeft overigens ook geen belang bij haar argument dat zij ‘niet haar eigen versie van de feiten heeft kunnen meedelen in dat proces-verbaal’. De beroepscommissie stelt immers vast dat zij bij brief van 3 september 2025 in kennis werd gesteld van de gedane vaststelling van de examencommissie en werd uitgenodigd om te worden gehoord. Op 10 september 2025 werd zij gehoord. Zij voegt het proces-verbaal van dit horen als bijlage bij haar intern beroep. Alle waarborgen zoals expliciet voorzien in artikel 49 voor tijdens het examen vastgestelde of vermoede onregelmatigheden zijn dus gegarandeerd geweest. Zij heeft voor het nemen van de beslissing uw standpunt ter kennis kunnen brengen. In elk geval werd zij door de beroepscommissie gehoord, hetgeen hoe dan ook eventuele gebreken in de procedure voor de examencommissie rechtzet. IX-10.757-18/27 De beroepscommissie stelt dan ook vast dat artikel 49 WER niet uitsluit of verbiedt om een sanctie op te leggen of een maatregel te nemen, ook niet indien de onregelmatigheid na het afleggen van het toelatingsexamen wordt vastgesteld. De in artikel 49 WER voorziene waarborgen, overigens geheel in overeenstemming met de rechten van verdediging, zijn verzoekster tevens verleend geweest, waardoor terecht beroep kan worden gedaan op de uitsluiting van de rangschikking.
  6. e)Onderzoek browsergeschiedenis i.k.v. wapengelijkheid De beroepscommissie oordeelt dat de examencommissie niet onzorgvuldig of onredelijk gehandeld heeft door te oordelen dat vanuit het gelijkheidsbeginsel beslist werd om geen onderzoek te doen op de browsergeschiedenis van individuele deelnemers waar deze wel beschikbaar was. De deelnemers waarvoor vanuit de statistiek, het toezicht of het gebruik van de applicatie anomalieën vastgesteld zijn worden daardoor op gelijke basis geïnterviewd en beoordeeld door de examencommissie. Dergelijk onderzoek van de browsergeschiedenis is evenmin noodzakelijk in het kader van de wapengelijkheid, hetwelk verzoekster inkleedt als zou uit dit onderzoek zou moeten blijken dat zij geen gebruik maakte van verboden software. Zoals hoger reeds toegelicht, volstaat het herhaaldelijk verlaten van het examenplatform, hetwelk verzoekster niet betwist, doch integendeel expliciet bevestigt. De in het eerste middel genoemde beginselen zijn dan ook geenszins geschonden.” 9. De examencommissie – en ná haar de beroepsinstantie – beschikt bij de uitoefening van haar bevoegdheden – in dit geval haar tuchtbevoegdheid – op het eerste gezicht over een discretionaire beoordelingsruimte, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als bij de vraag of de vastgestelde feiten een onregelmatigheid uitmaken die een sanctie mogelijk maakt. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als onregelmatigheid. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. Immers, een sanctie als de voorliggende die steunt op onbestaande of onvoldoende bewezen feiten lijkt onwettig. Wanneer een aldus gestrafte deelnemer aan de toelatingsexamens de feiten betwist, vermag de Raad IX-10.757-19/27 van State prima facie dan ook na te gaan of de ten laste gelegde feiten voor vaststaand mochten worden beschouwd. 10.1. Niet wordt betwist, zo lijkt, dat de beslissing om verzoeksters gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts in te trekken en om haar van de rangschikking van de door haar afgelegde toelatingsexamens uit te sluiten, op determinerende wijze erop is gesteund dat zij een onregelmatigheid zou hebben begaan die zou indruisen tegen artikel 48 van het WER. Verzoekster wordt, zoals prima facie blijkt uit de sub 8 aangehaalde bewoordingen van de bestreden beslissing, geen “verdacht gedrag” verweten waaruit een vermoeden van fraude wordt afgeleid. De bestreden beslissing gaat, zo lijkt, decisief ervan uit dat verzoekster tijdens het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts het online examenplatform meermaals heeft verlaten door op de haar ter beschikking gestelde computer andere tabbladen te hebben geopend. Dat is, zo wordt voorshands vastgesteld, volgens de beroepsinstantie “op zich genomen” reeds in strijd met artikel 48 van het WER. Zulks laat zich, bijvoorbeeld, illustreren door een passus uit de beslissing van de examencommissie van 12 september 2025, het verweer van verzoekster daartegen en de reactie daarop in de bestreden beslissing. In de beslissing van 12 september 2025 ging de examencommissie “[m]eer specifiek” in op vraag 9 van het examengedeelte ‘wiskunde’ van het onderdeel KIW en de handelingen die verzoekster daarbij zou hebben gesteld. De berekeningen die verzoekster daarbij uitvoerde “bevestigen” volgens de examencommissie “het vermoeden van gebruik van niet-toegelaten digitale hulpmiddelen”. Wanneer verzoekster zich daartegen vervolgens verweert, stelt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat die argumentatie “irrelevant” is, want dat zij vaststelt dat de examencommissie “op zich reeds het herhaaldelijk verlaten van het examenplatform in strijd met artikel 48 WER terecht als een onregelmatigheid kwalificeerde”. IX-10.757-20/27 10.2. Artikel 48 van het WER luidt als volgt: “Tijdens het toelatingsexamen mogen deelnemers enkel gebruik maken van de volgende elementen om de examenvragen op te lossen: • Online examenplatform (examenvragen, antwoordmogelijkheden en indienen van antwoorden); • Rekenmachine in het online examenplatform (geen andere rekenmachine); • Formularium dat door de organisatie wordt voorzien; • Kladpapier dat door de organisatie wordt voorzien. Voor elk examenonderdeel van het toelatingsexamen (KIW en GC) wordt afzonderlijk kladpapier voorzien dat enkel tijdens dat examenonderdeel gebruikt mag worden. Notities op kladpapier tellen niet mee voor het examenresultaat. Ten aanzien van deelnemers die wel notities nemen op andere documenten of gebruik maken van andere software/webpagina’s dan het online examenplatform, zal de examencommissie sancties treffen volgens artikel 49.” 10.3. Op het eerste gezicht moeten de beide leden van deze bepaling in hun samenhang worden gelezen. Het eerste lid maakt duidelijk van welk instrumentarium gebruik mag worden gemaakt voor het oplossen van de vragen van het toelatingsexamen. Het tweede lid brengt preciseringen aan wat het gebruik van kladpapier betreft en verduidelijkt voorts dat notities op andere documenten dan het ter beschikking gestelde kladpapier of het gebruik van andere software of webpagina’s dan het online examenplatform overeenkomstig artikel 49 van het WER zullen worden bestraft. 10.4. Anders dan de verwerende partij het ziet, leest de Raad van State in die bepaling vooralsnog geen verbod op het louter “verlaten van de examentoepassing”. Op het eerste gezicht is er voor de conclusie dat gebruik werd gemaakt van hulpmiddelen die niet vermeld staan in artikel 48 van het WER, méér nodig dan het louter “verlaten” van het online examenplatform. IX-10.757-21/27 Specifiek wat informaticatoepassingen betreft, is het op grond van artikel 48 van het WER prima facie slechts verboden om een andere rekenmachine te gebruiken dan deze die ter beschikking werd gesteld op het examenplatform en gebruik te maken van andere software of webpagina’s dan het online examenplatform. Opdat de bepalingen van het tweede lid in verhouding tot het eerste lid enige zin zouden hebben, lijkt, om te kunnen besluiten tot een onregelmatigheid in de zin van die bepalingen, niet het verlaten van het online examenplatform, maar wel het gebruik van een andere rekenmachine, andere software of andere webpagina’s bepalend te zijn én lijken deze twee zaken niet samen te vallen. 10.5. Een en ander wordt op het eerste gezicht bevestigd door de bepalingen van artikel 46, eerste lid, van het WER, die als volgt luiden: “De volgende zaken zijn in geen enkel geval toegelaten tijdens het toelatingsexamen: • eigen schrijfgerief gebruiken; • gsm en/of andere communicatiemiddelen gebruiken; • een eigen rekenmachine gebruiken; • andere al dan niet elektronische hulpmiddelen zoals vooraf gemaakte notities, handboeken, woordenboeken gebruiken; • eigen kladpapier gebruiken; • eten tijdens het toelatingsexamen […]; • uurwerken […]; • het gebruik van software op de computer (bv. rekenfuncties, Word …) en andere webpagina’s dan het online examenplatform.” Daarover spreekt de verwerende partij, zo lijkt, opvallend niet. Deze bepaling lijkt echter niet zonder belang. Verzoekster argumenteert immers dat enkel dát niet toegelaten is wat uitdrukkelijk door het WER wordt verboden. De verwerende partij meent dat het eerste lid van artikel 48 van het WER via een interpretatie a contrario ertoe moet leiden dat alles verboden is wat niet in de lijst van toegelaten hulpmiddelen staat. Zij vindt dat de argumentatie van verzoekster “uiteraard nergens op [slaat]” omdat “[i]n geen enkel examenreglement wordt vermeld dat een papieren spiekbriefje of het schrijven van IX-10.757-22/27 antwoorden op de hand verboden is, maar uiteraard zijn deze handelingen telkens in strijd met het betrokken examenreglement”. Die zienswijze van de verwerende partij gaat op het eerste gezicht dan toch niet op voor de toelatingsexamens die zij organiseert, nu in artikel 46 van het WER is bepaald dat “andere al dan niet elektronische hulpmiddelen zoals vooraf gemaakte notities, handboeken, woordenboeken” “in geen enkel geval [zijn] toegelaten”. Papieren spiekbriefjes of het schrijven van antwoorden op de hand lijken wel degelijk als ‘notities’ in de zin van deze bepaling te kunnen worden begrepen. 10.6. De voormelde bepalingen van de artikelen 46, eerste lid, en 48 van het WER lijken derhalve niet te verbieden dat een deelnemer het tabblad waarin het online examenplatform verschijnt, verlaat, zonder andere software of andere webpagina’s te gebruiken. Alsdan kan het “verlaten van de examentoepassing” vooralsnog “op zich genomen” niet reeds in strijd met de voormelde bepalingen van het WER worden geacht. Voor zover de bestreden beslissing van een andere opvatting uitgaat, schendt zij op het eerste gezicht – minstens – artikel 48 van het WER. 11.1. De bestreden beslissing neemt prima facie vervolgens “overigens” aan dat het openen van een nieuw tabblad – naast het tabblad dat het online examenformulier herbergt – resulteert in een “nieuwe webpagina”, wat door artikel 48 van het WER is verboden. 11.2. Verzoekster lijkt de vaststellingen van de verwerende partij omtrent het herhaaldelijk openen van nieuwe tabbladen niet te betwisten. Zij betoogt wél dat zij alsdan slechts een “leeg tabblad” te zien kreeg en dat “[h]et verwisselen van tabblad […] onmogelijk [kan] worden gelijkgesteld met het openen van een andere webpagina”, althans “niet zonder enig bewijs”. IX-10.757-23/27 11.3. Over de vraag of verzoekster met het openen van een nieuw tabblad ipso facto een nieuwe webpagina heeft geopend, redetwisten de partijen. Hoewel deze discussie en een sluitend antwoord op de hiervóór vermelde vraag op het eerste gezicht een zekere graad van vakspecifieke expertise vereisen waarvan niet mag worden verondersteld dat de Raad van State daarover beschikt en hoewel zulks bepalend lijkt om te kunnen besluiten of verzoekster tijdens het toelatingsexamen al dan niet in strijd met artikel 48 van het WER heeft gehandeld, lijkt geen der partijen – in het bijzonder de verwerende partij, die ook in een examentuchtzaak de bewijslast voor haar beweringen draagt – stukken bij te brengen die toelaten daarover zelfs maar voorlopig standpunt in te nemen. 11.4. Dat het antwoord op de voormelde vraag niet voor de hand ligt, mag ook blijken uit het feit dat de examencommissie in haar beslissing van 12 september 2025 het openen van nieuwe tabbladen niet gelijk lijkt te stellen met het openen van een webpagina. Immers, zij stelt dat “[d]e korte tijd die werd gespendeerd op andere tabbladen […] niet [aantoont] dat geen gebruik kon worden gemaakt van andere software/webpagina’s”. 11.5. Dit alles klemt des te meer nu de verwerende partij eensdeels lijkt aan te geven niet te begrijpen wat verzoekster met een ‘leeg tabblad’ precies bedoelt, maar anderdeels wel – en bijgevolg zonder kennis over wat verzoekster beschrijft te hebben ervaren – ervan uitgaat dat dit een nieuwe webpagina was. Zo de voormelde tegenwerping van de verwerende partij als een verwijt aan verzoekster moet worden opgevat, moet, zo lijkt, worden geoordeeld dat verzoekster alvast niet ten kwade kan worden geduid dat zij zich ertoe beperkt te omschrijven wat zij te zien kreeg bij het stellen van de handelingen die haar thans worden verweten. Immers, zij verkeert prima facie niet in de mogelijkheid om materiële bewijzen over de computerinfrastructuur of data daaromtrent op haar examenlocatie te verzamelen. IX-10.757-24/27 11.6. Daarentegen geeft het administratief dossier blijk ervan dat de handelingen die verzoekster tijdens het toelatingsexamen op haar computer heeft gesteld op minutieuze wijze zijn te controleren en te beschrijven – er kan zelfs worden nagegaan op welk tijdstip verzoekster de online rekenmachine heeft gebruikt, welke berekeningen zij daarop heeft uitgevoerd en wat daarvan de resultaten waren. Dat de verwerende partij vervolgens niet de inspanning heeft gedaan om na te gaan of wat verzoekster verklaart en beschrijft met de werkelijkheid overeenstemt, laat zich prima facie in alle redelijkheid niet bevroeden. De enkele overweging dat “[d]ergelijk onderzoek van de browsergeschiedenis […] evenmin noodzakelijk [is] in het kader van de wapengelijkheid” omdat “het herhaaldelijk verlaten van het examenplatform, hetwelk verzoekster niet betwist, doch integendeel expliciet bevestigt” volstaat, lijkt om de hiervóór uiteengezette redenen niet te kunnen bevredigen. De bewering dat over de computer die verzoekster tijdens het betrokken toelatingsexamen heeft gebruikt, geen gegevens meer verzameld kunnen worden, lijkt bovendien slechts gesteund op een “beperkte steekproef”, zoals de examencommissie het in het verslag van haar vergadering van 31 augustus 2025 liet optekenen. 11.7. Wat voorafgaat, doet op het eerste gezicht besluiten dat de verwerende partij, in de concrete omstandigheden van de zaak, niet ervan overtuigt op deugdelijke wijze te hebben kunnen vaststellen dat de door verzoekster tijdens het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts gestelde handelingen – het openen van tabbladen of wisselen tussen tabbladen – zijn te kwalificeren als “het gebruik van software op de computer […] en andere webpagina’s dan het online examenplatform” in de zin van de artikelen 46, eerste lid, en 48, tweede lid, van het WER. 12. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. IX-10.757-25/27 VII. Conclusie 13. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts van 9 oktober 2025 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing tot intrekking van de beslissing van 14 juli 2025 tot gunstige rangschikking op het toelatingsexamen tandarts van 3 juli 2025 en tot uitsluiting van de rangschikking van de in 2025 afgelegde toelatingsexamens, wordt bevestigd. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.757-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.757-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.655 Gerelateerde publicatie(
  7. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.