← België

Arrest 264752 - Overheidsopdrachten - 05/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.752 Rolnummer: A. 246042/XIV-39887 Zaak: Arrest 264752 - Overheidsopdrachten - 05/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-15 07:35 Fiche Arrest nr 264.752 van 5 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.752 van 5 november 2025 in de zaak A. 246.042/XIV-39.887 In zake: de NV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Gijssels kantoor houdend te 9900 Eeklo Gentsesteenweg 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ERASMUS HOGESCHOOL BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdende te 2140 Antwerpen, Turnhoutsebaan 139A bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV M.P. woonplaats kiezend te 8755 Ruiselede, Industriestraat 5 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 oktober 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van 16 september 2025 van de Voorzitter van de Erasmushogeschool Brussel, waarbij de opdracht “raamovereenkomst voor het technisch beheer van de bestaande modulaire beursstand van de Erasmushogeschool Brussel (EhB)” werd gegund aan de bv M.P. XIV-39.887-1/29 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 6 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 15 oktober 2025 heeft de bv M. P. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025, om 10:00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Gijssels, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Johan Geerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en zaakvoerder Vincent Vervenne, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-39.887-2/29 III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor het technisch beheer van de bestaande modulaire beursstand van de Erasmushogeschool Brussel (EhB)’. Deze opdracht wordt geplaatst bij wijze van een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
  5. Het voorwerp van de opdracht wordt omschreven in het bestek als volgt: “De Erasmushogeschool Brussel (EhB) neemt, zoals elke instelling van het hoger onderwijs in Vlaanderen, jaarlijks deel aan een 5 tal SID-in-beurzen, georganiseerd door het departement Onderwijs & Vorming (van de Vlaamse Gemeenschap) en soms ook andere onderwijsbeurzen in binnen -en buitenland (bv. Nederland). In dat verband heeft de dienst Marketing & Communicatie (MarCom) van EhB de intentie om binnenkort over te gaan tot het afsluiten van een raamovereenkomst betreffende de op- en afbouw én het autonome en het geïntegreerde technische beheer van haar bestaande modulaire ‘fysieke’ beursstand. […]” Met betrekking tot de selectiecriteria wordt in het bestek bepaald: “9.
  6. Technische en beroepsbekwaamheid De minimale vereisten betreffende technische en beroepsbekwaamheid zijn de volgende: 9.3.
  7. Referenties Deze worden hierna in detail toegelicht. SELECTIECRITERIUM: REFERENTIES De inschrijver beschikt over minimaal 3 referenties inzake vergelijkbare, uitgevoerde opdrachten/projecten, gerealiseerd gedurende de laatste 4 jaar, met een minimale opdrachtwaarde van 60.000 EUR, excl. BTW, per referentie. Minstens 2 referenties dienen betrekking te hebben op het opstellen, het afbouwen en het stockeren van een gelijkaardige modulaire beursstand, zoals die van EhB (zie bijlage 4: Materialenlijst EhB- beursstand). De inschrijver is ten minste 10 jaar actief in het domein van standenbouw en beschikt over gespecialiseerde Nederlandstalige medewerkers met relevante kennis en vaardigheden. Bewijsdocumenten inzake het selectiecriterium ‘Referenties’: XIV-39.887-3/29 De inschrijver dient de volgende bewijsdocumenten voor te leggen: De inschrijver staaft zijn technische bekwaamheid door bij zijn offerte referenties toe te voegen waaruit o.m. - blijkt tijdens de voorbije 4 jaar (2021-2024) 3 soortgelijke projecten begeleid te hebben (die hij omschrijft), - 10 jaar actief te zijn in de standenbouw en over gespecialiseerd Nederlandstalig personeel beschikken. Minstens 2 referenties dienen betrekking te hebben op het opstellen, het afbouwen en het stockeren van een gelijkaardige modulaire beursstand, zoals die van EhB (zie bijlage 4: Materialenlijst EhBbeursstand). Het mag daarbij gaan om één en dezelfde klant, op voorwaarde dat aan alle bovenvermelde gecumuleerde ‘minimale vereisten’ is voldaan. Van elk van de vermelde referenties wordt de volgende documentatie bij de offerte gevoegd: […] De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor om de goede uitvoering van elk van deze referenties te verifiëren bij de desbetreffende opdrachtgever.” Wat de gunningscriteria betreft, luidt het bestek als volgt: “14.
  8. Gunningscriterium Prijs: totaal inventaris (50%) De prijs die wordt beoordeeld is de totaalprijs van de offerte die blijkt uit de inventaris. […] 14.
  9. Gunningscriterium Kwaliteit (50%) De beoordeling van de kwaliteit van de offerte gebeurt op basis van een bij de offerte toegevoegd plan van aanpak dat maximaal 30 A4-pagina’s telt en omschrijft hoe hij rekening houdende met de in DEEL III technische bepalingen opgesomde eisen het onderstaande zal aanpakken: - magazijnhandelingen, stockage en verzekeringen

(10p)De inschrijver verstrekt de vereiste bewijsstukken (zoals attesten, contracten en foto's) die aantonen dat de bewaring en de veiligheid van goederen en de veiligheid van medewerkers aan de gestelde eisen voldoen. Een overzicht van de bestaande interne maatregelen op het vlak van kwaliteitsbewaking waarborgt dat de gemaakte afspraken kwaliteitsvol worden uitgevoerd. - projectadministratie en-coördinatie
(10p)De inschrijver neemt in zijn plan van aanpak een herbruikbare template op, die SMART is geformuleerd (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden). - opbouw, decoratie, inrichting en afbouw
(15p)De inschrijver beschrijft duidelijk hoe zijn bedrijfsorganisatie de nodige garanties kan bieden om, zelfs bij calamiteiten, de wensen en deadlines voor de uitvoering van de beursopdrachten tijdig en zonder fouten te realiseren. - transport
(5p)XIV-39.887-4/29 De inschrijver verstrekt de vereiste bewijsstukken (zoals attesten en foto's) die aantonen dat zowel de veiligheid van de medewerkers als de keuze van de transportmiddelen aan de gestelde eisen voldoen. - grafisch werk en artwork
(10p)De inschrijver beschikt over een intern grafisch team (aangetoond met een medewerkerslijst). Hij licht toe hoe de eigen productie- en printeenheid gebruikmaakt van duurzame, modulaire en innovatieve materialen die voldoen aan gezondheids- en veiligheidsnormen (aangetoond met certificaten). Daarnaast beschrijft hij hoe het grafisch werk en het artwork ‘op afroep’ worden uitgevoerd volgens een realistische en haalbare retroplanning. De inschrijver levert voor elk van de beurzen een passende, visueel uitgewerkte stand(voorstelling) - aangepast aan het grondplan - die voldoet aan de huisstijl en voorschriften van de organisatie. BEOORDELINGSMETHODE KWALITEIT De punten worden toegekend op basis van de intrinsieke waarde van de offerte van de bewuste inschrijver en de vergelijking met de offertes van de andere inschrijvers. Er wordt door het beoordelingsteam een score toegekend op basis van de onderstaande puntenschaal. De score wordt vervolgens herrekend naar de weging: […]” 3.
  1. Twee ondernemingen, de verzoekende partij en de bv M.P., dienen een offerte in. 3.
  2. Op 9 mei 2025 wordt een gunningsverslag opgesteld. Na vergelijking van de regelmatige offertes aan de hand van de gunningscriteria wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv M.P. Op 27 mei 2025 beslist de verwerende partij de opdracht te gunnen aan de bv M.P. Naar aanleiding van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State tegen deze gunningsbeslissing, wordt de beslissing op 26 juni 2025 ingetrokken. Bij arrest nr. 264.362 van 29 september 2025 wordt besloten dat de vordering zonder voorwerp en niet-ontvankelijk is. XIV-39.887-5/29 3.
  3. Op 3 september 2025 wordt een nieuw gunningsverslag opgesteld. Na vergelijking van de regelmatige offertes aan de hand van de gunningscriteria wordt voorgesteld om de opdracht opnieuw te gunnen aan de bv M.P. Wat het gunningscriterium ‘kwaliteit’ betreft, luidt het gunningsverslag als volgt : XIV-39.887-6/29 M. P. C. M. P. C. XIV-39.887-7/29 M. P. C. M. P. C. M. P. C. XIV-39.887-8/29 Op 16 september 2025 beslist de verwerende partij de opdracht te gunnen aan de bv M.P. Er wordt verwezen naar het gunningsverslag als bijlage. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
  4. De bv M.P. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  5. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Op verzoek van het auditoraat, naar aanleiding van de vraag van de verzoekende partij in het kader van het tweede middel, heeft de verwerende partij de vertrouwelijkheid van de stukken die verband houden met de selectie van de bv M.P. gelicht. Voor de overige stukken zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. XIV-39.887-9/29 VI. Ontvankelijkheid van de vordering
  6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VIII. Onderzoek van de middelen Vooraf
  8. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ – dat immers verwijst naar artikel 4, §1, tweede lid van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij XIV-39.887-10/29 uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Indien voor het antwoord op de middelen eveneens een verdere uiteenzetting nodig is, bevat de nota met opmerkingen een samenvatting van de argumenten van de verwerende partij, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 november
  9. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van elk middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. XIV-39.887-11/29 A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 29 en 33 van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 ‘houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen’ (hierna: het bijzonder decreet van 13 juli 2012), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), het formeel en materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat de bestreden beslissing werd genomen door de voorzitter van de verwerende partij, terwijl de voorzitter van de verwerende partij niet bevoegd was/is om deze beslissing te nemen, minstens dit niet blijkt uit de bestreden beslissing”. Zij stelt in essentie dat de bestreden beslissing, genomen door de voorzitter (van het inrichtingsorgaan) van de verwerende partij, niet is genomen door het daartoe bevoegde orgaan, namelijk het bestuursorgaan van de verwerende partij (college van bestuur genoemd), overeenkomstig artikel 29 van het bijzonder decreet van 13 juli
  11. Deze bevoegdheid is klaarblijkelijk niet gedelegeerd aan de voorzitter. Daarnaast kan er volgens de verzoekende partij bij de beslissing in casu, namelijk het gunnen van een normale, reguliere overheidsopdracht, geen sprake zijn van “spoedeisende omstandigheden” in welk geval de voorzitter op grond van artikel 33 van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 de nodige beslissingen in het belang van de hogeschool kan nemen, en wordt deze spoedeisendheid bovendien op geen enkele wijze gemotiveerd. Mocht de verwerende partij alsnog “spoedeisende omstandigheden” inroepen, dan kan zij daarin niet worden gevolgd, aangezien er alleszins voldoende tijd is geweest om het wettelijk besluitvormingsproces te volgen. Minstens is volgens de verzoekende partij de wet van 29 juli 1991 en “het motiveringsbeginsel” geschonden doordat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven op welke grondslag de bestreden XIV-39.887-12/29 beslissing tot de bevoegdheid van de voorzitter zou behoren, terwijl dit, in geval van zogenaamde spoedeisende omstandigheden, uitdrukkelijk in “de wet” is voorzien. Beoordeling
  12. Artikel 29 van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 luidt: “Het bestuursorgaan bestuurt de hogeschool en beschikt daartoe over alle bevoegdheden die niet uitdrukkelijk aan een ander bestuursorgaan zijn toegekend.” Artikel 33 van hetzelfde bijzonder decreet luidt: “In behoorlijk gemotiveerde spoedeisende omstandigheden neemt de voorzitter met betrekking tot materies die tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan behoren, alle nodige maatregelen om de belangen van de hogeschool te vrijwaren. De op grond van het eerste lid genomen beslissingen worden op de eerstvolgende vergadering aan het bestuursorgaan voorgelegd, die ze kan herroepen of wijzigen voor zover aan de beslissingen nog geen uitvoering is gegeven.” De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. XIV-39.887-13/29
  13. Met de loutere bewering dat “de eenvoudige gunning van een normale, reguliere overheidsopdracht” bezwaarlijk als een maatregel “om de belangen van de hogeschool te vrijwaren” kan worden beschouwd, maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de betrokken beslissing niet door de voorzitter mocht worden genomen. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat het college van bestuur van de verwerende partij op 30 september 2025 “akte” heeft genomen van de bestreden beslissing van de voorzitter van 16 september 2025, met toepassing van artikel 33 van het bijzonder decreet van 13 juli
  14. In de voorafgaande overwegingen bij deze akteneming wordt de hoogdringendheid gemotiveerd als volgt: “De voorzitter heeft bij hoogdringendheid beslist om de gunningsbeslissing via voorzittersbeslissing te laten ondertekenen,
(1)zodat de wachttermijn onmiddellijk kan ingaan gelet op de timing voor de opbouw van de beursstanden,
(2)omdat verwacht wordt dat de verliezende partij (opnieuw) een verzoekschrift zal indienen bij de Raad van State, waardoor een snelle afronding noodzakelijk is, en
(3)rekening houdend met de verbintenistermijn van de offertes.” Anders dan de verzoekende partij stelt, worden aldus, zoals is vereist in artikel 33 van het bijzonder decreet van 13 juli 2022, de spoedeisende omstandigheden wel gemotiveerd, weliswaar niet in de bestreden beslissing zelf. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht niet aan dat te dezen niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 33 van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 om de voorzitter toe te laten de bestreden beslissing te nemen in de plaats van het bestuursorgaan van de verwerende partij.
  1. Voor zover de verzoekende partij nog stelt dat minstens de wet van 29 juli 1991 en “het motiveringsbeginsel” is geschonden doordat in de bestreden beslissing geen enkele motivering wordt gegeven op welke grondslag de XIV-39.887-14/29 bestreden beslissing tot de bevoegdheid van de voorzitter zou behoren, heeft de verzoekende partij op het eerste gezicht geen belang bij dit middel. De verwerende partij verwijst in de nota naar de akteneming van de voorzittersbeslissing door het college van bestuur op 30 september 2025 en maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat haar bestuursorgaan de beslissing van de voorzitter aldus (minstens impliciet) heeft bevestigd, zodat thans lijkt vast te staan dat de beslissing is genomen door een daartoe bevoegd orgaan, en de verzoekende partij geen belang heeft bij haar kritieken gericht tegen de beslissing genomen door de voorzitter.
  2. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel
  3. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 66 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, het beginsel patere legem quem ipse fecisti, het formeel en materieel motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat in de bestreden beslissing de offerte van de [bv M.P.] werd geselecteerd, terwijl zij niet aan de selectievereisten in het bestek voldoet”. De verzoekende partij wijst erop dat de bv M.P. onmogelijk reeds 10 jaar actief kan zijn in het domein van standenbouw, nu blijkens de publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 10 november 2017 deze vennootschap slechts werd opgericht bij notariële akte van 2 november
  4. De tienjarige activiteit of ervaring in het domein van de standenbouw kan luidens de bestekbepaling uitsluitend bestaan in hoofde van de “inschrijver”, wat evident niet mogelijk is wanneer die inschrijver minder dan tien jaar bestaat. Voor zover volgens het gunningsverslag de “onderneming”, die zeven jaar geleden werd overgenomen van de originele oprichter, al 32 jaar ervaring zou hebben, blijkt niet welke onderneming precies wordt bedoeld. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat XIV-39.887-15/29 rekening werd gehouden met een andere (onbekende) onderneming, die aanvankelijk zou hebben gefunctioneerd als eenmanszaak. Deze redenering is niet conform het bestek. Het aantal jaren “actief zijn” in een bepaald domein moet logischerwijze uitgaan van de inschrijvende onderneming zelf en kan onmogelijk worden “gekocht” of “overgenomen” van een andere onderneming. Het “actief zijn” in een bepaalde sector of branche is op zich niet verhandelbaar. Ondergeschikt voert de verzoekende partij aan dat blijkt dat de oprichter van de overgenomen onderneming met pensioen is gegaan, zodat de bv M.P. hoe dan ook niet op de eventuele ervaring van deze persoon kan steunen; dat blijkens de eerste jaarrekening van de bv M.P. (handelend over het boekjaar van 2 november 2017 tot en met 31 december 2018) deze gedurende die periode geen personeel in dienst had, waaruit kan worden afgeleid dat de overname van de onderneming niet gepaard is gegaan met overname van personeel. Ten slotte wijst de verzoekende partij er nog op dat activiteit van de standenbouw is gekend onder Nace-code 7499 (standenbouw) of Nace-code 8230 (ontwerp en bouw van beursstanden) en enkel de erkenning van een onderneming onder deze Nace-codes als “activiteit in de standenbouw” kan worden beschouwd. Indien de verwerende partij in dit verband stukken zou neerleggen en als vertrouwelijk zou bestempelen, dan vraagt de verzoekende partij aan de Raad van State om de vertrouwelijkheid van deze stukken te lichten. Beoordeling
  5. Overeenkomstig artikel 66, § 1, eerste lid, 2º, van de wet van 17 juni 2016 mag de opdracht enkel worden gegund nadat de aanbestedende overheid erop heeft toegezien dat de offerte afkomstig is van een inschrijver die voldoet aan de door haar vastgestelde selectiecriteria. Overeenkomstig artikel 68, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 kan de aanbestedende overheid eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten. XIV-39.887-16/29 De aanbestedende overheid beschikt in beginsel over een beoordelingsruimte bij het uitleggen en het toepassen van de selectiecriteria. Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toe de kandidaten te beoordelen vanuit het oogpunt van de technische en beroepsbekwaamheid aan de hand van de vereisten daaromtrent gesteld in de opdrachtdocumenten, en om daarbij de in dat verband voorgelegde documenten en inlichtingen te betrekken. Wel dient de aanbestedende overheid bij de beoordeling van de kandidaten de regels die zij zelf heeft vastgesteld in de opdrachtdocumenten te respecteren, alsook de beginselen van behoorlijk bestuur. Wanneer niet is voldaan aan de gestelde minimumeisen inzake selectie mag de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver niet selecteren, op straffe van haar eigen bestek te schenden.
  6. Overeenkomstig punt 9.3.1 ‘Referenties’ van het bestek staaft de inschrijver zijn technische bekwaamheid door bij zijn offerte referenties toe te voegen waaruit onder meer blijkt “tijdens de voorbije 4 jaar (2021-2024) 3 soortgelijke projecten begeleid te hebben (die hij omschrijft)”, en “10 jaar actief te zijn in de standenbouw en over gespecialiseerd Nederlandstalig personeel beschikken”. De verwerende partij toont aan de hand van de neergelegde stukken – waarvan de vertrouwelijkheid werd gelicht – op het eerste gezicht aan dat de tussenkomende partij referenties bezorgde met betrekking tot een beursstand in 2010 en dat de huidige bestuurders, samen met meerdere freelancers, al meer dan tien jaar voor M.P. werken. Zij licht toe dat de bv M.P. weliswaar pas werd opgericht in 2017, eerst bekend als de bv T.P. waarvan de naam in 2018 werd gewijzigd in de bv M.P., doch dat deze vennootschap de activa heeft overgenomen van een eenmanszaak met dezelfde commerciële benaming “M.P.” als de bv M.P, die reeds langer dan tien jaar actief was in het domein van de standenbouw; dat deze eenmanszaak, na pensionering van haar oprichter, werd overgenomen door twee van haar werknemers, die samen met meerdere freelancers al meer dan tien jaar voor M.P. werkzaam waren. Deze gegevens lijken op het eerste gezicht XIV-39.887-17/29 eveneens steun te vinden in de als vertrouwelijk neergelegde stukken van de tussenkomende partij, waaronder de “Verkoopovereenkomst [M.P.] 2017”.
  7. Gelet op deze concrete omstandigheden toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij haar eigen bestekbepaling of artikel 66 van de wet van 17 juni 2016 zou hebben geschonden door rekening te houden met deze werkelijke ervaring van de inschrijver. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de al dan niet selectie van een inschrijver in verhouding dient te staan tot de doelstelling van het selectiecriterium, namelijk garanderen dat de gekozen inschrijver in staat zal zijn om de opdracht op een kwaliteitsvolle manier uit te voeren. Een rechtspersoon die inschrijver is voor een overheidsopdracht, lijkt zich bijgevolg op het eerste gezicht te kunnen beroepen op de ervaring die haar vennoten hebben opgedaan op een moment dat zij actief waren bij een andere rechtspersoon of natuurlijke persoon, wanneer die ervaring bepalend is voor de daadwerkelijke technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver om de opdracht uit te voeren. De verwerende partij maakt in dit licht op het eerste gezicht aannemelijk dat de ervaring niet binnen één en dezelfde vennootschap moet zijn verworven, doch een duidelijke link met de inschrijver, te dezen de overname van de activa (waaronder zijn begrepen de handelsnaam, referenties, ervaring en know- how) kan volstaan. Ten slotte lijkt door de betrokken bestekbepaling enkel referenties te worden gevraagd die aantonen “10 jaar actief te zijn in de standenbouw”. De verzoekende partij zet op het eerste gezicht niet nader uiteen waarom het al dan niet ingeschreven zijn in de Kruispuntbank der Ondernemingen voor het uitvoeren van activiteiten onder bepaalde nacebel-codes te dezen relevant zou zijn.
  8. De verzoekende partij toont, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aan dat de aanbestedende overheid, door op grond van de motieven in het gunningsverslag de bv M.P. te selecteren vanuit het oogpunt van de technische en beroepsbekwaamheid, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. XIV-39.887-18/29
  9. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016, het beginsel patere legem quem ipse fecisti, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, het formeel en materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat in het bestek werd bepaald dat inzake de gunningscriteria met betrekking tot de kwaliteit van de offertes een score wordt toegekend door het beoordelingsteam, terwijl niet blijkt dat in werkelijkheid de scores, die tot de huidige bestreden beslissing hebben geleid, effectief door het beoordelingsteam werden toegekend”. De verzoekende partij licht toe dat, met het oog op de gunning van de opdracht, luidens het bestek punten worden toegekend op basis van de intrinsieke waarde van de offertes en een beoordelingsteam daartoe scores toekent op basis van de nader bepaalde puntenschaal. In het gunningsverslag van 3 september 2025 worden de drie leden van de “commissie” vermeld die het gunningscriterium ‘kwaliteit’ hebben beoordeeld. Er wordt echter noch in de bestreden beslissing noch in het gunningsverslag melding gemaakt van de datum waarop deze commissie is bijeengekomen. De verzoekende partij stelt dat “[v]olgens ingewonnen informatie” die commissie, nadat de eerste gunningsbeslissing op 26 juni 2025 werd ingetrokken, niet meer zou zijn bijeengekomen. Het is haar immers bekend dat K.F., destijds adviseur MarCom bij de verwerende partij en volgens de bestreden beslissing lid van de commissie die de offertes heeft beoordeeld, met ingang van 1 september 2025 met pensioen is gegaan, zijn laatste werkdag “11 of 14 juli 2025” is geweest, en hij sedert de intrekking van de eerste gunningsbeslissing niet meer effectief heeft gezeteld in het beoordelingsteam. De verzoekende partij vraagt de verwerende partij bijgevolg uitdrukkelijk te willen verduidelijken of de commissie al dan niet effectief nog is XIV-39.887-19/29 bijeengekomen om te beraadslagen en de offertes te beoordelen, en zo ja, het verslag van de beraadslaging van de commissie te willen meedelen, minstens de datum en het uur waarop deze heeft vergaderd. Beoordeling
  11. De verwerende partij bevestigt in de nota in de voorliggende procedure dat de offertes aan de hand van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ wel degelijk zijn beoordeeld door het beoordelingsteam dat wordt vermeld in de gunningsverslagen die zijn opgesteld zowel naar aanleiding van de eerste als de tweede gunningsbeslissing. Zij stelt dat het gunningsverslag van 3 september 2025 het (enige) schriftelijk resultaat van deze beoordeling is en werd ondertekend door D.D. in haar hoedanigheid van “voorzitster beoordelingscommissie”. De verwerende partij maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat de omstandigheid dat K.F. sinds 1 september 2025 met pensioen is, niet verhindert dat deze vóór de datum van het finaliseren van het verslag op 3 september 2025, nog effectief bij de beoordeling van de offertes is betrokken. Zij legt een stuk ‘agenda’ neer waaruit de agenda blijkt van de leden van de dienst MarCom van de verwerende partij op 1 juli
  12. Volgens haar blijkt hieruit dat het beoordelingsteam op die datum fysiek is samengekomen op campus Bloemenhof “om de offertes opnieuw te evalueren als onderdeel van de marketing team meeting”. Uit dit stuk kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat K.F. op die datum wel degelijk nog betrokken was bij de werking van deze dienst. De verzoekende partij lijkt daartegenover aan de hand van de aangevoerde vermoedens op het eerste gezicht geen begin van bewijs te leveren dat K.F. onmogelijk vóór zijn pensionering nog betrokken is geweest bij de beoordeling van de offertes aan het gunningscriterium ‘kwaliteit’. Eigen veronderstellingen en vermoedens kunnen de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aantonen. Het aanbod tot getuigenbewijs dat de verzoekende partij XIV-39.887-20/29 nog oppert ter terechtzitting lijkt niet in te passen in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zoals de onderhavige.
  13. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4 en artikel 81 van de wet van 17 juni 2016, artikel 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, het beginsel patere legem quem ipse fecisti, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, het formeel en materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat niet behoorlijk en afdoende blijkt dat de opdracht daadwerkelijk werd gegund aan de economisch meest voordelige inschrijver”. Zij licht toe dat naar aanleiding van de eerste (ingetrokken) gunningsbeslissing van 27 mei 2025 aan de beide regelmatig bevonden offertes een identiek aantal punten is toegekend, met name 40 op 50 punten, terwijl in de thans bestreden gunningsbeslissing aan nochtans diezelfde offertes een heel andere quotering wordt toegekend, wat tot een eindscore leidt van respectievelijk 94,50 (op 100) punten tegenover 81,24 (op 100) punten, of een verschil van 13,26% “terwijl het verschil naar aanleiding van de eerste gunningsbeslissing slechts 1,26% bedroeg”. Zij stelt dat weliswaar in de eerste gunningsbeslissing de in het bestek voorgeschreven beoordelingsmethodiek niet werd gevolgd, wat in de nieuwe gunningsbeslissing werd “rechtgezet”, doch dit verklaart en verantwoordt volgens haar op zich het verschillend resultaat niet, aangezien de beoordeling inhoudelijk grotendeels dezelfde is gebleven. Indien de beoordelingen inhoudelijk worden vergeleken, kan niet anders dan worden besloten dat de verwerende partij haar uiterste best heeft gedaan om inzake de offerte van de bv M.P. bijkomend een aantal (beweerdelijk) positieve punten te vinden en inzake de offerte van de XIV-39.887-21/29 verzoekende partij bijkomend een aantal (beweerdelijk) negatieve punten te vinden, volgens de verzoekende partij om toch maar de oorspronkelijke beslissing te kunnen handhaven en te kunnen gunnen aan de goedkoopste inschrijver, in casu niet noodzakelijk de economisch meest voordelige inschrijver. De verzoekende partij vergelijkt vervolgens, per subgunningscriterium, wat in het eerste gunningsverslag (al dan niet) wordt vermeld ter inhoudelijke beoordeling van de offertes en wat daarover in het nieuwe gunningsverslag (al dan niet) wordt vermeld, als volgt: “- subgunningscriterium magazijnhandelingen, stockage en verzekeringen: 10 punten Geen bijzonderheden, aan beide offertes worden 10/10 punten toegekend. - subgunningscriterium projectadministratie en-coördinatie: 10 punten - Voor de offerte van [BV M. P.] komt er plots een pluspunt bij dat nochtans niet werd vermeld in het oorspronkelijke gunningsverslag, met name: “Het organigram van de medewerkers geeft een goed overzicht van de medewerkers die kunnen ingezet worden”. - Bij de offerte van de verzoekende partij komt er daarentegen plots een minpunt bij dat niet werd vermeld in het oorspronkelijke gunningsverslag, met name: “Er wordt gewag gemaakt van een team van 4 medewerkers dat op- en afbouw verzorgt, maar niet welke medewerkers dat zijn”, dit terwijl het volledige team en het organigram van de verzoekende partij wel degelijk ook werden toegevoegd aan de offerte (zie stuk 20). - subgunningscriterium opbouw, decoratie, inrichting en afbouw: 15 punten - “Er wordt niet gespecifieerd hoeveel mensen verantwoordelijk zullen zijn voor de opbouw van de stand”: dit minpunt is gewoon verdwenen en levert de [BV M. P.] dus geen minpunt meer op; - “De beschikbaarheid van extra medewerkers geldt enkel voor de SID-in beurzen, maar niet voor de beurs in Nederland of andere beurzen”: dit wordt tevens zo vermeld in het nieuwe gunningsverslag, maar wordt daar enkel niet als een meerwaarde (dus “niet als een pluspunt”) weerhouden, maar evenmin dus als een minpunt; XIV-39.887-22/29 - “ hiervoor (d.i. voor last-minute aanpassingen printwerk) wordt mogelijk een spoedkost die niet gespecifieerd wordt in het bestek” wordt in de beide gunningsverslagen als een minpunt aangemerkt. Ondanks al deze minpunten worden aan de offerte van de [BV M. P.] toch nog 12 op 15 punten toegekend, terwijl aan de offerte van de verzoekende partij slechts 7,5 op 15 punten worden toegekend. Dit laatste is blijkbaar het gevolg van het feit dat de verzoekende partij “enkel vermeldt dat de eigen productie garandeert dat de deadlines en kwaliteit kunnen bewaard worden ook in het geval van calamiteiten”, hetgeen eerder een pluspunt is, maar in het nieuwe gunningsverslag toch als een minpunt wordt beschouwd. - subgunningscriterium transport: 5 punten - “De vrachtwagen wordt gedeeld met UCLL en HOGENT. Dit kan een duurzame oplossing zijn, maar roept vragen op rond de praktische haalbaarheid hiervan (bv. risico op mixen van materialen)”; dit wordt tevens vermeld in het nieuwe gunningsverslag, maar levert daar andermaal geen minpunt op; - “Dit duurzaamheidargument geldt ook niet voor beurzen waarop de andere klanten van [BV M. P.] niet aanwezig zijn”; dit wordt tevens vermeld in het nieuwe gunningsverslag, maar levert daar alweer geen minpunt op; - “Er werd niet gespecifieerd in de offerte, zoals gevraagd in het bestek, of er zowel een vrachtwagen met laadbrug als een bestelwagen voorzien wordt”; ofschoon dit volgens het bestek een minimale eis is (waaraan de verzoekende partij zelf perfect voldoet), wordt er hiervoor in het nieuwe gunningsverslag weliswaar een minpunt weerhouden, maar krijgt de offerte van [BV M. P.] op het subgunningscriterium transport toch nog de score “VOLDOENDE” (terwijl er omtrent het transport hoofdzakelijk negatieve punten worden vermeld, hetgeen zich dus echter niet veruitwendigt in een logische score “onvoldoende” of hoogstens “matig”); - subgunningscriterium grafisch werk en artwork: 10 punten - “Productie wordt niet in-huis verzorgd, hiervoor wordt samengewerkt met externe leveranciers”; dit minpunt is gewoon verdwenen en levert de [BV M. P.] dus geen minpunt meer op in het nieuwe gunningsverslag; De offerte van de [BV M. P.] krijgt de maximum score van 10/10 voor dit subgunningscriterium, dit terwijl de productie bij de verzoekende partij wél in-huis wordt verzorgd en zij, merkwaardig genoeg, slechts 5 op 10 punten krijgt hiervoor; ” De verzoekende partij besluit dat uit de tegenstrijdige en XIV-39.887-23/29 niet-consistente beschrijving van de kwalitatieve voor- en nadelen in het gunningverslag niet op een behoorlijke en afdoende wijze het aanzienlijk puntenverschil tussen de beide offertes kan worden afgeleid. Beoordeling
  15. De aanbestedende overheid beschikt bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria over een beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats de aanbestedende overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. De Raad van State is niet bevoegd om de beoordeling van de offertes over te doen en zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van deze van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht mag hij desgevraagd wel nagaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven en of het bestuur daarbij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Een toetsing van de offertes aan de gunningscriteria veronderstelt dat een afdoende vergelijking van de offertes plaatsvindt, waarbij het aangebodene wordt getoetst aan de verwachtingen van de overheid, met vermelding en vergelijking van de respectieve sterke en zwakke punten van elk van de ingediende offertes.
  16. Voor zover de verzoekende partij in dit middel voornamelijk de motivering van de beoordeling van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ in het eerste gunningsverslag vergelijkt met de motivering in het tweede gunningsverslag waarop de bestreden beslissing is gesteund, kan zij niet worden bijgetreden. De verwerende partij maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat het verschil in resultaten het gevolg is van het feit dat een nieuwe beoordeling is gebeurd, volgens een andere beoordelingsmethode – per subgunningscriterium afzonderlijk met elk een verschillend gewicht – dan in het eerste gunningsverslag – globale beoordeling van het gunningscriterium – , gecombineerd met het feit dat XIV-39.887-24/29 de scores thans per subgunningscriterium worden toegekend volgens de ordinale schaal voorzien in het bestek waarbij, bijvoorbeeld, een verschil tussen de beoordeling ‘zeer goed’ en ‘goed’ resulteert in een verschil van twee punten, en tussen ‘goed’ en ‘voldoende’ van drie punten.
  17. Voor zover de verzoekende partij kritiek uit op de beoordeling van de offertes op zichzelf, maakt de verwerende partij in de nota op het eerste gezicht aannemelijk dat elk van de kritieken inhoudelijk niet ernstig zijn, als volgt: “
  18. Subgunningscriterium projectadministratie- en coördinatie […] Verzoekster licht in haar verzoekschrift slechts één element van de beoordeling uit, namelijk het voorzien van een organigram van medewerkers. Vooreerst zit kern van het verschil tussen beide offerte duidelijk in de SMART planning, die bij verzoekster (grotendeels) ontbreekt. […] Wat het organigram betreft bevat de offerte van verzoekster inderdaad een kort overzicht van het voorgesteld team, maar het is duidelijk zo dat hierop o.a. niet voorzien is welke medewerkers de op- en afbouw verzorgen. [In] de ‘prijsofferte’ (deel 8.1) die deel uitmaakt van de offerte van verzoekster waarin verzoekster […] is hier sprake van 4 personen, terwijl het bestek voor de opbouwdag 5 personen vereist. In het organigram worden slechts 2 ‘standenbouwers’ vermeld. Bovendien maakt het organigram van verzoekster deel uit van het onderdeel ‘selectie’, met name ‘technische en beroepsbekwaamheid’ van haar offerte zodat hiermee niet aangetoond wordt dat het daar vermelde team ook voor deze opdracht zal worden ingezet. Bij de gekozen inschrijver [blijkt] uit de offerte […] dat er duidelijk aan de minimale personeelscapaciteit wordt voldaan. […]
  19. Subgunningscriterium ‘opbouw, decoratie, inrichting en afbouw’ […] Het bestek (p. 18) bepaalt m.b.t. subgunningscriterium: ‘De inschrijver beschrijft duidelijk hoe zijn bedrijfsorganisatie de nodige garanties kan bieden om, zelfs bij calamiteiten, de wensen en deadlines voor de uitvoering van de beursopdrachten tijdig en zonder fouten te realiseren’. Bij de herbeoordeling van de offertes is er (nog) meer specifiek op deze zaken gefocust, reden waarom bvb. ‘er wordt niet gespecificeerd hoeveel mensen verantwoordelijk zullen zijn voor de opbouw van de eigenlijke stand’, niet langer vermeld is in het tweede gunningsverslag. […] Het gunningsverslag vermeldt maar liefst drie duidelijke pluspunten die voorhanden zijn bij de gekozen inschrijver en niet bij verzoekster, namelijk: - dezelfde personen die de testopstelling uitvoeren zullen ook de stand bouwen in het magazijn en worden zo vertrouwd gemaakt met het opbouwen van de stand voor de eigenlijke beurs; - bij de eerste keer dat de stand opgebouwd wordt gaat er extra personeel XIV-39.887-25/29 mee; - er zijn 2 extra mensen standby in het atelier. De opmerking m.b.t. de aanwezigheid op de SID in beurzen voor UCLL en HOGENT is inderdaad niet meer als een minpunt beschouwd, gezien dit een back-up is op de reeds 3 hiervoor beschreven back-ups (test in eigen atelier, extra personeel de eerste keer en extra personeel standby). Het wordt dus niet als een minpunt en ook niet als een pluspunt beoordeeld […]. Daarnaast voegde de gekozen inschrijver een duidelijk werkschema ter illustratie van een beursweek. Dit is een vierde pluspunt dat bij verzoekster ontbreekt. De verschillen tussen beide offertes worden dus heel duidelijk beschreven. Verzoekster toont niet aan dat deze verschilpunten niet correct zouden zijn. Zij komt niet verder dan een vergelijking tussen het eerste en het tweede gunningsverslag, waarmee zij dus niets aantoont. […]
  20. Subgunningscriterium transport […] Het delen van de vrachtwagen wordt niet langer als een minpunt beoordeeld gezien dit geen min- of pluspunt kan zijn in het licht van wat volgens het bestek onder dit subgunningscriterium relevant is. […] Duurzaamheid of de organisatie van de beursstanden is hier geen beoordelingselement. […] Wat de beoordeling onder de gunningscriteria betreft wordt enkel vastgesteld dat door de gekozen inschrijver niet ‘gespecificeerd’ wordt dat er ook een bestelwagen wordt ingezet, maar de gekozen inschrijver spreekt dit ook niet tegen. Er is dus geen sprake van een onregelmatigheid in de zin dat de offerte zou ingaan tegen de eisen van het bestek. Het gaat dus enkel om een onduidelijkheid met puntenverlies tot gevolg, en niet over een onregelmatigheid.
  21. Subgunningscriterium grafisch werk en artwork […] Twee duidelijke pluspunten die worden vermeld aangaande de offerte van de gekozen inschrijver en die ontbreken bij verzoekster verantwoorden bovendien op het eerste gezicht de toegekende score en alleszins het puntenverschil tussen beide inschrijver[s]: - presentatie van het grafisch team (Het bestek bepaalt: ‘aangetoond met een medewerkerslijst’). - Planning (het bestek bepaalt: ‘Daarnaast beschrijft hij hoe het grafisch werk en het artwork ‘op afroep’ worden uitgevoerd volgens een realistisch en haalbare retroplanning’). Het staat dus vast dat de offerte van de gekozen inschrijver met reden beter werd beoordeeld. […]” Deze inhoudelijke repliek wordt door de verzoekende partij ter terechtzitting niet tegengesproken en vindt op het eerste gezicht steun in de als vertrouwelijk neergelegde offerte van de tussenkomende partij, die de Raad van XIV-39.887-26/29 State heeft kunnen inzien.
  22. Voor zover de verzoekende partij ter terechtzitting nog benadrukt dat de offerte van de bv M.P. een lagere score diende te krijgen voor het subgunningscriterium ‘transport’ (op 5 punten), gelet op de overweging in het gunningsverslag dat “[er niet werd] gespecifieerd in de offerte, zoals gevraagd in het bestek, of er zowel een vrachtwagen (met laadbrug) als een bestelwagen (voor vb kleiner materiaal) voorzien wordt”, aangezien dit een essentiële vereiste zou betreffen, wordt zij niet bijgetreden. Het subgunningscriterium ‘transport’ (op 5 punten) wordt in het bestek als volgt omschreven: “De inschrijver verstrekt de vereiste bewijsstukken (zoals attesten en foto's) die aantonen dat zowel de veiligheid van de medewerkers als de keuze van de transportmiddelen aan de gestelde eisen voldoen”. De voornoemde overweging in het gunningsverslag, waarvoor een minpunt voor de offerte van de tussenkomende partij wordt toegekend, lijkt op het eerste gezicht enkel het niet-verstrekken van bewijsstukken inzake de keuze van transportmiddelen te betreffen, en niet het al dan niet voorzien zijn van die transportmiddelen zelf. In ieder geval worden de beide offertes in het gunningsverslag als regelmatig beschouwd en stelt de kritiek van de verzoekende partij niet de regelmatigheid van de offerte van de tussenkomende partij in vraag. Voorts maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de voornoemde kritiek, zelfs indien ernstig, van die aard is dat de puntenkloof tussen haar offerte en die van de tussenkomende partij zou kunnen worden overbrugd. Het betreft immers slechts één element die in het gunningsverslag, wat dit subgunningscriterium ‘transport’ betreft, als een minpunt voor de offerte van de tussenkomende partij werd beoordeeld. Hetzelfde geldt wat de specifieke kritiek betreft dat de overweging in het gunningsverslag dat de “[productie] niet in-huis [wordt] verzorgd, hiervoor wordt samengewerkt met externe leveranciers” bij het subgunningscriterium ‘grafisch werk en artwork’ (op 10 punten), tot een minpunt voor de offerte van de tussenkomende partij diende te leiden. XIV-39.887-27/29
  23. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door de offertes aldus te toetsen aan de diverse subgunningscriteria van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ en er dienvolgens scores aan te geven, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
  24. Het vierde middel is niet ernstig. BESLISSING
  25. Het verzoek van de bv M.P. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  26. De Raad van State verwerpt de vordering.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. XIV-39.887-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Patricia De Somere XIV-39.887-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.