← België

Arrest 264697 - Tucht (openbaar ambt) - 30/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 Rolnummer: A. 240194/XII-9690 Zaak: Arrest 264697 - Tucht (openbaar ambt) - 30/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-30 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-14 04:02 Fiche Arrest nr 264.697 van 30 oktober 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 no lien 285827 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.697 van 30 oktober 2025 in de zaak A. 240.194/XII-9690 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5347 RUPEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Wilrijk Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 3 augustus 2023 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. XII-9690-1/15 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 20 oktober 2022 wordt ten laste van verzoeker een proces- verbaal opgesteld wegens het besturen van een voertuig in een staat van alcoholintoxicatie, naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij verzoeker betrokken was. 3.
  7. Op 21 oktober 2022 meldt de procureur des Konings dit aan de gewone tuchtoverheid en verleent hij meteen de toelating om een afschrift te bekomen van de opgestelde processen-verbaal met het oog op het gebruik op tuchtgebied. XII-9690-2/15 3.
  8. Op 24 oktober 2022 maakt de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  9. Op 28 oktober 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de terugzetting “in de loonschaal” op te leggen. Dit inleidend verslag wordt op 10 november 2022 bij aangetekende zending aan verzoeker aangeboden. Verzoeker dient op 23 november 2022 een schriftelijk verweer in en wordt op 22 december 2022 door de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord. 3.
  10. Op 22 december 2022 wordt het document houdende het voorstel van zware tuchtstraf, ondertekend door de voorzitter van het politiecollege, tegen ontvangstbewijs overhandigd aan verzoeker. Hierin stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting “in de loonschaal” op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  11. Op 6 juni 2023 adviseert de Tuchtraad: “in hoofdorde: dat het aangewezen is voor de tuchtoverheid af te zien van het opleggen van een tuchtstraf nu niet blijkt dat de aan verzoeker betekende beslissing en motieven van het voorstel van zware straf toe te schrijven zijn aan de bevoegde tuchtoverheid namelijk het politiecollege; in ondergeschikte orde: dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal een gepaste straf is.” XII-9690-3/15 3.
  12. Op 3 juli 2023 keurt het politiecollege een agendapunt goed met de titel “Notulen van 22 december 2022 inzake de beraadslaging van het politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid”. Het beschikkend gedeelte van dit agendapunt luidt: “Besluit Artikel 1 Het politiecollege, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, neemt akte van het proces-verbaal de dato 22 december 2022 van hoorzitting en het door hoofdinspecteur […] en zijn verdediger ontwikkelde verweer. Artikel 2 Het politiecollege, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, na beraadslaagd te hebben over het volledige tuchtdossier, beslist eenparig om hoofdinspecteur […] een (kennisgeving van) een voorstel van zware tuchtstraf te betekenen conform de beslissing in bijlage. Artikel 3 Onderhavige notulen zullen ondertekend worden door de voorzitter en de secretaris van het politiecollege. De voorzitter van het politiecollege wordt gelast met de betekening van het bijgevoegde voorstel van zware tuchtstraf. De praktische (administratieve) formaliteiten kunnen verricht worden door de secretaris van het Politiecollege. Bijlagen
  13. 13 - PV van de hoorzitting.pdf
  14. Voorstel zware tuchtsanctie.doc Aldus beslist in bovenvermelde zitting, Namens het Politiecollege” 3.
  15. Eveneens op 3 juli 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Op 14 juli 2023 dient verzoeker zijn aanvullend schriftelijk verweer in. 3.
  16. Op 3 augustus 2023 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. XII-9690-4/15 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  17. In het verzoekschrift voert verzoeker in het eerste middel de schending aan van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet), van artikel 28 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998), evenals van artikel 104 van de Nieuwe Gemeentewet. Verzoeker zet uiteen dat deze bepalingen impliceren dat de beslissingen van het politiecollege worden opgenomen in de notulen, dat alleen beslissingen rechtsgevolgen kunnen hebben en dat te dezen het politiecollege de beslissing houdende het voorstel van zware tuchtstraf moet nemen en meedelen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater van de tuchtwet bedoelde termijn van dertig dagen. Voorts zet verzoeker onder meer uiteen dat hem het document “kennisgeving van een zware tuchtsanctie” werd betekend, dat is gedateerd op 22 december 2022 en ondertekend door T.D. als voorzitter van het politiecollege. De tuchtbevoegdheid gaat uit van het politiecollege, maar er liggen geen notulen voor omvattende – op datum van 22 december 2022 of vroeger – een beslissingsproces om over te gaan tot de mededeling van een voorstel van zware tuchtstraf. Verzoeker wijst erop dat conform artikel 104 van de Nieuwe Gemeentewet beslissingen moeten worden opgenomen in notulen en dat alleen die beslissingen rechtsgevolgen hebben. Enkel aan de hand van de notulen kan worden vastgesteld of het besluitvormingsproces van een collegiaal orgaan rechtsgeldig is verlopen. Verzoeker leidt daaruit af dat bij gebrek aan notulen er geen beslissing van het politiecollege voorligt tot het nemen en meedelen van een voorstel van zware tuchtstraf, en bijgevolg, dat er geen voorstel van zware tuchtstraf is betekend binnen de termijn van artikel 38sexies van de tuchtwet, zodat de hogere tuchtoverheid geacht wordt af te zien van tuchtvervolging. Voorts wijst verzoeker erop dat de hogere tuchtoverheid op de zittingen voor de Tuchtraad expliciet erkende dat er geen notulen bestaan van de beslissing houdende het voorstel van zware tuchtstraf. Het document dat de hogere tuchtoverheid op 3 juli 2023 heeft ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 XII-9690-5/15 geproduceerd met de naam “notulen van 22 december 2022 inzake de beraadslaging van het politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid – goedkeuring” is volgens verzoeker een poging tot technische reparatie, dat aan de gegrondheid van het eerste middel geen afbreuk doet. Notulen die op 22 december 2022 niet bestonden, kunnen naderhand immers niet meer worden goedgekeurd. Verzoeker wijst daarnaast ook op een aantal terminologische verschillen tussen het document “kennisgeving van een zware tuchtsanctie” en het document van 3 juli 2023, waaruit hij besluit dat dit laatste document geen notulen zijn van een beslissing van 22 december 2022, maar “hoogstens iets van datum 03 juli 2023” waarin het politiecollege zich heeft geconfirmeerd aan de juiste terminologie na daarover opmerkingen te hebben gekregen van de Tuchtraad.
  18. In de memorie van antwoord vat de verwerende partij haar standpunt betreffende het eerste middel als volgt samen: “Door de verzoekende partij wordt niet betwist dat er op 22 december 2022 een hoorzitting voor het Politiecollege met aansluitend beraadslaging werd georganiseerd. Verzoeker betwist al evenmin dat het Politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid hem na de beraadslaging een kennisgeving van voorstel van zware tuchtstraf, namelijk de terugzetting in weddeschaal (verkeerdelijk betiteld als terugzetting in loonschaal) werd betekend (stuk 14). Het is echter niet de kennisgeving van de beslissingen van het Politiecollege die aan de verzoeker in de loop van de procedure zijn gedaan die het bestaan en de totstandkoming van de besluiten van het Politiecollege worden bewezen, maar wel de notulen en de ondertekening van deze notulen. Nergens wordt bepaald dat deze notulen onmiddellijk na de hoorzitting en op de daaropvolgende beraadslaging dienen te worden goedgekeurd. In casu werden de notulen van de hoorzitting en de daaropvolgende beraadslaging van 22 december 2022 goedgekeurd op de vergadering van het Politiecollege van 3 juli 2023 (stuk 25). Het bewijs van het bestaan van de beslissing van 22 december 2022 wordt aldus door de goedkeuring van de notulen van de beraadslaging van 22 december 2022 op de vergadering van het Politiecollege op 3 juli 2023 geleverd.” In de toelichting wijst de verwerende partij er voorts nog op dat de rechtspraak waarnaar verzoeker verwijst niet relevant is, omdat de feitelijke omstandigheden van de zaak niet vergelijkbaar zijn. De verwerende partij benadrukt: “In casu liggen er echter wel notulen voor. De notulen van het Politiecollege van 22 december 2023 werden immers op de vergadering van het Politiecollege van 3 juli 2023 goedgekeurd (stuk 25).” XII-9690-6/15 In de laatste memorie betwist de verwerende partij het standpunt vertolkt in het auditoraatsverslag en handhaaft zij het verweer geformuleerd in de memorie van antwoord. De verwerende partij benadrukt dat verzoeker wel degelijk erkent dat er een beraadslaging heeft plaatsgevonden, zodat het auditoraatsverslag ten onrechte besluit dat de beraadslaging op 3 juli 2023 zou te situeren zijn. Voorts herhaalt de verwerende partij dat de wet niet verplicht dat de notulen binnen een welbepaalde termijn moeten worden opgesteld en goedgekeurd. Tot slot betwist de verwerende partij het standpunt in het auditoraatsverslag dat uit het beschikkende gedeelte van de notulen van 3 juli 2023 niet blijkt dat de beslissing en de goedkeuring van het voorstel van zware tuchtstraf heeft plaatsgevonden op 22 december
  19. De verwerende partij verwijst in dat verband naar het toelichtende gedeelte van de notulen van 3 juli 2023, waaruit volgens haar blijkt dat de kennisgeving van de beslissing tot voorstel van zware tuchtstraf op 22 december 2022 is gebeurd en dat dit door verzoeker niet wordt betwist. Beoordeling
  20. Artikel 28 van de wet van 7 december 1998 luidt: “De artikelen 104, eerste en derde lid, en 105 van de nieuwe gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op het politiecollege. Het politiecollege mag alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd. De besluiten van het politiecollege worden bij meerderheid van de stemmen bedoeld in het vorige lid genomen. Bij staking van stemmen verdaagt het politiecollege de zaak tot een volgende vergadering. Indien bij meerderheid van stemmen in het politiecollege de behandeling van de zaak vooraf spoedeisend is verklaard, of wanneer de zaak in een vorige vergadering na staking van stemmen werd verdaagd, is bij staking van stemmen de stem van de voorzitter beslissend. Het politiecollege kan, mits alle leden hiermee akkoord gaan, in zijn huishoudelijk reglement de gevallen bepalen waarin en de nadere regels volgens welke de leden van het college op afstand kunnen deelnemen aan de vergadering. De leden van het college die op deze manier deelnemen aan de vergadering worden beschouwd als aanwezig voor de naleving van de quorum- en meerderheidsvoorwaarden.” Artikel 29 van de wet van 7 december 1998 luidt: “In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 XII-9690-7/15 politiecollege. Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan. De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend. De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend.” Artikel 104, eerste en derde lid, van de Nieuwe Gemeentewet luidt: “Het college van burgemeester en schepenen vergadert op de dagen en uren door het reglement bepaald, en zo dikwijls de spoedige afdoening van de zaken het vereist. […] De vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen zijn niet openbaar. Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen bedoeld in artikel 108: alleen de beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben.” De artikelen 28 en 29 van de wet van 7 december 1998 bepalen onder meer op welke wijze het politiecollege zijn beslissingen neemt en hoe die beslissingen op schrift worden gesteld. Luidens artikel 29, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 vermelden de notulen van de vergaderingen van het politiecollege “alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen.” Het bestaan van een beslissing van het politiecollege, de totstandkoming ervan en het vervuld zijn van de wettelijk vereiste vormvoorschriften moeten blijken uit de notulen van de vergadering. De notulen zijn authentieke akten waarmee het bestaan van een beslissing wordt aangetoond, alsook dat de wettelijk voorgeschreven vormen inzake het houden van de vergadering en de regelmatigheid van de besluitvorming zijn geëerbiedigd. Het is bijgevolg niet de kennisgeving van een beslissing die in de loop van de XII-9690-8/15 tuchtprocedure aan de betrokkene wordt gedaan, die het bestaan van die beslissing van het politiecollege en de wettige totstandkoming ervan bewijst.
  21. Artikel 38sexies van de tuchtwet luidt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. […] Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden.” Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet vereist het formuleren van een voorstel van zware tuchtstraf dat de hogere tuchtoverheid, te dezen het politiecollege, daarover een beslissing neemt. Die beslissing moet bovendien worden genomen en ter kennis gebracht van de betrokken politieambtenaar binnen een termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van het schriftelijk verweer. Het niet naleven door de hogere tuchtoverheid van de verplichting om binnen vijftien dagen, desgevallend verlengd “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”, haar beslissing over de tuchtvordering ter kennis te brengen, wordt gesanctioneerd door artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet. De hogere tuchtoverheid wordt dan geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste werden gelegd. De termijn om de beslissing over de tuchtvordering te nemen en mee te delen is aldus een vervaltermijn. XII-9690-9/15
  22. Te dezen betwist verzoeker dat de beslissing houdende het voorstel van zware tuchtstaf op wettige wijze is genomen door het politiecollege, met name omdat er geen notulen van die beslissing voorliggen.
  23. Zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 6), moet het bestaan van een beslissing van het politiecollege blijken uit de notulen. Het bestaan van een beslissing wordt niet vermoed noch kan het worden afgeleid uit een document bedoeld om kennis te geven van een beslissing. Het gebruik van de door de centrale diensten ter beschikking gestelde modelformulieren voor de diverse stappen in de tuchtprocedure ontslaat het bevoegde orgaan er immers niet van over elke stap in de procedure – te dezen het formuleren van een voorstel van zware tuchtstraf – formeel een beslissing te nemen.
  24. De Raad van State stelt vast dat het administratief dossier geen uittreksel uit de notulen bevat waaruit blijkt dat het politiecollege op 22 december 2022 heeft beslist om ten aanzien van verzoeker het voorstel van zware tuchtstraf te betekenen, waarvan op 22 december 2022 aan verzoeker kennis is gegeven. Partijen betwisten niet dat een dergelijke beslissing desgevallend enkel op 22 december 2022 kan zijn genomen. Verzoeker werd op die datum mondeling gehoord door het politiecollege en gelet op het recht van verdediging kan de beslissing over het voorstel van zware tuchtstraf niet voorafgaan aan dat mondeling horen. Reeds op diezelfde datum werd kennis gegeven van het voorstel van een zware tuchtstraf, wat veronderstelt dat voorafgaand aan die kennisgeving daadwerkelijk een beslissing in die zin werd genomen. In de twee pleitnota’s door de hogere tuchtoverheid neergelegd voor de Tuchtraad wordt desbetreffend vermeld: “Het proces-verbaal van de hoorzitting en het daaropvolgende besluit tot definitieve sanctie is een door alle partijen gedragen beslissing zo getuige[n] de handtekeningen van betrokken burgemeesters en de aanwezigheid van diezelfde burgemeesters tijdens de beraadslaging.” Samen met die pleitnota’s heeft de hogere tuchtoverheid voor de Tuchtraad “al de haar in het bezit zijnde notulen van het politiecollege” als stuk ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 XII-9690-10/15 neergelegd. Daartoe behoort evenwel niet een uittreksel uit de notulen houdende het voorstel van zware tuchtstraf. Het “daaropvolgende besluit tot definitieve sanctie” – lees: het voorstel van zware tuchtstraf – mag volgens de pleitnota van de hogere tuchtoverheid dan wel een “door alle partijen gedragen beslissing” zijn, enig bewijs van een dergelijke beslissing middels een uittreksel uit de notulen ligt niet voor. Bij gebrek aan notulen valt de bewering over de aanwezigheid van de burgemeesters voorts niet te verifiëren. De verwijzing naar de handtekeningen van de burgemeesters, slaat kennelijk op het proces-verbaal van de hoorzitting, daar het betekende voorstel van zware tuchtstraf enkel werd ondertekend door de voorzitter van het politiecollege. Uit het proces-verbaal van de hoorzitting blijkt echter evenmin enige beslissing over het voorstel van zware tuchtstraf. De Tuchtraad besloot in zijn advies bijgevolg terecht dat uit geen enkel element blijkt dat er enige beraadslaging heeft plaatsgevonden over het aan verzoeker betekende voorstel van zware tuchtstraf.
  25. Nadat de hogere tuchtoverheid kennisnam van het advies van de Tuchtraad keurt zij op 3 juli 2023 een beslissing goed onder de titel “Notulen van 22 december 2022 inzake de beraadslaging van het politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid” (zie supra, nr. 3.7). In de memorie van antwoord omschrijft de verwerende partij dit stuk als de goedkeuring van de notulen van het politiecollege van 22 december
  26. Het auditoraatsverslag wijdt een onderzoek aan de vraag of met dit stuk een afschrift voorligt van de authentieke notulen van de zitting van het politiecollege van 22 december 2022 waarop zou zijn beslist over het voorstel van zware tuchtstraf. Dit onderzoek leidt tot de volgende bevindingen: “Geen wetsbepaling spreekt tegen dat notulen hun bewijskracht zouden verliezen afhankelijk van het moment waarop ze worden voorgelegd: als authentieke akten vormen ze het bewijs van welke beslissingen werden genomen op een bepaalde zitting. Evenwel blijkt het hier niet om een afschrift van de notulen van 22 december 2022 zelf te gaan, maar om een afschrift van de notulen van de zitting van het politiecollege van 3 juli 2023, waarin een beslissing over een voorstel van zware tuchtstraf is vervat. Verder wordt het volgende opgemerkt: Na de ‘Beschrijving’ van feiten en argumenten en een ‘stemming op het besluit’ besluit het voorgelegde afschrift van de notulen van de zitting 3 juli 2023 het volgende: ‘Artikel 1 XII-9690-11/15 Het politiecollege, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, neemt akte van het proces-verbaal de dato 22 december 2022 en het door hoofdinspecteur […] en zijn verdediger ontwikkelde verweer. Artikel 2 Het politiecollege, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, na beraadslaagd te hebben over het volledige tuchtdossier, beslist eenparig om hoofdinspecteur […] een (kennisgeving van) een voorstel van zware tuchtstraf te betekenen conform de beslissing in bijlage. Artikel 3 Onderhavige notulen zullen ondertekend worden door de voorzitter en de secretaris van het politiecollege. De voorzitter van het politiecollege wordt gelast met de betekening van het bijgevoegde voorstel van zware tuchtstraf. De praktische (administratieve) formaliteiten kunnen verricht worden door de secretaris van het Politiecollege.’ Er wordt daarna vermeld dat “[dit] aldus beslist (werd) in bovenvermelde zitting”: de enige zitting die op het besluit wordt vermeld is de ‘Zitting van 3 juli 2023’. Uit de vermeldingen blijkt verder dat ‘het besluit’ door het politiecollege wordt goedgekeurd met unanimiteit. Er blijkt vooreerst evenwel nergens uit dat deze beslissing en goedkeuring van een voorstel van hogere tuchtstraf, heeft plaatsgehad op 22 december
  27. Integendeel, uit het voorgelegde document kan enkel worden opgemaakt dat dit een zitting van 3 juli 2023 betreft waarin over een ‘voorstel van zware tuchtstraf’ is gestemd. Volgens verwerende partij bewijst het aangebrachte document dat ter zitting van 3 juli 2023 de ‘notulen van 22 december 2022’ werden goedgekeurd. Verwerende partij heeft tijdens de tuchtprocedure evenwel nooit een afschrift van de (ontwerp)notulen van de zitting van 22 december 2022 aangebracht (zie hoger) en ook nu zijn die niet (als bijlage) bij het document gevoegd. Op het ‘Besluit’ wordt in hoofding en in voettekst weliswaar melding gemaakt van ‘notulen van 22 december 2022’ maar die kunnen niet aan een beslissing over het voorstel tot hogere tuchtstraf worden gekoppeld: de notulen van de zitting van 22 december 2022 zijn, zoals gezegd, niet voorhanden en de enige ‘beslissing’ waarvan klaarblijkelijk sprake, is een beslissing omtrent het voorstel van hogere tuchtstraf, genomen ter zitting van 3 juli
  28. Op de zitting van 3 juli 2023 werden dus – in voorkomend geval – hoogstens ‘lege’ notulen goedgekeurd. Dit ‘besluit’ van de zitting 3 juli 2023 houdende (goedkeuring en opdracht tot betekening van) een voorstel van zware tuchtstraf, vormt geen bewijs dat het politiecollege op 22 december 2022 heeft beraadslaagd en de beslissing over het voorstel van tuchtstraf heeft genomen die werd ondertekend door de voorzitter. Van dergelijke beslissing bestààn geen notulen, zodat ook het bestaan van de beslissing zelf te ontkennen valt. Waar in het voorgelegde ‘besluit’ sprake is van een beslissing en beraadslaging door het politiecollege over het voorstel van tuchtstraf, zijn die alle te dateren op 3 juli 2023 zelf d.w.z. ruim buiten de vervaltermijn, waarvan sprake in artikel 38sexies Tuchtwet. Aldus blijkt niet dat de bevoegde overheid tijdig beraadslaagd heeft over het voorstel van zware tuchtstraf en op grond van het volledige dossier en het verweerschrift heeft beslist om aan verzoeker het voorstel van zware tuchtstraf ‘inhouding van de weddeschaal’ mee te delen.” De verwerende partij betwist deze conclusie. Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperkt de verwerende partij zich evenwel tot de kritiek dat verzoeker zelf nooit heeft betwist en zelfs bevestigt dat er op 22 december 2022 XII-9690-12/15 een beraadslaging heeft plaatsgevonden. Zoals verzoeker in zijn laatste memorie terecht opmerkt, verwijst de verwerende partij ter staving, eensdeels, naar een eigen geschrift met een interpretatie van het door verzoeker gevoerde verweer, en anderdeels, naar de “besluiten bij verzoek tot heroverweging” van verzoeker voor de Tuchtraad, waar het begrip “beraadslaging” evenwel tussen aanhalingstekens is geplaatst. Hoe deze kritiek de hiervoor weergegeven conclusie van het auditoraatsverslag zou weerleggen, zet de verwerende partij niet uiteen. Hoe deze kritiek tot de vaststelling zou moeten leiden dat er – in weerwil van de bevindingen in het auditoraatsverslag – wel degelijk een uittreksel uit de notulen van het politiecollege van 22 december 2022 houdende een beslissing over het voorstel van zware tuchtstraf voorligt, zet de verwerende partij evenmin uiteen. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat niet blijkt dat de hogere tuchtoverheid tijdig heeft beraadslaagd over het voorstel van zware tuchtstraf en op grond van het volledige dossier en het verweerschrift heeft beslist om aan verzoeker het voorstel van zware tuchtstraf mee te delen.
  29. Het loutere standpunt van de verwerende partij dat er wel notulen voorliggen van een beslissing van het politiecollege van 22 december 2022, doet niet anders oordelen, daar uit de analyse in het auditoraatsverslag hiervoor weergegeven en bijgevallen door de Raad van State, blijkt dat de verwerende partij met de door haar naar voor geschoven beslissing van 3 juli 2023 het bestaan van dergelijke notulen niet aantoont.
  30. Ook de verwijzing naar het proces-verbaal van de hoorzitting dat werd ondertekend door de aanwezige leden van het politiecollege, doet niet anders oordelen. De beslissing houdende het voorstel van zware tuchtstraf wordt immers niet genomen tijdens de hoorzitting, zodat het proces-verbaal van de hoorzitting er niet het bewijs van kan vormen. Eenzelfde vaststelling geldt voor het argument dat aan verzoeker een voorstel van zware tuchtstraf ter kennis werd gebracht. Dit gegeven impliceert ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 XII-9690-13/15 immers ipso facto niet dat het politiecollege voorafgaand aan die kennisgeving op wettige wijze heeft beraadslaagd en beslist over het voorstel van zware tuchtstraf. Zoals hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 6) dient het bewijs van een wettige beraadslaging en besluitvorming te worden geleverd aan de hand van de notulen.
  31. De verwerende partij wordt bijgevallen in het standpunt dat geen bepaling voorschrijft binnen welke termijn de notulen van het politiecollege moeten worden goedgekeurd. Te dezen stelt de Raad van State evenwel vast dat er in het geheel geen notulen voorliggen waaruit blijkt dat het politiecollege op 22 december 2022 de beslissing heeft genomen om ten aanzien van verzoeker een voorstel van zware tuchtstraf te formuleren. Notulen die niet bestaan, kunnen niet worden goedgekeurd.
  32. Uit wat voorafgaat, volgt dat geen beslissing voorligt van het politiecollege houdende de goedkeuring van het aan verzoeker ter kennis gegeven voorstel van zware tuchtstraf. Aldus ligt geen bewijs voor dat de hogere tuchtoverheid binnen de termijn van vijftien dagen bepaald in artikel 38sexies van de tuchtwet heeft beslist om een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. Bijgevolg stelt de Raad van State vast dat de hogere in toepassing van artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet moet worden geacht af te zien van de tuchtvervolging voor de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd.
  33. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State vernietigt de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 3 augustus 2023 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd.
  35. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770,00 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XII-9690-14/15
  36. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9690-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.