id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.662 Rolnummer: A. 240165/VII-42222 Zaak: Arrest 264662 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-30 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-14 04:03 Fiche Arrest nr 264.662 van 27 oktober 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.662 no lien 285800 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.662 van 27 oktober 2025 in de zaak A. 240.165/VII-42.222 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Evelien Bruyninckx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- L.C.
- N.V.
- J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9940 Evergem Dellaertsdreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AGRISTO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-1184 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 24 augustus 2023 in de zaak 2122-RvVb-0909-SA. VII-42.222-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 13 november
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Agristo heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 31 januari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaten Gregory Verhelst en Matthias Ballieu, die verschijnen voor de verzoekende partij, de eerste twee verwerende partijen, die in persoon verschijnen, advocaat Isabelle Larmuseau, die verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Pauline Van Bogaert, die loco advocaten Peter Flamey en Jan Bouckaert verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-42.222-2/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij baat een aardappelverwerkend bedrijf uit op een terrein dat gelegen is in agrarisch gebied volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november
- Bij ministerieel besluit van 7 december 2004 wordt een gedeeltelijk positief planologisch attest afgegeven aan de tussenkomende partij. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Historisch gegroeid bedrijf Agristo te Harelbeke’ (hierna: het GRUP), vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 26 januari 2007, heeft het bedrijfsterrein herbestemd naar een ‘zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf’. 3.
- De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 13 januari 2022 aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de hernieuwing en verandering van het bedrijf. De verwerende partijen tekenen hiertegen bestuurlijk beroep aan. Bij beslissing van 28 juni 2022 verklaart de verzoekende partij het beroep ongegrond en wordt de vergunning verleend. 3.
- Met het bestreden arrest vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) de beslissing van 28 juni
- De RvVb beveelt daarbij de verzoekende partij om een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van de verwerende partijen, rekening houdend met het bevel om het planologisch attest van 7 december 2004 en het GRUP niet te betrekken bij de totstandkoming van die nieuwe beslissing. VII-42.222-3/8 IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Exceptie
- De verwerende partijen werpen op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang van de verzoekende partij bij het beroep. Het beroep heeft immers enkel betrekking op één van de twee middelen die door de RvVb gegrond werden bevonden. De gegrondheid van de cassatiemiddelen kan dan ook volgens de verwerende partijen niet leiden tot het ongedaan maken van het vernietigingsarrest.
- De verzoekende partij antwoordt dat de enkele vaststelling dat haar verweermiddelen werden verworpen door het bestreden arrest, volstaat om haar het vereiste belang bij het cassatieberoep te verschaffen. Zij wijst erop dat het arrest haar een nadeel berokkent, want het is haar vergunningsbeslissing die hiermee wordt vernietigd. Het cassatieberoep beoogt die uitkomst ongedaan te maken, waardoor de vergunningsbeslissing herleeft. Minstens zal de vernietiging van bepaalde dragende motieven van het bestreden arrest een impact hebben op de beleidsmarge waarover zij beschikt in het kader van de heroverweging na het arrest. Het met het cassatieberoep beoogde voordeel kan er volgens de verzoekende partij ook in bestaan dat een met gezag van gewijsde bekleed vernietigingsmotief van het bestreden arrest wordt vernietigd, of minstens onwettig wordt bevonden, om zo een ruimere herstelmogelijkheid te bewerkstelligen. De dragende vernietigingsmotieven zijn immers bekleed met gezag van gewijsde zodat de vergunningverlenende overheid daarmee rekening dient te houden bij het nemen van een herstelbeslissing. Aldus kan een partij voldoende belang hebben bij een “beperkte” cassatie van het arrest, die geen afbreuk doet aan de nietigverklaring die in het arrest wordt uitgesproken. VII-42.222-4/8 Zelfs indien de door de RvVb uitgesproken vernietiging daarmee niet ongedaan wordt gemaakt, kunnen de begunstigde van de vergunning en de bevoegde overheid er volgens de verzoekende partij voordeel uit halen dat een met gezag van gewijsde bekleed vernietigingsmotief, dat door de vergunningverlenende overheid moet worden geëerbiedigd bij het nemen van een nieuwe beslissing, alsnog wordt vernietigd, wat dan een ruimere herstelmogelijkheid biedt. Elk vernietigingsmotief van de RvVb heeft gezag van gewijsde, en moet door de vergunningverlenende overheid in het kader van de heroverweging gerespecteerd worden. Het is de overheid wiens beslissing vernietigd werd immers verboden om dezelfde onwettigheid te herhalen. Het vernietigingsarrest maakt voortaan deel uit van het rechtskader waarbinnen de vergunningverlenende overheid moet handelen. Daaruit vloeit voort dat een beroep dat slechts één van de vernietigingsmotieven viseert, alsnog ontvankelijk is, ook al kan het in principe niet tot de vernietiging van het bestreden arrest leiden. Dit zal met name het geval zijn wanneer het gegrond bevonden middel een impact heeft op de herbeoordeling van het dossier door de bevoegde overheid na het vernietigingsarrest. Dat het cassatieberoep enkel de beoordeling door de RvVb van het eerste, gegrond bevonden, annulatiemiddel viseert, en niet de beoordeling van het, deels gegrond bevonden, derde annulatiemiddel, leidt dus volgens de verzoekende partij niet tot de onontvankelijkheid van het beroep. Het is immers volgens de verzoekende partij duidelijk dat de gegrondverklaring van het eerste middel, en de buiten toepassing verklaring van het GRUP en het planologisch attest, een aanzienlijke impact hebben op de herbeoordeling van de vergunningsaanvraag na het vernietigingsarrest. Dit dreigt de mogelijkheden om opnieuw een vergunning te verlenen, te hypothekeren. De verzoekende partij besluit dat zij er een belang bij heeft om de cassatie te vorderen van het bestreden arrest in zoverre het eerste middel gegrond bevonden wordt. De verzoekende partij voegt hieraan nog toe dat in deze zaak zich de specifieke omstandigheid voordoet dat het bestreden arrest een injunctie ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.662 VII-42.222-5/8 oplegt in de zin van artikel 37, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), met name het bevel “om het planologisch attest van 7 december 2004 en het [GRUP] niet te betrekken bij de totstandkoming van een nieuwe beslissing over de aanvraag van de tussenkomende partij”. De gegrondverklaring van één van de opgeworpen cassatiemiddelen leidt er derhalve noodzakelijk toe dat het bestreden arrest vernietigd wordt in zoverre het de injunctie oplegt aan de verzoekende partij. Beoordeling
- De cassatiemiddelen worden enkel gericht tegen de beoordeling van de RvVb die het eerste middel van de verwerende partijen gegrond verklaart. Het bestreden arrest oordeelt dat zowel het eerste middel als het derde middel dat de verwerende partijen hadden opgeworpen tegen de beslissing van de verzoekende partij tot afgifte van de omgevingsvergunning, gegrond zijn. In het beschikkend deel van het bestreden arrest vernietigt de RvVb de voor hem bestreden beslissing. Die vernietiging wordt echter reeds voldoende verantwoord door de gegrondheid van het derde middel. De eventuele omstandigheid dat een cassatiemiddel gegrond zou zijn, kan aldus geen afbreuk doen aan de wettigheid van de vernietiging van de beslissing tot afgifte van de omgevingsvergunning, waartoe de RvVb is overgegaan in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest.
- De omstandigheid dat het bestuur bij het nemen van de nieuwe vergunningsbeslissing zich ingevolge het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest moet gedragen naar het vernietigingsmotief dat het voorwerp uitmaakt van de cassatiemiddelen, verplicht de Raad van State niet om die cassatiemiddelen te onderzoeken. VII-42.222-6/8 Artikel 35, tweede lid, DBRC bepaalt dat de RvVb in een vernietigingsarrest alle aangevoerde middelen beslecht, waarvan hij oordeelt “dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur”. De RvVb beoordeelt onaantastbaar of het nuttig is om in een vernietigingsarrest meerdere middelen te beslechten, hoewel de vernietiging reeds verantwoord wordt door de gegrondheid van één middel. Verder behoort het aan het vergunningverlenend bestuur om zich bij het nemen van de nieuwe vergunningsbeslissing te richten naar de feitelijke en juridische situatie zoals ze zich op dat ogenblik voordoet. Met het onderzoek van de cassatiemiddelen die worden gericht tegen overtollige vernietigingsmotieven zou de Raad van State aldus in de beoordeling van de zaak zelf treden, wat hem op grond van artikel 14, § 2, RvS-wet als cassatierechter verboden is. De beslissing van het bestuur na het vernietigingsarrest van de RvVb kan bovendien het voorwerp uitmaken van een nieuw vernietigingsberoep, en de beslissing van de RvVb over dat beroep kan vervolgens in cassatie worden aangevochten, zodat de wettigheidsvraagstukken die aan de orde zijn in de thans aangevoerde cassatiemiddelen desgevallend alsnog aan de Raad van State kunnen worden voorgelegd, waarbij het gezag van gewijsde van het eerste vernietigingsarrest van de RvVb niet verhindert dat die vraagstukken dan onderzocht worden.
- De omstandigheid dat het bestreden arrest “gelet op de beoordeling van het eerste middel en de mate waarin het middel gegrond wordt bevonden” aan de vernietiging ook het bevel verbindt “om het planologisch attest van 7 december 2004 en het [GRUP] niet te betrekken bij de totstandkoming van een nieuwe beslissing over de aanvraag van de tussenkomende partij”, doet hieraan geen afbreuk. Dergelijk bevel, dat met toepassing van artikel 37, § 1, eerste lid, 3°, DBRC, wordt gegeven, moet immers worden begrepen als een loutere explicitering en een versteviging van het vernietigingsarrest. Ook zonder dit bevel zou het bestuur reeds op grond van het gezag van gewijsde van het arrest ertoe gehouden VII-42.222-7/8 zijn de inhoud ervan na te leven bij de totstandkoming van de nieuw te nemen vergunningsbeslissing.
- Het cassatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk bij gebreke aan ontvankelijke middelen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.222-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div