id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.751 Rolnummer: A. 245786/XIV-39875 Zaak: Arrest 264751 - Overheidsopdrachten - 05/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-17 05:37 Fiche Arrest nr 264.751 van 5 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.751 van 5 november 2025 in de zaak A. 245.786/XIV-39.875 In zake: de BV B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joyce Van Caeyzeele kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187/
- tegen: de FEDERALE PENSIOENDIENST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Maeyaert kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 18-24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Het beroep, ingesteld op 9 september 2025, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “De beslissing tot ‘Gunning SFPD/S2000/2025/10 – Digitale tool mentaal welzijn voor federale ambtenaren’.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-39.875-1/6 Bij beschikkingen van 15 en 26 september 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joyce Van Caeyzeele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Declercq, die loco advocaat Stijn Maeyaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij dient met een brief van 7 oktober 2025 repliek op de nota van de verwerende partij. In de voorliggende procedure is niet voorzien in de mogelijkheid voor de verzoekende partij om nog schriftelijk te repliceren op een nota van de verwerende partij, zodat deze brief niet in het debat kan worden toegelaten. In zoverre deze brief de neerslag vormt van het mondelinge pleidooi ter terechtzitting, worden hij evenwel beschouwd als pleitnota. Binnen die perken wordt die brief als een loutere inlichting in aanmerking genomen. XIV-39.875-2/6 IV. Intrekking van de bestreden beslissing en toepassing artikel 30,§ 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
- Nadat bij beschikking van 15 september 2025 de terechtzitting over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een eerste maal werd vastgesteld op 1 oktober 2025, werd de bestreden beslissing ingetrokken bij beslissing van de verwerende partij van 25 september
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is zonder voorwerp en dienvolgens niet-ontvankelijk.
- De verzoekende partij heeft in een enig verzoekschrift de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de nietigverklaring gevorderd van de bestreden beslissing. Gelet op de intrekking van de bestreden beslissing, bestaat er te dezen aanleiding om toepassing te maken van artikel 30, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het beroep tot nietigverklaring ondergaat hetzelfde lot als de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en wordt verworpen. V. De kosten Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betoogt in haar nota dat zij niet als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. Zij meent dat als bij een intrekking de aanbestedende overheid voor de proceskosten moet instaan, dit is ingegeven door het vermoeden dat de aanbestedende overheid ten aanzien van de verzoekende partij een onregelmatige beslissing heeft genomen en dus door het vermoeden dat de verzoekende partij van een ernstig middel kan doen blijken. Te dezen blijkt evenwel het tegendeel want de intrekking van de bestreden beslissing is volgens haar ingegeven door een ander bij de Raad van State ingeleid beroep hetgeen ook blijkt uit de intrekking. Volgens de verwerende partij is er in het voorliggende beroep geen sprake van enig ernstig middel. Voorts doet zij gelden dat door te oordelen dat de verzoekende partij tot de kosten van de procedure wordt XIV-39.875-3/6 veroordeeld, de Raad van State ook het “duidelijke signaal van proceseconomische aard” geeft dat het door de verzoekende partij opgeworpen middel “manifest niet ernstig is”, zodat op die manier kan worden vermeden dat “de verzoekende partij de gebeurlijke nieuwe gunningsbeslissing later opnieuw (en om dezelfde, manifest verkeerde gronden) zou aanvechten.” Beoordeling
- Op grond van artikel 68, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, wordt “in ieder geval […] het geheel van de kosten […] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Te dezen heeft de verwerende partij op onbetwistbare wijze de bestreden beslissing ingetrokken, waardoor het beroep zonder voorwerp en bijgevolg niet-ontvankelijk is geworden. Het teloorgaan van het voorwerp van het beroep volgt rechtstreeks uit de intrekking van de bestreden beslissing. Met toepassing van het leerstuk van de intrekking, moet worden aangenomen dat de verwerende partij oordeelde dat volgens haar de bestreden beslissing een onregelmatige rechtsverlenende rechtshandeling betreft die onder de voorwaarden van het leerstuk van de intrekking mocht worden ingetrokken. Ingevolge deze intrekking moet de verwerende partij worden beschouwd als de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld en moeten de kosten haar ten laste worden gelegd. De omstandigheid dat, naar de verwerende partij betoogt, de intrekking niet is ingegeven door het voorliggende beroep – omdat er volgens haar geen ernstig middel uit blijkt – maar door de middelen aangevoerd in een ander beroep, wordt niet betrokken bij de beoordeling wie de in het ongelijk gestelde partij is. Ingevolge de intrekking, die ex tunc werkt en die zich in deze zaak opdringt als een rechtsfeit, moet de bestreden beslissing geacht worden nooit te hebben bestaan en geen rechtsgevolgen te hebben tot stand gebracht. De reden of XIV-39.875-4/6 oorzaak van deze intrekking is niet ter zake: wat niet meer bestaat en geacht moet worden nooit te hebben bestaan, kan ook niet meer worden beoordeeld, dus ook niet om (nog) op grond van een inhoudelijke beoordeling, te bepalen aan wie de kosten moeten ten laste gelegd. Overigens moet worden bemerkt dat het handelen van de verwerende partij dat inhoudelijk onderzoek onmogelijk heeft gemaakt. In de mate dat de verwerende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die in rechte. Tot slot komt het aan de Raad van State niet toe een “signaal” te geven om te vermijden dat “de verzoekende partij de gebeurlijke nieuwe gunningsbeslissing later opnieuw (en om dezelfde, manifest verkeerde gronden) zou aanvechten.”
- Om dezelfde reden wordt aan de verzoekende partij de door haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro toegekend BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-39.875-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.875-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.751 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.