← België

Arrest 264709 - Gerechtskosten – juridische bijstand - 30/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.709 Rolnummer: A. 242684/IX-10511 Zaak: Arrest 264709 - Gerechtskosten – juridische bijstand - 30/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-14 04:02 Fiche Arrest nr 264.709 van 30 oktober 2025 Justitie - Gerechtskosten – juridische bijstand Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.709 van 30 oktober 2025 in de zaak A. 242.684/IX-10.511 In zake: A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacques Vandeuren kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2024, strekt tot de nietigver- klaring van beslissing F2024/007 van de directeur-generaal van het directoraat- generaal Rechterlijke Organisatie van 19 juni 2024 over een kostenstaat van ver- zoeker. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. IX-10.511-1/17 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Jacques Vandeu- ren verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij be- slissing van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gege- ven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is als beëdigd tolk en vertaler opgenomen in het Na- tionaal Register tolken en vertalers. 3.
  6. Huidig geschil heeft betrekking op verzoekers factuur 2024/007 van 28 februari 2024, voor de prestatie ‘vertaling onderschepte gesprekken’ tussen 27 augustus 2023 en 21 oktober
  7. Blijkens de stukken die aan de Raad zijn voorgelegd betreft het opgenomen telefoongesprekken in het Albanees waarvan een schriftelijke vertaling in het Nederlands werd opgesteld. Tussen partijen wordt IX-10.511-2/17 niet betwist dat die vertaling de vorm heeft van een samenvatting en niet van een volledige transcriptie. Het taxatiebureau Antwerpen betwist (deels) deze facturatie. Dat verzoeker voor de geleverde prestaties het uurtarief voor tolken toepast, inbegrepen de verhogingen voor weekend- en nachtwerk, wordt niet betwist. Het taxatiebureau verwerpt wel het door verzoeker aangerekende supplement van 20% voor telefoon- tap. Het goedgekeurde deel van de factuur wordt betaald. 3.
  8. Op beroep van verzoeker beslist de directeur-generaal op 19 juni 2024 over de begroting van de kostenstaat. Samengevat begroot de directeur-generaal de prestaties van ver- zoeker op een lager bedrag dan opgenomen in factuur 2024/007 én ook lager dan het bedrag aanvaard door het taxatiebureau Antwerpen: - enerzijds, weigert hij net zoals het taxatiebureau de toepassing van een toeslag van 20% in het geval van telefoontapvertalen op het factuurbedrag op grond van het motief dat dergelijk supplement enkel aangerekend mag worden op prestaties aangerekend op basis van het vertalerstarief, terwijl in de betrokken factuur het tolkentarief werd toegepast en - anderzijds, reduceert hij de aangerekende tijd door voor bepaalde prestaties een niet te vergoeden rustpauze van vijftien of dertig minuten af te trekken op grond van het motief dat, gezien de lange duur van bepaalde prestaties, een rustpauze noodzakelijk is. Dat is de bestreden beslissing. IV. Samenvoeging
  9. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker huidig beroep samen te voegen met andere beroepen die hij heeft ingesteld tegen beslissingen over andere kostenstaten “om te vermijden dat verzoekende partij voor alle 6 (thans nog) IX-10.511-3/17 afzonderlijke procedures veroordeeld zou worden tot het betalen van 6 rechtsple- gingsvergoedingen”.
  10. Verzoeker vergist zich in de veronderstelling dat samenge- voegde zaken leiden tot slechts één rechtsplegingsvergoeding. De rechtsplegings- vergoeding wordt begroot voor elk beroep afzonderlijk, ongeacht of er apart uit- spraak over wordt gedaan of in één enkel arrest. Het verzoek, dat steunt op een verkeerde premisse en het voordeel dat verzoeker nastreeft niet kan verwezenlij- ken, wordt afgewezen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert een eerste middel aan “genomen uit de schen- ding van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, het ‘patere legem quam ipse fecisti beginsel’ (eerste middelonderd[e]el) en het gelijkheidsbeginsel zoals opgenomen in artikelen 10 en 11 GW (tweede middelonderdeel)”, dat hij in de memorie van wederantwoord als volgt samenvat: “Eerste middelonderdeel, genomen uit de schending van het rechtszeker- heids- en vertrouwensbeginsel en het ‘patere legem’-beginsel; Doordat wordt afgeweken van een vast standpunt en een vaste gedragslijn zonder ernstige motieven; Terwijl een redelijk en zorgvuldig bestuur niet op willekeurige wijze en zonder gegronde redenen mag afwijken van een vaste gedragslijn. Tweede middelonderdeel, schending van het gelijkheidsbeginsel; Doordat ongelijke categorieën (taptolken vs tolken) gelijk worden behan- deld door toepassing van dezelfde regeling; Terwijl ongelijke categorieën verschillend dienen te worden behandeld.” Het middel viseert de bestreden beslissing in zoverre de toeslag van 20% voor telefoontapvertalen wordt verworpen. IX-10.511-4/17 In essentie verwijt verzoeker in het eerste middelonderdeel aan de verwerende partij dat zij, in strijd met een vaste administratieve praktijk, plots weigert om bij telefoontapvertalen waarbij slechts een schriftelijke samenvatting wordt gemaakt – en dus geen volledige transcriptie van de opgenomen gesprekken – en waarvoor het tolkentarief wordt toegepast, een tariefaanpassing of supplement van 20% toe te passen zoals dat is opgenomen in de regeling van het vertalerstarief. Volgens verzoeker is in 2021, na enige verwarring en onduidelijkheid, door de ver- werende partij het standpunt ingenomen “dat bij het taptolken het gebeurt dat de vertaler in zijn kostenstaat elementen opneemt die horen bij de tolk, en omgekeerd” en “dat het klassiek taptolken, waarbij je een gesprek beluistert en dan getrouw schriftelijk vertaalt, inderdaad recht geeft op de toeslag van 20%”. De verwerende partij aanvaardt alzo, volgens verzoeker, “de concrete praktijk van het taptolken, zijnde een ambigue categorie van tolken/vertalen”. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij plots terug op dit standpunt. Over het tweede middelonderdeel – de schending van het gelijk- heidsbeginsel – zet verzoeker het volgende uiteen: “Daar waar de categorie van taptolken noch onder de ene, noch onder de andere categorie is onder te brengen, bestaat er thans geen regeling voor de categorie van de taptolken. Hen behandelen zoals vertalers daar waar zij prestaties leveren die nauw aansluiten bij deze van tolken of omgekeerd als tolken daar waar zij vertaalprestaties leveren, houdt dan ook een schending van [het] gelijkheidsbeginsel in. Het gelijkheidsbeginsel impliceert dat ge- lijke categorieën gelijk worden behandeld en onvergelijkbare categorieën ongelijk. In dit geval zouden ongelijke categorieën – taptolken versus tol- ken – gelijk worden behandeld door toepassing van dezelfde regeling. De beslissing van het [directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie] om de taptolken onder de categorie tolken onder te brengen, daar waar zij ten dele ook – minstens in geval van volledige transcriptie – vertalersprestaties le- veren, schendt het gelijkheidsbeginsel.”
  12. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat hij zowel vóór zijn prestaties van januari 2024 als nadien kostenstaten heeft ingediend waarvoor het supplement wél is aanvaard. In een “kwaliteitshandboek” van de FOD Justitie werd erkend dat een prestatie deels bestaat uit een tolkopdracht en deels uit een vertaalopdracht, in welk geval het tarief op een ad-hocmanier bepaald IX-10.511-5/17 moet worden. Verzoeker citeert uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 22 december 2016 ‘tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden’ (“ta- riefbesluit”) (BS 30 december 2016), waarin wordt erkend dat “[t]elefoontap- transcripties uit een orale tekst […] meer tijd en energie [vergen], omdat de tekst meerdere keren moet worden beluisterd en de basistekst niet altijd van hoge kwa- liteit is”. Hij merkt op: “Hieruit volgt dat de verhoging niet uitsluitend is ingegeven door het aspect van de tijdsbesteding, doch tevens door het vergen van meer energie, m.a.w. de moeilijkheidsgraad van dergelijke opdrachten. Deze moeilijkheidsgraad is enerzijds gekoppeld aan de competenties die de vertaler-tolk moet aanspreken om deze opdracht te vervullen. Taptolken moeten de competenties van vertalers en deze van tolken combineren om tot een degelijke vertaling te komen. Anderzijds worden zij geconfronteerd met een aantal factoren die hun opdrachten bemoeilijken. Zo hebben taptol- ken bij het vertalen van een telefoontap niet de mogelijkheid om, in tegen- stelling tot het klassiek tolken (bv. verhoor of zitting rechtbank), extra dui- ding te vragen aan de persoon wiens gezegden ze vertalen. Taptolken moe- ten vaak werken op basis van weinig kwaliteitsvolle audiofragmenten en kunnen geen verduidelijking vragen in geval van slecht verstaanbare of on- verstaanbare stukken. Dit impliceert o.a. een bijzonder concentratiever- mogen en analytisch denken. De taptolk krijgt vaak ook geen context, wat het vertalen van deze ‘mondelinge tekst’ moeilijker maakt. De audiofrag- menten die vertaald moeten worden, zijn veelal onsamenhangende stukken, delen van een verhaal, waarbij dan nog in een specifieke codetaal wordt gehanteerd. De taptolk moet m.a.w. vaak zoeken naar de betekenis van be- paalde gezegden, verbanden tussen verschillende opnames om vanuit de context gezegden correct te vertalen. In bepaalde gevallen gaat dit boven- dien ook gepaard met de nodige risico- en stressfactoren door o.a. tijdsdruk ingegeven door de aard (bv. direct afluisteren) of de gevoeligheid, dan wel hoogdringendheid van de opdracht.” Verzoeker wijst erop dat het tariefbesluit niet duidelijk de hy- bride situatie van de vertaler-tolk regelt. Het regelt enkel de situatie van de “verta- lers” en die van de “tolken”. Een ad-hocvergoeding (deels tolktarief, deels vertaal- tarief) is volgens verzoeker dus niet in strijd met het tariefbesluit, aangezien dat besluit deze hybride vorm niet behandelt. IX-10.511-6/17 Voor zover de interpretatie die het directoraat-generaal voorheen vooropstelde niet in overeenstemming zou zijn met de vigerende regelgeving, is er volgens verzoeker nog steeds een schending van het vertrouwensbeginsel. In de mate dat het tariefbesluit ongelijke situaties – “taptolken” en tolken – gelijk behandelt, dient dit besluit buiten toepassing te worden gelaten op basis van artikel 159 GW. Beoordeling a. de toepasselijke regelgeving
  13. De procedure van toekenning, verificatie en betaling van de pres- taties, verleend door de vertaler of tolk die wordt gevorderd om een prestatie te verlenen in strafzaken, wordt geregeld in de wet van 23 maart 2019 ‘betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van strafvordering’ (“wet gerechtskosten in strafzaken”) – inzonderheid in de artikelen 5 tot 11 van die wet – en in het ter uitvoering ervan genomen gerechtskostenbesluit van 15 december
  14. Artikel 32, eerste tot derde lid, van het gerechtskostenbesluit luidt: “De prestatieverleners die zijn aangesteld, hebben recht op een vergoeding, die wordt bepaald in een tariefbesluit. Dit tarief is: 1° ofwel forfaitair, dit wil zeggen dat voor de aangegeven prestatie een vast tarief geldt, dat ook betrekking heeft, behalve de te motiveren uitzonderin- gen, op alle onderdelen die behoren tot die prestatie; 2° ofwel een uurtarief, dit wil zeggen dat voor de aangegeven prestatie er geen forfaitair tarief bestaat en de prestatieverlener het aantal uren dat hij heeft gepresteerd en de omstandigheden die hem recht geven op de daarbij horende toeslagen bewijst. De prestatieverleners, voor wie er geen tariefbesluit is opgesteld, worden vergoed volgens het uurtarief, bedoeld [in] het tweede lid, 2°.” IX-10.511-7/17 Voor vertalers en tolken is het tarief vastgesteld in het voormelde tariefbesluit van 22 december
  15. Hoofdstuk 1 van het tariefbesluit regelt de betaling van de verta- lers forfaitair: per regel voor blindenschrift en talen met logogrammen en per woord voor de andere talen. Luidens artikel 3, 2°, van het tariefbesluit “wordt in een tariefaanpassing voorzien in volgende gevallen”: “verhoging met 20 procent in geval van telefoontap. Onder telefoontapvertalen wordt verstaan het vertalen vanuit een monde- linge tekst in de brontaal naar een schriftelijke tekst in de doeltaal. Als die prestatie wordt verleend in de lokalen van de vorderende overheid, is de kilometervergoeding zoals bepaald in artikel 4, van toepassing.” Hoofdstuk 2 van het tariefbesluit regelt de betaling van de tolken met een uurtarief: naargelang de duur van hun prestatie. Ook voor tolken wordt in een tariefaanpassing voorzien, onder meer voor prestaties op zaterdag, zon- en feestdagen. b. eerste middelonderdeel
  16. Volgens verzoeker komt de verwerende partij terug op een ad- ministratieve praktijk die erin bestaat de prestaties in kwestie te vergoeden aan het uurtarief voor tolken, verhoogd met het supplement van 20% voor telefoontapver- talen. Hij noemt zich verschalkt in een gewekte verwachting.
  17. In de bestreden beslissing verantwoordt de directeur-generaal zijn verwerping van de toeslag als volgt: “Zoals eerder gesteld is het KB van 22/12/2016 opgedeeld in twee belang- rijke hoofdstukken: hoofdstuk 1 dat betrekking heeft op vertaalprestaties, en hoofdstuk 2 dat betrekking heeft op tolkprestaties. Voor elk type prestatie worden supplementen voorzien, die enkel mogen worden aangerekend op het type prestatie waarvoor ze werd bedoeld. Wan- neer de telefoontapvertaler recht heeft op het vertaaltarief, mag hij de hier- voor voorziene supplementen aanrekenen, zoals de verhoging van 20%. Wanneer de telefoontapvertaler echter recht heeft op het tolktarief, dan mag IX-10.511-8/17 hij hiervoor de supplementen die gelden voor tolkprestaties aanrekenen, zoals bijvoorbeeld het supplement dat is voorzien voor nacht- en weekend- prestaties. In geen geval heeft de regelgever de bedoeling gehad om de sup- plementen die gelden voor het ene type te gaan toepassen op het andere type. Dit blijkt uit zowel de opdeling van het voornoemde KB als uit het Verslag aan de Koning, waarin nergens wordt vermeld dat indien gebruik moet worden gemaakt van het tolktarief, de verhoging van 20% van toe- passing zou zijn. Dit wordt ook uitdrukkelijk bevestigd door de huidige directeur-generaal, zowel in het kader van het geven van instructies als in het kader van de behandeling van vragen en beroepsdossiers. Er wordt opgeworpen dat in bepaalde taxatiebureaus de toeslag van 20% op het tolktarief wordt betaald, terwijl dit in andere taxatiebureaus wordt geweigerd. Ondanks het feit dat dit nooit als instructie werd verspreid, is er blijkbaar ook in bepaalde taxatiebureaus verwarring ontstaan. Het louter feit dat een bepaald taxatiebureau de regelgeving foutief toepast en/of in- terpreteert, betekent niet dat deze foutieve toepassing/interpretatie de cor- recte toepassing/interpretatie zou wijzigen. Hieruit kunnen geen nieuwe rechten worden geput. Bovendien hebben de taxatiebureaus reeds vorig jaar de correcte instructies ontvangen waardoor deze ongelijke behandeling in- middels is weggewerkt.”
  18. De aangehaalde motivering wordt bijgevallen. Het tariefbesluit legt vast hoe de prestaties van vertalers en tolken worden vergoed en onder welke voorwaarden een toeslag wordt toegekend. De voorliggende betwisting betreft de interpretatie van de bepalingen van het tariefbesluit. Voor zover die bepalingen correct worden toegepast – zoals blijkt uit de verwerping van het tweede middel- onderdeel bewijst verzoeker niet het tegendeel – kunnen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet contra legem worden ingeroepen. Verzoeker kan geen aanspraak maken op een onwettige toestand, zelfs al zou het bestuur in andere gevallen onwettig hebben geoordeeld. Een verkeerde juridische interpreta- tie door de betrokken taxatiebureaus van de geldende regels van het tariefbesluit kan nooit de gerechtvaardigde verwachting opwekken dat dit zich in de toekomst herhaalt.
  19. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker ook een schen- ding aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. In de toelichting bij het middelonderdeel komt hij hierop niet meer terug. Wie op ontvankelijke wijze in een proces voor de Raad van State wil aanvoeren dat de overheid nalaat haar eigen IX-10.511-9/17 regels na te leven – schending dus van het algemeen beginsel patere legem quam ipse fecisti – moet op precieze wijze aangeven over welke rechtsregel het gaat en waarom die regel volgens de opvatting van de verzoekende partij is miskend ge- worden door het bestuur. In die mate is het middelonderdeel onontvankelijk.
  20. Het middelonderdeel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. c. tweede middelonderdeel
  21. In het tweede middelonderdeel betoogt verzoeker onder meer: “De beslissing van het [directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie] om de taptolken onder de categorie tolken onder te brengen, daar waar zij ten dele ook – minstens in geval van volledige transcriptie – vertalersprestaties leveren, schendt het gelijkheidsbeginsel.” Daargelaten over welke beslissing verzoeker het heeft, moet worden vastgesteld dat het voorliggende geschil niet zo een generieke beslissing tot voorwerp heeft, maar wel een beslissing van de directeur-generaal over een welbepaalde kostenstaat van verzoeker. Er moet dan ook enkel worden nagegaan of die laatstgenoemde beslissing het gelijkheidsbeginsel schendt.
  22. Verzoeker beschouwt zijn prestaties waarover de huidige be- twisting bestaat als “taptolken” en betoogt “dat betrokkenen noch onder de ene categorie, noch onder de andere zijn onder te brengen” omdat “tapvertalen” een combinatie is van vertalen en tolken. Die zienswijze kan niet worden gevolgd. IX-10.511-10/17 Verzoeker is gevorderd voor het “vertalen van onderschepte ge- sprekken”. Hij erkent overigens in de memorie van wederantwoord dat hij bij tele- foontapvertalen nooit moet tolken, namelijk “hetgeen hij hoort mondeling doorge- ven”. Uit het tariefbesluit blijkt dat het slechts twee categorieën van prestatieverleners bevat: de vertalers met een forfaitair tarief (hoofdstuk 1) en de tolken met een uurtarief (hoofdstuk 2). In het geval van tolken is het “product” een gesproken tekst, bij “vertalen” is het product een geschreven tekst. Er is geen apart tarief voor de gecombineerde prestaties van een vertaler-tolk. Voorts blijkt dat het tariefbesluit specifiek aandacht heeft voor de prestatie die erin bestaat een telefoongesprek dat gevoerd wordt in een vreemde brontaal om te zetten in een doeltaal. Als die prestatie resulteert in een geschreven transcriptie, is dit niet “taptolken”, zoals verzoeker het noemt, maar “telefoontap- vertalen” – dus een bijzondere vorm van vertalen. De prestatie van telefoontapver- talen, voor zover die intellectueel een vorm van vertalen en tolken zou uitmaken zoals verzoeker meent, wordt in het tariefbesluit exclusief als een vertalersprestatie gekwalificeerd met het oog op de vergoeding ervan waarbij het resultaat ervan steeds schriftelijk is. Wegens de extra inspanningen die deze vertaalprestatie vergt in vergelijking met het klassieke vertalen, geldt hiervoor een tariefverhoging van 20%. Het verslag aan de Koning bij het tariefbesluit wijst inzonderheid op het ge- geven dat “de tekst meerdere keren moet worden beluisterd en de basistekst niet altijd van hoge kwaliteit is”. De stelling dat “taptolken” naast vertalen en tolken een derde categorie vormt, vindt geen steun in het tariefbesluit en mist aldus feitelijke grond.
  23. Niettegenstaande de voormelde regeling, wordt de facto het tol- kentarief toegepast voor de telefoontapvertalingen die geen volledige transcriptie IX-10.511-11/17 zijn maar “slechts een partiële omzetting […] in geschreven tekst”. Die admini- stratieve praktijk zoekt aansluiting bij een toelichting hieromtrent in het verslag aan de Koning bij het tariefbesluit. Ze wordt in de bestreden beslissing als volgt toegelicht: “In het [tariefbesluit] wordt er echter geen specifieke categorie en/of hoofd- stuk voorzien voor het ‘taptolken’. Bovendien is de term ‘taptolken’ niet correct in de zin van het voornoemde KB. Het is inderdaad zo dat men in de volksmond vaak spreekt over ‘taptolken’, maar deze term wordt nergens gebruikt in de regelgeving. Integendeel, in de desbetreffende regelgeving spreekt men van ‘telefoontapvertalen’ en het vertalen vanuit een monde- linge tekst naar een geschreven tekst. Op basis van de opmaak van het voornoemde KB alsook de hier gebruikte terminologie is het duidelijk dat de regelgever een telefoontapvertaling in principe beschouwt als ‘vertaalwerk’, en bijgevolg ook vergoed moet wor- den overeenkomstig de tarieven die van toepassing zijn op vertalingen. Bij een vertaalopdracht wordt de vertaler betaald per vertaald woord, of anders gesteld, de geschreven tekst zal de basis vormen voor het bepalen van het verschuldigde bedrag. Als er sprake is van telefoontap, mag de vertaler dit bedrag verhogen met 20%. In het verzoekschrift heeft [verzoeker] gesteld dat er louter gekeken moet worden naar de definitie: ‘Onder telefoontapvertalen wordt verstaan het vertalen vanuit een mondelinge tekst in de brontaal naar een schriftelijke tekst in de doeltaal’. Voor de interpretatie van de regels die zijn opgenomen in een KB kan ver- wezen worden naar het Verslag aan de Koning. Dit is een toelichting die de regering geeft bij een te publiceren KB waarin de redenen en de achter- grond van het besluit worden uitgelegd. Voor wat betreft het supplement van 20% voor telefoontap wordt duidelijk het volgende gesteld: ‘Telefoontaptranscripties uit een orale tekst vergen meer tijd en energie, omdat de tekst meerdere keren moet worden beluisterd en de basistekst niet altijd van hoge kwaliteit is. Wanneer er evenwel geen of slechts een partiële omzetting is in geschreven tekst, moet het tolktarief toegepast worden.’ Op basis van dit verslag kan worden geconcludeerd dat het de bedoeling was van de regelgever om een onderscheid te maken tussen een ‘transcrip- tie’ – waarvoor het vertaaltarief moet worden toegepast, en de ‘synopsis’ (partiële omzetting in geschreven tekst) – waarvoor het tolktarief van toe- passing is. In de praktijk is het zo dat in heel veel gevallen er slechts een synopsis wordt gevraagd van de beluisterde gesprekken, met als gevolg dat de uit- geschreven tekst eerder beperkt is. Zelfs met het supplement van 20% op het vertaaltarief, zou dit leiden tot een onbillijke vergoeding voor het ge- presteerde werk. Dit is dan ook de reden waarom in dergelijke gevallen het tolktarief mag worden aangerekend, waardoor de telefoontapvertaler een correcte verloning zou krijgen. Bij het gebruik van het tolktarief wordt IX-10.511-12/17 immers de reële tijd die de telefoontapvertaler presteert voor de gehele op- dracht in rekening gebracht. […] Kortom, in het merendeel van de gevallen zal het tolktarief voor de tele- foontapvertaler gunstiger zijn dan het vertaaltarief, zelfs inclusief de ver- hoging van 20%. Het is de taak van de opdrachtgever om in zijn vorde- ring/goedkeuring aan te geven of de geleverde prestatie een transcriptie be- treft of een synopsis. Ingeval van een transcriptie dient de opdrachtgever het aantal vertaalde woorden te vermelden. Gaat het om een synopsis, dan moet de opdrachtgever de tijd die werd gespendeerd aan de opdracht ver- melden.”
  24. Het mag dan de bedoeling van de regelgever zijn geweest om in een bijzondere regeling te voorzien voor gedeeltelijke vertalingen van een tele- foontap en het moge dan ook billijker zijn om hiervoor in een aangepaste vergoe- ding te voorzien, dat neemt niet weg dat die toelichting zijn weg niet heeft gevon- den in de tekst zelf van het tariefbesluit zodat er geen rechtsgrond voor bestaat. Uit de definitie van telefoontapvertalen in artikel 3, 2°, tweede lid, van het tariefbesluit volgt dat de omvang van het geschreven resultaat van de vertaling van een opge- nomen gesprek geen belang heeft, nu er geen onderscheid wordt gemaakt tussen het geval waarin een opgenomen gesprek volledig wordt vertaald en uitgeschreven (‘transcriptie’) en het geval waarin de vertaler slechts een schriftelijke samenvat- ting maakt (‘synopsis’). Dergelijk onderscheid zoals gemaakt in het verslag aan de Koning bij het tariefbesluit is dus in strijd met de tekst van het tariefbesluit. Het is slechts wanneer de omzetting van opgenomen gesprekken leidt tot een louter mon- deling resultaat in de doeltaal dat er geen telefoontapvertaling is zoals gedefinieerd in artikel 3, 2°, van het tariefbesluit en dat meegegaan kan worden met het verslag aan de Koning waar dit aangeeft dat “[w]anneer er evenwel geen … omzetting is in geschreven tekst, […] het tolkentarief toegepast [moet] worden”, omdat er dan getolkt wordt – dit wil zeggen, er wordt enkel mondeling omgezet.
  25. In de mate waarin verzoeker met het middel aanklaagt dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel schendt door geen toeslag voor telefoon- tapvertalen toe te kennen op als tolkuren gefactureerde prestaties, gaat hij eraan voorbij dat – voor zover de door hem geleverde prestaties als tolkuren zijn te IX-10.511-13/17 beschouwen – het tariefbesluit aan het bestuur geen rechtsgrond geeft om derge- lijke toeslag toe te kennen voor tolkuren. Nu verzoeker voor zijn vertaalwerk is vergoed volgens uurtarief, moet worden aangenomen dat daarin de moeilijkheidsgraad al is verrekend. Een bijkomende forfaitaire verhoging wegens de moeilijkheid van de vertaling laat zich dan ook niet verantwoorden. In zoverre is het middelonderdeel ongegrond.
  26. Er is meer. De verwerende partij moet het tariefbesluit toepassen zonder over enige beleidsruimte te beschikken. Uit de voorliggende stukken blijkt dat verzoeker is gevorderd als ‘vertaler’ en voor een “vertaling van onderschepte gesprekken” heeft gezorgd, weliswaar in de vorm van een synopsis. Er is in dat geval in het tariefbesluit – evenmin als in de wet gerechtskosten in strafzaken of het gerechtskostenbesluit – geen rechtsgrond om zijn prestaties te vergoeden vol- gens het door verzoeker aangerekende uurtarief dat geldt voor de tolken. Na een eventuele nietigverklaring zou een nieuwe beslissing van de verwerende partij, bin- nen de grenzen van de wettigheid, noodzakelijk leiden tot een herziening van de kostenstaat van verzoeker op grond van de tarieven voor vertaling, vermeerderd met 20% voor telefoontapvertalen. Het wordt niet betwist dat dit neerkomt op een eindresultaat dat lager ligt dan de vergoeding die nu aan verzoeker is toegekend met de bestreden beslissing, zodat verzoeker in zoverre geen belang heeft bij het middelonderdeel. In die mate is het middelonderdeel niet ontvankelijk.
  27. In de mate dat verzoeker evenwel ook aan de kaak stelt dat de vigerende regelgeving, zoals hiervóór geïnterpreteerd, inhoudt dat de verwerende partij met schending van het gelijkheidsbeginsel heeft nagelaten ongelijke gevallen ongelijk te behandelen door geen aparte regeling uit te werken voor de categorie van het zogenaamde “taptolken”, is zijn grief niet ontvankelijk. Hiermee verwoordt IX-10.511-14/17 hij immers kritiek op het tariefbesluit zelf. Het tariefbesluit is bekrachtigd bij wet van 11 juli
  28. Dat tariefbesluit kan, gelet op zijn bekrachtiging als wetskrachtige norm, om die reden niet buiten toepassing worden gelaten op grond van artikel 159 GW. De Raad van State is evenmin bevoegd om zich uit te spreken over kritiek op een wetskrachtige norm.
  29. Het middelonderdeel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. d. besluit
  30. Het middel wordt in de beide onderdelen verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  31. Het tweede middel is genomen “uit de schending van het rede- lijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel (eerste middelonderdeel) en het motiverings- redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel (tweede middelonderdeel)”. Het middel is gericht tegen de beslissing van de directeur-gene- raal in zoverre hij de kostenstaat van verzoeker aanpast door de werktijden te ver- minderen om een pauze in rekening te brengen. Beoordeling
  32. In het auditoraatsverslag wordt opgeworpen dat telefoontapver- talen in het tariefbesluit als een vorm van vertalen en een prestatie van een vertaler wordt gekwalificeerd en dienovereenkomstig onderworpen is aan het vertalersta- rief. Het voordeel dat verzoeker met het tweede middel nastreeft, is dat alle door hem gefactureerde uren integraal worden vergoed zonder aftrek van een pauze en dit opnieuw aan het tolkentarief per uur. Na een eventuele nietigverklaring zal de IX-10.511-15/17 verwerende partij evenwel het geldende recht moeten toepassen, dat niet toelaat om telefoontapvertalen met een tolkentarief te vergoeden. Verzoeker streeft met andere woorden een doel na dat hij niet wettig mag verkrijgen. Anderzijds zou een vergoeding volgens het vertalerstarief met de verhoging van 20% nadeliger voor verzoeker uitvallen dan hetgeen hem thans is toegekend, zodat verzoeker geen (wettig) belang heeft bij het middel, ook al ware het gegrond.
  33. Verzoeker beperkt zich in zijn laatste memorie ertoe “uitdrukke- lijk en volledig” zijn middelen te hernemen, maar hij weerspreekt deze zienswijze niet meer.
  34. Gelet op wat is overwogen bij de beoordeling van het eerste mid- del, kan de Raad zich aansluiten bij de beoordeling en de conclusie van het audito- raat.
  35. Het middel is onontvankelijk. VI. Rechtsplegingsvergoeding
  36. De verwerende partij is de in het gelijk gestelde partij in deze zaak. Zij maakt aanspraak op de rechtsplegingsvergoeding, die een forfaitaire te- gemoetkoming is in de honoraria en kosten van haar advocaat. Verzoeker wijst evenwel terecht op de omstandigheid dat in hui- dig beroep dezelfde middelen zijn aangevoerd als in de zaak A. 242.663 en dat de inspanning van de advocaat ertoe beperkt was hetzelfde verweer te voeren. Er is dan ook reden om in te gaan op de vraag van verzoeker om de minimale rechtsple- gingsvergoeding op te leggen. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.511-16/17
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig oktober tweeduizendvijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, David D’Hooghe, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.511-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.709 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.