id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.743 Rolnummer: A. 242005/X-19087 Zaak: Arrest 264743 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 03/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-04 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-15 07:39 Fiche Arrest nr 264.743 van 3 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.743 van 3 november 2025 in de zaak A. 242.005/X-19.087 In zake : M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et Ministerieel besluit van de Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme nr. 22779 van 5 maart 2024 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeenten Roosdaal en Lennik van openbaar nut wordt verklaard”. X-19.087-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aquafin heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter De Rycke, die loco advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert verschijnt voor verzoeker, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robrecht Van Steenkiste, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-19.087-2/16 III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van percelen, gelegen aan de Nellekenstraat 84 te 1750 Lennik. Het betreft de onbebouwde percelen die kadastraal gekend zijn als Lennik, eerste afdeling, sectie C, nrs. 395, 399/a en 527/b, en een bebouwd perceel dat kadastraal bekend is als Lennik, eerste afdeling, sectie C, nr. 397/b. 3.
- Op 31 maart 2023 dient de nv Aquafin bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om de door haar beoogde werken voor het aanleggen/renoveren en exploiteren van de RWZI “Collector Hunselberg” (hierna: RWZI) te Roosdaal en Lennik van openbaar nut te verklaren. De aanvraag heeft als hoofddoel om de resterende vuilvracht van de Tuitenbergstraat, de Nellekenstraat, de Hunselstraat en Hunselberg te Lennik en Roosdaal aan te sluiten op het centraal gebied. Daarnaast wordt de vuilvracht van Hunselveld te Lennik aangesloten op de bestaande collector in de Ninoofsesteenweg. 3.
- Over de aanvraag wordt in de gemeente Lennik van 8 mei tot 6 juni 2023 een openbaar onderzoek georganiseerd. In de gemeente Roosdaal vindt een openbaar onderzoek plaats van 12 mei tot 12 juni
- Verzoeker dient een bezwaarschrift in. 3.4.
- Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 verklaart de bevoegde Vlaamse minister de door de nv Aquafin beoogde werken van openbaar nut. Artikel 1 van het bestreden besluit luidt: “Artikel
- De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur - volgens de bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen nummers 22779/1- 7.1/3 met revisie 7 van 21 maart 2023, 22779/1-7.2/3 met revisie 8 van 15 september 2023 en 22779/1-7.3/3 met revisie 7 van 21 maart 2023, en X-19.087-3/16 de bijbehorende legende, plannummer 22779/1-3 met revisie 7 van 21 maart 2023, van het project 22779 in het Investeringsplan 2024, – onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het grondgebied van de gemeenten Roosdaal en Lennik, wordt van openbaar nut verklaard ten gunste van de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, hierna de gerechtigde te noemen. Deze installaties mogen op de hiernavolgende percelen gebouwd worden: Gemeente: Roosdaal ------------------------ Kadastraal gekend onder: Afdeling: 2; Sectie: B; Perceel: nummer: 111N. Gemeente: Lennik --------------------- Kadastraal gekend onder: Afdeling: 1; Sectie: B; Perceel: nummers: 261B en 261C. Kadastraal gekend onder: Afdeling: 1; Sectie: C; Perceel: nummers: 137L en 395.” 3.4.
- In de bestreden beslissing leest men onder meer het volgende betreffende de mogelijke effecten op de natuur: “Overwegende dat de (eventuele) impact van voormeld project 22779 met betrekking tot de natuurwaarden, zoals het aantal te rooien bomen en het aantal gecompenseerde bomen, is opgenomen in de omgevingsvergunning; dat het ministerieel besluit houdende de verklaring van openbaar nut – dat het vestigen van wettelijke erfdienstbaarheden tot voorwerp heeft – niet mag verward worden met de (aanvraag tot) omgevingsvergunning; dat beide procedures en bijhorende openbare onderzoeken afzonderlijk van elkaar gevoerd worden; Overwegende dat met de uitvoering van voormeld project 22779 onmiddellijk een vuilvracht van 531 huishoudelijke inwonersequivalenten gesaneerd wordt; […] Overwegende dat door de uitvoering van voormeld project 22779, waaronder het gebruik van het pompstation, de vallei van de Hunsel- en de Moeliebeek en het deelgebied ’t Nelleken gevrijwaard blijven van vervuiling door vuilvracht dat het natuurlandschap instroomt; dat de ingrepen een natuurherstel en een opwaardering van het landschap inhouden gelet op het feit dat er vuilvracht onttrokken wordt uit de natuur; dat bijgevolg de voorziene inplanting van de installaties als weloverwogen kan beschouwd worden en dat een eventuele belemmering van de landschappelijke kwaliteit en de belevingswaarde minimaal is in proportie met het openbaar nut en het oogmerk op natuurherstel; X-19.087-4/16 Overwegende dat het pompstation werd ingeplant op de technisch meest logische plaats, zijnde zo dicht mogelijk bij de natuurlijke afstroom en zo dicht mogelijk bij het laagste punt van de projectzone; dat de inplanting van een pompstation binnen dit project vereist is, gelet op het reliëf van het terrein, waarbij het te omvangrijk en financieel disproportioneel zou zijn om een volledig gravitaire leiding aan te leggen; dat bijgevolg de voorziene inplanting als weloverwogen kan beschouwd worden en dat een eventuele belemmering van de landschappelijke kwaliteit en de belevingswaarde minimaal is in proportie met het openbaar nut; dat bijgevolg de voorziene inplanting van het pompstation als weloverwogen kan beschouwd worden en dat een eventuele belemmering van de landschappelijke kwaliteit en de belevingswaarde minimaal is in proportie met het openbaar nut en de oppervlakte aan natuurlandschap dat gevrijwaard blijft van vuilvracht dat het gebied instroomt; Overwegende dat de plannen waarnaar de bezwaarindiener refereert, waarbij het pompstation elders werd gepositioneerd, voorontwerpplannen betroffen; dat deze plannen illustratief tijdens het infomoment van 9 mei 2022 werden gepresenteerd doch deze geen bindend karakter hadden; dat dergelijke plannen vatbaar zijn voor verandering en voortschrijdende inzichten; dat op basis van het desbetreffende voorontwerpplan werd geconstateerd dat er op de locatie van het ingetekende pompstation een goedgekeurde verkavelingsvergunning van toepassing was; dat de huidige ligging van het pompstation technisch meer te prefereren is; Overwegende dat het voorstel van de bezwaarindieners om het pompstation in te planten op het perceel kadastraal gekend als Lennik, afdeling 1, sectie B, nummer 181L of 181K of 184A of 182G, niet kan weerhouden worden; dat het verschil in maaiveldniveau ten opzichte van de huidige inplantingsplaats van het pompstation minstens 180 centimeter bedraagt; dat bijgevolg het pompstation dieper dient ingegraven te worden; dat dit tijdens exploitatie een groter veiligheidsrisico inhoudt voor de personen die in het pompstation dienen af te dalen; dat het stabiel inplanten van het pompstation op deze diepte en met de draagkrachtigheid van de desbetreffende ondergrond een disproportionele financiële operatie zou betekenen; Overwegende dat de tijdelijke erfdienstbaarheden gelieerd aan respectievelijk het pompstation en de erfdienstbaarheidszone tot minimale dimensies zijn beperkt; dat voor de aanleg van respectievelijk een pompstation en een rioleringsleiding gebruikt dient gemaakt te worden van onder andere kraan- en graafvoertuigen; dat bij de inplanting van de tijdelijke erfdienstbaarheidzone rekening dient gehouden te worden met het veiligheidsaspect verbonden aan het gebruik van deze machines; dat omwille van deze reden de dimensies van de voorziene tijdelijke erfdienstbaarheidszones zorgvuldig zijn voorzien en beperkt tot het minimum om de weerslag tijdens de werken op de omgeving zo klein mogelijk te houden; Overwegende dat niet-diepwortelende bomen en struiken mogen aangeplant worden binnen de erfdienstbaarheidszones; dat de bestaande gemengde haag kan vervangen worden door een gelijkwaardig en duurzaam alternatief in harmonie met de huidige landschappelijke X-19.087-5/16 beleving; dat een alternatief niet nefast hoeft te zijn voor de biotoop van de reeds aanwezige fauna en de biodiversiteit; dat na de werken een nieuwe aanplant kan gebeuren door de nv Aquafin en er zich opnieuw een habitat kan aandienen voor de huidige aanwezige fauna van de bestaande boerenhaag; dat de weerslag van de inplanting van een pompstation aan het knooppunt 167 van het wandelnetwerk van Toerisme Vlaanderen Pajottenland op de belevingswaarde beperkt is, behalve tijdens de uitvoering van de werken; dat na de uitvoering van de werken een gelijkwaardig en duurzaam alternatief in harmonie met de huidige landschappelijke beleving kan voorzien worden voor wat betreft de bestaande beplanting; […] Overwegende dat met voorliggend ontwerp rekening gehouden is met alle mogelijke aspecten om de schade, zowel op natuur- als belevingswaarde, tot een minimum te herleiden; dat de inplanting van de desbetreffende constructies niet enkel afhankelijk is van de belevingswaarde van de omgeving, maar zich ook dient te verhouden tot de technische beperkingen en veiligheidsaspecten in functie van toekomstige exploitatie; dat de nv Aquafin een schadevergoeding voorziet voor de aangebrachte schade tijdens de werken; dat deze schadevergoeding berekend wordt volgens de tarieven bepaald in het overeenkomstprotocol met de Boerenbond; […] Overwegende dat het project voorziet in een RWA-rioleringsbuis met diameter van 500 mm; dat dit ten opzichte van de bestaande leiding een grotere dimensionering van de leiding betreft; dat dit geenszins inhoudt dat er gegarandeerd een hoger debietregenwater zal op arriveren en dat de overdimensionering er voor zorgt dat er een verminderde waterdruk bij uitstroming aanwezig is; dat de verminderde uitstroming de uitwassing van de bodem voorkomt en bijgevolg een positief effect heeft op de aanwezige fauna en flora; […] Overwegende dat de inplanting van een pompstation binnen dit project vereist is; dat door het gebruik van het pompstation de vallei van de Hunsel- en de Moeliebeek en het deelgebied ’t Nelleken gevrijwaard blijven van vervuiling door vuilvracht dat het natuurlandschap in stroomt; dat de inplanting van het pompstation op de voorziene plaats geen afbreuk doet aan de waarde van de naastgelegen buurtweg en/of woning; dat bijgevolg de voorziene inplanting als weloverwogen kan beschouwd worden en dat een eventuele belemmering van de landschappelijke kwaliteit en de belevingswaarde minimaal is in proportie met het openbaar nut en de oppervlakte aan natuurlandschap dat gevrijwaard blijft van vuilvracht dat het gebied in stroomt; […] Overwegende dat het pompstation werd ingeplant op de technisch meest logische plaats, zijnde zo dicht mogelijk bij de natuurlijke afstroom en zo dicht mogelijk bij het laagste punt van de projectzone; dat de inplanting van een pompstation binnen dit project vereist is gelet op het reliëf van het terrein, waarbij het te omvangrijk en financieel disproportioneel zou zijn om een volledig gravitaire leiding aan te leggen; dat de inplanting van het X-19.087-6/16 pompstation niet wordt gepositioneerd op (een knooppunt van) de officiële wandelweg van Toerisme Vlaanderen; dat bijgevolg de voorziene inplanting als weloverwogen kan beschouwd worden en dat een eventuele belemmering van de landschappelijke kwaliteit en de belevingswaarde minimaal is in proportie met het openbaar nut; […].” 3.
- Op 22 november 2023 verleent de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme een omgevingsvergunning aan de nv Aquafin voor het project “22.779 Collector Hunselberg – Roosdaal (SB) gelegen te 1750 Lennik en 1760 Roosdaal, Eizeringenstraat, Hunselberg, Hunselstraat, Hunselveld, Hunselveldweg, Koning Albertstraat, Lombeeksestraat, Molenstraat, Nellekenstraat, Oude Geraardsbergsestraat, Puttekensveldweg en Tuitenbergstraat”. Het annulatieberoep dat verzoeker tegen deze omgevingsvergunning bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) heeft ingediend, werd met het arrest nummer RvVb-A-2425-0693 van 3 april 2025 verworpen. IV. Tussenkomst
- De nv Aquafin is de begunstigde van het bestreden besluit. Haar verzoek tot tussenkomst dient dan ook te worden ingewilligd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de X-19.087-7/16 bestuurshandelingen’, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeker voert aan dat de ‘natuurtoets’ vervat in artikel 16, § 1, van het natuurdecreet op de bestreden beslissing toepassing vindt. Hij betoogt dat het kwestieuze perceel op de biologische waarderingskaart als een ‘complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen’ wordt aangeduid vanwege de aanwezigheid van soortenarm permanent cultuurgrasland, een hoogstamboomgaard, een bomenrij van gewone es en een houtkant met doornstruweel. Het kwestieuze project behelst het rooien van de houtkant op diverse plaatsen van zijn perceel. Verzoeker stelt in zijn bezwaarschrift te hebben gewezen op de vermijdbare schade die de bestreden beslissing veroorzaakt. Het pompstation zou initieel op het perceel 191/d aan de overkant van de weg worden ingeplant. Ook heeft de bestreden beslissing de locatie van het pompstation “ter hoogte van” het huisnummer 85 op onzorgvuldige wijze weergegeven. Volgens geen enkele redelijke lezing van de bestreden beslissing bevindt het pompstation zich nog steeds “ter hoogte van” huisnummer
- Waar er voor de huidige inplantingslocatie van het pompstation en de werkzone van 10 meter heel wat natuurwaarden moeten sneuvelen, is dat overduidelijk niet het geval voor het perceel waar de inplanting initieel werd voorzien. Reeds ten tijde van het openbaar onderzoek was er geen enkele afweging in het dossier aanwezig waarom de initiële inplantingslocatie werd verlaten. De toen reeds aangegeven alternatieve inplantingslocaties voor het pompstation werden niet onderzocht. De verwerende partij erkent in de bestreden beslissing dat er schade aan natuurwaarden en een verlies aan habitat is. Deze schade is vanuit ecologisch standpunt niet eenvoudig herstelbaar. De verwerende partij miskent de ecologische waarde van een oude houtkant, wanneer ze ervan uitgaat dat deze eenvoudig door een nieuwe aanplanting kan worden vervangen. Voor de natuurwaarden ter hoogte van het pompstation zelf, is het evident onmogelijk om nieuwe beplanting te voorzien. X-19.087-8/16 De bestreden beslissing spreekt amper over de mogelijkheden om de schade zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of te herstellen. De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat zij geen natuurtoets moet uitvoeren, omdat deze reeds bij de aanvraag tot omgevingsvergunning is vereist. De natuurtoets is in het kader van de verklaring van openbaar nut des te belangrijker, omdat deze de vraag betreft welk stuk grond mag worden aangewend. In de bestreden beslissing wordt nochtans zeer weinig gezegd over mogelijke alternatieven die in de bezwaarschriften werden voorgesteld. Het argument dat de vuilvracht een opwaardering van het landschap inhoudt, toont nog niet aan dat het pompstation op de gekozen plaats moet worden voorzien. Of het pompstation op verzoekers perceel of aan de overzijde wordt ingeplant, maakt voor de vuilvracht geen verschil. Het vage argument dat de huidige locatie “technisch meer te prefereren” valt, is onvoldoende om van onvermijdbare schade te spreken, en betreft een loutere stijlformule. Ook het argument van de verkavelingsvergunning op één mogelijke locatie, heeft niets met de zorgplicht van de natuurtoets te maken. Op de gekozen locatie zal immers evenzeer van de stedenbouwkundige voorschriften moeten worden afgeweken. Het financiële bedrijfsbelang van de tussenkomende partij werd blijkbaar belangrijker geacht dan de natuurzorgplicht. Wat de alternatieve inplantingslocatie van de tussenkomende partij zelf betreft, is er geen dieper pompstation nodig. De plannen kunnen zodanig aangepast worden dat er geen sprake meer is van schade aan natuur. Ook op het vlak van natuurherstelmaatregelen is de bestreden beslissing uitermate summier. Veeleer gaat het om het wegwuiven van een vervelend bezwaar. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing vermijdbare schade aan de natuur veroorzaakt en bovendien niet helder uitlegt hoe zij die schade beoogt te herstellen. De verwerende partij schendt de natuurtoets en ontdoet zich van haar verantwoordelijkheid door haar verwijzing naar de omgevingsvergunning en wat daarin over de impact op de natuurwaarden wordt gezegd. Op verzoekers bewaren wordt niet afdoende geantwoord. X-19.087-9/16 Beoordeling 6.
- Artikel 16, § 1, van het natuurdecreet luidt: “§
- In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.” In de parlementaire voorbereiding bij het natuurdecreet wordt omtrent deze bepaling onder meer gesteld: “Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie. Dit betekent dat in de besluitvorming op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de ondergeschikte besturen steeds rekening gehouden wordt met de ‘natuur’ en omgekeerd. Het natuurbeleid geeft de randvoorwaarden aan die de andere beleidsdomeinen in acht dienen te nemen, wil een effectieve realisering van het natuurbeleid mogelijk zijn. In de besluitvorming moet er alleszins zorg voor gedragen worden dat er op geen enkele wijze vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. Bij elk afwegingsproces moet deze bekommernis steeds worden meegenomen.” (Parl.St. Vl. Parl., 1996-1997, nr. 690/1, 11) Artikel 2, 46°, van het natuurdecreet bepaalt wat onder “vergunningsplichtige activiteit” dient te worden verstaan: “een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is.” In de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 19 juli 2002 ‘houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 houdende de bescherming van landschappen, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van het X-19.087-10/16 decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968’ (hierna: het decreet van 19 juli 2002) wordt over het begrip “vergunningsplichtige activiteit” het volgende gesteld: “Bij de definitie van punt 43 kan opgemerkt worden dat het begrip ‘activiteit’ hieruit zeer ruim is op te vatten. Het is niet beperkt tot de oprichting van bouwwerken of de exploitatie van inrichtingen. Het omvat allerlei handelingen, werken of wijzigingen in het natuurlijk milieu of landschap. Aldus zijn zowel het winnen van grondwater, het kappen van een boom, het ontginnen van een natuurlijke rijkdom, het draineren van een grond, het bemesten ervan, als het wijzigen van het microreliëf van de bodem te beschouwen als vergunningsplichtige activiteiten, telkens van zodra hiervoor een toelating, machtiging of vergunning vereist is krachtens een wetgeving met inbegrip van regelgeving van gemeenten en provincies. Ook indien een activiteit verboden is, maar de wetgeving in kwestie voorziet in de mogelijkheid van een ontheffing van dat verbod, is het aanvragen van de ontheffing te beschouwen als een aanvraag betreffende een vergunningsplichtige activiteit. Deze ruime omschrijving is in het bijzonder van belang voor de toepassing van artikel 36ter, §§ 3 tot 6, dat dit voorstel wenst in te voegen in het Decreet Natuurbehoud ter omzetting van artikel 6, leden 3 en 4, van de Habitatrichtlijn.” (Parl.St. Vl. Parl., 2001-2002, nr. 967/1, 11) 6.
- Zodoende is elke overheid die moet beslissen over een aanvraag voor “een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is”, zoals in casu, tot een natuurtoets gehouden. 6.
- Het staat aan de verzoekende partij die artikel 16, § 1, van het natuurdecreet geschonden acht, om in concreto aan te tonen dat ingevolge de bestreden beslissing vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. 6.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat er wel degelijk aandacht is besteed aan de mogelijke effecten van de bestreden beslissing op de natuur (zie randnummer 3.4.2). De desbetreffende argumentatie kan gelden als de door artikel 16, § 1, van het natuurdecreet vereiste natuurtoets, die niet aan een bijzondere formelemotiveringsplicht onderworpen is. X-19.087-11/16 6.
- Vastgesteld wordt voorts dat op 22 november 2023, voorafgaand aan de bestreden beslissing, reeds een omgevingsvergunning voor de realisatie van de RWZI was verleend, waarin voorwaarden zijn opgelegd in verband met heraanplant en compensatie van de vegetatie. Met zijn arrest nummer RvVb-A-2425-0693 van 3 april 2025 oordeelt de RvVb dat uit de omgevingsvergunning blijkt dat de overheid “een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gevoerd naar welke natuurschade wordt verwacht aan de concrete natuurelementen op het terrein en welke maatregelen er moeten genomen worden”, en dat de omgevingsvergunning “met haar beoordeling overigens ook aan[sluit] bij het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos [hierna: ANB]”. Verzoekers kritiek op de in de omgevingsvergunning van 22 november 2023 doorgevoerde natuurtoets houdt geen stand. 6.
- Het is redelijk en zorgvuldig van de verwerende partij om bij de beoordeling van de natuurtoets ook de omgevingsvergunning in ogenschouw te nemen, die de concrete realisatie van de RWZI betreft. De tussenkomende partij wijst in dit verband niet zonder pertinentie naar de – uit het advies van het ANB voortvloeiende – voorwaarden van de omgevingsvergunning om de betrokken vegetaties te compenseren, en de voorwaarde om de te rooien meidoornhaag zoveel mogelijk opnieuw aan te leggen, of, indien dit niet mogelijk is, de natuurwaarden op een andere manier te compenseren, bijvoorbeeld door de aanplant van twee extra hoogstammige bomen. De tussenkomende partij wijst er voorts terecht op dat artikel 16, § 1, van het natuurdecreet geen absoluut verbod inhoudt om bepaalde vegetaties te verwijderen. Wel dient de overheid te verhinderen dat er vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan “door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen”. X-19.087-12/16 6.
- Mede in het licht van de definitieve omgevingsvergunning, overtuigt verzoeker er niet van dat de natuurtoets te dezen niet zou volstaan. Verzoekers kritiek op de in de bestreden beslissing aangenomen locatie van het pompstation, wordt in de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd op grond van veiligheidsredenen en technische redenen, waaronder de vereiste om de inplanting van het pompstation zo dicht mogelijk bij de natuurlijke afstroom en zo dicht mogelijk bij het laagste punt van de projectzone te voorzien. 6.
- Gelet op wat voorafgaat, doet verzoeker niet aannemen dat de bestreden beslissing vermijdbare schade zou veroorzaken. 6.
- Waar verzoeker nog aanvoert dat de verwerende partij onzorgvuldig is geweest in de beschrijving van de locatie van het pompstation in de bestreden beslissing, wordt vastgesteld dat in die beslissing uitdrukkelijk wordt vermeld dat voor de aanleg van een pompstation een erfdienstbaarheid voor boven- en/of gelijkgrondse infrastructuur op het perceel 395 wordt voorzien. Voorts blijkt de juiste locatie van het pompstation evenzeer uit het bij de bestreden beslissing horende plan. 6.
- Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 6.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van “artikel 10, eerste lid, juncto artikel 1, 70°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, juncto artikel 2.6.1.1.1., § 3, derde lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, artikel 3 van X-19.087-13/16 het Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N.V. Aquafin, alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel”. Verzoeker bekritiseert dat de bestreden beslissing, enerzijds, het bebouwde kadastraal perceel 397/b terecht van de verklaring van openbaar nut uitsluit, en, anderzijds, een grondinnemingsplan goedkeurt dat hetzelfde perceel toch als onderdeel van die verklaring inkleurt. Het perceel 397/b is bebouwd en kan daarom niet van openbaar nut worden verklaard. Uit het grondinnemingsplan blijkt dat de aanvrager wel degelijk de verklaring van openbaar nut van het perceel 397/b heeft beoogd. De verklaring van openbaar nut is voor de op dat perceel betrekking hebbende inneming nr. 7 manifest ontoelaatbaar. De verwerende partij heeft onzorgvuldig gehandeld, met als gevolg een grote onzekerheid voor verzoeker. Door de duidelijke tegenstelling tussen de overwegingen van de bestreden beslissing en de goedgekeurde plannen, is ook het motiveringsbeginsel geschonden. Beoordeling 8.
- Zoals in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld, maakt het bebouwde perceel 397/b geen deel uit van de aanvraag tot de verklaring van openbaar nut. Voorts blijkt voldoende duidelijk uit artikel 1 van de bestreden beslissing dat de verklaring van openbaar nut enkel de grondinnames aangeven op de plannen vermeld in het eerste lid van dit artikel, voor zover zij betrekking hebben op de in het tweede lid opgesomde kadastrale percelen. Het kadastraal perceel 397/b is niet vermeld in het tweede lid van artikel 1, dat uitdrukkelijk de percelen vermeldt waarop de installaties mogen worden gebouwd. De voormelde lezing vindt overigens bevestiging in artikel 2 van de bestreden beslissing, dat stelt dat “[d]e installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen [kunnen] worden opgericht […]”. Van enige onduidelijkheid is geen sprake. X-19.087-14/16 Verzoeker vindt in de bestreden beslissing ook een duidelijk antwoord terug op zijn bezwaar dat het bebouwde perceel 397/b geen voorwerp van de verklaring van openbaar nut kan uitmaken, nu zijn standpunt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt bevestigd. 8.
- Verzoekers kritiek dat er geen doelmatige verklaring van openbaar nut voorligt, daar er ingevolge de weglating van het perceel 397/b “slechts een halve gracht” van openbaar nut wordt verklaard, gaat eraan voorbij dat de tussenkomende partij ter realisatie van de RWZI ook een onteigeningsprocedure kan voeren. 8.
- Een schending van de aangevoerde rechtsregels wordt niet aangetoond. 8.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- Het verzoek tot tussenkomst van de nv Aquafin wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-19.087-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-19.087-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div