← België

Arrest 264723 - Overheidsopdrachten - 31/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 Rolnummer: A. 246052/XIV-39889 Zaak: Arrest 264723 - Overheidsopdrachten - 31/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-15 07:45 Fiche Arrest nr 264.723 van 31 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 no lien 285850 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.723 van 31 oktober 2025 in de zaak A. 246.052/XIV-39.889 In zake:

  1. de NV A.V.
  2. de NV V.L. samen vormend een tijdelijk maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Van Cauter kantoor houdend te 8790 Waregem Zultseweg 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD OUDENBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 6 oktober 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 16/09/2025 van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Oudenburg dat de opdracht voor fase 1 van het inrichten van een uitkijkpunt in toren van de Sint-Eligiuskerk te Ettelgem toewijst aan [de bv S.M.]”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 7 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.889-1/25 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025 om 13:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Van Cauter, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Anne-Sophie Custers en Benjamin Gorrebeeck, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp ‘inrichten uitkijkpunt in toren van de Sint-Eligiuskerk te Ettelgem’. De werken gebeuren in twee fases. In een eerste fase wordt de kerktoren toegankelijk gemaakt en ingericht als uitkijktoren. Een tweede fase wordt pas gepland nadat een deel van de kerk wordt afgebroken en de toren los komt te staan. De voorliggende vordering heeft enkel betrekking op de eerste fase. De prijs voor de globale opdracht (fase 1 en 2) wordt geraamd op 750.000,00 euro (afgerond), btw niet inbegrepen. De opdracht wordt nationaal bekendgemaakt en geplaatst bij wijze van openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. XIV-39.889-2/25 3.
  7. Het bestek met referte OW_BS_001, dat een deel over de stabiliteit en een deel over de architectuur en technieken bevat, is van toepassing. Initieel bepaalt het bestek het volgende met betrekking tot de vereiste erkenning van aannemers: “Vereiste erkenning van aannemers (categorie en klasse) D (Bouwwerken), F (metaalconstructies), P1 (elektrische installaties in gebouwen), T2 (bliksemafleiding) – Klasse 3 (op basis van raming – de klasse wordt bepaald op het moment van gunning)”. Op 4 juni 2025 wordt een wijziging aan de opdrachtdocumenten gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen die luidt als volgt: “Beschrijving: Verduidelijking erkenning van aannemers - categorie. Uit artikel 5, §6, van het Koninklijk besluit van 26 september 1991 inzake de erkenning van aannemers van werken volgt dat het volstaat dat een aannemer erkend is in de (onder)categorie waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt. In deze opdracht is dit de erkenning categorie F - Klasse 3 (op basis van raming – de klasse wordt bepaald op het moment van gunning). De erkenning in deze categorie geeft voor deze opdracht aan de opdrachtnemende aannemer de toelating tot het uitvoeren van werken die door hun aard een aanvulling vormen van het in hoofdzaak uit te voeren werk.[…]” Op 23 juni 2025 wordt opnieuw een wijziging aan de opdrachtdocumenten gepubliceerd in het Bulletin der aanbestedingen die luidt als volgt: “Beschrijving: Belangrijke wijziging 23 juni 2025: Er werd verkeerdelijk een erkenning aannemers voor categorie F gevraagd. De juiste en vereiste erkenning is categorie F2, klasse
  8. Kandidaten die reeds zouden hebben ingeschreven met een erkenning voor categorie F zijn automatisch erkend voor categorie F2 en voldoen aldus aan de gewijzigde erkenningsvereiste. Zij hoeven hun inschrijving aldus niet te wijzigen.” In de gewijzigde administratieve bepalingen van het bestek zoals gepubliceerd op 23 juni 2025 luidt het gestelde erkenningsvereiste: “Vereiste erkenning van aannemers (categorie en klasse) [Erratum 23 juni 2025] XIV-39.889-3/25 Uit artikel 5, §6, van het Koninklijk besluit van 26 september 1991 inzake de erkenning van aannemers van werken volgt dat het volstaat dat een aannemer erkend is in de (onder)categorie waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigd. In deze opdracht is dit de erkenning categorie F2 - Klasse 3 (op basis van raming – de klasse wordt bepaald op het moment van gunning). De erkenning in deze categorie geeft voor deze opdracht aan de opdrachtnemende aannemer de toelating tot het uitvoeren van werken die door hun aard een aanvulling vormen van het in hoofdzaak uit te voeren werk.” 3.
  9. Onder punt 01.12 ‘Opties’, bepaalt het bestek: “Er zijn vereiste opties voorzien. De aanbestedende overheid kan beslissen deze opties al dan niet te gunnen. Wanneer een optie niet gegund wordt, kan de inschrijver geen aanspraak maken op een vergoeding. Vrije opties worden niet toegelaten.” Als bijlage bij het bestek wordt een meetstaat gevoegd met betrekking tot alle posten van de opdracht met uitzondering van de stabiliteitsposten en een meetstaat met betrekking tot de stabiliteitsposten. Die eerste meetstaat vermeldt verschillende opties gevraagd, onder meer inzake renovatiewerken en nabehandelingen op metselwerk. 3.
  10. Vijf offertes worden ingediend, onder meer door de verzoekende partijen en de bv S.M. De verzoekende partijen voegen bij hun offerte een nota met de volgende opmerkingen: “Artikel 44.21.10 – Roostervloeren – geperst staal/op tegeldragers – FH – 1 m2 Fout in FH − Hoeveelheid architect : 1 m2 − Hoeveelheid [verzoekende partijen] : 23,70m2 (idem als artikel 33.21 Beplating op houten roostering – multiplex/afschotbeplating Artikel 44.31.
  11. – borstweringen – staal/verticale spijlen – FH – 20 m Fout in FH – Dit betreft de borstwering op het uitkijkplatfom − Hoeveelheid architect : 20 m − Hoeveelheid [verzoekende partijen] : 14,13 m (opgemeten op plan)” XIV-39.889-4/25 3.
  12. Op 4 juli 2025 formuleert de verzoekende partij de volgende vraag aan de verwerende partij: “Kan u ons de voorlopige rangschikking van deze aanbesteding overmaken aub? Wij zien op het BOSA platform dat de kluis werd geopend, maar wij vinden geen PV van opening/rangschikking terug.” 3.
  13. Op 7 juli 2025 deelt de verwerende partij aan elke inschrijver zijn voorlopige plaats in het klassement mee. 3.
  14. Op 10 september 2025 wordt door de aangestelde architect een advies inzake toewijzing van de opdracht opgesteld dat de volgende vermelding bevat: “Gelieve dit verslag vertrouwelijk te behandelen en niet over te maken aan de inschrijvers. Het verslag bevat VTG-formulieren en is uitsluitend bedoeld voor de bouwheer, het mag nooit integraal aan een inschrijver bezorgd worden (de formulieren bevatten eenheidsprijzen).” Inzake de rekenkundige correcties wordt in dit gunningsadvies het volgende opgemerkt: “Bij nazicht werden rekenkundige correcties doorgevoerd per inschrijver. Hiervoor verwijzen we naar de VTG-R formulieren per inschrijver. De rangschikking verandert na doorvoeren van de correcties (excl. btw):
  15. [bv S.M.] > 545.731,00 euro
  16. [verzoekende partijen] > 578.586,60 euro
  17. [tm A.-A.] > 596.152,21 euro
  18. [nv M.V.] > 634.120,54 euro
  19. [nv L.] > 749.530,79 euro Inschrijver [verzoekende partijen] nam de opties niet op in het totaalbedrag van de offerte, dit werd ook duidelijk bij het nazicht van het totaalbedrag van de offerte. Door het niet meerekenen van de optieposten zat de offerte van deze inschrijver bijna 15% onder het gewogen gemiddelde.” Na een administratief nazicht, een rekenkundig nazicht, dat naast de rekenkundige correcties onder meer ook een nazicht inzake de verbetering van hoeveelheden en leemten omvat, en een nazicht van abnormale prijzen, worden de XIV-39.889-5/25 offertes in het gunningsadvies als volgt gerangschikt (rangschikkingsbedragen btw niet inbegrepen): “
  20. [bv S.M.] > 552.983,39 euro
  21. [verzoekende partijen] > 586.305,91 euro
  22. [tm A.-A.] > 604.075,67 euro
  23. [nv M.V.] > 642.535,65 euro
  24. [nv L.] > 759.464,99 euro” In het gunningsadvies wordt besloten dat de inschrijving van de bv S.M. voor het bedrag van 552.983,39 euro (btw niet inbegrepen) als laagste regelmatige inschrijving mag worden beschouwd. 3.
  25. Op 16 september 2025 beslist het college van burgemeester en schepenen om de opdracht voor fase I van het ‘inrichten uitkijkpunt in toren van de Sint-Eligiuskerk te Ettelgem’ te gunnen aan de bv S.M. Dit is de bestreden beslissing. Wat het rekenkundig nazicht betreft, wordt hierin het volgende vermeld: “- Ten slotte vond ook een rekenkundig nazicht plaats. Na het rekenkundig nazicht wijzigden de prijzen en rangschikking als volgt:
  26. [bv S.M.]: 552.983,39 euro, exclusief btw
  27. [verzoekende partijen]: 586.305,91 euro, exclusief btw
  28. [tm A.-A.]: 604.075,67 euro, exclusief btw
  29. [nv M.V.]: 642.535,65 euro, exclusief btw
  30. [nv L.]: 759.464,99 euro, exclusief btw.” 3.
  31. Met een schrijven van 19 september 2025 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat haar offerte niet werd gekozen. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van de gunningsbeslissing. 3.
  32. Met een e-mailbericht van 23 september 2025 vraagt de verzoekende partij om een afschrift van het rekenkundig nazicht. XIV-39.889-6/25 3.
  33. Met een e-mailbericht van 24 september 2025 wordt voormeld schrijven door de verwerende partij beantwoord, waarbij het volgende wordt opgemerkt: “In bijlage vind je het gevraagde document. Jullie hadden de opties niet meegerekend in de totaalprijs van de offerte. Na correctie werden jullie als tweede gerangschikt.” Als bijlage worden drie van de bij het gunningsadvies gevoegde VTG-formulieren overgemaakt die betrekking hebben op het rekenkundig nazicht. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  34. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  35. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.889-7/25 VI. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  36. Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de artikelen 84 en 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017), het gelijkheids- en transparantiebeginsel, de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen achten deze bepalingen en beginselen geschonden, “Eerste onderdeel Doordat Verwerende Partij geen proces-verbaal van opening van de offertes heeft opgemaakt, minstens de informatie die het KB van 18/04/2017 oplegt niet aan Verzoekende Partij heeft meegedeeld; Terwijl Verwerende Partij gehouden is om naar aanleiding van de opening van de offertes een proces-verbaal op te stellen en de informatie, die het proces-verbaal overeenkomstig het KB van 18/04/2017 moet bevatten, ter beschikking moet stellen aan de inschrijvers; Tweede onderdeel Doordat Verwerende Partij niet op een transparante wijze heeft gehandeld en niet op een afdoende en deugdelijke wijze heeft gemotiveerd waarom Verzoekende Partij, ingevolge het rekenkundig nazicht, niet langer als eerst gerangschikte inschrijver kan worden beschouwd. Terwijl Verwerende Partij gehouden is om op afdoende en deugdelijke wijze het rekenkundig nazicht te motiveren die ze aan de totaalprijs van de inschrijvers aanbrengt en daarbij het gelijkheidsbeginsel, het non- discriminatiebeginsel en het transparantiebeginsel in acht moet nemen; Derde onderdeel Doordat Verwerende Partij geen rekening heeft gehouden met de verbeteringen die Verzoekende Partij heeft aangebracht aan 2 posten van de samenvattende opmeting, minstens niet heeft gemotiveerd op welke wijze er met deze verbeteringen rekening werd gehouden; XIV-39.889-8/25 Terwijl Verwerende Partij gehouden is, wanneer een inschrijver de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting heeft verbeterd, die wijzigingen na te zien, ze zo nodig te verbeteren volgens eigen berekeningen en desgevallend de opmetingen gevoegd bij de offertes te wijzigen en tevens gehouden is te motiveren op welke wijze er desgevallend met de aangebrachte verbeteringen rekening werd gehouden.”
  37. De verzoekende partijen lichten het eerste onderdeel van het middel toe als volgt: “In casu heeft de Verwerende Partij op het moment van de opening van de offertes geen proces-verbaal opgemaakt, minstens heeft ze dit proces-verbaal niet aan Verzoekende Partij bezorgd. Op datum van opening van de offertes, zijnde op 4/07/2025, polste Verzoekende Partij uitdrukkelijk per email naar dit PV van opening […]. Verwerende Partij liet deze email onbeantwoord. Per email dd. 1/09/2025 meende Verwerende Partij dat zij conform de regelgeving inzake overheidsopdrachten enkel aan elke inschrijver hun voorlopige plaats in het klassement moest meedelen […]. Bij gebrek aan opmaak van een PV van opening kan niet met zekerheid worden nagegaan of o.m. de weerhouden inschrijver wel tijdig zijn offerte heeft ingediend, hetgeen uiteraard essentieel is in het licht van de gelijke behandeling van de inschrijvers. De bestreden beslissing stelt dat er op 4/07/2025 om 12u vijf offertes werden ingediend, waaronder de offerte van de weerhouden inschrijver voor een bedrag van 545.728,04 EUR (excl. BTW). Bij gebrek aan PV van opening in de zin van art. 84 van het KB van 18/04/2017 kan dit niet zonder meer worden aangenomen”. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, betogen de verzoekende partijen in essentie dat zij in het duister tasten over de redenen waarom hun initiële prijs werd verhoogd van 511.449,10 euro (btw niet inbegrepen) naar 586.305,91 euro (btw niet inbegrepen), en de prijs van de gekozen inschrijver slechts werd verhoogd van 545.728,04 euro (btw niet inbegrepen) naar 552.983,39 euro (btw niet inbegrepen). Zij werpen op dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing ertoe beperkt te stellen dat na het rekenkundig nazicht de prijzen en de rangschikking werden gewijzigd, doch dat nergens een motivering terug te vinden is die verklaart waarom deze voormelde prijzen werden weerhouden en de rangschikking werd gewijzigd, zodat de motivering in de bestreden beslissing niet afdoende is. Een afdoende motivering was volgens hen in XIV-39.889-9/25 het voorliggende geval nochtans van groot belang omdat het prijscriterium het enige gunningscriterium is en de rangschikking werd gewijzigd. Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat nergens uit de bestreden beslissing blijkt op welke wijze de verwerende partij rekening heeft gehouden met de twee posten die zij hebben gecorrigeerd, zijnde post 44.21.10 (Roostervloeren – geperst staal/op tegeldragers) en post 44.31.10 (borstweringen – staal/verticale spijlen). Uit één van de ‘excel sheets’ die de verwerende partij na de bestreden beslissing, met name op 24 september 2025, aan de verzoekende partij heeft overgemaakt, blijkt dat de verwerende partij deze gewijzigde hoeveelheden zou hebben aanvaard, maar de aanvaarding van deze gewijzigde hoeveelheden blijkt niet uit de bestreden beslissing zelf. Bovendien kan de impact van deze gewijzigde hoeveelheden op het inschrijvingsbedrag van de verzoekende partij geenszins uit de bestreden beslissing worden afgeleid. Aangezien het gaat om een openbare procedure, met de prijs als enig gunningscriterium, heeft de beslissing tot het al dan niet aanvaarden van voorgestelde verbeteringen aan forfaitaire hoeveelheden volgens de verzoekende partijen een rechtstreekse impact op de aangeboden prijzen en derhalve op de rangschikking van de offertes. Beoordeling Excepties van niet-ontvankelijkheid
  38. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen bij elk van de onderdelen van het middel een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op afgeleid uit een gebrek aan belang. Een onderzoek en een beoordeling van de door de verwerende partij aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid van de verschillende onderdelen van het eerste middel is slechts noodzakelijk indien het middel, of één of meerdere van zijn onderdelen, ernstig zouden worden bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-39.889-10/25 Eerste onderdeel
  39. Artikel 84 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 bepaalt: “Voor de plaatsingsprocedures waarbij de aanbestedende overheid gebruik maakt van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische communicatiemiddelen vindt de opening van de offertes plaats op de datum en het uur bepaald in de opdrachtdocumenten. De verrichtingen verlopen in volgende orde: 1° de offertes zijn elektronisch ingediend op het platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet; 2° alle ingediende offertes worden geopend; 3° een proces-verbaal wordt opgesteld. Het in het eerste lid, 3°, bedoelde proces-verbaal bevat minstens : 1° het identificatienummer van de onderneming, de naam of handelsnaam van de inschrijvers, hun woonplaats en maatschappelijke zetel; 2° de naam van de persoon of personen die het indieningsrapport elektronisch ondertekend heeft/hebben. In het geval dat een offerte afkomstig is van een combinatie van ondernemingen, zoals een joint venture, consortium, maatschap of een andere vorm van samenwerking tussen ondernemingen, wordt het identificatienummer van alle deelnemende ondernemingen geregistreerd. Het in het tweede lid, 1°, bedoelde identificatienummer van de onderneming komt, voor de Belgische ondernemingen, overeen met het ondernemingsnummer dat wordt toegekend bij de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De in het tweede lid vermelde informatie van het in eerste lid, 3°, bedoelde elektronische proces-verbaal wordt door de aanbestedende overheid op gestructureerde wijze doorgestuurd via de door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning ter beschikking gestelde elektronische toepassing”.
  40. In zoverre in het eerste onderdeel van het middel in een eerste grief een gebrek aan opmaak van een proces-verbaal van opening van de offertes wordt opgeworpen, lijkt het feitelijke grondslag te missen. Het proces-verbaal van opening van de offertes van 4 juli 2025 is immers opgenomen als stuk 9 in het niet- vertrouwelijk gedeelte van het administratief dossier. In de mate dat de verzoekende partijen ter terechtzitting betogen dat zij er niet zeker van zijn dat dit proces-verbaal niet pas achteraf werd opgemaakt, gaan zij eraan voorbij dat het op het eerste gezicht lijkt te gaan om een automatisch gegenereerd proces-verbaal van opening van de offertes dat, met XIV-39.889-11/25 behulp van het elektronische platform dat door de FOD Beleid en Ondersteuning (BOSA) ter beschikking wordt gesteld, werd opgemaakt.
  41. Ook de tweede grief, gesteund op de niet-mededeling van het proces-verbaal van opening van de offertes aan de inschrijvers, kan op het eerste gezicht niet worden aangenomen. In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 18 april 2017 wordt bij voormeld artikel 84 onder meer de volgende duiding gegeven: “(…) Wanneer gebruik wordt gemaakt van het elektronische platform dat door de FOD Beleid en Ondersteuning (BOSA) wordt ter beschikking gesteld, dan kan dit proces-verbaal aangemaakt worden met behulp van dit platform. De aanbestedende overheid beschikt vervolgens over drie mogelijkheden om al dan niet over te gaan tot een actieve verspreiding van de informatie vervat in het proces-verbaal: 1° hij kan beslissen om het proces-verbaal zichtbaar te maken voor alle gebruikers van het platform; 2° hij kan beslissen om het proces-verbaal alleen zichtbaar te maken voor de inschrijvers; 3° tot slot kan hij beslissen om het proces-verbaal niet op actieve wijze te verspreiden. Niettemin moet de aandacht erop gevestigd worden dat de wetten, decreten en ordonnanties inzake toegang tot bestuursdocumenten van toepassing blijven en in de meeste gevallen de toegang garanderen tot de bestuursdocumenten, en dus ook tot het proces-verbaal van opening. Daarnaast zorgt ook artikel 163, § 8, van de wet ervoor dat de ondernemers toegang krijgen tot de documenten voor de in de voormelde bepaling bedoelde opdrachten. In de voormelde gevallen zal op passieve wijze toegang verschaft worden tot het proces-verbaal van opening.” Artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 bepaalt: “§
  42. Zolang de aanbesteder geen beslissing heeft genomen over, naargelang het geval, de selectie of kwalificatie van de kandidaten of deelnemers, de regelmatigheid van de offertes, de gunning van de opdracht of de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht, hebben de kandidaten, deelnemers, inschrijvers en derden geen toegang tot de documenten betreffende de plaatsingsprocedure, met name de aanvragen tot deelneming of kwalificatie, de offertes en de interne documenten van de aanbesteder. Wat de opdrachten betreft waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking en die worden geplaatst door middel van een openbare of niet-openbare procedure en waarbij de economisch meest voordelige offerte uitsluitend op basis van de prijs wordt bepaald en tenzij indien de betreffende overheidsopdracht betrekking heeft op een door de XIV-39.889-12/25 Koning bepaalde sector met een verhoogd risico op mededingingsvertekenende afspraken, deelt de aanbesteder gelijktijdig elke inschrijver zijn individuele en voorlopige plaats in het klassement mee, naar aanleiding van of onmiddellijk na de opmaak van het proces-verbaal van opening van de offertes. Dit gebeurt door middel van het in artikel 14, § 1, bedoelde elektronische platform dat gebruikt werd voor de indiening. […]”. Uit het samen lezen van artikel 13 van de wet van 17 juni 2016, artikel 84 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 en het verslag aan de Koning bij dit artikel, lijkt te volgen dat de aanbestedende overheid niet verplicht is om het proces-verbaal van opening actief te verspreiden, en dit in tegenstelling tot de mededeling aan alle inschrijvers van de individuele en voorlopige plaats in het klassement naar aanleiding van of onmiddellijk na de opmaak van dat proces- verbaal in de in de wet bepaalde gevallen. De aanbestedende overheid dient wel het gepaste gevolg te geven aan een vraag tot inzage van het proces-verbaal van opening in toepassing van de wetgeving inzake de toegang tot bestuursdocumenten.
  43. Op 4 juli 2025 heeft de eerste verzoekende partij het volgende e- mailbericht gericht aan de verwerende partij: “Kan u ons de voorlopige rangschikking van deze aanbesteding overmaken aub? Wij zien op het BOSA platform dat de kluis werd geopend, maar wij vinden geen PV van opening/rangschikking terug.” Op het eerste gezicht kon dit schrijven worden begrepen als een verzoek tot het overmaken van de voorlopige rangschikking. Uit het administratief dossier blijkt voorts dat de verwerende partij op de eerstvolgende werkdag na de vraag van de eerste verzoekende partij, meer bepaald op 7 juli 2025, aan elke inschrijver diens individuele en voorlopige plaats in het klassement heeft meegedeeld en dit met behulp van het elektronische platform dat door BOSA wordt ter beschikking gesteld. XIV-39.889-13/25 De verzoekende partijen maken op het eerste gezicht dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partij zich zou hebben onttrokken aan enige actieve dan wel passieve mededelingsverplichting.
  44. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel
  45. In het tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de verwerende partij niet op een transparante wijze heeft gehandeld en niet op een afdoende en deugdelijke wijze heeft gemotiveerd waarom de verzoekende partijen, ingevolge het rekenkundig nazicht, niet langer als eerst gerangschikte inschrijver kunnen worden beschouwd.
  46. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij, nadat zij hierover op 23 september 2025 door de verzoekende partijen werd bevraagd, in een e-mailbericht van 24 september 2025, en dus ruim voor de indiening van het verzoekschrift, aan de verzoekende partijen heeft meegedeeld dat zij de opties niet hadden meegerekend in de totaalprijs van de offerte, in gevolge waarvan de verzoekende partijen als tweede werden gerangschikt. Als bijlagen werden door de verwerende partij drie “VTG” formulieren die deel uitmaken van het gunningsadvies van 10 september 2025 overgemaakt en waarnaar in het gunningsadvies in het kader van het rekenkundig nazicht wordt verwezen. Het betreft meer bepaald drie Excel sheets bevattende

(1)de herberekende offerte van de verzoekende partijen,
(2)een overzicht van de door de verzoekende partijen gewijzigde en door de verwerende partij aanvaarde hoeveelheden en van de door een derde inschrijver gesignaleerde en door de verwerende partij aanvaarde leemten en
(3)een overzichtstabel die de uiteindelijke bestel- en rangschikkingsbedragen voor alle inschrijvers weergeeft met opgave, voor elke inschrijver, van het rekenkundig gecorrigeerd totaal, het saldo van de gewijzigde hoeveelheden en de som van de aanvaarde leemten. Daargelaten de vraag of de wijziging inzake de rangschikking te dezen afdoende werd gemotiveerd in de gunningsbeslissing zelf en of de verwerende partij daarbij voldoende transparant heeft gehandeld, lijken de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-14/25 verzoekende partijen geen belang te hebben bij deze kritiek. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren, in samenlezing met de gunningsbeslissing, immers met kennis van zaken uitmaken of het aangewezen is zich in rechte te verweren tegen de genomen beslissing. De rekenkundige correcties van hun offerte blijken uit het eerste en derde voormelde formulier waarvan de verzoekende partijen in kennis werden gesteld. Zij kennen bovendien hun eigen prijzen. De controle of de verwerende partij terecht kon oordelen dat de opties niet waren meegerekend in de aanvankelijke totaalprijs, lijkt dan ook eenvoudig. Voorts hebben de verzoekende partijen op het eerste gezicht uit het tweede en derde voormelde formulier kunnen afleiden welk gevolg werd gegeven aan de door hen voorgestelde wijzigingen van de hoeveelheden, evenals aan de aanvaarding van de door een andere inschrijver gesignaleerde leemten. Uit het samenlezen van het tweede en derde formulier konden de verzoekende partijen op het eerste gezicht evenzeer afleiden waarom de prijs van de gekozen inschrijver werd verhoogd naar 552.983,39 euro (btw niet inbegrepen). Wat de litigieuze wijziging van de rangschikking van de offertes betreft, lijkt het normdoel van de formelemotiveringsplicht dan ook te zijn bereikt. 16. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Derde onderdeel 17. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen nog gelden dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de verbeteringen die zij hebben aangebracht aan twee posten van de samenvattende opmeting, minstens in de bestreden beslissing niet heeft gemotiveerd op welke wijze er met deze verbeteringen rekening werd gehouden. Deze grieven worden evenmin bijgevallen. 18. Overeenkomstig artikel 86, § 1, eerste lid, van koninklijk besluit van 18 april 2017 ziet de aanbestedende overheid, wanneer een inschrijver, overeenkomstig de artikelen 34 en 79, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-15/25 van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes. 19. Zoals hoger onder punt 3.4. van het feitenrelaas wordt weergegeven, hebben de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 79, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 verbeteringen doorgevoerd met betrekking tot twee posten. 20. In zoverre in een eerste grief in het derde onderdeel wordt aangevoerd dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de voormelde verbeteringen, lijkt deze grief feitelijke grondslag te missen. Uit de stukken van het administratief dossier, waaronder de aan de verzoekende partijen overgemaakte formulieren bij e-mailbericht van 24 september 2025, blijkt immers dat de verwerende partij wel degelijk een nazicht van de door de verzoekende partijen doorgevoerde verbeteringen van de hoeveelheden voor twee posten heeft gedaan. 21. In zoverre de verzoekende partijen voorts in een tweede grief aanvoeren dat in de bestreden gunningsbeslissing niet wordt gemotiveerd op welke wijze met de verbeteringen rekening werd gehouden, lijken zij geen belang te hebben bij deze kritiek. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren immers vaststellen dat de gewijzigde hoeveelheden voor beide posten door de verwerende partij werden aanvaard, hetgeen door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift ook wordt erkend. Anders dan de verzoekende partijen het zien, konden zij voorts uit de voormelde formuleren ook afleiden welk gevolg de verwerende partij heeft gegeven aan de door hen voorgestelde wijzigingen van de (forfaitaire) hoeveelheden in de opdrachtdocumenten en dat de gewijzigde hoeveelheden niet van invloed waren op hun inschrijvingsbedrag. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen dan ook aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren, in samenlezing met de gunningsbeslissing, met kennis van zaken uitmaken of het zinvol is zich in rechte te verweren tegen de genomen XIV-39.889-16/25 beslissing wat de in haar offerte doorgevoerde verbetering van hoeveelheden betreft. 22. In zoverre de verzoekende partijen op de terechtzitting nog de wijze betwisten waarop door de verwerende partij rekening werd gehouden met de door hen gewijzigde hoeveelheden, geven zij op niet-ontvankelijke wijze een nieuwe wending aan hun middel waarvan zij niet aantonen dat zij dit niet reeds in het verzoekschrift konden ontwikkelen. 23. Het derde onderdeel is niet ernstig. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 24. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 ‘houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken’ (hierna: wet van 20 maart 1991), artikel 70 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 ‘tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken’ (hierna: koninklijk besluit van 26 september 1991) en de artikelen 1 en 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 ‘tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van de aannemers’ (hierna: ministerieel besluit van 27 september 1991). Zij achten deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat Verwerende Partij slechts de ondercategorie F2 als erkenningsvereiste telde; Terwijl Verwerende Partij de categorie D minstens de categorie F had moeten vereisen en de weerhouden inschrijver niet over een erkenning in deze categorieën beschikt.” XIV-39.889-17/25 25. In de toelichting bij het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat ondercategorie F2 betrekking heeft op de bouw van metalen draagstructuren, maar dat de opdracht heel wat meer behelst dan het monteren van metalen draagstructuren. Rekening houdend met de werkelijke omvang en werkelijke aard van de opdracht, had de verwerende partij volgens hen categorie D, minstens categorie F moeten vereisen. De verzoekende partijen voeren daarbij in essentie aan dat de verwerende partij de opdracht had moeten beschouwen als een complexe opdracht omdat het de uitvoering van werken van verschillende aard betreft die de coördinatie vergt van verschillende technieken in de bouwnijverheid. Daaruit volgt volgens de verzoekende partijen dat de verwerende partij de werken overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991 had moeten onderbrengen in een categorie en niet in een ondercategorie. Dat er in casu sprake is van een complexe opdracht vindt volgens hen bevestiging in het feit dat de werken opgedeeld zijn in verschillende onderdelen, dat zij zeer uiteenlopende expertisedomeinen betreffen en dat de inschrijver dient in te staan voor de werfcoördinatie tussen deze verschillende werkzaamheden. Ook wijzen zij op de moeilijkheidsgraad om deze werken uit te voeren in een kerktoren. Bovendien vertegenwoordigen volgens de verzoekende partijen de algemene bouwwerken een groter aandeel in de opdracht dan de werken die ressorteren onder de ondercategorie F2. Meer dan de helft van de werken heeft volgens hen betrekking op werken die geen betrekking hebben op werken die ressorteren onder ondercategorie F2. Gelet op de omvang en de complexiteit van de werken had de verwerende partij moeten opteren voor de erkenningscategorie D, minstens F. Aangezien de gekozen inschrijver slechts erkend is in de ondercategorie F2 en niet beschikt over de erkenningscategorie D of F, had de verwerende partij de opdracht niet aan de gekozen inschrijver mogen gunnen. XIV-39.889-18/25 Beoordeling 26. Artikel 70, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 legt een koppeling tussen de gunningsprocedure en de regeling inzake de erkenning van aannemers. Die bepaling luidt als volgt: “Wanneer bij een opdracht voor werken, de werken die er het voorwerp van uitmaken overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, slechts mogen worden uitgevoerd door ondernemers die ofwel hiertoe erkend zijn, ofwel aan de voorwaarden ertoe voldoen of nog het bewijs geleverd hebben van het feit dat ze voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning bepaald door of krachtens de voormelde wet, vermelden de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, de opdrachtdocumenten welke erkenning vereist is in overeenstemming met de eerder aangehaalde wet en haar uitvoeringsbesluiten.” Krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 mogen overheidsopdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde een bij koninklijk besluit vastgesteld bedrag overschrijden, slechts worden uitgevoerd door ondernemers, zowel publiek- als privaatrechtelijke, die op het moment van de sluiting van de opdracht of van de concessieovereenkomst (1°) hetzij te dien einde erkend zijn, (2°), hetzij het bewijs geleverd hebben dat zij de voorwaarden opgelegd door of krachtens deze wet vervullen. Artikel 4 van het koninklijk besluit 26 september 1991 somt de categorieën (aangeduid met een letter) en ondercategorieën (aangeduid met een letter en een cijfer) op waarin de werken worden ingedeeld met het oog op de erkenning. Te dezen zijn in het geding de categorieën D (Algemene aannemingen van bouwwerken), F (Algemene aannemingen van metaalconstructies) en F2 (Bouw van metalen draagstructuren). Aan de minister wordt opgedragen om die categorieën en ondercategorieën nader te bepalen. Overeenkomstig artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 brengt de erkenning in een categorie, in beginsel, geen erkenning mee in de daarbij horende ondercategorieën, behoudens onder meer de erkenning in de categorie F, die de erkenning in de ondercategorie F2 met zich meebrengt. XIV-39.889-19/25 Artikel 5, §§ 6 en 7, van het voormelde besluit bepalen voorts: “§ 6. Behoudens andersluidende bepaling in het bestek van de aanneming, brengt de erkenning in een categorie of ondercategorie voor een bepaalde aanneming de toelating mede tot het uitvoeren van de werken die door hun aard de aanvulling vormen van een in hoofdzaak uit te voeren werk, zelfs indien ze tot een andere categorie of ondercategorie behoren. § 7. De categorie of ondercategorie waarin een aanneming die werken omvat die in verscheidene categorieën en/of ondercategorieën gerangschikt zijn, moet worden gerangschikt is die waartoe het gedeelte van het uit te voeren werk behoort waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt. In geval de aanneming werken van verschillende aard omvat waarvan de relatieve belangrijkheid ongeveer gelijk is, mag zij gerangschikt worden in meerdere van de betreffende categorieën of ondercategorieën. De inschrijver dient evenwel slechts erkend te zijn in één van de voorgeschreven categorieën of ondercategorieën.” Uit het eerste lid van artikel 1 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 blijkt dat een “categorie” wordt gekenmerkt (
  1. i)hetzij door een complexe opdracht waarbij werken van verschillende aard worden uitgevoerd, die een coördinatie vergen, (
  2. ii)hetzij door werken die niet het voorwerp uitmaken van een bepaalde ondercategorie. Uit het samen lezen met de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991 blijkt voorts dat een “ondercategorie” wordt gekenmerkt door het feit dat het gaat om werken van een bepaalde specialiteit of om werken die deel van een “categorie” vormen wanneer ze afzonderlijk worden aanbesteed. 27. Zoals hoger onder punt 3.2. van het feitenrelaas is weergegeven, heeft de verwerende partij de opdrachtdocumenten gewijzigd wat de vereiste erkenning betreft. In de gewijzigde administratieve bepalingen van het bestek zoals gepubliceerd op 23 juni 2025 luidt het gestelde erkenningsvereiste als volgt: “Vereiste erkenning van aannemers (categorie en klasse) [Erratum 23 juni 2025] Uit artikel 5, §6, van het Koninklijk besluit van 26 september 1991 inzake de erkenning van aannemers van werken volgt dat het volstaat dat een aannemer erkend is in de (onder)categorie waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigd. In deze opdracht is dit de erkenning categorie F2 - Klasse 3 (op basis van raming – de klasse wordt bepaald op het moment van gunning). XIV-39.889-20/25 De erkenning in deze categorie geeft voor deze opdracht aan de opdrachtnemende aannemer de toelating tot het uitvoeren van werken die door hun aard een aanvulling vormen van het in hoofdzaak uit te voeren werk.” Naar aanleiding van de gunning heeft de verwerende partij de vereiste erkenning in ondercategorie F2 bevestigd. Ondercategorie F2 wordt in artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 omschreven als “Bouw van metalen draagstructuren”. In artikel 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 wordt deze ondercategorie nader omschreven als “De bouw en het monteren van metalen draagstructuren.” 28. De in het bestek vermelde erkenningsvereisten zijn niet zonder meer absoluut bindend voor de inschrijvers. Het is immers het werkelijke voorwerp en de werkelijke omvang van de opdracht die beslissend zijn voor de toepasselijkheid van de erkenningsreglementering en de toepasselijke erkenningsvereisten. 29. De verzoekende partijen voeren daartoe in de eerste plaats aan dat de verwerende partij de opdracht had moeten beschouwen als een complexe opdracht omdat het de uitvoering van werken van verschillende aard betreft die de coördinatie vergt van verschillende technieken in de bouwnijverheid. Om die reden had de verwerende partij volgens hen een erkenning in categorie D of minstens categorie F moeten vereisen. De verzoekende partijen worden niet bijgevallen. Bij de beoordeling van de vraag naar de rangschikking van de opdracht in de juiste categorie of ondercategorie, moet worden opgemerkt dat de Raad van State niet in de plaats van het bestuur mag beslissen en dus enkel mag nagaan of het bestuur redelijkerwijze genoegen kon nemen met een erkenning categorie F2, klasse 3, en dit in het licht van het werkelijke voorwerp en de werkelijke omvang van de opdracht. XIV-39.889-21/25 Uit de omschrijving van het voorwerp van de opdracht in de aankondiging en het bestek blijkt dat de opdracht betrekking heeft op het inrichten van een uitkijkpunt in de toren van de Sint-Eligiuskerk te Ettelgem. Tevens blijkt dat de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op de eerste fase waarbij de kerktoren toegankelijk wordt gemaakt en ingericht als uitkijktoren. In essentie lijkt dit de verbinding van de (reeds aanwezige) wenteltrap in de toren met twee stalen trappen in de toren te omvatten, en vervolgens met stalen ladders om op een (eveneens stalen) uitkijkplatform te komen op de hoogte van de voormalige torenspits. In de nota met opmerkingen verduidelijkt de verwerende partij dat zij de opdrachtdocumenten heeft gewijzigd en daarbij het vereiste van een erkenning in categorie F heeft vervangen door een vereiste erkenning in categorie F2 omdat zij van oordeel is dat het vereisen van een erkenning in categorie F een te strenge eis zou zijn in het licht van het werkelijk voorwerp van de opdracht die volgens haar slechts het (pre)fabriceren van metalen draagconstructies en de montage ervan in en aan de toren inhoudt. Een nieuwe open stalen spits wordt geplaatst op het nieuwe uitkijkplatform, en wordt voorzien van stalen zitelementen. De stalen trappenpartijen en het uitkijkplatform worden afgewerkt met een stalen balustrade uit fijne spijlen. Dit wordt door de verwerende partij in haar nota ook visueel onderbouwd met tekeningen waarmee zij het doorslaggevend aandeel van staalwerk in de opdracht beoogt te verduidelijken. De overige werken betreffen volgens haar louter ondergeschikte werken. Zij geeft ook aan dat een mededingingsbeperkend effect zou kunnen uitgaan van een te ruime interpretatie van het begrip complexe opdracht in de zin van artikel 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991. In het licht van de voormelde argumentatie, die bevestiging lijkt te vinden in de stukken van het administratief dossier, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de verwerende partij te dezen redelijkerwijze geen genoegen kon nemen met een erkenning in categorie F2. Dat de opdracht naast staalwerk ook andere werken behelst, zoals afbraakwerken, technieken en schilderwerken, die “wanneer ze afzonderlijk worden aanbesteed” een erkenning in andere (onder)categoriën vereisen, doet op ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-22/25 het eerste gezicht geen afbreuk aan het voorgaande. Overeenkomstig artikel 5, § 6, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 brengt, behoudens andersluidende bepaling in het bestek, de erkenning in een categorie of ondercategorie voor een bepaalde aanneming immers de toelating mee tot het uitvoeren van de werken die door hun aard de aanvulling vormen van een in hoofdzaak uit te voeren werk, zelfs indien ze tot een andere categorie of ondercategorie behoren. Het enkele gegeven dat de meetstaat in een post “werfcoördinatie” voorziet, laat voorts op het eerste gezicht niet toe aan te nemen dat de verschillende soorten werken een dusdanige coördinatievereiste stellen dat de verwerende partij in redelijkheid niet vermocht te opteren voor een specifieke ondercategorie. De uitvoering in een kerktoren kan voorts ongetwijfeld de uitvoering bemoeilijken maar lijkt evenmin noodzakelijkerwijze te nopen tot een kwalificatie als complexe opdracht. 30. De verzoekende partijen voeren in de tweede plaats, wat de omvang van de opdracht betreft, aan dat meer dan de helft van de werken betrekking hebben op werken die niet ressorteren onder ondercategorie F2. Ook om die reden zouden de werken een erkenning in categorie D, minstens F vereisen. Het wordt niet betwist dat de opdracht betrekking heeft op werken die in meerdere categorieën of ondercategorieën kunnen worden gerangschikt. De verwerende partij maakt echter onder meer aan de hand van grafieken concreet aannemelijk dat niet alleen volgens de raming maar ook volgens de offerte van de gekozen inschrijver het staalwerk percentagegewijs het grootste aandeel in de aannemingssom vertegenwoordigt. Het vertrouwelijk stuk 18 van de verzoekende partijen, bevattende een uitsplitsing van hun offerte over “andere werken”, “technieken” en “metaal” doet niet anders besluiten, al was het maar omdat de verzoekende partijen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-23/25 hierbij uitgaan van een niet aangetoonde toepasselijkheid van de hoofdcategorie D op het geheel van de werken die zij onderbrengen bij de “andere werken”. In zoverre de verzoekende partijen ter terechtzitting nog opwerpen dat de offerte van de gekozen inschrijver bevestigt dat 43,1 % van de opdracht bestaat uit het bouwen van metalen draagstructuren en dat deze werken dus niet “het merendeel” van de opdracht uitmaken, lijken zij uit te gaan van een verkeerde lezing van artikel 5 § 7, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 dat verwijst naar het gedeelte van het uit te voeren werk “waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt”. Zoals ook blijkt uit artikel 5, § 7, tweede lid, van voormeld besluit, dient daarbij op het eerste gezicht de “relatieve belangrijkheid” in ogenschouw te worden genomen. 31. Gelet op het voorgaande tonen de verzoekende partijen naar het voorlopig oordeel van de Raad van State niet aan, met de vereiste ernst prima facie, dat het in werkelijkheid gaat om werken die een erkenning in categorie D of minstens categorie F vereisen en dat de verwerende partij redelijkerwijze geen genoegen kon nemen met een erkenning in ondercategorie F2 zoals ook aangekondigd in het gewijzigde bestek. 32. Het tweede middel is niet ernstig. VII. Besluit 33. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.889-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-39.889-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.