id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.741 Rolnummer: A. 245703/XII-9915 Zaak: Arrest 264741 - Dierenwelzijn - 03/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-04 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-06-15 07:40 Fiche Arrest nr 264.741 van 3 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 264.741 van 3 november 2025 in de zaak A. 245.703/XII-9915 In zake: J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van de Cauter kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 480/V. 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 1 september 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “[b]eslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid met dossiernummer G-25-2963 inzake de plaatsing van de dieren van verzoekster dd. 4 juli 2025”. Tevens vraagt verzoekster te bevelen dat de (overblijvende) hond en de kat van verzoekster aan haar in volle eigendom worden teruggegeven, en dit onder verbeurte van een dwangsom van honderd euro per dag vanaf het eerste verzoek tot teruggave na het tussen te komen arrest. XII-9915-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 8 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025, om 14.00 uur . De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Van de Cauter die verschijnt voor verzoekster en advocaat Brent Van Sande, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9915-2/13 III. Feiten 3.1. Op 29 mei 2025 doet de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot twee honden en een kat van verzoekster. 3.2. Op 29 mei 2025 worden de twee honden en de kat van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. 3.3. Op 30 mei 2025 geeft het afdelingshoofd van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid toestemming tot euthanasie van de hond Cairn Terriër. 3.4. Op 24 juni 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. 3.5. Op 4 juli 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn om de hond (Jack Russel Terriër) en de kat in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Dit is de bestreden beslissing. 3.6. De verwerende partij voert aan dat de hond op 24 juli 2025 en de kat op 5 augustus 2025 werden ‘geadopteerd’ door een derde. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. Daags voor de terechtzitting dient verzoekster een “gecorrigeerde versie” in van het verzoekschrift. 5. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een “gecorrigeerde versie” van het XII-9915-3/13 verzoekschrift. Deze nieuwe versie van het verzoekschrift, ingediend ruimschoots na het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) is niet-ontvankelijk en wordt uit het debat geweerd. V. Vertrouwelijkheid van de stukken 6. De verwerende partij heeft de vertrouwelijke behandeling gevraagd van de door haar overgelegde stukken met nummers 7 en 8. De Raad van State stelt vast dat de voorwaarden ter zake, gesteld in artikel 87, § 2, van het algemeen procedurereglement, zijn nageleefd. Verzoekster betwist de vertrouwelijke behandeling van de stukken niet. 7. Er zijn geen redenen voorhanden om de vertrouwelijkheid te lichten. VI. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang 8. In de nota werpt de verwerende partij op dat er overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts voldaan is aan het belangvereiste als twee cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, met name dat de verzoekende partij een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel ondergaat door de bestreden beslissing en dat een gebeurlijk tussen te komen vernietiging van de bestreden beslissing haar een direct en persoonlijk voordeel moet (kunnen) opleveren, hoe miniem ook. De verwerende partij zet uiteen dat deze cumulatieve voorwaarden te dezen niet zijn vervuld. Het loutere gegeven dat verzoekster “eigenares is van de dieren” volstaat niet opdat zij een wettig belang heeft. Te dezen laat verzoekster volgens de verwerende partij na om XII-9915-4/13 aannemelijk te maken waarom zij een belang heeft. Zij concretiseert op geen enkele wijze het nadeel dat zij lijdt, noch maakt zij aannemelijk welk voordeel zij beoogt met huidige procedure, hoewel zij wel proactief een summiere uiteenzetting doet over het belangvereiste. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat verzoekster geen actueel belang (meer) heeft, daar zowel de hond als de kat inmiddels zijn geadopteerd door een derde-adoptant, temeer daar verzoekster louter de wederinbezitstelling van de dieren beoogt. Beoordeling 9. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). XII-9915-5/13 Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 10. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie vertrekt van het uitgangspunt dat het verzoekster er louter om te doen is opnieuw in het bezit te komen van de dieren. Volgens de verwerende partij is dit niet mogelijk, daar de volle eigendom definitief werd overgedragen aan een erkend dierenasiel en de dieren nadien zijn ‘geadopteerd’. 11. De exceptie getuigt daarmee vooreerst van een verkeerde lezing van het verzoekschrift. Verzoekster wenst niet enkel opnieuw in het bezit te komen van de dieren, zij beroept zich ook op de aantasting van haar eigendomsrecht en een moreel belang. Verzoekster wijst er immers op dat zij een liefhebster is van dieren, dat de dieren voor haar een noodzakelijke aanwezigheid en gezelschap vormen, dat ze begaan is met dieren, alsook dat ze bekommerd is over het welzijn van haar dieren die zeer oud zijn en specifieke zorg nodig hebben. XII-9915-6/13 12. Voorts merkt de Raad van State op dat de vernietiging door de Raad van State van een bestuurshandeling erga omnes geldt en bovendien terugwerkende kracht heeft. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, zodat de bestreden rechtshandeling moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Het bestuur dat de vernietigde bestuurshandeling heeft genomen, is er vervolgens toe gehouden – met eerbiediging van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest – het gepaste rechtsherstel te bieden. 13. Te dezen wordt in dat verband vastgesteld dat – indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd – dit tot gevolg heeft dat met toepassing van artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het daaraan voorafgaande beslag, vermeld in paragraaf 1 van die bepaling, van rechtswege wordt opgeheven. In die hypothese moet de bestreden beslissing immers worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat er sprake is van het uitblijven van een bestemmingsbeslissing, zoals bedoeld in artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024. Bij het uitblijven van een dergelijke bestemmingsbeslissing na zestig dagen vanaf de datum van inbeslagname wordt het beslag overeenkomstig artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 van rechtswege opgeheven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat, in het kader van het rechtsherstel na een gebeurlijke nietigverklaring, de dieren in beginsel aan verzoekster moeten worden terugbezorgd. 14. De verwerende partij wijst er voorts op dat de dieren door het asiel inmiddels aan derden zijn overgedragen. Daargelaten dat niet blijkt dat daarmee de volle eigendom over de dieren aan derden is overgedragen – de verwerende partij beperkt zich tot het neerleggen van de desbetreffend nietszeggende eerste pagina’s van de beweerde “adoptieovereenkomsten” – is de Raad van State niet bevoegd zich over de aard, de geldigheid en de gevolgen van XII-9915-7/13 deze eventuele overeenkomst of verbintenis uit te spreken. Die bevoegdheid komt de rechtbanken van de rechterlijke orde toe. In zoverre verzoeksters belang bij het beroep er ultiem in bestaat de dieren terug te krijgen, mag het dan ook eerder theoretisch en ijl heten. Dat is op zich niettemin onvoldoende om het a priori als (
- te)onrechtstreeks of anderszins ontoereikend te verwerpen. 15. Verzoekster in die omstandigheden elk belang bij het voorliggende beroep ontzeggen, louter omdat de dieren door het asiel inmiddels aan derden zijn overgedragen en waarbij het aan de Raad van State niet toekomt om zich uit te spreken over de aard van die overdracht en de eventuele gevolgen daarvan op de verplichting van de verwerende partij om rechtsherstel te bieden na een gebeurlijke nietigverklaring, zou getuigen van een al te restrictieve benadering van het begrip ‘belang’. 16. Zoals hiervoor uiteengezet, dient de Raad van State erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (zie supra, nr. 9). Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing verzoekster niet enkel benadeelt. De eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoekster ook een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Deze vaststelling volstaat opdat verzoekster een belang heeft bij het beroep. 17. De exceptie wordt verworpen. XII-9915-8/13 VII. Toepassing kortedebattenprocedure Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 18. In het verzoekschrift voert verzoekster in het eerste middel aan dat zij zich op het ogenblik van de controle in een overmachtssituatie bevond, daar zij gehospitaliseerd was. Dit was een plotselinge en onverwachte gebeurtenis, zodat haar niets kan worden verweten. Zij zet uiteen dat zij vervolgens haar woonst heeft laten reinigingen en desinfecteren, alsook dat zij voor de toekomst efficiënte maatregelen heeft genomen, zodat vertrouwde personen en organisaties klaarstaan om voor haar dieren te zorgen, indien zij door overmacht of een andere reden afwezig is. Zij wijst erop dat zij bij haar identiteitskaart een nota bij zich draagt met de vermelding dat er thuis dieren zijn en met de te verwittigen contactpersonen. Verzoekster begrijpt dat de verbalisanten geschokt waren, maar betwist dat er thans onvoldoende garanties zouden zijn om het welzijn van de dieren te waarborgen. Beoordeling 19. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten): “15. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij zelf het middel omschrijft als ‘overmacht’. Het middel wordt dan ook als zodanig onderzocht. Er is daarbij geen reden waarom de verzoekende partij het belang zou moeten worden ontzegd om overmacht in te roepen om te ontsnappen aan de gestrengheid van de wet. 16. Overmacht kan slechts het gevolg zijn van een buiten de wil gelegen feit – hetzij van eigenlijke overmacht, hetzij van de houding van een derde – en niet van een loutere wilsdaad van de verzoekende partij, ongeacht of het om een opzettelijke daad dan wel om nalatigheid gaat. Overmacht kan slechts worden aanvaard onder de dubbele voorwaarde dat enerzijds een onoverkomelijke gebeurtenis aanwezig is waarop de verzoekende partij geen vat had en dat zij anderzijds al het mogelijke heeft gedaan om het voorval te vermijden. Het volstaat derhalve niet dat de XII-9915-9/13 ingeroepen omstandigheid onoverkomelijk is, ze moet bovendien onvoorzienbaar zijn. De Raad van State eist een absolute of volstrekte onmogelijkheid, wat de eerste bestaansvoorwaarde betreft, namelijk de invulling van het begrip ‘onoverkomelijk’ of ‘onvermijdbaar’. De tweede bestaansvoorwaarde houdt in dat de voornoemde onoverkomelijkheid niet te wijten is aan een fout van de verzoekende partij. Overmacht kan immers niet worden aangenomen indien de persoon die zich voor een of andere handeling of gedraging op de overmacht beroept, zichzelf vrijwillig, opzettelijk, door nalatigheid of door een gebrek aan voorzichtigheid in die toestand van overmacht heeft geplaatst. Het volstaat met andere woorden niet dat de ingeroepen omstandigheid onoverkomelijk is; bovendien is vereist dat ze onvoorzienbaar is. Kortom, het kenmerk van overmacht is een gebeurtenis die niets van doen heeft met de verzoeker, en die niet voorzien, verhinderd of overwonnen kon worden. De bewijslast van het bestaan van overmacht ligt bij de verzoeker. 17. Uit het feitenrelaas dat de zaak kenmerkt, blijkt dat de verzoekende partij werd gehospitaliseerd van 22 mei tot 9 juni 2025. Zij heeft zelf verklaard, aan de politie op 24 juni 2025, dat zij vóór de opname in het ziekenhuis water had klaargezet voor de dieren, alsook vijf geopende blikjes sardienen en vijf geopende blikjes makreel, en dat haar was gezegd dat de dieren best enkele dagen zonder voedsel konden. De verzoekende partij bewijst niet dat zij, vóór de opname in het ziekenhuis, laat staan gedurende de opname, in de volstrekte onmogelijkheid verkeerde om opvang voor de dieren te regelen door bijvoorbeeld een beroep te doen op een dierenarts of een dienst die zorgt voor opvang thuis. Het komt niet toe aan de verwerende partij, noch aan het auditoraat, om aan te tonen dat de verzoekende partij zich tot die diensten kon wenden; het is de verzoekende partij die moet bewijzen dat zij zich níét kon wenden tot een diergeneeskundige spoeddienst of andere instantie voor noodopvang. 18. In haar verklaring stelt de verzoekende partij dat zij op 27 mei 2025 heeft gevraagd aan haar voormalige collega die haar kwam bezoeken, om de dieren te voederen. Aan de politie heeft die persoon echter gemeld dat zij zich zorgen maakte over de dieren en daarom in het ziekenhuis de huissleutel had gevraagd om zich te vergewissen van de toestand van de dieren. Met andere woorden, zelfs indien de verzoekende partij zich vóór de hospitalisatie in de onmogelijkheid had bevonden om meer te doen dan enkel het voorzien van water en blikjes eten, dan nog had zij eerder dan 27 mei 2025 stappen kunnen ondernemen door personen of instanties te bellen of laten bellen om voor haar dieren te zorgen. Nogmaals, de bewijslast ligt bij de verzoekende partij. De attestering dat zij was opgenomen in het ziekenhuis van 21 mei tot en met 6 juni 2025, volstaat niet om de volstrekte onmogelijkheid om te handelen te bewijzen. De Raad van State eist, in overeenstemming met de strikte interpretatie van het begrip ‘overmacht’, dat de gezondheidstoestand van de verzoekende partij zo slecht was dat zij niet tijdig kón optreden, teneinde overmacht te kunnen aanvaarden. Was dat het geval, dan had de verzoekende partij hiervan melding moeten maken in het verzoekschrift en dat aantonen. 19. Omwille van het feit dat de verzoekende partij geen stukken bijbrengt die toelaten om aan te nemen dat opname in het ziekenhuis van die aard was dat zij in de volstrekte onmogelijkheid was om haar dieren te verzorgen, kan er geen overmachtssituatie worden aangenomen. Het zich heden of in de toekomst alsnog conformeren aan de verplichtingen die destijds rustten op de verzoekende partij wegens haar eigen keuze om dieren te houden, en die voortvloeiden uit artikel 10, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, kan de wettigheid van [de] bestreden beslissing, die wordt XII-9915-10/13 beoordeeld op het moment dat ze werd genomen, niet doen wankelen. 20. Het middel is ongegrond.” 20. Ter terechtzitting, dit is bij de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoekster daarvoor aanbood, heeft zij daartegen niets ingebracht. Zij beperkt zich tot het herhalen van wat zij in het verzoekschrift heeft uiteengezet. Evenmin betwist zij dat de zaak met korte debatten kan worden afgehandeld. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 21. In het verzoekschrift voert verzoekster in het tweede middel aan dat de bestreden beslissing een disproportionele maatregel is. Verzoekster kan begrijpen dat haar dieren tijdelijk in een dierenasiel werden geplaatst tijdens haar hospitalisatie, maar ze begrijpt niet dat deze maatregel in stand wordt gehouden na haar hospitalisatie. Ze zet uiteen dat zij sinds de overmachtssituatie die zich voordeed, opnieuw gezond is en maatregelen heeft genomen zodat de hond en de kat door vertrouwde personen worden opgevangen als er zich problemen voordoen. Wat de hond Cairn Terriër betreft, blijft verzoekster erbij dat zij niet begrijpt wat er is gebeurd dat iemand zo’n vreselijke beschrijving heeft gegeven. Verzoekster biedt nu alle garanties om een dergelijke situatie in de toekomst te vermijden. Beoordeling 22. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten): “23. Het is duidelijk dat de verzoekende partij de schending van het redelijkheidsbeginsel inroept. XII-9915-11/13 Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Gelet op de vaststellingen waarop de bestreden beslissing steunt, kan niet worden aangenomen dat de verwerende partij de perken van de redelijkheid is te buiten gegaan door de beslissing van het geven van de dieren in volle eigendom aan een dierenasiel te nemen, die een van de mogelijkheden is, die haar door de decreetgever zijn toegekend. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de verwerende partij werd geconfronteerd met een houder van dieren, van wie één hond moest worden geëuthanaseerd omdat volgens de vaststellingen van de politie, onder meer, zijn teelballen volledig waren opgegeten door de maden.” 23. Ter terechtzitting, dit is bij de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoekster daarvoor aanbood, heeft zij daartegen niets ingebracht. Zij beperkt zich tot het herhalen van wat zij in het verzoekschrift heeft uiteengezet. Evenmin betwist zij dat de zaak met korte debatten kan worden afgehandeld. Wat de hond Cairn Terriër betreft, betwist verzoekster ter terechtzitting de vaststellingen van zowel de verbalisanten, onder meer, dat de “heel slechte toestand van de hond is te wijten aan maandenlange verwaarlozing van het dier”, als die van de dierenarts die, omwille van de in detail beschreven “zeer slechte toestand” van het dier, als meest ethische oplossing de euthanasie voorstelde. Deze loutere betwisting, zonder ook maar enige verklaring te geven voor de erbarmelijke toestand waarin die hond zich bevond, is evenmin van aard aan te tonen dat de verwerende partij met de bestreden beslissing onredelijk zou hebben gehandeld. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. XII-9915-12/13 C. Conclusie 24. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, alsook de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, geen voorwerp meer hebben. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen. 3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9915-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.741 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.