id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.661 Rolnummer: A. 238252/VII-41884 Zaak: Arrest 264661 - Milieuvergunningen - 27/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-30 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-18 04:01 Fiche Arrest nr 264.661 van 27 oktober 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.661 van 27 oktober 2025 in de zaak A. 238.252/VII-41.884 In zake : H.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Berchem Filip Williotstraat 30, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurens De Brucker kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV KENROB bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022 waarbij aan de bv Immo Kenrob een milieuvergunning wordt verleend voor een project, gelegen aan de Haachtsesteenweg 1763-1765 te Brussel; - de ‘stilzwijgende’ beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering waarbij de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk VII-41.884-1/19 Gewest van 14 februari 2022 wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 262.555 van 6 maart 2025 werd het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest buiten de zaak gesteld, is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak. Auditeur Benny De Sutter heeft op 27 maart 2025 een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor verzoeker, advocaat Evi Van Paemel, die loco advocaat Laurens De Brucker verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-41.884-2/19 III. Feiten
- Voor de samenvatting van de feiten wordt verwezen naar tussenarrest nr. 262.555 van 6 maart
- In dit arrest werden de door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties verworpen, werd het zesde middel ongegrond bevonden en werd het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. IV. Onderzoek van de resterende middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 18, 19 en 20, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna: bestuurstaalwet), “al dan niet in samenhang met het recht om te begrijpen en begrepen te worden als onderdeel van het recht van verdediging”. Hij zet uiteen dat in het kader van het openbaar onderzoek van stedenbouwkundige en milieuvergunningsaanvragen in een gemeente van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest alle essentiële documenten van het dossier, waaronder het milieueffectenrapport (MER), het verkennend bodemonderzoek en de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zowel in het Nederlands als in het Frans ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld. In het kader van de afhandeling van voorliggende vergunningsaanvraag werd het MER enkel in het Frans ter beschikking gesteld en kon er in het Nederlands enkel een “niet technische samenvatting van het milieueffectenrapport” geraadpleegd worden. Deze korte samenvatting valt evenwel niet te vergelijken met een volledig MER. Ook de beslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 diende in het Nederlands ter beschikking van het publiek te worden gesteld. Tot slot hadden ook zijn bezwaar en bestuurlijk VII-41.884-3/19 beroep vertaald moeten worden naar het Frans.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel benadrukt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat het milieueffectenverslag en het verkennend bodemonderzoek essentiële stukken zijn in het besluitvormingsproces, dat het openbaar onderzoek niet enkel is ingesteld om aan de vergunningverlenende overheid de nodige inlichtingen en gegevens te verstrekken over de aanvraag, maar ook om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om hun bezwaren tegen het voorgenomen project kenbaar te maken. Volgens verzoeker komt het dan ook aan het bestuur dat instaat voor de organisatie van het openbaar onderzoek toe om alle essentiële documenten van het dossier in het Nederlands en het Frans ter beschikking te stellen. Omtrent de gegrondheid van het middel vestigt hij er de aandacht op dat de verwerende partij niet antwoordt op zijn kritiek dat “het recht om te begrijpen en begrepen te worden, als onderdeel van het recht van verdediging” vereist dat alle stukken die essentieel zijn voor de beoordeling van de vergunningsaanvraag zowel in het Nederlands als in het Frans beschikbaar moeten zijn voor het publiek.
- In zijn laatste memorie laat verzoeker nog gelden dat de niet- technische samenvatting van het MER slechts twee pagina’s telt, terwijl het volledige MER 55 pagina’s beslaat, zodat niet aangenomen kan worden dat alle essentiële elementen van het MER aan bod komen in de samenvatting ervan. Tevens herhaalt hij dat het aan het betrokken gemeentebestuur toekomt om alle essentiële documenten van het aanvraagdossier zowel in het Nederlands als in het Frans ter beschikking van het publiek te stellen. Beoordeling
- Artikel 18, eerste lid, van de bestuurstaalwet bepaalt: “De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd VII-41.884-4/19 zijn in het Nederlands en in het Frans.” Artikel 19 van de bestuurstaalwet luidt: “Iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad gebruikt in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal, voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Er wordt echter aan een privaat bedrijf, dat in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of het Franse taalgebied gevestigd is, in de taal van die gemeente geantwoord.” Artikel 20, § 1, van dezelfde wet bepaalt: “De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de akten die de particulieren betreffen alsook de getuigschriften, machtigingen en vergunningen, die aan de particulieren worden afgegeven, in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de wens van de belanghebbende.”
- De taal waarin het MER en het verkennend bodemonderzoek in het kader van het openbaar onderzoek ter inzage worden gelegd, is een organisatiemodaliteit van dit openbaar onderzoek. In beginsel kan de schending van de modaliteiten van het openbaar onderzoek alleen met goed gevolg worden aangevoerd door degene die aantoont dat hij door die schending werd benadeeld. Verzoeker betwist niet dat hij effectief heeft deelgenomen aan het openbaar onderzoek door een bezwaar in te dienen waarin onder meer het MER en het verkennend bodemonderzoek ter sprake werden gebracht. In casu stelt verzoeker herhaaldelijk dat het MER en het verkennend bodemonderzoek “essentiële stukken” zijn voor “de besluitvorming” en dat de niet-technische samenvatting van het MER “absoluut niet te vergelijken” valt met het eigenlijke rapport, maar licht hij op geen enkele wijze toe hoe de beweerd onwettige organisatiemodaliteit van het openbaar onderzoek hem concreet heeft benadeeld.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de aanvraag die heeft geleid tot de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van het Brussels VII-41.884-5/19 Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022 in het Frans werd ingediend. Met toepassing van artikel 20, § 1, van de bestuurstaalwet werd deze beslissing, ingevolge de wens van de aanvrager, in het Frans gesteld. In zoverre verzoeker opwerpt dat de vergunning eveneens in het Nederlands had moeten worden opgesteld, faalt zijn kritiek naar recht.
- De rechten van verdediging zijn - behoudens een andersluidende bepaling - slechts van toepassing ten aanzien van bestraffende maatregelen. Noch de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022, noch de ‘stilzwijgende’ beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering, is bestraffend van aard. De rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, kunnen dan ook niet geschonden zijn. Voor zover het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
- Het eerste middel, in zoverre ontvankelijk, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 6 en 7 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 juni 1993 ‘betreffende het Milieucollege’ (hierna: besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 juni 1993). Verzoeker zet uiteen dat in het besluit van het Milieucollege geen melding wordt gemaakt van enige stemming en, indien er een stemming zou zijn geweest, niet wordt vermeld met welke meerderheid het besluit werd aangenomen. Daarenboven wordt de samenstelling van het Milieucollege op de datum dat hij werd gehoord niet meegedeeld. Enkel de samenstelling van het Milieucollege op 14 februari 2022 wordt vermeld. Nochtans mag het Milieucollege eenzelfde dossier slechts tijdens opeenvolgende vergaderingen behandelen indien de feitelijke samenstelling ervan dezelfde is. VII-41.884-6/19
- Verzoeker merkt in zijn memorie van wederantwoord bijkomend op dat de bestreden beslissing van 14 februari 2022 een andere samenstelling weergeeft dan het proces-verbaal van dezelfde zitting. Hij vervolgt dat artikel 7 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 juni 1993 voorschrijft dat het Milieucollege steeds in dezelfde samenstelling moet vergaderen voor de behandeling van hetzelfde dossier en dat het gebruik van de elektronische procedure niet tot gevolg kan hebben dat wordt afgeweken van die regel.
- In zijn laatste memorie voegt verzoeker nog toe dat uit de zinsnede dat wordt beslist om de vergunning te verlenen geen concrete stemverhouding kan worden afgeleid. Beoordeling
- Artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 juni 1993 bepaalt dat het Milieucollege slechts geldig kan vergaderen indien ten minste vier leden aanwezig zijn en dat de beslissingen van het college bij meerderheid van stemmen worden aangenomen. Luidens artikel 7 van hetzelfde besluit mag het college “eenzelfde dossier enkel behandelen tijdens opeenvolgende vergaderingen indien de feitelijke samenstelling steeds dezelfde is”.
- Uit voormeld artikel 6 volgt niet dat in de beslissing van het Milieucollege uitdrukkelijk melding moet worden gemaakt van het feit dat een stemming heeft plaatsgevonden en van het concrete stemresultaat. De kritiek die uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Voorts blijkt uit de processen-verbaal van 17 januari 2022 en 14 februari 2022 dat het Milieucollege telkens in dezelfde “feitelijke samenstelling” heeft vergaderd, met die nuance dat één lid van het college via elektronische weg zijn goedkeuring heeft verleend aan het ontwerp van beslissing dat ter beraadslaging voorlag op de vergadering van 14 februari
- VII-41.884-7/19
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Als derde middel wordt in het verzoekschrift tot nietigverklaring de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 55 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 5 juni 1997 ‘betreffende de milieuvergunningen’ (hierna: milieuvergunningsordonnantie), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt dat overeenkomstig artikel 55 van de milieuvergunningsordonnantie rekening moet worden gehouden met de gegevens en besluiten van de uitgevoerde effectenstudie en van het effectenverslag en dat overgegaan moet worden tot een afweging tussen enerzijds de belangen die in artikel 2 van de milieuvergunningsordonnantie worden vermeld en, anderzijds de belangen van de vergunningsaanvrager. Uit de motivering van de beslissing over de vergunningsaanvraag moet volgens verzoeker uitdrukkelijk blijken dat de voorgeschreven belangenafweging heeft plaatsgevonden. In voorliggend geval wordt in het MER gesteld dat het betrokken perceel wat betreft bodemverontreiniging behoort tot de bodemtoestandcategorie 0, terwijl het volgens de inventaris van de bodemgesteldheid is ingedeeld in bodemtoestandcategorie
- Percelen van laatstgenoemde categorie zijn percelen waarvoor een sanering, een risicobeheer of een behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd of waarvoor dringende maatregelen uitgevoerd moeten worden. In een verkennend bodemonderzoek van 1998 werd een overschrijding vastgesteld van de interventienorm voor zink, alsook een overschrijding van de saneringsnormen voor meerdere stoffen. In een verkennend bodemonderzoek van 2013 werden dezelfde overschrijdingen opnieuw vastgesteld. In het actuele verkennend bodemonderzoek worden overschrijdingen vastgesteld van de interventienormen voor benzo(a)antraceen en benzo(a)pyreen, alsook overschrijdingen van de saneringsnormen voor verschillende PAK’s. Uit de VII-41.884-8/19 gegevens van de zaak blijkt niet hoe de bodemverontreiniging zal worden aangepakt, opgelost of behandeld, en in de beslissing van het Milieucollege worden ter zake alleszins geen concrete voorwaarden opgelegd. Verzoeker betwist voorts dat het verkeer slechts ‘minimaal’ zou toenemen. Hij wijst erop dat de aanvrager zelf heeft verklaard dat de Haachtsesteenweg reeds een hoge verkeersdensiteit kent en zet uiteen dat door alle bijkomende verkeersdrukte met bijhorend sluipverkeer, lawaaihinder en luchtvervuiling, de rust in zijn buurt grondig verstoord zal worden. De impact van het bijkomende verkeer werd niet behoorlijk onderzocht. Ook werden deze gegevens niet naar behoren in de motivering van de eerste bestreden beslissing vermeld.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat het perceel in kwestie pas sinds januari 2023 tot de bodemtoestandscategorie 4 behoort en het zou niet uitgesloten zijn dat het reeds in 2020 tot die categorie behoorde. Wat betreft de mobiliteitshinder, luchtvervuiling en lawaaihinder herinnert hij er voorts aan dat hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft opgeworpen dat er een verkeerstoename van 1.440 wagens extra in de 2 piekuren ’s morgens en ’s avonds zal zijn. Als de parking wordt gebruikt als maatstaf voor de toevloed aan wagens tussen de piekuren, dan komen er nog eens ongeveer 1.000 extra wagens per dag bij.
- Verzoeker merkt in zijn laatste memorie nog op dat de in het MER en de in de niet-technische samenvatting vermelde gegevens over de verkeerstoename niet overeenstemmen, zodat de vergunningverlenende overheid “onmogelijk een deugdelijk[e] beoordeling [kan] maken van het dossier, minstens [dat zij] niet [kan] nagaan welke feiten juist en correct zijn”. Beoordeling
- Artikel 2 van de milieuvergunningsordonnantie bepaalt: “Deze ordonnantie strekt ertoe een rationeel energiegebruik te waarborgen, evenals de bescherming tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen VII-41.884-9/19 veroorzaken aan het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid van de bevolking, met inbegrip van elke persoon die zich binnen de ruimte van een inrichting bevindt, zonder er als werknemer beschermd te kunnen zijn.” Artikel 55 van dezelfde ordonnantie luidt: “Naast de in de aanvraag of in het beroep vermelde gegevens en onverminderd alle andere inlichtingen die nuttig kunnen zijn, moet bij het nemen van iedere beslissing met de volgende elementen rekening worden gehouden: […] 5°de adviezen die binnen de termijn worden uitgebracht door de geraadpleegde personen en diensten, eveneens in het kader van het openbaar onderzoek. Indien er een effectenstudie werd uitgevoerd of een effectenverslag werd opgemaakt, zal met de gegevens en de besluiten daarvan in het bijzonder rekening worden gehouden; […] Bij het nemen van elke beslissing moeten de belangen die in artikel 2 worden genoemd, en de belangen van de aanvrager of de uitbater onderling worden afgewogen. Deze gegevens moeten naar behoren vermeld staan in de motivering van de beslissing.”
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Zij moeten kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn. Zij moeten de beslissing dus rechtens kunnen dragen en verantwoorden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan VII-41.884-10/19 beslissen.
- De bodemtoestandcategorieën voor de percelen waarvoor Leefmilieu Brussel over gegevens beschikt, worden gedefinieerd in artikel 3, 15°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 ‘betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems’. Overeenkomstig die bepaling worden 5 bodemtoestandcategorieën onderscheiden, waarbij voor categorie 4 drie, voor deze zaak verder niet relevante, subcategorieën worden onderscheiden. De vijf hoofd-bodemtoestandcategorieën zijn: - categorie 0: mogelijk verontreinigde percelen, d.w.z. percelen waarvoor een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat; - categorie 1: percelen die voldoen aan de saneringsnormen; - categorie 2: percelen die voldoen aan de interventienormen, maar niet aan de saneringsnormen; - categorie 3: percelen die niet voldoen aan de interventienormen en die onder risicobeheer zijn gesteld, d.w.z. percelen waarvan de risico's aanvaardbaar zijn of aanvaardbaar zijn gemaakt; - categorie 4: percelen die behandeld moeten worden of in behandeling zijn, d.w.z. percelen die worden onderzocht, waarvoor een sanering, of een risicobeheer of een behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd of waarvoor dringende maatregelen uitgevoerd worden. In artikel 4 van het beschikkend gedeelte van de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022 wordt aangegeven dat de bodem op het terrein verontreinigd is, wordt behandeld en er gebruiksbeperkingen op de site gelden. Aldus blijkt het Milieucollege bij het verlenen van de vergunning te zijn uitgegaan van bodemtoestandcategorie 4, zijnde een perceel dat “in behandeling” is of waar een risicobeheer wordt uitgevoerd wegens bodemverontreiniging. In zoverre moet worden aangenomen dat in het MER foutief bodemtoestandcategorie 0 wordt vermeld, wordt vastgesteld dat deze vermelding het Milieucollege niet heeft misleid. Door in de bestreden vergunning alle handelingen te verbieden die de sanering van de bodemverontreiniging zouden kunnen belemmeren, doet het Milieucollege er immers van blijken dat wel degelijk VII-41.884-11/19 rekening werd gehouden met het feit dat bodemverontreiniging is vastgesteld op het betrokken perceel.
- Met betrekking tot de mobiliteitseffecten, die volgens verzoeker niet als minimaal kunnen worden afgedaan, toont hij niet aan dat de vergunningverlenende overheid bij haar beoordeling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, noch dat de beoordeling van die effecten getuigt van onredelijkheid. Overigens blijkt de kritiek van verzoeker te steunen op een materiële vergissing in de niet-technische samenvatting van het milieueffectenrapport, waarin wordt gesteld dat “[d]e verkeerstoename wordt geschat op 5 tot 6 wagens per minuut gedurende de 2 piekuren ’s morgens en ’s avonds”. Die stelling strookt immers niet met de vaststellingen in het MER, waarin sprake is van een toename van het verkeer op de Haachtsesteenweg met ongeveer 2 voertuigen per minuut dat door het vergunde project wordt teweeggebracht. Ook waar verzoeker opwerpt dat door alle bijkomende verkeersdrukte en lawaaihinder de rust in de buurt grondig verstoord zal worden en de lichtvervuiling zal toenemen, beperkt hij zich tot niet-onderbouwde beweringen waarmee hij niet aannemelijk maakt dat het Milieucollege bij zijn beoordeling op onredelijke of onzorgvuldige wijze te werk is gegaan, dan wel is uitgegaan van onjuiste gegevens. In zoverre tot slot wordt opgeworpen dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven hoe de vastgestelde bodemvervuiling zal worden aangepakt, opgelost dan wel behandeld en er ter zake geen concrete voorwaarden worden bepaald, duidt verzoeker geen rechtsregel aan waaruit voortvloeit dat deze aspecten geregeld moeten worden in de milieuvergunning.
- Het derde middel is ongegrond. VII-41.884-12/19 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker neemt een vierde middel uit de schending van de artikelen 2, 13bis en 55 van de milieuvergunningsordonnantie en van artikel 2.3.54 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 2 mei 2013 ‘houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing’ (hierna: ordonnantie van 2 mei 2013). Hij zet uiteen dat een commerciële vloeroppervlakte voor het publiek wordt voorzien van ongeveer 800 m² met 46 bijkomende parkeerplaatsen. Uit de ordonnantie van 2 mei 2013 vloeit voort dat in een “zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer” slechts 1 parkeerplaats per schijf van 60 m² vloeroppervlakte is toegelaten. Bijgevolg mogen bij het vergunde project maximaal 14 parkeerplaatsen worden voorzien, terwijl met de bestreden beslissing 32 parkeerplaatsen te veel worden vergund. Daarenboven overschrijdt het aantal parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw reeds de door de ordonnantie van 2 mei 2013 vooropgestelde norm.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de motieven die door de verwerende partij worden aangehaald geen verantwoording bevatten voor het aantal parkeerplaatsen. Bovendien werd er geen verzoek tot afwijking van de ordonnantie van 2 mei 2013 ingediend.
- In de laatste memorie wijst verzoeker erop dat uit niets blijkt dat in de bestreden beslissing toepassing werd gemaakt van artikel 2.3.52, § 3, van de ordonnantie van 2 mei
- Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 13bis van de milieuvergunningsordonnantie mag een milieuvergunning voor parkeerplaatsen bij VII-41.884-13/19 een gebouw of deel van een gebouw slechts worden uitgereikt “binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing”. Artikel 2.3.53, § 1, van de ordonnantie van 2 mei 2013 bepaalt: “Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer: 1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer; 2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer; 3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.” Artikel 2.3.54 van dezelfde ordonnantie luidt: “§
- Onverminderd § 4 van onderhavig artikel, laat een milieucertificaat, een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning maximum het volgend aantal parkeerplaatsen bij gebouwen of delen van gebouwen toe: 1° voor de gebouwen gelegen in zone A: 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte; 2° voor de gebouwen gelegen in zone B: 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte; 3° voor de gebouwen gelegen in zone C: 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte. […] §
- In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en
- In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen. Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is. […]”
- Artikel 2.3.52, § 3, van de ordonnantie van 2 mei 2013, dat net als de aangehaalde bepalingen deel uitmaakt van Boek 2, titel 3, hoofdstuk 3 VII-41.884-14/19 “Parkings buiten de openbare weg”, schrijft onder meer voor dat de bepalingen van dat hoofdstuk niet van toepassing zijn op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie of op de parkeerplaatsen exclusief bestemd voor handelszaken in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan, met name “[a]l de lokalen, toegankelijk voor het publiek, waarin diensten worden verleend […], met inbegrip van de bijbehorende kantoren en lokalen”. Uit artikel 2.3.52, § 3, van de ordonnantie van 2 mei 2013 volgt dat het maximaal aantal parkeerplaatsen, berekend op basis van de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van dezelfde ordonnantie, niet geldt voor de betrokken parkeerplaatsen die bestemd zijn voor de reeds aanwezige sportschool, de nieuw op te richten handelsruimte en de nieuw op te richten woonfunctie op de verdieping van de handelsruimte.
- Het betoog over de afwijkingsmogelijkheid voorzien in artikel 2.3.54, § 4, van de ordonnantie van 2 mei 2013 vertoont in het licht van de voorgaande vaststelling geen enkele relevantie.
- Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 4 van titel VIII van het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 21 november 2006 ‘tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 55 van de milieuvergunningsordonnantie. Hij zet uiteen dat overeenkomstig de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (hierna: GSV) de parkeerplaatsen overdekt VII-41.884-15/19 moeten zijn. De betrokken aanvraag voorziet evenwel niet in overdekte parkeerplaatsen. Bovendien komen overdekte parkeerplaatsen ten goede aan de aanmoediging van aanplantingen en groen, geluid, lawaai en luchtkwaliteit, zodat zij ook in het kader van een milieuvergunning moeten worden beoordeeld.
- In zijn memorie van wederantwoord merkt verzoeker bijkomend op dat het “[o]p het eerste gezicht […] zo [lijkt] te zijn” dat artikel 4 van titel VIII van de GSV niet van toepassing is op milieuvergunningen. Hij verwijst naar de doelstellingen vermeld in artikel 2 van de milieuvergunningsordonnantie en besluit dat in zoverre die ordonnantie ertoe strekt bescherming te waarborgen tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken aan het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid van de bevolking, er een verband bestaat tussen de GSV en de milieuvergunningsordonnantie.
- Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring werd gewezen op het verband tussen de GSV en de milieuvergunningsordonnantie. Beoordeling
- Artikel 4 van titel VIII ‘De parkeernormen buiten de openbare weg’ van de GSV bepaalt: “De parkeerplaatsen zijn overdekt. Wanneer de plaatselijke omstandigheden het toelaten, kunnen niet- overdekte parkeerplaatsen worden toegestaan in het bebouwbare gebied zoals bepaald: - in titel 1 van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening; - in een bijzonder bestemmingsplan; - in een verkavelingsvergunning.” Overeenkomstig artikel 1, § 3, van titel VIII van de GSV is het toepassingsgebied ervan beperkt tot: “1° de handelingen en werken die onderworpen zijn aan een VII-41.884-16/19 stedenbouwkundige vergunning krachtens artikel 98, § 1 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening; 2° de handelingen en werken, bedoeld in artikel 98, § 2 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, die omwille van hun geringe omvang vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning; 3° de handelingen en werken, bedoeld in artikel 98, § 3 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, waarvoor een stedenbouwkundige verordening een vergunning oplegt.”
- Titel VIII van de GSV kan derhalve niet geschonden worden in het kader van de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag. De in artikel 2 van de milieuvergunningsordonnantie uitgedrukte doelstellingen met betrekking tot de “bescherming tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken aan het leefmilieu”, doen aan deze vaststelling geen afbreuk.
- Het vijfde middel is ongegrond. F. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker neemt een zevende middel, in het verzoekschrift aangeduid als het tweede middel tegen de tweede bestreden beslissing, uit de schending van artikel 39 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ‘met betrekking tot de Brusselse instellingen’. Volgens die bepaling worden de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering opgesteld in het Nederlands en in het Frans. Doordat de Brusselse Hoofdstedelijke regering geen uitdrukkelijke beslissing heeft genomen, heeft zij de beslissing van het Milieucollege, minstens de motieven hiervan, stilzwijgend tot de hare gemaakt. De beslissing van het Milieucollege is enkel in het Frans gesteld. Bijgevolg bestaat ook de (stilzwijgende) beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering enkel in het Frans. VII-41.884-17/19 Beoordeling
- Het middel is gericht tegen de stilzwijgende afwijzing door de Brusselse Hoofdstedelijke regering van het bestuurlijk beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari
- Zoals in het tussenarrest nr. 262.555 van 6 maart 2025 reeds werd gesteld bij de beoordeling van het zesde middel, is een middel dat geen kritieken bevat die rechtstreeks gericht zijn tegen de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.884-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.884-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.661 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div