id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.696 Rolnummer: A. 242554/XII-9728 Zaak: Arrest 264696 - Dierenwelzijn - 30/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-31 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2026-06-16 21:07 Fiche Arrest nr 264.696 van 30 oktober 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.696 van 30 oktober 2025 in de zaak A. 242.554/XII-9728 In zake : J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9140 Temse Stokthoekstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van het “besluit van het Afdelingshoofd van de Afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving van 31 mei 2024, ondertekend op 5 juni 2024 […] waarbij 19 honden (12 volwassen honden en 7 pups) in volle eigendom worden gegeven aan het opvangcentrum waar de dieren momenteel verblijven”. Verzoeker dient op 13 augustus 2025 een verzoek tot schadevergoeding tot herstel in. XII-9728-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 260.957 van 8 oktober 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9728-2/15 III. Feiten 3. In arrest nr. 260.957 van 8 oktober 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “3.1. Naar aanleiding van een melding voert een interventieploeg van de lokale politie op 14 april 2024 een controle uit bij verzoeker. Naar aanleiding van de vaststellingen begeeft een hoofdinspecteur zich op 15 april 2024 naar het betrokken terrein en doet dat de vaststellingen die worden weergegeven in het proces-verbaal. 3.2. Op basis van de vaststellingen worden er 19 honden in beslag genomen. 3.3. De honden worden onderzocht in een asiel. De bevindingen worden weergegeven in een verslag van de dierenarts. 3.4. Met een schrijven van 15 april 2024 wordt verzoeker uitgenodigd voor verhoor op 24 april 2024. De uitnodiging vermeldt ‘U zal gehoord worden over feiten die u ten laste kunnen worden gelegd en die een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd, meer bepaald: Inbreuken op Dierenwelzijn’. 3.5. Verzoeker wordt gehoord op 24 april 2024, dit verhoor wordt weergegeven in bijlage 2 bij PV nr DE.63.L4.005844/2024. 3.6. Op 31 mei 2024 neemt de verwerende partij de beslissing om de 19 honden in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ in volle eigendom te geven aan het opvangcentrum waar de dieren momenteel verblijven. Dit is de bestreden beslissing.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep: exceptie inzake het gebrek aan belang Standpunt van de partijen 4. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen belang heeft bij zijn vordering. De verwerende partij zet uiteen dat de dieren niet meer in het bezit zijn van het asiel en dus niet kunnen terugkeren naar het patrimonium van verzoeker. Volgens de verwerende partij kan een gebeurlijke nietigverklaring niet meer het door verzoeker nagestreefde voordeel opleveren. Ook verzoekers toegang tot de rechter wordt volgens de verwerende partij niet in het gedrang gebracht, daar hem nog andere juridische actiemogelijkheden openstaan om schadeherstel te bekomen. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat het auditoraatsverslag breekt met “de rechtspraak” van de Raad van State en “met XII-9728-3/15 zoveel woorden” zegt dat “verzoeker op onrechtmatige wijze voor voldongen feiten geplaatst” werd. Voorts werpt de verwerende partij op dat er vragen blijven rijzen bij de ontvankelijkheid van het beroep, daar ingevolge een recente wijziging in de rechtspraak de Raad van State thans van oordeel is dat de ‘adoptanten’ de mogelijkheid moeten krijgen om in de procedure tussen te komen. 5. In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat hij eigenaar is van de honden die het voorwerp vormen van de bestreden beslissing en dat hij een belang heeft daar het eigendomsrecht over de dieren hem wordt ontnomen, wat hem een moreel en financieel nadeel berokkent. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de exceptie van de verwerende partij dat de bestreden beslissing hem het eigendomsrecht ontneemt over de herdershonden, die hij africht als werkhond in het kader van zijn schapenhouderij. Volgens verzoeker wordt hij hierdoor emotioneel, moreel en financieel benadeeld. Het loutere feit dat de honden intussen zijn verkocht, doet volgens verzoeker daaraan geen afbreuk. Hij werd immers op onrechtmatige wijze voor voldongen feiten geplaatst en de verwerende partij zal in geval van vernietiging gehouden zijn tot schadevergoeding tot herstel. Voorts verwijst verzoeker naar rechtspraak, die volgens hem zijn standpunt ondersteunt. In de laatste memorie voegt verzoeker daar nog aan toe dat hij zich niet enkel beroept op de financiële nadelen van de bestreden beslissing, maar dat het evident is dat hij een belang heeft, daar hem het eigendomsrecht over de verschillende herdershonden wordt ontnomen. Voorts verwijst verzoeker naar rechtspraak waaruit hij afleidt dat de vereiste van het actueel belang met de nodige soepelheid moet worden beoordeeld, opdat het recht op toegang tot de rechter hem niet op disproportionele wijze wordt ontzegd. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van XII-9728-4/15 deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel XII-9728-5/15 getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 7. De verwerende partij steunt de exceptie in wezen op het gegeven dat de dieren die het voorwerp vormen van de bestreden beslissing niet meer in het bezit zijn van het asiel, maar het voorwerp hebben gevormd van een “burgerlijke eigendomsoverdracht”. 8. De vernietiging door de Raad van State van een bestuurshandeling geldt erga omnes en heeft bovendien terugwerkende kracht. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, zodat de bestreden rechtshandeling moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Het bestuur dat de vernietigde bestuurshandeling heeft genomen, is er vervolgens toe gehouden – met eerbiediging van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest – het gepaste rechtsherstel te bieden. 9. Te dezen wordt in dat verband vastgesteld dat – indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd – dit tot gevolg heeft dat met toepassing van artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het daaraan voorafgaande beslag, vermeld in paragraaf 1 van die bepaling, van rechtswege wordt opgeheven. In die hypothese moet de bestreden beslissing immers worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat er sprake is van het uitblijven van een bestemmingsbeslissing, zoals bedoeld in artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024. Bij het uitblijven van een dergelijke bestemmingsbeslissing na zestig dagen vanaf de datum van inbeslagname wordt XII-9728-6/15 het beslag overeenkomstig artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 van rechtswege opgeheven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat, in het kader van het rechtsherstel na een gebeurlijke nietigverklaring, de honden in beginsel aan verzoeker moeten worden terugbezorgd. 10. De verwerende partij wijst er evenwel op dat de honden inmiddels aan derden zijn overgedragen. Daargelaten dat uit de voorgelegde ‘adoptiecontracten’ niet met zekerheid blijkt dat daarmee de volle eigendom over de honden aan derden is overgedragen – laat staan onherroepelijk – is de Raad van State niet bevoegd zich over de aard, de geldigheid en de gevolgen van deze overeenkomst of verbintenis uit te spreken. Die bevoegdheid komt de rechtbanken van de rechterlijke orde toe. In zoverre verzoekers belang bij het beroep er ultiem in bestaat de honden terug te krijgen, mag het dan ook eerder theoretisch en ijl heten. Dat is op zich niettemin onvoldoende om het a priori als (
- te)onrechtstreeks of anderszins ontoereikend te verwerpen. 11. Daarbij komt dat verzoeker zijn belang niet beperkt tot het terugkrijgen van de honden. Verzoeker wijst onder meer op de aantasting van zijn eigendomsrecht over de honden, die hij aanwendt in het kader van zijn schapenhouderij, en voert aan dat de bestreden beslissing hem op een onrechtmatige wijze voor voldongen feiten plaatst en hem emotioneel, moreel en financieel benadeelt. Verzoeker in die omstandigheden elk belang bij het voorliggende beroep ontzeggen, louter omdat de honden door het asiel inmiddels aan derden zijn overgedragen en waarbij het aan de Raad van State niet toekomt om zich uit te spreken over de aard van die overdrachten en de eventuele gevolgen daarvan op de verplichting van de verwerende partij om rechtsherstel te bieden na XII-9728-7/15 een gebeurlijke nietigverklaring, zou getuigen van een al te restrictieve benadering van het begrip ‘belang’. 12. Zoals hiervoor uiteengezet, dient de Raad van State erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (zie supra, nr. 6). Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing verzoeker niet enkel benadeelt. De eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoeker ook een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Deze vaststelling volstaat opdat verzoeker een belang heeft bij het beroep. 13. In de mate dat de verwerende partij in de laatste memorie nog opwerpt dat het auditoraatsverslag breekt met “de rechtspraak” van de Raad van State, stelt de Raad van State vast dat – daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent zodat de verwerende partij er derhalve geen leer uit kan halen – de verwerende partij dit argument niet concreet uiteenzet. In die mate is de exceptie niet ontvankelijk. In de mate dat de verwerende partij in de laatste memorie opwerpt dat het auditoraatsverslag “met zoveel woorden” zegt dat “verzoeker op onrechtmatige wijze voor voldongen feiten geplaatst” werd, stelt de Raad van State dat het niet het auditoraatsverslag, maar wel verzoeker is, die dat standpunt vertolkt. In die mate mist de exceptie feitelijke grondslag, zodat verzoeker het auditoraatsverslag niet kan verwijten “onbegrijpelijk” te zijn. In de mate dat de verwerende partij in de laatste memorie opwerpt op dat ingevolge een recente wijziging in de rechtspraak de Raad van State de ‘adoptanten’ de mogelijkheid moeten krijgen om in de procedure tussen te komen, stelt de Raad van State vast dat – daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zodat de verwerende partij er derhalve geen leer uit kan XII-9728-8/15 halen – dit argument van de verwerende partij op een verkeerde lezing van het door haar geciteerde arrest berust. In die mate mist de exceptie feitelijke grondslag. 14. Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie van niet- ontvankelijkheid, in de mate dat ze ontvankelijk is, niet gegrond is. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 15. In het verzoekschrift voert verzoeker in het eerste middel de schending van de hoorplicht aan. Na te hebben uiteengezet wat de hoorplicht volgens hem inhoudt, voert verzoeker aan dat niet ernstig kan worden betwist dat hij het recht heeft om te worden gehoord in het kader van de bestreden beslissing. Hij wijst erop dat hij evenwel niet werd gehoord. Volledigheidshalve voegt verzoeker daaraan toe dat het gegeven dat hij werd verhoord door de politiediensten in het kader van het opgestelde proces-verbaal, niet kan worden beschouwd als het voorafgaand horen in het kader van de bestreden beslissing. Zo werd bij het verhoor door de politiediensten geen melding gemaakt van het voornemen van de verwerende partij om de bestreden bestemmingsbeslissing te nemen en werd verzoeker evenmin gemeld dat hij voorafgaand aan een bestemmingsbeslissing zijn standpunt kon meedelen. Tot slot wijst verzoeker erop dat het verhoor werd afgenomen door de politiediensten en niet door het bestuur bevoegd om een bestemmingsbeslissing te nemen. 16. In de memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat sterk kan worden betwijfeld dat het verweer tegen de inbeslagname niet kan worden gelijkgesteld met een mogelijk verweer inzake de bestemmingsbeslissing. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker te kennen heeft gegeven dat hij zijn honden terug wilde en met dit standpunt is volgens de verwerende partij in de bestreden beslissing ook rekening gehouden. Voorts wijst de verwerende partij XII-9728-9/15 erop dat de bestreden beslissing niet louter bestraffend is, maar dat het een bestuurlijke maatregel is waarbij het welzijn van de dieren primeert op de houding van de verantwoordelijke van de dieren. Volgens de verwerende partij behoort de verantwoordelijke van de dieren overigens te weten wat de mogelijke bestemmingsbeslissingen zijn, daar de wet ze opsomt. Het bestuur moet dit niet nog eens voorleggen aan de verantwoordelijke van de dieren, die mag worden verwacht op de hoogte te zijn van de wetgeving en aan wie het op elk ogenblik vrijstaat om zijn standpunt mee te delen. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat het verhoor gebeurde door de lokale politie, terwijl de bestreden beslissing is genomen door de afdeling Dierenwelzijn. Daar deze instanties onder andere besturen vallen, kan volgens de verwerende partij de lokale politie niet weten – laat staan meedelen – welke maatregel door de afdeling Dierenwelzijn wordt overwogen. De verwerende partij wijst er voorts op dat de mogelijke maatregelen beperkt zijn en dat drie van de vier mogelijke maatregelen erop neerkomen dat het dier definitief wordt weggenomen van de eigenaar. De verwerende partij verwijst naar het antwoord van verzoeker op de tijdens het verhoor gestelde vraag wat hij wenst dat er met de honden moet gebeuren – met name dat verzoeker de honden terug wil – om daaruit af te leiden dat verzoeker daarmee te kennen heeft gegeven dat de overige drie mogelijke bestemmingsbeslissingen voor hem geen optie waren. Volgens de verwerende partij is het overigens zinloos om aan de eigenaar te vragen of hij verkiest of het dier wordt gedood, aan een derde wordt gegeven, wordt verkocht of teruggegeven. Beoordeling 17. Het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht houdt in dat – bij afwezigheid van formele regelgeving ter zake – tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Het doel van deze hoorplicht bestaat, eensdeels, in het vrijwaren van de belangen van de bestuurde, door hem de XII-9728-10/15 mogelijkheid te bieden zijn opmerkingen te laten kennen en aldus een voor hem ongunstige beslissing af te wenden, en anderdeels, in het vermijden dat het bestuur een onzorgvuldige beslissing zou nemen, omdat het niet beschikt over volledige kennis van zaken. Het recht om op nuttige wijze – dit wil zeggen met kennis van zaken – zijn standpunt te doen kennen, houdt onder meer in dat de bestuurde moet worden uitgenodigd om zijn standpunt naar voor te brengen over de voorgenomen maatregel en over de feitelijke en de juridische grondslag ervan. 18. Te dezen impliceert de hoorplicht dat verzoeker de mogelijkheid moest worden geboden om op nuttige wijze zijn verweermiddelen naar voor te brengen ten aanzien van het voornemen van de verwerende partij om de bij verzoeker in beslag genomen dieren in volle eigendom te geven aan het opvangcentrum waar de dieren ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing verbleven. Het komt de verwerende partij – op wie de hoorplicht rust – toe om het bewijs te leveren dat zij aan de hoorplicht heeft voldaan. Dit bewijs wordt te dezen niet geleverd. 19. Daar de hoorplicht op de verwerende partij rust, kwam het haar – en niet de lokale politie – toe om verzoeker uit te nodigen om zijn standpunt naar voor te brengen ten aanzien van de voorgenomen bestemmingsbeslissing. Voor zover de verwerende partij aanvoert dat aan de hoorplicht is voldaan gelet op het verhoor van verzoeker door de lokale politie in het kader van het door de lokale politie opgestelde proces-verbaal DE.63.L4.005844/2024, wordt dat verweer niet bijgevallen. Verzoeker werd door de lokale politie niet verhoord over een door de verwerende partij voorgenomen bestemmingsbeslissing, maar “over feiten die u ten laste kunnen worden gelegd en die een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd, meer bepaald: Inbreuken op Dierenwelzijn”. Een dergelijk verhoor heeft met de bestreden beslissing niets vandoen. XII-9728-11/15 Het argument van de verwerende partij dat verzoeker tijdens het verhoor door de lokale politie heeft aangegeven dat hij zijn honden terug wilde, doet niet anders oordelen. Uit niets blijkt immers dat verzoeker hiermee met kennis van zaken een standpunt inneemt ten aanzien van een vooraf aan verzoeker meegedeeld voornemen om een welbepaalde bestemmingsbeslissing te nemen. 20. Het argument dat de bestreden beslissing “niet als louter bestraffend” kan worden beschouwd, doch een bestuurlijke maatregel is waarbij het welzijn van de dieren primeert, ontslaat de verwerende partij niet van de op haar rustende hoorplicht en wordt derhalve evenmin bijgevallen. De bestreden beslissing is een bestemmingsbeslissing in de zin van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986), zoals van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, en derhalve een mogelijk ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de verantwoordelijke van het dier ernstig aan te tasten, zodat de hoorplicht wel degelijk van toepassing is. 21. Ook het verweer dat verzoeker wordt geacht de wet van 14 augustus 1986 te kennen en te weten welke de mogelijke bestemmingsbeslissingen kunnen zijn, zodat hij daarover op elk ogenblik zijn standpunt kon meedelen zonder dat het bestuur die “nogmaals” aan de verantwoordelijke van het dier moet voorleggen, doet niet anders oordelen. De verwerende partij gaat hiermee voorbij aan de essentie van de hoorplicht, met name, te dezen, dat op de verwerende partij de plicht rust om verzoeker vooraf mee te delen welke maatregel zij overweegt en op welke feitelijke en juridische grondslag dat voornemen steunt, om verzoeker vervolgens uit te nodigen om desbetreffend zijn standpunt naar voor te brengen. 22. In de mate dat de verwerende partij in de laatste memorie aanvoert dat de lokale politie ter gelegenheid van het verhoor van verzoeker niet kon meedelen welke bestemmingsbeslissing door de verwerende partij werd overwogen, omdat de lokale politie dat niet kan weten, weze het herhaald dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat de hoorplicht te dezen op haar rust en dat XII-9728-12/15 het haar toekwam – niet de lokale politie – om verzoeker uit te nodigen om zijn standpunt naar voor te brengen ten aanzien van de voorgenomen bestemmingsbeslissing. 23. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat de mogelijke bestemmingsbeslissingen beperkt zijn, dat drie van de vier mogelijke maatregelen erop neerkomen dat het dier definitief wordt weggenomen van de eigenaar, dat verzoeker tijdens zijn verhoor door de lokale politie te kennen heeft gegeven dat de overige drie mogelijkheden voor hem geen optie waren, alsook dat het zinloos is om aan de eigenaar te vragen of hij verkiest of het dier wordt gedood, aan een derde wordt gegeven, wordt verkocht of teruggegeven. Zoals verzoeker aangeeft in zijn laatste memorie, komt dit verweer er in wezen op neer dat de uitoefening van het hoorrecht nooit zinvol zou zijn in het kader van een bestemmingsbeslissing. De verwerende partij geeft hiermee weliswaar blijk van haar eigen appreciatie van de gegevens van de zaak en van het nut van de hoorplicht, doch toont daarmee niet aan dat de hoorplicht te dezen niet van toepassing zou zijn. 24. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Schadevergoeding tot herstel 25. Verzoeker heeft op 13 augustus 2025 een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot nietigverklaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring. 26. Het onderzoek ten gronde door het auditoraat is beperkt gebleven tot het eerste middel. Verzoeker stelt in de laatste memorie wel te XII-9728-13/15 volharden in het tweede middel, maar hij beweert niet dat de schadevergoeding tot herstel die hij vordert, vereist dat bijkomend nog een andere onwettigheid moet worden vastgesteld die een onderzoek van het tweede middel vereist, noch verzoekt hij hiertoe om een aanvullend auditoraatsverslag. 27. Er is thans dan ook reden om het debat te heropenen voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het afdelingshoofd van de Afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving van 31 mei 2024, waarbij 19 honden (12 volwassen honden en 7 pups) in volle eigendom worden gegeven aan het opvangcentrum waar de dieren op dat ogenblik verbleven. 2. De Raad van State heropent het debat voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XII-9728-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9728-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.696 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.957 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.