id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 Rolnummer: A. 246052/XIV-39889 Zaak: Arrest 264723 - Overheidsopdrachten - 31/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-15 07:45 Fiche Arrest nr 264.723 van 31 oktober 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 no lien 285850 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.723 van 31 oktober 2025 in de zaak A. 246.052/XIV-39.889 In zake:
(3)een overzichtstabel die de uiteindelijke bestel- en rangschikkingsbedragen voor alle inschrijvers weergeeft met opgave, voor elke inschrijver, van het rekenkundig gecorrigeerd totaal, het saldo van de gewijzigde hoeveelheden en de som van de aanvaarde leemten. Daargelaten de vraag of de wijziging inzake de rangschikking te dezen afdoende werd gemotiveerd in de gunningsbeslissing zelf en of de verwerende partij daarbij voldoende transparant heeft gehandeld, lijken de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-14/25 verzoekende partijen geen belang te hebben bij deze kritiek. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren, in samenlezing met de gunningsbeslissing, immers met kennis van zaken uitmaken of het aangewezen is zich in rechte te verweren tegen de genomen beslissing. De rekenkundige correcties van hun offerte blijken uit het eerste en derde voormelde formulier waarvan de verzoekende partijen in kennis werden gesteld. Zij kennen bovendien hun eigen prijzen. De controle of de verwerende partij terecht kon oordelen dat de opties niet waren meegerekend in de aanvankelijke totaalprijs, lijkt dan ook eenvoudig. Voorts hebben de verzoekende partijen op het eerste gezicht uit het tweede en derde voormelde formulier kunnen afleiden welk gevolg werd gegeven aan de door hen voorgestelde wijzigingen van de hoeveelheden, evenals aan de aanvaarding van de door een andere inschrijver gesignaleerde leemten. Uit het samenlezen van het tweede en derde formulier konden de verzoekende partijen op het eerste gezicht evenzeer afleiden waarom de prijs van de gekozen inschrijver werd verhoogd naar 552.983,39 euro (btw niet inbegrepen). Wat de litigieuze wijziging van de rangschikking van de offertes betreft, lijkt het normdoel van de formelemotiveringsplicht dan ook te zijn bereikt. 16. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Derde onderdeel 17. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen nog gelden dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de verbeteringen die zij hebben aangebracht aan twee posten van de samenvattende opmeting, minstens in de bestreden beslissing niet heeft gemotiveerd op welke wijze er met deze verbeteringen rekening werd gehouden. Deze grieven worden evenmin bijgevallen. 18. Overeenkomstig artikel 86, § 1, eerste lid, van koninklijk besluit van 18 april 2017 ziet de aanbestedende overheid, wanneer een inschrijver, overeenkomstig de artikelen 34 en 79, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-15/25 van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes. 19. Zoals hoger onder punt 3.4. van het feitenrelaas wordt weergegeven, hebben de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 79, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 verbeteringen doorgevoerd met betrekking tot twee posten. 20. In zoverre in een eerste grief in het derde onderdeel wordt aangevoerd dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de voormelde verbeteringen, lijkt deze grief feitelijke grondslag te missen. Uit de stukken van het administratief dossier, waaronder de aan de verzoekende partijen overgemaakte formulieren bij e-mailbericht van 24 september 2025, blijkt immers dat de verwerende partij wel degelijk een nazicht van de door de verzoekende partijen doorgevoerde verbeteringen van de hoeveelheden voor twee posten heeft gedaan. 21. In zoverre de verzoekende partijen voorts in een tweede grief aanvoeren dat in de bestreden gunningsbeslissing niet wordt gemotiveerd op welke wijze met de verbeteringen rekening werd gehouden, lijken zij geen belang te hebben bij deze kritiek. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren immers vaststellen dat de gewijzigde hoeveelheden voor beide posten door de verwerende partij werden aanvaard, hetgeen door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift ook wordt erkend. Anders dan de verzoekende partijen het zien, konden zij voorts uit de voormelde formuleren ook afleiden welk gevolg de verwerende partij heeft gegeven aan de door hen voorgestelde wijzigingen van de (forfaitaire) hoeveelheden in de opdrachtdocumenten en dat de gewijzigde hoeveelheden niet van invloed waren op hun inschrijvingsbedrag. Op het eerste gezicht konden de verzoekende partijen dan ook aan de hand van het voornoemde e-mailbericht van 24 september 2025 en de bijgevoegde formulieren, in samenlezing met de gunningsbeslissing, met kennis van zaken uitmaken of het zinvol is zich in rechte te verweren tegen de genomen XIV-39.889-16/25 beslissing wat de in haar offerte doorgevoerde verbetering van hoeveelheden betreft. 22. In zoverre de verzoekende partijen op de terechtzitting nog de wijze betwisten waarop door de verwerende partij rekening werd gehouden met de door hen gewijzigde hoeveelheden, geven zij op niet-ontvankelijke wijze een nieuwe wending aan hun middel waarvan zij niet aantonen dat zij dit niet reeds in het verzoekschrift konden ontwikkelen. 23. Het derde onderdeel is niet ernstig. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 24. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 ‘houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken’ (hierna: wet van 20 maart 1991), artikel 70 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 ‘tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken’ (hierna: koninklijk besluit van 26 september 1991) en de artikelen 1 en 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 ‘tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van de aannemers’ (hierna: ministerieel besluit van 27 september 1991). Zij achten deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat Verwerende Partij slechts de ondercategorie F2 als erkenningsvereiste telde; Terwijl Verwerende Partij de categorie D minstens de categorie F had moeten vereisen en de weerhouden inschrijver niet over een erkenning in deze categorieën beschikt.” XIV-39.889-17/25 25. In de toelichting bij het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat ondercategorie F2 betrekking heeft op de bouw van metalen draagstructuren, maar dat de opdracht heel wat meer behelst dan het monteren van metalen draagstructuren. Rekening houdend met de werkelijke omvang en werkelijke aard van de opdracht, had de verwerende partij volgens hen categorie D, minstens categorie F moeten vereisen. De verzoekende partijen voeren daarbij in essentie aan dat de verwerende partij de opdracht had moeten beschouwen als een complexe opdracht omdat het de uitvoering van werken van verschillende aard betreft die de coördinatie vergt van verschillende technieken in de bouwnijverheid. Daaruit volgt volgens de verzoekende partijen dat de verwerende partij de werken overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991 had moeten onderbrengen in een categorie en niet in een ondercategorie. Dat er in casu sprake is van een complexe opdracht vindt volgens hen bevestiging in het feit dat de werken opgedeeld zijn in verschillende onderdelen, dat zij zeer uiteenlopende expertisedomeinen betreffen en dat de inschrijver dient in te staan voor de werfcoördinatie tussen deze verschillende werkzaamheden. Ook wijzen zij op de moeilijkheidsgraad om deze werken uit te voeren in een kerktoren. Bovendien vertegenwoordigen volgens de verzoekende partijen de algemene bouwwerken een groter aandeel in de opdracht dan de werken die ressorteren onder de ondercategorie F2. Meer dan de helft van de werken heeft volgens hen betrekking op werken die geen betrekking hebben op werken die ressorteren onder ondercategorie F2. Gelet op de omvang en de complexiteit van de werken had de verwerende partij moeten opteren voor de erkenningscategorie D, minstens F. Aangezien de gekozen inschrijver slechts erkend is in de ondercategorie F2 en niet beschikt over de erkenningscategorie D of F, had de verwerende partij de opdracht niet aan de gekozen inschrijver mogen gunnen. XIV-39.889-18/25 Beoordeling 26. Artikel 70, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 legt een koppeling tussen de gunningsprocedure en de regeling inzake de erkenning van aannemers. Die bepaling luidt als volgt: “Wanneer bij een opdracht voor werken, de werken die er het voorwerp van uitmaken overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, slechts mogen worden uitgevoerd door ondernemers die ofwel hiertoe erkend zijn, ofwel aan de voorwaarden ertoe voldoen of nog het bewijs geleverd hebben van het feit dat ze voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning bepaald door of krachtens de voormelde wet, vermelden de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, de opdrachtdocumenten welke erkenning vereist is in overeenstemming met de eerder aangehaalde wet en haar uitvoeringsbesluiten.” Krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 mogen overheidsopdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde een bij koninklijk besluit vastgesteld bedrag overschrijden, slechts worden uitgevoerd door ondernemers, zowel publiek- als privaatrechtelijke, die op het moment van de sluiting van de opdracht of van de concessieovereenkomst (1°) hetzij te dien einde erkend zijn, (2°), hetzij het bewijs geleverd hebben dat zij de voorwaarden opgelegd door of krachtens deze wet vervullen. Artikel 4 van het koninklijk besluit 26 september 1991 somt de categorieën (aangeduid met een letter) en ondercategorieën (aangeduid met een letter en een cijfer) op waarin de werken worden ingedeeld met het oog op de erkenning. Te dezen zijn in het geding de categorieën D (Algemene aannemingen van bouwwerken), F (Algemene aannemingen van metaalconstructies) en F2 (Bouw van metalen draagstructuren). Aan de minister wordt opgedragen om die categorieën en ondercategorieën nader te bepalen. Overeenkomstig artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 brengt de erkenning in een categorie, in beginsel, geen erkenning mee in de daarbij horende ondercategorieën, behoudens onder meer de erkenning in de categorie F, die de erkenning in de ondercategorie F2 met zich meebrengt. XIV-39.889-19/25 Artikel 5, §§ 6 en 7, van het voormelde besluit bepalen voorts: “§ 6. Behoudens andersluidende bepaling in het bestek van de aanneming, brengt de erkenning in een categorie of ondercategorie voor een bepaalde aanneming de toelating mede tot het uitvoeren van de werken die door hun aard de aanvulling vormen van een in hoofdzaak uit te voeren werk, zelfs indien ze tot een andere categorie of ondercategorie behoren. § 7. De categorie of ondercategorie waarin een aanneming die werken omvat die in verscheidene categorieën en/of ondercategorieën gerangschikt zijn, moet worden gerangschikt is die waartoe het gedeelte van het uit te voeren werk behoort waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt. In geval de aanneming werken van verschillende aard omvat waarvan de relatieve belangrijkheid ongeveer gelijk is, mag zij gerangschikt worden in meerdere van de betreffende categorieën of ondercategorieën. De inschrijver dient evenwel slechts erkend te zijn in één van de voorgeschreven categorieën of ondercategorieën.” Uit het eerste lid van artikel 1 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 blijkt dat een “categorie” wordt gekenmerkt (
- i)hetzij door een complexe opdracht waarbij werken van verschillende aard worden uitgevoerd, die een coördinatie vergen, (
- ii)hetzij door werken die niet het voorwerp uitmaken van een bepaalde ondercategorie. Uit het samen lezen met de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991 blijkt voorts dat een “ondercategorie” wordt gekenmerkt door het feit dat het gaat om werken van een bepaalde specialiteit of om werken die deel van een “categorie” vormen wanneer ze afzonderlijk worden aanbesteed. 27. Zoals hoger onder punt 3.2. van het feitenrelaas is weergegeven, heeft de verwerende partij de opdrachtdocumenten gewijzigd wat de vereiste erkenning betreft. In de gewijzigde administratieve bepalingen van het bestek zoals gepubliceerd op 23 juni 2025 luidt het gestelde erkenningsvereiste als volgt: “Vereiste erkenning van aannemers (categorie en klasse) [Erratum 23 juni 2025] Uit artikel 5, §6, van het Koninklijk besluit van 26 september 1991 inzake de erkenning van aannemers van werken volgt dat het volstaat dat een aannemer erkend is in de (onder)categorie waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigd. In deze opdracht is dit de erkenning categorie F2 - Klasse 3 (op basis van raming – de klasse wordt bepaald op het moment van gunning). XIV-39.889-20/25 De erkenning in deze categorie geeft voor deze opdracht aan de opdrachtnemende aannemer de toelating tot het uitvoeren van werken die door hun aard een aanvulling vormen van het in hoofdzaak uit te voeren werk.” Naar aanleiding van de gunning heeft de verwerende partij de vereiste erkenning in ondercategorie F2 bevestigd. Ondercategorie F2 wordt in artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 omschreven als “Bouw van metalen draagstructuren”. In artikel 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 wordt deze ondercategorie nader omschreven als “De bouw en het monteren van metalen draagstructuren.” 28. De in het bestek vermelde erkenningsvereisten zijn niet zonder meer absoluut bindend voor de inschrijvers. Het is immers het werkelijke voorwerp en de werkelijke omvang van de opdracht die beslissend zijn voor de toepasselijkheid van de erkenningsreglementering en de toepasselijke erkenningsvereisten. 29. De verzoekende partijen voeren daartoe in de eerste plaats aan dat de verwerende partij de opdracht had moeten beschouwen als een complexe opdracht omdat het de uitvoering van werken van verschillende aard betreft die de coördinatie vergt van verschillende technieken in de bouwnijverheid. Om die reden had de verwerende partij volgens hen een erkenning in categorie D of minstens categorie F moeten vereisen. De verzoekende partijen worden niet bijgevallen. Bij de beoordeling van de vraag naar de rangschikking van de opdracht in de juiste categorie of ondercategorie, moet worden opgemerkt dat de Raad van State niet in de plaats van het bestuur mag beslissen en dus enkel mag nagaan of het bestuur redelijkerwijze genoegen kon nemen met een erkenning categorie F2, klasse 3, en dit in het licht van het werkelijke voorwerp en de werkelijke omvang van de opdracht. XIV-39.889-21/25 Uit de omschrijving van het voorwerp van de opdracht in de aankondiging en het bestek blijkt dat de opdracht betrekking heeft op het inrichten van een uitkijkpunt in de toren van de Sint-Eligiuskerk te Ettelgem. Tevens blijkt dat de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op de eerste fase waarbij de kerktoren toegankelijk wordt gemaakt en ingericht als uitkijktoren. In essentie lijkt dit de verbinding van de (reeds aanwezige) wenteltrap in de toren met twee stalen trappen in de toren te omvatten, en vervolgens met stalen ladders om op een (eveneens stalen) uitkijkplatform te komen op de hoogte van de voormalige torenspits. In de nota met opmerkingen verduidelijkt de verwerende partij dat zij de opdrachtdocumenten heeft gewijzigd en daarbij het vereiste van een erkenning in categorie F heeft vervangen door een vereiste erkenning in categorie F2 omdat zij van oordeel is dat het vereisen van een erkenning in categorie F een te strenge eis zou zijn in het licht van het werkelijk voorwerp van de opdracht die volgens haar slechts het (pre)fabriceren van metalen draagconstructies en de montage ervan in en aan de toren inhoudt. Een nieuwe open stalen spits wordt geplaatst op het nieuwe uitkijkplatform, en wordt voorzien van stalen zitelementen. De stalen trappenpartijen en het uitkijkplatform worden afgewerkt met een stalen balustrade uit fijne spijlen. Dit wordt door de verwerende partij in haar nota ook visueel onderbouwd met tekeningen waarmee zij het doorslaggevend aandeel van staalwerk in de opdracht beoogt te verduidelijken. De overige werken betreffen volgens haar louter ondergeschikte werken. Zij geeft ook aan dat een mededingingsbeperkend effect zou kunnen uitgaan van een te ruime interpretatie van het begrip complexe opdracht in de zin van artikel 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 27 september 1991. In het licht van de voormelde argumentatie, die bevestiging lijkt te vinden in de stukken van het administratief dossier, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de verwerende partij te dezen redelijkerwijze geen genoegen kon nemen met een erkenning in categorie F2. Dat de opdracht naast staalwerk ook andere werken behelst, zoals afbraakwerken, technieken en schilderwerken, die “wanneer ze afzonderlijk worden aanbesteed” een erkenning in andere (onder)categoriën vereisen, doet op ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-22/25 het eerste gezicht geen afbreuk aan het voorgaande. Overeenkomstig artikel 5, § 6, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 brengt, behoudens andersluidende bepaling in het bestek, de erkenning in een categorie of ondercategorie voor een bepaalde aanneming immers de toelating mee tot het uitvoeren van de werken die door hun aard de aanvulling vormen van een in hoofdzaak uit te voeren werk, zelfs indien ze tot een andere categorie of ondercategorie behoren. Het enkele gegeven dat de meetstaat in een post “werfcoördinatie” voorziet, laat voorts op het eerste gezicht niet toe aan te nemen dat de verschillende soorten werken een dusdanige coördinatievereiste stellen dat de verwerende partij in redelijkheid niet vermocht te opteren voor een specifieke ondercategorie. De uitvoering in een kerktoren kan voorts ongetwijfeld de uitvoering bemoeilijken maar lijkt evenmin noodzakelijkerwijze te nopen tot een kwalificatie als complexe opdracht. 30. De verzoekende partijen voeren in de tweede plaats, wat de omvang van de opdracht betreft, aan dat meer dan de helft van de werken betrekking hebben op werken die niet ressorteren onder ondercategorie F2. Ook om die reden zouden de werken een erkenning in categorie D, minstens F vereisen. Het wordt niet betwist dat de opdracht betrekking heeft op werken die in meerdere categorieën of ondercategorieën kunnen worden gerangschikt. De verwerende partij maakt echter onder meer aan de hand van grafieken concreet aannemelijk dat niet alleen volgens de raming maar ook volgens de offerte van de gekozen inschrijver het staalwerk percentagegewijs het grootste aandeel in de aannemingssom vertegenwoordigt. Het vertrouwelijk stuk 18 van de verzoekende partijen, bevattende een uitsplitsing van hun offerte over “andere werken”, “technieken” en “metaal” doet niet anders besluiten, al was het maar omdat de verzoekende partijen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 XIV-39.889-23/25 hierbij uitgaan van een niet aangetoonde toepasselijkheid van de hoofdcategorie D op het geheel van de werken die zij onderbrengen bij de “andere werken”. In zoverre de verzoekende partijen ter terechtzitting nog opwerpen dat de offerte van de gekozen inschrijver bevestigt dat 43,1 % van de opdracht bestaat uit het bouwen van metalen draagstructuren en dat deze werken dus niet “het merendeel” van de opdracht uitmaken, lijken zij uit te gaan van een verkeerde lezing van artikel 5 § 7, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 dat verwijst naar het gedeelte van het uit te voeren werk “waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt”. Zoals ook blijkt uit artikel 5, § 7, tweede lid, van voormeld besluit, dient daarbij op het eerste gezicht de “relatieve belangrijkheid” in ogenschouw te worden genomen. 31. Gelet op het voorgaande tonen de verzoekende partijen naar het voorlopig oordeel van de Raad van State niet aan, met de vereiste ernst prima facie, dat het in werkelijkheid gaat om werken die een erkenning in categorie D of minstens categorie F vereisen en dat de verwerende partij redelijkerwijze geen genoegen kon nemen met een erkenning in ondercategorie F2 zoals ook aangekondigd in het gewijzigde bestek. 32. Het tweede middel is niet ernstig. VII. Besluit 33. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.889-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-39.889-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.723 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div