← België

Arrest 264724 - Tucht (openbaar ambt) - 31/10/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.724 Rolnummer: A. 243202/XII-9774 Zaak: Arrest 264724 - Tucht (openbaar ambt) - 31/10/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-15 07:45 Fiche Arrest nr 264.724 van 31 oktober 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.724 van 31 oktober 2025 in de zaak A. 243.202/XII-9774 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1000 Brussel Koningsstraat 202A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. De beslissing tot zware tuchtstraf zijnde ontslag van ambtswege lastens verzoeker uitgaande van de Federale politie dd. 23.05.
  3. […]
  4. De beslissing dd. 13.08.2024 waarbij wordt gesteld dat de commissaris-generaal de tuchtbeslissing van het ontslag van ambtswege dd. 23.05.2024 in hoofde van de [verzoeker] niet intrekt. […]
  5. De beslissing dd. 22.08.2024 uitgaande van de commissaris-generaal waarbij de tuchtbeslissing tot ontslag van ambtswege wordt bevestigd. […]”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
  7. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Verzoeker was tewerkgesteld als gespecialiseerd vakman bij de Federale politie. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-2/16 3.
  10. Via een informatierapport van 2 oktober 2023 en een e-mail van 18 oktober 2023 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van mogelijke tuchtfeiten in hoofde van verzoeker. 3.
  11. Op 24 oktober 2023 maakt de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  12. Op 20 november 2023 duidt de hogere tuchtoverheid een aantal voorafgaand onderzoekers aan. De voorafgaand onderzoeker legt op 1 maart 2024 haar verslag neer. 3.5 Op 21 maart 2024 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het inleidend verslag wordt bij aangetekende zending op 25 maart 2024 aan verzoeker aangeboden. Verzoeker dient op 11 april 2024 een schriftelijk verweer in en wordt op 25 april 2024 door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord. 3.
  13. Op 30 april 2024 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  14. Op 21 mei 2024 bevestigt de secretaris van de Tuchtraad aan de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid dat geen verzoek tot heroverweging werd ontvangen van verzoeker. 3.
  15. Op 23 mei 2024 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de eerste bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-3/16 3.
  16. Op 30 mei 2024 neemt de tuchtverdediger van verzoeker contact op met de secretaris van de Tuchtraad met de vraag of het verzoek tot heroverweging de Tuchtraad goed heeft bereikt. Dezelfde dag antwoordt de secretaris van de Tuchtraad dat geen verzoek tot heroverweging werd ontvangen. Op 31 mei 2024 stuurt de tuchtverdediger van verzoeker het bewijs van aangetekende zending van het verzoek tot heroverweging met een kopie van het verzoek tot heroverweging per e-mail naar de secretaris van de Tuchtraad, die het verzoek tot heroverweging diezelfde dag meedeelt aan de hogere tuchtoverheid. 3.
  17. Op 25 juni 2024 vindt een eerste hoorzitting plaats bij de Tuchtraad. Het proces-verbaal van die hoorzitting vermeldt onder meer: “[…]
  18. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid stelt dat de hogere tuchtoverheid bereid is de beslissing van het ontslag van ambtswege in te trekken. […]
  19. Naar mening van de Tuchtraad werd er een verzoek tot heroverweging ingediend en werd de zaak zo aanhangig gemaakt, de Tuchtraad is dus gevat. Het komt de Tuchtraad niet toe de hogere tuchtoverheid te adviseren de beslissing van zware tuchtstraf in te trekken. […]
  20. De zaak wordt, met akkoord van partijen, uitgesteld naar de zitting van dinsdag 24 september 2024 om 09.00 uur met het oog op nazicht van de eventuele intrekking van de beslissing zware tuchtstraf door de hogere tuchtoverheid, met het verzoek de Tuchtraad en partijen hieromtrent te verwittigen tegen 15 juli 2024.” 3.
  21. Bij e-mail van 27 juni 2024 laat de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid aan de secretaris van de Tuchtraad weten dat de hogere tuchtoverheid tegen 15 augustus 2024 een antwoord zal bezorgen op het verzoek van de voorzitter van de Tuchtraad. De secretaris van de Tuchtraad bezorgt dit bericht dezelfde dag ten informatieve titel aan verzoeker en zijn tuchtverdediger. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-4/16 3.
  22. Bij e-mail van 13 augustus 2024 meldt de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid aan de secretaris van de Tuchtraad en verzoeker: “Middels huidige mail wens ik u in kennis te stellen dat de heer commissaris- generaal de definitieve beslissing van het ontslag van ambtswege d.d. 23/05/2024 in hoofde van SPA [verzoeker] niet intrekt. De tuchtprocedure wordt op het niveau van de hogere tuchtoverheid als afgesloten beschouwd.” Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  23. Op 22 augustus 2024 richt de dienst loopbaanbeheer van de Federale politie een nota aan een aantal andere diensten, waarin een aantal “acties” worden gevraagd, zoals het aanpassen van de geldelijke situatie van verzoeker, het aanpassen van het abonnement woon-werkverkeer, het ter kennis brengen van de nota aan verzoeker en het aanpassen van de gegevens in het IT-systeem GALoP (Gemeenschappelijke Algemene Logistieke en operationele Planning). Dit is de derde bestreden beslissing. 3.
  24. Op 23 oktober 2024 adviseert de Tuchtraad: “dat in hoofdorde, het verzoek tot heroverweging op ontvankelijke wijze is ingediend, maar geen advies meer verleend kan worden over het voorstel tot zware tuchtstraf aangezien moet worden vastgesteld dat verzoeker de hoedanigheid van personeelslid bedoeld in artikel 2 TWP door de beslissing tot het opleggen van een zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege van 23 mei 2024 heeft verloren, en, in ondergeschikte orde, dat geen overige wettelijke adviesverlenende bevoegdheid meer bestaat over hetgeen aangevoerd door verzoeker”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-5/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  25. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord met betrekking tot elk van de drie bestreden beslissingen een exceptie van niet- ontvankelijkheid op. Zij vat haar excepties als volgt samen: “Verwerende partij stelt vast dat het verzoekschrift ten aanzien van de eerste bestreden beslissing laattijdig werd ingediend. Ten aanzien van de tweede bestreden beslissing dient te worden opgemerkt dat dit geen nieuwe beslissing betreft waaruit nieuwe rechtsgevolgen voortvloeien in hoofde van verzoekende partij. En tenslotte dient te worden vastgesteld dat de derde bestreden beslissing (als zijnde een bevestigingsbeslissing van de eerste bestreden beslissing) niet bestaat, waardoor ze ook niet het voorwerp kan uitmaken van een vernietigingsprocedure.” A. Exceptie ratione temporis wat de eerste bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen
  26. Wat de eerste bestreden beslissing betreft, werpt de verwerende partij op dat het beroep tot nietigverklaring te laat werd ingediend. Zij zet uiteen dat de bestreden beslissing tweemaal aangetekend werd verstuurd naar verzoeker op 29 mei 2024 en op 3 juni 2024 en dat de eerste aangetekende zending aan verzoeker werd aangeboden op 30 mei
  27. De beroepstermijn van zestig dagen was ruim verstreken toen verzoeker op 10 oktober 2024 zijn beroep tot nietigverklaring indiende. De verwerende partij betwist voorts het standpunt van verzoeker dat de eerste bestreden beslissing pas definitief werd na de mededeling door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid dat de eerste bestreden beslissing niet wordt ingetrokken. De verwerende partij verwijst desbetreffend naar artikel 39 van het koninklijk besluit van 26 november 1991 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 1991) dat inhoudt dat een tuchtstraf in beginsel uitwerking heeft op de dag van de kennisgeving ervan aan het personeelslid. De vraag van de Tuchtraad om na te gaan of de hogere tuchtoverheid bereid was de eerste bestreden beslissing in te trekken doet geen afbreuk aan het bestaan van de eerste bestreden beslissing, noch aan de beroepstermijn voor de Raad van State waarvan de eerste bestreden beslissing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-6/16 melding maakt. De verwerende partij besluit dat verzoeker, om zijn belangen te vrijwaren, het beroep tot nietigverklaring had moeten indienen binnen de beroepstermijn van zestig dagen.
  28. Verzoeker zet in het verzoekschrift onder de titel “ratione temporis” uiteen dat de vordering aanhangig is gemaakt binnen de wettelijk voorziene termijn en bijgevolg ontvankelijk ratione temporis is. Hij voegt daaraan toe dat hij op 13 augustus 2024 kennis kreeg van het definitief standpunt van de verwerende partij dat zij niet overgaat tot intrekking van de eerste bestreden beslissing. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de exceptie dat zijn beroep ontvankelijk is om drie redenen. Ten eerste is de eerste bestreden beslissing onwettig, omdat verzoeker tijdig de zaak aanhangig had gemaakt bij de Tuchtraad. Ten tweede werd op de zitting van de Tuchtraad van 25 juni 2024 in het proces-verbaal van de hoorzitting opgenomen dat de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid bereid is om de eerste bestreden beslissing in te trekken. Ten derde is volgens verzoeker de eerste bestreden beslissing “bijgevolg” uit de rechtsorde verdwenen. Verzoeker licht verder toe dat de verwerende partij ten onrechte aanvoert dat op de hoorzitting van de Tuchtraad was afgesproken dat de afgevaardigde van de Tuchtraad navraag zou doen over het standpunt van de hogere tuchtoverheid over het al dan niet intrekken van de bestreden beslissing. In het proces-verbaal van de hoorzitting staat expliciet dat de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid bereid is om de eerste bestreden beslissing in te trekken en zij was gemandateerd om die beslissing te laten notuleren. Volgens verzoeker was er geen enkele noodzaak om de eerste bestreden beslissing te bestrijden met een annulatieverzoek. Die beslissing was immers ingetrokken. De beslissing tot intrekking is de logica zelve en een buitengerechtelijke erkentenis die de verjaring stuit. Volgens verzoeker is het pas op 22 augustus 2024 dat de hogere tuchtoverheid “voor het eerst opnieuw gaat stellen” dat verzoeker ontslagen is. Deze beslissing is geen herbevestiging van de eerste bestreden beslissing, die was ingetrokken. De beroepstermijn is volgens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-7/16 verzoeker bijgevolg ingegaan na de kennisneming van de derde bestreden beslissing. In de laatste memorie komt verzoeker niet expliciet terug op de ontvankelijkheid van het beroep en beperkt hij zich tot het standpunt dat hij zich kan aansluiten bij het auditoraatsverslag. Beoordeling
  29. Overeenkomstig artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) verjaren de annulatieberoepen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop een verzoekende partij er kennis van heeft gehad.
  30. Te dezen heeft de hogere tuchtoverheid op 23 mei 2024 een eindbeslissing genomen overeenkomstig artikel 38sexies, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet). Van deze beslissing is kennis gegeven aan verzoeker op 30 mei 2024 met vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Zoals hierna zal worden vastgesteld (zie infra, nr. 10), is deze beslissing niet ingetrokken.
  31. Volgens verzoeker zijn er drie redenen waarom het beroep tot nietigverklaring wat de eerste bestreden beslissing betreft, wel ontvankelijk is ratione temporis. De eerste reden is dat de eerste bestreden beslissing onwettig is, omdat verzoeker wel degelijk tijdig een verzoek tot heroverweging heeft ingediend. Dit argument wordt niet bijgevallen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-8/16 Het gegeven dat een bestuurshandeling onwettig zou zijn, belet niet dat het beroep tot nietigverklaring tegen die bestuurshandeling tijdig, dit is binnen de vervaltermijn bepaald in artikel 4, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement, bij de Raad van State aanhangig moet worden gemaakt. Te dezen wordt vastgesteld dat dit niet gebeurde (zie infra, nr. 10).
  32. De tweede en derde reden waarom volgens verzoeker het beroep tot nietigverklaring wat de eerste bestreden beslissing betreft, wel ontvankelijk is ratione temporis, is het gegeven dat in het proces-verbaal van de hoorzitting van de Tuchtraad van 25 juni 2024 werd opgenomen dat de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid bereid is om de eerste bestreden beslissing in te trekken, waaruit verzoeker afleidt dat de eerste bestreden beslissing bijgevolg uit de rechtsorde is verdwenen. Dit standpunt faalt. Het proces-verbaal van de hoorzitting bij de Tuchtraad van 25 juni 2024 vermeldt weliswaar dat de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid stelt dat de hogere tuchtoverheid “bereid is” de beslissing van het ontslag van ambtswege in te trekken. Het proces-verbaal vermeldt echter ook dat het niet de Tuchtraad toekomt de hogere tuchtoverheid te adviseren de eerste bestreden beslissing in te trekken en dat de behandeling van de zaak wordt uitgesteld met het oog op het nazicht van “de eventuele intrekking” (zie supra, nr. 3.10). Uit het geheel van dit proces-verbaal blijkt bijgevolg niet dat de eerste bestreden beslissing op dat ogenblik was ingetrokken. Dit wordt bevestigd in het definitief advies van de Tuchtraad dat vermeldt: “Ter zitting van de Tuchtraad is erom verzocht dat zij door de HTO in kennis zou worden gesteld van het antwoord op haar vraag of deze beslissing van 23 mei 2024 mogelijk al dan niet zou worden ingetrokken. Ter zitting van de Tuchtraad op 24 september 2024 heeft de Tuchtraad kennis genomen van het gegeven dat is beslist door de HTO dat deze beslissing van 23 mei 2024 tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, niet wordt ingetrokken en van het mondeling gegeven deskundig verslag van de Inspecteur-Generaal dat stelt dat er een definitieve sanctie bestaat welke is opgenomen in de administratieve rechtsorde, zodat de Inspecteur-generaal volgens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-9/16 zijn verslag niet langer bevoegd is met betrekking tot het voorstel van zware tuchtstraf en het verzoek tot heroverweging.” Daar de eerste bestreden beslissing – in tegenstelling tot wat verzoeker ten onrechte aanneemt – niet is ingetrokken, is zij niet uit de rechtsorde verdwenen. Van het notuleren van “de beslissing tot intrekking” is geen sprake, zodat er evenmin sprake kan zijn van een buitengerechtelijke erkentenis op de zitting van de Tuchtraad van 25 juni
  33. Verzoeker kon er bijgevolg niet rechtmatig op vertrouwen dat de (niet bestaande) “beslissing tot intrekking zou staande worden gehouden”. Dat een intrekking volgens verzoeker “de logica zelve” zou zijn geweest, verandert daaraan niets. Het standpunt van verzoeker dat het pas op 22 augustus 2024 is dat de hogere tuchtoverheid “voor het eerst opnieuw gaat stellen” dat hij ontslagen is, faalt evenzeer, daar uit wat voorafgaat, volgt dat de eerste bestreden beslissing nooit uit het rechtsverkeer is verdwenen. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is de beroepstermijn ten aanzien van de eerste bestreden beslissing niet ingegaan na kennisneming van de derde bestreden beslissing, maar wel op 30 mei 2024, datum van kennisgeving van de eerste bestreden beslissing. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 10 oktober 2024 en dus ruim na het verstrijken van de beroepstermijn van zestig dagen, is bijgevolg laattijdig.
  34. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep, in de mate dat het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing, is niet ontvankelijk. B. Exceptie ratione materiae wat de tweede bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen
  35. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, werpt de verwerende partij op dat dit om twee redenen geen voor de Raad van State aanvechtbare ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-10/16 rechtshandeling betreft. Ten eerste voert de verwerende partij aan dat de tweede bestreden beslissing geen nieuwe beslissing inhoudt die rechtsgevolgen ressorteert. De rechtsgevolgen voor verzoeker vloeien voort uit de eerste bestreden beslissing. De tweede bestreden beslissing is slechts een antwoord van de hogere tuchtoverheid aan de Tuchtraad op diens uitdrukkelijke vraag omtrent een eventuele intrekking en geen op zich staande beslissing. Het louter meedelen van een standpunt is geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling. Het tweede argument waarop de exceptie van de verwerende partij steunt, is dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing, daar die hem geen voordeel zou verschaffen. De eerste bestreden beslissing waarbij verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd is immers definitief geworden. De vernietiging van de tweede bestreden beslissing zal niet tot gevolg hebben dat verzoeker opnieuw wordt tewerkgesteld, noch dat zijn toestand wordt geregulariseerd.
  36. Verzoeker gaat niet expliciet in op deze exceptie in de memorie van wederantwoord. In de laatste memorie sluit verzoeker zich zonder meer aan bij het auditoraatsverslag. Beoordeling
  37. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een (griefhoudende) administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Zo zijn bijvoorbeeld niet-griefhoudend – en bijgevolg in beginsel niet vatbaar voor een vernietigingsberoep – een louter informatieve brief ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-11/16 of e-mail waarin de wet louter wordt geciteerd, voorbereidende handelingen, voorstellen, niet-bindende adviezen, en loutere uitvoeringsmaatregelen.
  38. Verzoeker omschrijft de tweede bestreden beslissing als de “beslissing dd. 13.08.2024 waarbij wordt gesteld dat de commissaris-generaal de tuchtbeslissing van het ontslag van ambtswege dd. 23.05.2024 in hoofde van de [verzoeker] niet intrekt”. Ter beoordeling van de vraag of deze tweede bestreden beslissing een aanvechtbare administratieve rechtshandeling tot voorwerp heeft, past het deze te kaderen in de context waarin zij is tot stand gekomen. Te dezen werd ten aanzien van verzoeker een voorstel van zware tuchtstraf geformuleerd, waarna hij overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet een verzoek tot heroverweging heeft gericht aan de Tuchtraad. Uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending waarmee het verzoek tot heroverweging werd ingediend de Tuchtraad niet heeft bereikt. Nadat de termijn om een verzoek tot heroverweging was verstreken en de hogere tuchtoverheid zich ervan had verzekerd bij de Tuchtraad dat geen dergelijk verzoek was ingediend, heeft zij overeenkomstig artikel 38sexies, tweede lid, van de tuchtwet de definitieve tuchtbeslissing – de eerste bestreden beslissing – ter kennis gegeven aan verzoeker. Pas nadien is aan het licht gekomen dat verzoeker wel degelijk tijdig een verzoek tot heroverweging had ingediend en heeft de Tuchtraad de partijen opgeroepen voor een hoorzitting op 25 juni
  39. Tijdens die hoorzitting heeft de Tuchtraad de hogere tuchtoverheid gevraagd om tegen 15 juli 2024 te laten weten of de eerste bestreden beslissing al dan niet wordt ingetrokken. Bij e-mail van 13 augustus 2024 meldt de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid aan de secretaris van de Tuchtraad en verzoeker dat de eerste bestreden beslissing niet wordt ingetrokken (zie supra, nrs. 3.6-3.12).
  40. Uit het voorgaande vloeit voort dat wat verzoeker als de tweede bestreden beslissing omschrijft, niet meer is dan het antwoord van de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid op de vraag van de Tuchtraad of de hogere tuchtoverheid de eerste bestreden beslissing al dan niet intrekt. Nog ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-12/16 daargelaten of er wel een formele beslissing van de hogere tuchtoverheid in die zin bestaat – uit de e-mail waaruit verzoeker het bestaan van de tweede bestreden beslissing afleidt, blijkt dat alvast niet – is een dergelijk antwoord op een vraag van de Tuchtraad geen handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen. In dat verband merkt de Raad van State overigens op dat uit het dossier niet blijkt dat verzoeker op enig ogenblik zelf formeel om de intrekking van de eerste bestreden beslissing heeft gevraagd, zodat de tweede bestreden beslissing evenmin als een antwoord op een willig beroep van verzoeker kan worden beschouwd, nog daargelaten of in die omstandigheden wel sprake zou zijn van een aanvechtbare rechtshandeling, vraag die te dezen niet moet worden beantwoord. Het antwoord op de vraag van de Tuchtraad is bijgevolg geen bestuurshandeling die de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kan benadelen. De wijziging van de rechtstoestand van verzoeker vloeit voort uit de eerste bestreden beslissing. Het antwoord namens de hogere tuchtoverheid op een vraag van de Tuchtraad wijzigt daaraan niets en beoogt evenmin daaraan iets te wijzigen.
  41. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep in de mate dat het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing is niet ontvankelijk. C. Exceptie ratione materiae wat de derde bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen
  42. Wat de derde bestreden beslissing betreft, werpt de verwerende partij op dat die beslissing een nota betreft waarbij uitvoering wordt gegeven aan de eerste bestreden beslissing. De loutere uitvoeringsnota is volgens de verwerende partij geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling, daar het enkel de mededeling van een rechtsgevolg van de eerste bestreden beslissing behelst, met ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-13/16 name de aanvangsdatum van het ontslag van ambtswege. Voorts werpt de verwerende partij op dat uit niets blijkt dat de hogere tuchtoverheid een nieuwe beslissing heeft genomen tot herbevestiging van de eerste bestreden beslissing.
  43. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de exceptie dat het pas op 22 augustus 2024 is dat de hogere tuchtoverheid “voor het eerst opnieuw gaat stellen” dat verzoeker ontslagen is. De derde bestreden beslissing is volgens verzoeker geen herbevestiging van de eerste bestreden beslissing, omdat de eerste bestreden beslissing was ingetrokken ingevolge de uitdrukkelijke bekentenis van 25 juni 2024 voor de Tuchtraad. In de laatste memorie komt verzoeker niet expliciet terug op de ontvankelijkheid van het beroep en beperkt hij zich tot het standpunt dat hij zich kan aansluiten bij het auditoraatsverslag. Beoordeling
  44. Hiervoor is uiteengezet wat moet worden verstaan onder een (griefhoudende) administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 14).
  45. Artikel 39 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 luidt: “Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 13, derde lid, en 65 van de tuchtwet, hebben de tuchtstraffen uitwerking op de dag van de kennisgeving ervan aan de personeelsleden overeenkomstig artikel 57ter van dezelfde wet.” Uit deze bepaling volgt – behoudens in de te dezen niet van toepassing zijnde hypothesen van de artikelen 13, derde lid, en 65 van de tuchtwet – dat de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf uitwerking heeft op de dag van de kennisgeving ervan aan het personeelslid. Uit het administratief dossier blijkt dat de kennisgeving aan verzoeker plaatsvond op 30 mei
  46. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-14/16
  47. Met de derde bestreden beslissing richt de dienst loopbaanbeheer van de Federale politie een nota aan een aantal andere diensten. Onder de titel “situatie” verwijst de nota naar de eerste bestreden beslissing en voegt daaraan toe dat ingevolge die beslissing de tewerkstelling van verzoeker bij de Federale politie eindigde op 30 mei 2024 om 24.00u. Voorts vraagt de nota om een aantal “acties”, zoals het aanpassen van de geldelijke situatie van verzoeker, het aanpassen van het abonnement woon-werkverkeer, het ter kennis brengen van de nota aan verzoeker en het aanpassen van de gegevens in het IT-systeem GALoP (Gemeenschappelijke Algemene Logistieke en operationele Planning). Deze nota bevat een loutere mededeling of inlichting aan de bestemmelingen ervan waarbij zij op de hoogte worden gebracht van de zware tuchtstraf die aan verzoeker werd opgelegd en waarbij wordt verduidelijkt wanneer precies diens laatste werkdag was, geheel in overeenstemming met artikel 39 van het koninklijk besluit van 26 november
  48. Voorts geeft de nota een aantal instructies met het oog op de praktische afwikkeling van de uitdiensttreding van verzoeker. Een dergelijke uitvoeringsmaatregel is geen administratieve rechtshandeling die eigen rechtsgevolgen in het leven roept. Uitsluitend de eerste bestreden beslissing roept de rechtsgevolgen in het leven verbonden aan het ontslag van ambtswege. De derde bestreden beslissing voegt daar niets aan toe.
  49. De derde bestreden beslissing is derhalve geen voor de Raad van State aanvechtbare administratieve rechtshandeling. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing is niet ontvankelijk. D. Conclusie
  50. Uit wat voorafgaat, volgt dat het beroep niet ontvankelijk is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-15/16 BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
  53. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig oktober tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.264.724 XII-9774-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.