← België

Arrest 264681 - Sluitingen van vestigingen - 28/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.681 Rolnummer: A. 245889/X-19180 Zaak: Arrest 264681 - Sluitingen van vestigingen - 28/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-29 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-14 04:02 Fiche Arrest nr 264.681 van 28 oktober 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 264.681 van 28 oktober 2025 in de zaak G/A. 245.889/X-19.180 In zake: de BV Y. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joachim Bourry kantoor houdend te 1180 Brussel Landhuisjesstraat 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD VILVOORDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 16 september 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de burgemeester van de stad Vilvoorde van 18 juli 2025 “waarbij werd besloten om de horecazaak ‘[R.L.]’ met maatschappelijke zetel te […] Vilvoorde, uitgebaat door [de verzoekende partij] voor een periode van zes maanden te sluiten (vanaf 18.[07].2025 tem 18.01.2026)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 26 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. X-19.180-1/8 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025, om 11.00 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joachim Bourry, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jory Brabants D’Hooghe, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij is de uitbater van de horecazaak (sishabar) R.L. gelegen te Vilvoorde (hierna: de horecazaak). 3.
  5. De verwerende partij wordt op 10 juli 2025 gevat door een “[b]ijzonder bestuurlijk verslag (art 5/2 WPA) met betrekking tot de toepassing van art 9bis van de Drugswet” van de Federale Gerechtelijke Politie van het arrondissement Halle-Vilvoorde. Blijkens dit verslag zou er, in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek, op 8 juli 2025 een huiszoeking hebben plaats- gevonden in de horecazaak waarbij 29 lachgasflessen in beslag werden genomen. X-19.180-2/8 Eveneens wordt melding gemaakt van 17 politionele tussenkomsten in de betrokken zaak sedert 1 januari
  6. De burgemeester wordt geadviseerd om op korte termijn een tijdelijke sluiting op grond van artikel 9bis van de drugswet op te leggen. Volgens het verslag is deze maatregel noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde en om verdere criminele activiteiten te verhinderen. 3.
  7. Bij aangetekende brief van 10 juli 2025 wordt de verzoekende partij op de hoogte gebracht van het bestaan van het bestuurlijk verslag en de inhoud ervan. De verzoekende partij wordt ook in kennis gesteld van het voornemen van de verwerende partij om een tijdelijke sluiting op te leggen, met uitnodiging om haar verweer te formuleren tijdens een hoorzitting op 17 juli
  8. 3.
  9. Op 17 juli 2025 wordt de zaakvoerder van de verzoekende partij gehoord, samen met de persoon die als nieuwe uitbater zou optreden. 3.
  10. Op 18 juli 2025 beslist de verwerende partij om de horecazaak met onmiddellijke ingang “voor een periode van zes maanden [te] sluiten conform artikel 9bis van de Drugswet” en de zaak “tijdens deze bestuurlijke sluiting eveneens bestuurlijk [te] verzegel[en] […] conform artikel 133ter van de Nieuwe Gemeentewet”, en dit met onmiddellijke ingang van 18 juli
  11. 3.
  12. Op 28 juli 2025 wordt het burgemeestersbesluit van 18 juli 2025 door het college van burgemeester en schepenen bevestigd. 3.
  13. Op 11 september 2025 is er een gesprek tussen de verwerende partij en de verzoekende partij. Het proces-verbaal van de hoorzitting vermeldt de context waarin dit gesprek plaatsheeft: “De burgemeester opent de hoorzitting door kort te kaderen waarom er vandaag een nieuwe hoorzitting plaatsvindt. Mevrouw [B.] heeft namelijk de vraag gesteld om opnieuw rond de tafel te zitten en een mogelijke X-19.180-3/8 heropening van de horecazaak [R.L.] te bespreken. De burgemeester haalt aan dat mevrouw [B] in juli 2025 voor een hoorzitting werd uitgenodigd op het stadhuis van Vilvoorde samen met de toenmalige zaakvoerder, […].” Het voormelde proces-verbaal geeft het besluit van de vergadering weer als volgt: “De burgemeester gaat het verslag van de hoorzitting met de vraag tot heropening overmaken aan het Parket en de Federale politie. Hierbij zal de burgemeester vragen om, in de mate van het mogelijke, een stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek te geven en om een bijkomend advies te verschaffen voor wat betreft de heropening van horecazaak [R.L.].” 3.
  14. Op 16 september 2025 wordt het verzoekschrift tot nietigverklaring en tot schorsing ingediend. 3.
  15. Op 17 september 2025 brengt de verwerende partij aan de verzoekende partij ter kennis dat er geen redenen worden gezien om de tijdelijke sluiting voortijdig ongedaan te maken. IV. Schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet), kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. X-19.180-4/8 V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  17. De verzoekende partij wijst in haar verzoekschrift op de volgende “reële en directe gevolgen van de beslissing voor de verzoekende partij”: “ • Faillissementsrisico: De sluiting van de horecazaak betekent een volledige stopzetting van de inkomsten gedurende zes maanden, terwijl vaste kosten blijven doorlopen. De horecazaak is immers sinds 18.06.2025 [lees: 18.07.25] gesloten en genereer[t] bijgevolg geen enkele inkomst meer. Wel blijven de schulden oplopen: huur, loon, belastingen,… Dit brengt de continuïteit van de onderneming in gevaar. Er is een reëel risico van faillissement. • Verlies van werkgelegenheid: Meerdere werknemers dreigen hun baan te verliezen, wat een sociaal en economisch verlies betekent. • Contractbreuk: Lopende contracten met leveranciers en dienstverleners kunnen niet worden nagekomen, wat aanleiding zou kunnen geven tot schadeclaims en reputatieschade. • Verlies van cliënteel en marktaandeel: In een concurrerende horecasector leidt een langdurige sluiting tot een blijvend verlies van klanten en een aantasting van de commerciële positie van de onderneming.” Beoordeling
  18. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, RvS-wet). Zoals in herinnering gebracht door ’s Raads arrest nr. 237.689 van 16 maart 2017, betekent dit echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. X-19.180-5/8
  19. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij immers na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing de ingeroepen schadelijke gevolgen nog zinvol kunnen worden afgewend. Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om de gevreesde schadelijke gevolgen te kunnen vermijden. Vanaf het ogenblik waarop de spoedeisendheid ontstaat, mag van een verzoekende partij een proceshouding worden verwacht die de door haar ingestelde procedure niet tegenspreekt. In functie van de omstandigheden kan dit vergen dat zij haar vordering zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt.
  20. Te dezen kan aangenomen worden dat de beweerde spoedeisend- heid is ontstaan vanaf 18 juli 2025, zijnde de datum van de bestreden beslissing én de datum waarop de periode van sluiting van zes maanden is ingegaan. Vanaf dat ogenblijk was het voor de verzoekende partij redelijkerwijze mogelijk om de “reële en directe gevolgen van de beslissing” in te schatten. Minstens houdt de verzoekende partij niet voor dat zij de risico’s van de sluiting voor een periode van zes maanden pas op een later moment heeft kunnen inschatten, of dat de spoed- eisendheid zich om een andere reden pas op een later moment heeft voorgedaan.
  21. Desondanks heeft de verzoekende partij nog meer dan acht weken gewacht alvorens een vordering tot schorsing in te dienen, waarbij zij bovendien nog een uiterst summiere en niet geconcretiseerde uiteenzetting geeft van de feiten die volgens haar de spoedeisendheid verantwoorden (zie randnummer 5). De vordering tot schorsing werd zodoende ingediend op een moment dat een derde van de bevolen sluitingsperiode reeds voorbij was, én de X-19.180-6/8 verzoekende partij er bovendien rekening mee diende te houden dat het nog eens enige tijd zou kunnen duren vooraleer een arrest zou worden uitgesproken. De verzoekende partij maakt bovendien niet aannemelijk dat de nadelige gevolgen die ter verantwoording van de spoedeisendheid worden ingeroepen, wel kunnen gedragen worden voor een periode van drie maanden, maar niet tot het einde van de opgelegde zes maanden.
  22. Daarbij komt dat het verzoekschrift geen enkele verantwoording verschaft voor het langdurig dralen met het instellen van de vordering tot schorsing.
  23. In het licht van het voorgaande moet worden besloten dat de verzoekende partij niet de spoedeisendheid van haar vordering aantoont. De aard en omvang van het nadeel die met de gevorderde schorsing zou moeten worden afgeweerd en de graad van urgentie die door haar aan de zaak wordt toegeschreven, vallen niet te verzoenen met haar proceshouding, die de negatie inhoudt van de beweerde spoedeisendheid van de vordering. VII. Besluit
  24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. X-19.180-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut David D’Hooghe X-19.180-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.