id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.738 Rolnummer: A. 241140/V-2039 Zaak: Arrest 264738 - Plannen van aanleg - 03/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-05 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-06-15 07:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 264.738 van 3 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 264.738 van 3 november 2025 in de zaak A. 241.140/V-2039 In zake : de GEMEENTE FRASNES-LEZ-ANVAING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV DE WERKVENNOOTSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ive Van Giel kantoor houdend te 2180 Antwerpen Bist 47 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2023 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rond Ronse’. V-2039-1/18 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv De Werkvennootschap heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 25 maart 2025, welke terechtzitting op verzoek van de partijen werd uitgesteld naar de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter De Rycke, die loco advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Ive Van Giel, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. V-2039-2/18 III. Feiten 3.1. De stad Ronse paalt in het zuiden aan de gemeente Frasnes-lez- Anvaing. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) is de N60 (Gent-Valenciennes) geselecteerd als een primaire weg categorie I. De N60 is de verbindingsweg tussen Gent/E17, Frasnes-lez-Anvaing/E429 en Péruwelz/E42 en vormt een belangrijke weg van en naar de Vlaamse Ardennen. De huidige weg loopt dwars door het stadscentrum van Ronse en functioneert daar nog niet als een primaire weg. 3.2. Op 4 juli 2014 stelt de Vlaamse regering een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) ‘Missing Link N60 te Ronse’ definitief vast. 3.3. Met zijn arrest nr. 235.273 van 30 juni 2016 vernietigt de Raad van State het besluit van de Vlaamse regering van 4 juli 2014 houdende definitieve vaststelling van het GRUP ‘Missing Link N60 te Ronse’. 3.4. Op 14 juli 2016 beslist de Vlaamse regering om een nieuw planningsproces op te starten volgens de procedure van het geïntegreerd planningsproces teneinde onder andere de mobiliteitsproblematiek rond Ronse aan te pakken. In deze beslissing is aangegeven dat het doorgaand verkeer doorheen het stadscentrum van Ronse een zware belasting is voor de verkeersleefbaarheid en dat de gebrekkige ontsluiting van de regio één van de zwakke schakels is in de economische ontwikkeling van Zuid-Oost-Vlaanderen. Het geïntegreerd planningsproces is opgevat als een ruimtelijk planningsproces waarbij niet alleen de mobiliteitsopgave in de regio bekeken wordt, maar ook onderzocht wordt op welke wijze meerdere ruimtelijke opgaves vanuit een meer geïntegreerde benadering gelijktijdig aangepakt kunnen worden en er maatschappelijke meerwaarde gerealiseerd kan worden. Het gaat dan in het V-2039-3/18 bijzonder over de ruimtelijke opgaves voor de open ruimte zoals die in uitvoering van het RSV uitgewerkt zijn in de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos voor de regio Vlaamse Ardennen. Deze ruimtelijke visie vormt de basis voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur waarbij onder meer bijkomende natuur- en bosgebieden afgebakend worden in functie van de realisatie van de Europese Natura 2000-doelen en de realisatie van het Vlaams Ecologisch Netwerk en het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk, de te behouden agrarische gebieden vastgelegd worden en erfgoedlandschappen afgebakend worden. Daarnaast is er ook een stedelijk luik, dat een aantal woon- en woonuitbreidingsgebieden betreft. Het gaat om nog niet gerealiseerde gebieden op het grondgebied van de stad Ronse, die gelegen zijn buiten het door de provincie Oost-Vlaanderen afgebakende kleinstedelijk gebied Ronse. Gelet op de eerder perifere ligging buiten de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied en aangezien de gebieden niet nodig zijn voor de invulling van de toekomstige woonbehoefte, wordt voorgesteld om die gebieden een openruimtebestemming te geven. 3.5. Op 17 mei 2019 keurt de Vlaamse regering de startnota en de bijhorende procesnota voor het GRUP ‘Rond Ronse’ goed. 3.6. Van 4 juni 2019 tot 2 augustus 2019 vindt een raadpleging van de bevolking plaats over de door de Vlaamse regering goedgekeurde start- en procesnota. Op 11 juni 2019 vindt een infomarkt over de start- en procesnota plaats. Het verslag over de ontvangen adviezen en inspraakreacties wordt als bijlage bij de startnota gevoegd. 3.7. Er wordt een eerste scopingnota opgemaakt, die voortbouwt op de startnota en rekening houdt met alle adviezen en opmerkingen van de publieke raadpleging en de participatiemomenten die naar aanleiding van de startnota werden georganiseerd (hierna: scopingnota 1). V-2039-4/18 In scopingnota 1 worden volgende zaken opgenomen: “- [E]en beschrijving van de te onderzoeken effecten en van de inhoudelijke aanpak van de effectbeoordelingen, met inbegrip van de methodologie - Een vertaling van de plandoelstellingen uit de startnota naar verfijnde plandoelstellingen. - Een overzicht van mogelijke planalternatieven voor de lijninfrastructuur. Deze planalternatieven vertrekken vanuit eerder onderzoek, vanuit studiewerk van het team ‘Rond Ronse’ en vanuit inspraak in het kader van de publieke consultatieperiode over de start- en procesnota. - Een overzicht van alternatieven voor bosuitbreiding met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de regio van de Vlaamse Ardennen. - De methodiek die gehanteerd zal worden om de redelijkheidstoets uit te voeren. Deze redelijkheidstoets laat toe om in de tweede versie van de scopingnota redelijke alternatieven te onderscheiden van niet-redelijke alternatieven.” 3.8. Van 9 juni 2020 tot 7 augustus 2020 vindt er over scopingnota 1 een raadpleging van de bevolking plaats. Op 29 juni 2020 wordt er een publiek participatiemoment in de vorm van een digitale vragensessie georganiseerd. 3.9. Vervolgens wordt er een tweede scopingnota opgemaakt, die voortbouwt op de startnota en op scopingnota 1 en rekening houdt met alle adviezen en opmerkingen van de publieke raadpleging en de participatiemomenten die naar aanleiding van de startnota en scopingnota 1 werden georganiseerd (hierna : scopingnota 2). Scopingnota 2 bevat, naast de te onderzoeken ruimtelijke aspecten en de te bepalen bijhorende effectbeoordelingen, onder meer nieuwe mobiliteitsalternatieven, het resultaat van de redelijkheidstoets op de mobiliteitsalternatieven, structuurschetsen voor de open ruimten en nieuw kaartmateriaal met zoekzones voor bebossing. 3.10. Van 12 januari 2021 tot 12 maart 2021 vindt over scopingnota 2 een raadpleging van de bevolking plaats. Op 26, 27 en 28 januari 2021 en op 2, 4 en 9 februari 2021 worden er publieke participatiemomenten in de vorm van digitale gesprekstafels georganiseerd. V-2039-5/18 3.11. Vervolgens wordt er een derde scopingnota opgemaakt, die voortbouwt op de startnota, scopingnota 1 en scopingnota 2 en de verwerking bevat van de inspraak op de in scopingnota 2 opgenomen, te onderzoeken ruimtelijke aspecten, alsook effectbeoordelingen die al dan niet moeten worden uitgevoerd en – indien van toepassing – de methode ervan (hierna: scopingnota 3). In scopingnota 3 worden ook twee nieuwe combinatiealternatieven opgenomen. 3.12. Op 23 juni 2022 beslist de provincie Oost-Vlaanderen tot de delegatie van de planningsbevoegdheid aan het Vlaamse Gewest voor wat de als secundaire weg geselecteerde zuidelijke omleidingsweg betreft. 3.13. Op 28 juni 2022 vindt de plenaire vergadering over het voorontwerp van het GRUP ‘Rond Ronse’ plaats. 3.14. Op 20 januari 2023 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van het GRUP ‘Rond Ronse’ voorlopig vast. 3.15. Luidens de toelichtingsnota bij het plan vertrekt het plannings- proces voor het GRUP ‘Rond Ronse’ vanuit de doelstelling om in uitvoering van het RSV een duurzame oplossing te bieden voor de mobiliteitsproblematiek in en rond Ronse (hoofddoelstelling 1). Daarnaast wordt, vanuit de geïntegreerde benadering van dit planningsproces, ook gestreefd naar het realiseren van maatschappelijke meerwaarden door de verbetering van de ruimtelijke structuur (hoofddoelstelling 2). Dit gebeurt door in te spelen op potenties en ruimtelijke opgaves in domeinen als ruimte, landschap, ecologie en milieu, landbouw en erfgoed. Door het benutten van deze potenties en het omzetten naar synergieën worden wederzijdse doelstellingen versterkt. De hoofddoelstellingen 1 en 2, en de subdoelstellingen, worden in de toelichtingsnota bij het plan als volgt uiteengezet: “• Hoofddoelstelling 1. Het oplossen van de regionale mobiliteitsproblematiek. V-2039-6/18 - Subdoelstelling 1.1 Het realiseren van een kwalitatieve bovenlokale verbinding. - Subdoelstelling 1.2 Het verbeteren van de lokale verkeerssituatie in functie van leefbaarheid en veiligheid. - Subdoelstelling 1.3 Het verbeteren van de multimodaliteit. • Hoofdoelstelling 2. Creatie van maatschappelijke meerwaarde door verbetering van de ruimtelijke structuur. - Subdoelstelling 2.1 Het beschermen en herstellen van natuur - Subdoelstelling 2.2 Het verhogen van de landschappelijke kwaliteit van de Vlaamse Ardennen - Subdoelstelling 2.3 Het verhogen van de kwaliteit van de stedelijke rand - Subdoelstelling 2.4 Het bieden van een toekomstperspectief aan de landbouw.” Het plan geeft daarmee uitvoering aan: “• de richtinggevende en bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met betrekking tot de lijninfrastructuur en de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur. • de beslissing van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 over de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur in de regio Vlaamse Ardennen • de beslissing van de Vlaamse Regering van 23 april 2014 over de vaststelling van de Europese Natura 2000-doelen voor het habitatrichtlijngebied BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen. • de doelstellingen van het onroerenderfgoedbeleid door het aanduiden van erfgoedlandschappen voor items uit de vastgestelde landschapsatlas in de zin van het onroerenderfgoeddecreet, zijnde de landschapsatlasrelicten: - Vlaamse Ardennen van Kluisbos tot Koppenberg - Muziekbos-Koekamerbos.” De hoofddoelstelling 1 wordt vertaald in het deelplan 1 “Bovenlokale wegverbinding N60 en zuidelijke omleidingsweg” en de hoofdoelstelling 2 in het deelplan 2 “Vlaamse Ardennen rond Ronse”. 3.16. In het deelplan 1 is gekozen voor “het plusalternatief G4” bestaande uit de kruising van de heuvelrug van de Vlaamse Ardennen in een tunnel en op maaiveld tot aan de gewestgrens, in combinatie met de zuidelijke omleidingsweg uitgevoerd met twee onderdoorgangen ter hoogte van de Aatstraat en Rotterij te Ronse. V-2039-7/18 3.17. Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 10 maart 2023 tot 8 mei 2023 over het ontwerp van het GRUP ‘Rond Ronse’ wordt georganiseerd, worden 640 inspraakreacties ontvangen, waaronder adviezen van de stad Ronse en de gemeente Frasnes-lez-Anvaing. 3.18. Op 9 oktober 2023 keurt het agentschap voor Natuur en Bos de passende beoordeling en de verscherpte natuurtoets goed. 3.19. Op 10 oktober 2023 beoordeelt het team Omgevingseffecten van de Vlaamse overheid (hierna: het team Mer) de kwaliteit van het planmilieueffectrapport met geïntegreerde passende beoordeling (hierna: plan- MER) als voldoende. 3.20. Het plan-MER bevat volgende (toelichting bij
- de)tabel “3.1 Ingreep-effectschema”: “3.1.6 Planingrepen – ingreep-effectschema Gebaseerd op het planvoornemen, worden in het ingreep-effect-schema op de volgende bladzijden de belangrijkste mogelijke effecten weergegeven gekoppeld aan de realisatie van het plan. In de tabel worden de potentiële effecten weergegeven van alle planonderdelen, dus niet alleen van de boven- lokale weginfrastructuur en de bebossing, maar ook van de andere herbestemmingen waar (voorlopig) geen fysieke ingrepen aan gekoppeld zijn. Deze herbestemmingen worden in eerste instantie niet beoordeeld; dit zal pas gebeuren bij de beoordeling van het uiteindelijk gekozen tracéalternatief. Het ingreep-effectschema omvat zowel effecten in de aanlegfase als in de exploitatiefase. De effecten van de aanlegfase worden niet steeds behandeld in een plan-MER, gezien ze vaak tijdelijk en niet significant van aard zijn en/of de details over de (wijze van) aanleg nog niet gekend zijn (leemten in de kennis). De effecten tijdens de aanlegfase worden in plan-MER’s onderzocht voor zover ze zeer langdurig zijn of permanente schade veroorzaken. In onderstaand schema worden de potentiële effecten van het plan op de abiotische disciplines bodem, water, geluid en lucht en op de zgn. receptordisciplines biodiversiteit, landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie en mens (mobiliteit, ruimtelijke aspecten en gezondheid) opgesomd. De effecten die relevant zijn voor onderzoek op planniveau (effecten exploitatiefase en permanente of langdurige negatieve effecten aanlegfase) worden in het vet aangeduid. De andere, niet in het vet aangeduide effecten worden niet behandeld in (dit stadium van) het plan- V-2039-8/18 MER. Tabel 3-1 Ingreep-effectschema Planonderdeel / Potentieel effect Discipline subdoelstelling Hoofddoelstelling 1: Oplossen van de regionale mobiliteitsproblematiek Realisatie van een Impact op verkeersstromen en Mens- verkeerskundig bereikbaarheid mobiliteit en ruimtelijk Impact op verkeersleefbaarheid kwalitatieve en –veiligheid bovenlokale Verkeerseffecten tijdens de verbinding aanlegfase Geluidsemissies door wegverkeer Geluid Geluidsemissies tijdens de aanlegfase Emissies van polluenten door Lucht wegverkeer Stofemissies tijdens de aanlegfase […] […] 3.21. Op 22 november 2023 brengt de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies nr. 74.795/1 uit over het ontwerp van het GRUP ‘Rond Ronse’. 3.22. Met het bestreden besluit van 23 november 2023 stelt de Vlaamse regering het GRUP ‘Rond Ronse’ definitief vast. Uit artikel 1.2 van de stedenbouwkundige voorschriften en het verordende grafisch plan volgen dat er een boortunnel met een lengte van ongeveer twee kilometer moet worden aangelegd tussen de Rijksweg in Maarkedal en de Kapellestraat in Ronse, langs het habitatrichtlijngebied BE2300007 ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ (hierna: SBZ Vlaamse Ardennen). De in het GRUP voorziene zuidelijke omleidingsweg loopt langs de zuidelijke grens van de stad Ronse, met in de onmiddellijke nabijheid daarvan het habitatrichtlijngebied BE32005 “Vallées de la Dendre et de la Marcq” (hierna: SBZ Dender), dat zich deels op het grondgebied van de gemeente Frasnes-lez- Anvaing bevindt. V-2039-9/18 IV. Tussenkomst 4. De nv De Werkvennootschap heeft als taak grote infrastructuurwerken versneld en geïntegreerd aan te pakken. In de planprocedure met betrekking tot het GRUP ‘Rond Ronse’ maakt zij deel uit van het planteam dat het geïntegreerd planningsproces coördineert. Tevens wordt zij betrokken bij de realisatie van het GRUP. De nv De Werkvennootschap heeft er dan ook belang bij om in de huidige procedure tussen te komen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 5.1. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 36ter, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet), van artikel 4.2.8 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: het DABM), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 5.2. De verzoekende partij licht toe dat er onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve effecten van het bestreden GRUP, met name wat betreft de stikstofdepositie in de nabijgelegen speciale beschermingszones. Alleen de stikstofemissies als gevolg van de voorspelde verkeersstromen zijn beschreven en onderzocht. Er zijn echter ook stikstofemissies te verwachten als gevolg van werkzaamheden voor de aanleg van de ring- en omleidingsweg. De verzoekende partij klaagt aan dat in het uitgevoerde effectenonderzoek de stikstofemissies tijdens de aanlegfase niet zijn berekend en niet in aanmerking zijn genomen. Zo zullen er gedurende lange tijd grootschalige werken vereist zijn voor de bouw van een lange tunnel vlak naast de SBZ Vlaamse Ardennen. De keuze voor de tunnel op deze locatie is reeds bepaald in het bestreden GRUP, zodat de effecten van deze keuze logischerwijze op planniveau onderzocht dienden te worden. V-2039-10/18 De verzoekende partij concludeert dat de effecten van de stikstofemissies tijdens de aanlegfase in het plan-MER onderzocht hadden moeten worden. Er anders over oordelen komt erop neer te erkennen dat er niet kan worden gegarandeerd dat de realisatie van het planintiatief geen betekenisvolle negatieve effecten kan veroorzaken. 6. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat in het plan-MER bij elke discipline de aanlegfase is betrokken. Waar de verzoekende partij opwerpt dat enkel de exploitatiefase en niet de aanlegfase in het plan-MER is onderzocht, gaat zij volgens de verwerende partij voorbij aan de inhoud van het dossier en in het bijzonder aan het plan-MER zelf. Onder de hoofding “3.1.6 Planingrepen – ingreep-effectschema” van het plan-MER wordt vermeld dat het ingreep-effectschema zowel de effecten in de aanlegfase als de effecten in de exploitatiefase omvat. De effecten tijdens de aanlegfase worden in plan-MER’s onderzocht voor zover ze zeer langdurig zijn of permanente schade veroorzaken. Dit blijkt ook uit de tabel “3.1 Ingreep-effectschema”, waarin de aanlegfase wordt vermeld. Doorheen het plan-MER wordt de aanlegfase in elk deelrapport betrokken en onderzocht. De verzoekende partij werpt op dat er bepaalde werken op grote schaal en van een lange duur zullen zijn, waarbij zij verwijst naar een tunnel naast de SBZ Vlaamse Ardennen. Zij betrekt het plan-MER niet bij deze opmerking. Enkel stelt zij dat de aanlegfase voor deze langdurige werken niet zou betrokken zijn in het uitgevoerde effectenonderzoek. Dit is geenszins correct. De kritiek mist feitelijke en juridische grondslag. De verwerende partij concludeert dat de in het plan-MER geïntegreerde passende beoordeling voldoende concreet en onderbouwd elke redelijke wetenschappelijke twijfel op betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszones uitsluit. 7. Het standpunt in het verzoekschrift tot tussenkomst van de tussenkomende partij is identiek aan dat van de verwerende partij. 8. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de mogelijke aanzienlijke milieueffecten op planniveau betrokken werden in het plan- MER. Hier geldt namelijk de “tiering” of trechtering in (milieu)effect- V-2039-11/18 beoordelingen, waarbij het effectenonderzoek (beleidsplan, RUP, project, …) telkens op het geëigende niveau gebeurt. “Tiering” is het afbakenen van het onderzoek, en dit op basis van het niveau van het programma, plan of project dat kan variëren van strategisch over operationeel tot uitvoeringsgericht. Een dergelijke getrapte aanpak wordt onderbouwd door artikel 4.3 van de Europese richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’. Voor elk MER en voor elke discipline moet steeds opnieuw bekeken worden wat het wenselijke niveau van detail en diepgang is. Een te gedetailleerd niveau drijft de kosten en de doorlooptijd van het MER op, zonder wezenlijke bijdrage aan de besluitvorming. De inhoud van een MER moet dus afgestemd worden op de inhoud en het detailleringsniveau van het programma, plan of project. De detailleringsgraad van een plan-MER is dus noodzakelijkerwijze lager dan die van een project-MER, aangezien nog niet alle concrete inrichtingsdetails gekend zijn en een RUP de nodige flexibiliteit moet kunnen bieden om in te spelen op onzekere toekomstige ontwikkelingen. In casu ligt de uitvoeringswijze van de aanleg van de weg nog niet volledig vast. Een verdere meer gedetailleerde beoordeling van de effecten in aanlegfase voor de aanlegwerken dient bijgevolg plaats te vinden op projectniveau, wat ook de finaliteit is van een project-MER dat op dat moment zal worden uitgevoerd. Volgens de verwerende partij bevat het plan-MER bovendien wel degelijk een beoordeling van de effecten met betrekking tot de aanlegfase. Er wordt immers geoordeeld dat de werken in de aanlegfase zullen leiden tot tijdelijke, niet-permanente effecten, waardoor ze op planniveau niet relevant geacht worden voor verder onderzoek in het plan-MER en er dus geen verder onderzoek nodig is. Hieruit blijkt dat de MER-deskundigen van mening waren dat de effecten tijdens de aanlegfase voor deze discipline geen mogelijke aanzienlijke milieueffecten zullen meebrengen die op planniveau dienden te worden onderzocht. De verzoekende partij slaagt er op geen enkele manier in om aan te tonen dat dit standpunt niet correct zou zijn. De tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen in detail aan een milieueffectenonderzoek onderworpen worden in een project- MER. Op project-niveau zal opnieuw naar de mogelijk aanzienlijke milieueffecten V-2039-12/18 moeten worden gekeken. Op dat moment zal de concrete uitvoeringswijze bekend zijn en zullen de effecten nuttig kunnen worden onderzocht en beoordeeld. Er is een duidelijke afzonderlijke bestaansreden van het project-MER. Het standpunt van de verzoekende partij holt deze bestaansreden uit en maakt het instrument van het plan-MER onwerkzaam door onterecht effecten die op projectniveau onderzocht dienen te worden reeds te willen laten onderzoeken op planniveau. 9.1. In haar laatste memorie herneemt de tussenkomende partij de in het vorige randnummer weergegeven argumenten. Zij voegt eraan toe dat het gekozen tracéalternatief G4 de meest positieve balans heeft dankzij het intunnelen van de N60 ter hoogte van grote delen van de SBZ Vlaamse Ardennen, waarvan het positief effect nog versterkt wordt door de verkeersafname op de Zandstraat. Om dit gunstig permanent resultaat in de exploitatiefase te bereiken, is er uiteraard een aanlegfase vereist met tijdelijke effecten. Het MER-onderzoek op planniveau strekt er evenwel toe te bewaken dat deze tijdelijke effecten niet onherstelbaar zijn - lees - van permanente aard. De aanlegfase heeft geen onderscheidend karakter voor de keuze van het alternatief. Al helemaal niet toont de verzoekende partij aan dat de impact van de werffase aanzienlijke milieueffecten zou kunnen hebben. Dergelijk bewijs is er ook helemaal niet. Integendeel zelfs, de aanleg van een tunnel met sleufloze technieken (geboorde tunnel) wordt immers aangedreven door elektrische motoren in plaats van door verbrandingsmotoren. De nodige elektriciteit wordt via het openbaar net geleverd en heeft geen lokale impact voor wat betreft eutrofiëring. 9.2. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij toe dat de verzoekende partij verwijst naar negatieve gevolgen voor de SBZ Vlaamse Ardennen in het Vlaamse Gewest, waar zij geen hinder van ondervindt. De speciale beschermingszones die gelegen zijn in het Waalse Gewest zijn in het plan-MER geëvalueerd. Hieromtrent wordt in het middel geen kritiek geformuleerd. Volgens de tussenkomende partij schiet de verzoekende partij aldus tekort wat betreft haar stelplicht. Dit heeft tot gevolg dat zij geen belang aantoont bij het middel, waardoor dit niet enkel ongegrond maar bovendien zelfs onontvankelijk is. V-2039-13/18 Beoordeling 10.1. Artikel 36ter, § 4, eerste zin, van het natuurdecreet stelt: “§ 4. De overheid die over […] een plan [dat aan een passende beoordeling is onderworpen] moet beslissen, mag […] het plan […] slechts goedkeuren indien het […] geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken.” Artikel 2, 30°, van het natuurdecreet definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “30° betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. 10.2. Artikel 4.2.8, § 1bis, 6°, DABM stelt onder meer het volgende: “Het plan-MER moet ten minste de volgende gegevens bevatten: […] 6° een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren. De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. […]”. V-2039-14/18 10.3. Zoals bevestigd is in ’s Raads arrest nr. 252.314 van 3 december 2021, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een passende beoordeling geen leemten mag vertonen en volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies moet bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de plannen of projecten voor het betrokken beschermde gebied wegnemen (HvJ 7 november 2018, samengevoegde zaken C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882, punt 98; HvJ 25 juli 2018, Grace en Sweetman, C-164/17, ECLI:EU:C:2018:593, punt 39). Dezelfde rechtspraak stelt dat de nationale rechter – teneinde erop toe te zien dat voldaan wordt aan alle genoemde eisen – dient over te gaan tot een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van de passende beoordeling. 11.1. In het middel klaagt de verzoekende partij aan dat in het plan- MER en de daarin geïntegreerde passende beoordeling de stikstofemissies tijdens de aanlegfase niet zijn berekend en niet in aanmerking zijn genomen. Zoals vermeld (randnr. 3.22), ligt de door het bestreden GRUP voorziene weginfrastructuur in de onmiddellijke nabijheid van de SBZ Vlaamse Ardennen en de SBZ Dender. 11.2. De in randnummer 9.2 weergegeven exceptie van de tussenkomende partij kan niet worden aangenomen, al was het maar omdat – zoals uit het vorige randnummer blijkt – het middel een algemene draagwijdte heeft en uit de gegevens van de zaak blijkt dat de SBZ Dender zich deels op het grondgebied van de verzoekende partij bevindt. 12. In het effectenonderzoek waarop het bestreden GRUP steunt wordt erkend dat “tijdens de aanlegfase […] de aanlegwerken […] een bron van luchtemissies en stofhinder [zijn]”. Deze effecten worden evenwel bestempeld als “op planniveau niet relevant” omdat ze “tijdelijk van aard [zijn] en […] niet tot permanent negatieve effecten leiden”. De tabel “3.1.6 Planingrepen – ingreep- effectschema” bevestigt dat in het uitgevoerde effectenonderzoek de tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase “niet behandeld [worden]”. V-2039-15/18 De enige verklaring die in het voor het bestreden GRUP uitgevoerde effectenonderzoek wordt gegeven om de voornoemde effecten op planniveau irrelevant te achten is dat zij zich slechts tijdelijk zullen voordoen. Het komt de Raad van State echter voor dat het niet a priori uit te sluiten valt dat tijdelijke effecten permanente schade aanrichten, bijvoorbeeld wanneer door de emissies van ingrijpende aanlegwerken die meerdere jaren duren een ecologisch kantelpunt bereikt wordt. Gewis kan met de verwerende partij worden aangenomen dat bij de effectenbeoordeling op planniveau de detailleringsgraad minder groot is dan bij de effectenbeoordeling op projectniveau. Evenwel moet worden vastgesteld dat het enkele feit dat effecten zich slechts tijdelijk zullen voordoen geen aanvaardbare verantwoording is om ze – zoals te dezen is gebeurd – op planniveau in hun geheel irrelevant te achten. Zulks wordt bevestigd door de uit artikel 4.2.8, § 1bis, 6°, DABM (randnr. 10.2) voortvloeiende verplichting om de tijdelijke effecten van een plan onderbouwd te beoordelen. Aan de laatstgenoemde vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de in de laatste memorie van de verwerende en de tussenkomende partijen ingeroepen elementen zoals het feit dat nog niet in detail is geweten hoe de aanleg van de nieuwe infrastructuur precies zal gebeuren en de bewering dat er voor het boren van de tunnel elektrische motoren zullen worden gebruikt. 13. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Omvang van de vernietiging 14. De verwerende en tussenkomende partijen werpen terecht op dat het bestreden GRUP bestaat uit twee deelplannen die van elkaar kunnen worden afgesplitst. V-2039-16/18 De verzoekende partij bevestigt in haar memorie van wederantwoord dat de gedeeltelijke vernietiging, beperkt tot het deelplan 1 van het bestreden RUP, haar volledige genoegdoening verschaft. De uit te spreken vernietiging wordt dan ook beperkt tot het deelplan 1 ‘Bovenlokale wegverbinding N60 en zuidelijke omleidingsweg’. BESLISSING 1. Het verzoek van de nv De Werkvennootschap tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State vernietigt het deelplan 1 “Bovenlokale wegverbinding N60 en zuidelijke omleidingsweg” (kaartenbladen 1a en 1b) van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2023 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rond Ronse’. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. V-2039-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Luc Donnay, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jan Clement V-2039-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.738 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:EU:C:2018:593 ECLI:EU:C:2018:882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div