id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 Rolnummer: A. 238954/XII-9661 Zaak: Arrest 264760 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 06/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-07 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-06-15 07:32 Fiche Arrest nr 264.760 van 6 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 no lien 285945 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.760 van 6 november 2025 in de zaak A. 238.954/XII-9661 In zake : I.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Schijns kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing met kenmerk KP/2023/IC van de administrateur- generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse overheid van 24 februari 2023 waarbij de aanvraag van verzoekster tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Tina Coen heeft een verslag opgesteld. XII-9661-1/31 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Joost Hoste, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster heeft de Belgische nationaliteit. Zij behaalt op 1 juli 2022 aan de Open Universiteit in Nederland het diploma ‘Psychology – variant Klinische Psychologie’. Op 29 augustus 2022 dient verzoekster bij het agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse Gemeenschap een aanvraag in voor een “erkenning van de beroepskwalificatie van ‘klinisch psycholoog’ EU/EER/Zwitserland”. Bij haar aanvraag voegt verzoekster onder meer een overzicht bij van de door haar opgedane werkervaring. Op 12 september 2022 vervolledigt zij deze aanvraag. 3.2. Tijdens haar vergaderingen van 7 november 2022 en 10 januari 2023 neemt de expertengroep ‘klinische psychologie’ kennis van de erkenningsaanvraag van verzoekster. De expertengroep beslist een negatief advies ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-2/31 uit te brengen over deze erkenningsaanvraag en motiveert dit als volgt: “De aanvraag van [verzoekster] tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ bevat het diploma ‘Master of Science in Psychology’ behaald op 1 juli 2022 aan de Open Universiteit in Nederland. Om in België een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ te kunnen krijgen op basis van een opleidingstitel uit Nederland, moet de aanvrager het beroep in Nederland mogen uitoefenen op basis van de opleidingstitel in kwestie. Na onderzoek van haar aanvraag tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ blijkt dat [verzoekster] het Nederlandse equivalent van het beroep van ‘klinisch psycholoog’ in Nederland niet mag uitoefenen op basis van het diploma dat zij voorlegt. Aan de voorwaarde van artikel 15, § 1, van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG- beroepskwalificaties, is bijgevolg niet voldaan. De aanvraag van [verzoekster] moet om deze reden worden afgewezen.” 3.3. Met een schrijven van 24 februari 2023 deelt de administrateur- generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid het negatief advies van de expertengroep ‘klinische-psychologie’ mee aan verzoekster, alsook dat het advies van de expertengroep wordt gevolgd en de erkenning van de beroepskwalificatie van ‘klinisch psycholoog’ wordt geweigerd. Er wordt voorgesteld dat verzoekster, als zij alsnog een erkenning in de klinische psychologie wenst te verkrijgen, zich wendt tot een universiteit die de masteropleiding voor klinische psychologie aanbiedt. Tevens wordt de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State vermeld. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoekster Uiteenzetting van de exceptie 4. De verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie dat het voorliggende beroep doelloos is geworden en werpt een exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoekster op. XII-9661-3/31 Dienaangaande laat zij gelden: “Het voordeel dat de verzoekende partij met het voorliggende beroep oorspronkelijk nastreefde bestond er essentieel in, door de nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven de erkenning van haar beroepskwalificatie van klinisch psycholoog EU/EER/Zwitserland te verwerven. Hangende het geding heeft verzoekende partij evenwel een nieuwe aanvraag ingediend d.d. 9 juli 2024 die werd beoordeeld door verwerende partij. Bij deze aanvraag werd verzoekende partij verzocht om alle bijkomende, dienstige en actuele stukken te voegen die de kwalificaties en eventuele relevante tewerkstelling konden aantonen. […]. De aanvraag werd aangevuld d.d. 15 november en beoordeeld een eerste maal door de erkenningscommissie d.d. 25 september 2024 en na inwinnen van bijkomende informatie opnieuw beoordeeld d.d. 28 november 2024. Uiteindelijk werd negatief geadviseerd. Op 10 maart 2025 werd bijgevolg op basis van deze stukken een nieuwe beslissing genomen tot weigering van de erkenning als klinisch psycholoog. Er worden compenserende maatregelen voorgesteld, gebaseerd op het advies van de erkenningscommissie: […] ‘U kan in aanmerking komen voor een erkenning in de klinische psychologie indien u met succes een voltijdse aanpassingsstage in het domein klinische psychologie van minimum 6 maanden doorloopt bij (een) daartoe erkende Vlaamse stagemeester(
- s)in de klinische psychologie. Daarnaast moet u voorafgaand aan deze stage uw theoretische en klinische vaardigheden aanscherpen door verdiepende vakken te volgen aan een door de Vlaamse overheid erkende onderwijsinstelling.’ Gelet op deze nieuwe beslissing is de vraag natuurlijk welk voordeel verzoekende partij met het voorliggende beroep nog wenst te bereiken, nu reeds een nieuwe weigeringsbeslissing bestaat d.d. 10 maart 2025, een weigeringsbeslissing die overigens niet aangevochten werd voor Uw Raad en aldus definitief geworden is. Het is immers vaste rechtspraak van Uw Raad dat de gevraagde nietigverklaring nog enig voordeel voor verzoekende partij dient op te leveren. Zie bijvoorbeeld RvS 5 mei 2022, nr. 253.656: ‘De aard van het belang kan evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert.’ Het beroep is bijgevolg doelloos. Tevens kan in deze omstandigheden moeilijk voorgehouden worden dat nog sprake is van enig actueel belang. Het actuele aspect slaat op het feit dat het nadeel geleden door de bestreden bestuurshandeling niet alleen bestaat bij het instellen van het beroep maar voortduurt tot aan de sluiting van de debatten. Deze vereiste van actueel belang houdt een essentiële ontvankelijkheidsvoorwaarde in bij het instellen en voortzetten van een annulatieberoep. Ook tijdens de volledige duur van de procedure dient verzoekende partij dus aan te tonen over een reëel, persoonlijk en rechtstreeks belang te beschikken bij de vernietiging van de bestreden bestuurshandeling. Dit belang mag niet louter hypothetisch of toekomstig zijn, maar moet daadwerkelijk bestaan en voortduren zolang de zaak hangende is, quod non in casu. Het actueel belang is met andere woorden dynamisch van aard: het kan in de loop van de procedure wegvallen als gevolg van gewijzigde omstandigheden, zoals de intrekking of vervanging van de bestreden beslissing, het verkrijgen van een nieuwe beslissing of de vervulling van het nagestreefde doel. Met andere woorden, de vereiste van belang dient voort te duren gedurende het hele verloop van het proces. Het wegvallen van het belang, gelet op de nieuwe beslissing tot weigering d.d. 10 maart 2025 heeft bijgevolg onvermijdelijk de onontvankelijkheid van het annulatieberoep tot gevolg. XII-9661-4/31 Dit wordt enkel versterkt daar de nieuwe beslissing op heden niet werd aangevochten voor Uw Raad en ondertussen definitief is geworden. Het annulatieberoep is onontvankelijk.” Beoordeling 5. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van de vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-5/31 buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. XII-9661-6/31 6. Verzoekster betwist de bestreden beslissing die ertoe strekt om haar aanvraag tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ te weigeren. In het verzoekschrift omschrijft verzoekster haar belang bij de voorliggende procedure als volgt: “Het belang van verzoekende partij is evident. Ten eerste viseert de bestreden beslissing verzoekende partij rechtstreeks. Anders gezegd: verzoekende partij is bestemmeling van de bestreden beslissing. Zij is persoonlijk aangeschreven ter kennisgeving van de bestreden beslissing. Daarnaast heeft (dan wel kan) de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg (hebben) dat verzoekende partij in Vlaanderen alsnog wordt erkend als klinisch psycholoog, hetgeen zij ook nastreeft middels onderhavig verzoekschrift. Verzoekende partij beschikt aldus over het nodige belang bij onderhavige procedure.” Te dezen omschrijft verzoekster in het verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoekster heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft haar door de bestreden beslissing vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid. 7. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. 8. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het actueel belang van verzoekster bij de voorliggende procedure en stelt dat het voorliggende beroep doelloos is geworden. Dienaangaande laat zij in essentie gelden dat:
- i)hangende het geding verzoekster een nieuwe aanvraag heeft ingediend, die werd beoordeeld door verwerende partij;
- ii)op 10 maart 2025 een nieuwe beslissing werd genomen tot weigering van de erkenning als klinisch psycholoog en compenserende maatregelen werden voorgesteld; iii) de nieuwe weigeringsbeslissing, niet werd aangevochten en aldus definitief is geworden;
- iv)gelet op de nieuwe weigeringsbeslissing de thans gevraagde nietigverklaring verzoekster geen voordeel meer kan opleveren en
- v)het wegvallen van het belang, onvermijdelijk de niet-ontvankelijkheid van het annulatieberoep tot gevolg heeft. XII-9661-7/31 Dit betoog wordt niet bijgevallen. In het door de verwerende partij bij haar laatste memorie gevoegde stuk 10 wordt gesteld: “We verwijzen naar de beslissing tot weigering van de erkenning als klinisch psycholoog van 24 februari 2023, die het voorwerp uitmaakt van rechtszaken bij de Raad van State. Ingevolge de communicatie met uw raadsman wensen we u te verzoeken de aanvraag tot erkenning als klinisch psycholoog opnieuw in te dienen bij onze diensten, voorzien van alle bijkomende, dienstige en actuele stukken die de kwalificaties en eventuele relevante tewerkstelling kunnen aantonen. U gaf hier middels uw aanvraag d.d. 05.05.2024 gehoor aan. Uw dossier zal vervolgens nader onderzocht worden. Dit schrijven betreft geen voorafname op hetgeen momenteel het voorwerp van de genoemde rechtszaak uitmaakt. Onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis.” Uit de voorgaande geciteerde passage blijkt dat verzoekster door de verwerende partij wordt verzocht een nieuwe aanvraag tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ in te dienen. De demarche van verzoekster om hangende het voorliggende beroep een nieuwe aanvraag in te dienen kan, zoals door haar terecht wordt aangegeven ter terechtzitting, niet worden gekwalificeerd als een verzoek tot “heroverweging” van haar initiële aanvraag. Nog daargelaten de vaststelling dat een dergelijk verzoek tot heroverweging te dezen door geen normatieve bepaling wordt voorzien, dient te worden vastgesteld dat de nieuwe aanvraag derhalve niet als een ‘willig beroep’ kan worden beschouwd, waarbij na een nieuw onderzoek, de daaruit voortvloeiende nieuwe beslissing in de plaats komt van de thans bestreden beslissing en deze laatste opslorpt. Evenmin blijkt uit de door de verwerende partij bijgebrachte nieuwe weigeringsbeslissing dat de thans aangevochten beslissing zou zijn ingetrokken, waardoor deze met terugwerkende kracht uit de rechtsorde wordt verwijderd, waarbij de nieuwe weigeringsbeslissing in de plaats van de thans aangevochten beslissing zou zijn gekomen en het thans voorliggende beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp zou zijn geworden. XII-9661-8/31 Met het voorgaande dient te worden vastgesteld dat, anders dan de verwerende partij het ziet, de nieuwe weigeringsvergunning niet tot gevolg heeft dat het thans voorliggende beroep zonder voorwerp en bijgevolg doelloos is geworden. Evenmin heeft de nieuwe weigeringsbeslissing, die verzoekster geenszins tot voordeel strekt, tot gevolg dat zij haar belang verliest nu niet kan worden ontkend dat zij door de thans bestreden weigeringsbeslissing een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt waarbij een eventueel tussen te komen nietigverklaring ervan haar een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen. Het gegeven dat verzoekster de nieuwe weigeringsvergunning niet heeft aangevochten met een annulatieberoep doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Ten overvloede stelt de Raad van State vast dat de verwerende partij in stuk 10 met betrekking tot de tweede erkenningsaanvraag zelf aangeeft dat “dit schrijven [...] geen voorafname [betreft] op hetgeen momenteel het voorwerp van de genoemde rechtszaak uitmaakt”. Dergelijk in tempore non suspecto geuite voorbehoud (ook al is het een stijlregel) waarbij aan verzoekster duidelijk te kennen wordt gegeven dat de tweede erkenningsaanvraag op geen enkele manier de uitkomst van voorliggende zaak kan beïnvloeden, staat haaks op het thans door de verwerende partij aangevoerde betoog. Gelet op het door de verwerende partij initieel gemaakte voorbehoud, kan thans bezwaarlijk op grond van dezelfde elementen een verlies aan belang worden aangevoerd. 9. Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat verzoekster doet blijken van het vereiste actuele belang bij het voorliggende beroep. 10. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid wegens gebrek aan actueel belang is derhalve ongegrond. XII-9661-9/31 V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 11. Verzoekster voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan van, enerzijds, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, de formelemotiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het fair play-beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en anderzijds, van het gelijkheidsbeginsel, machtsafwending en machtsoverschrijding. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift als volgt samen in haar verslag: “Na een korte uiteenzetting van elk van deze beginselen, stelt verzoekster dat: °het gelijkheidsbeginsel is geschonden: - doordat anderen, na het succesvol doorlopen van de eenjarige master ‘Master of Science in Psychology’ aan de Open Universiteit in Nederland (én met 1500 uur relevante aanvullende werkervaring), succesvol de specifieke gelijkwaardigheid konden aanvragen voor het 2-jarige Vlaamse masterdiploma en een erkenning hebben gekregen, - terwijl verzoekster, die stelt over dezelfde opleidingstitel en aanvullende werkervaring te beschikken, geen erkenning heeft gekregen en er voor dit verschil in behandeling van identieke gevallen geen redelijke verantwoording zou bestaan; °het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden: - doordat de verwerende partij laat uitschijnen dat tegenwoordig andere maatstaven worden gehanteerd bij de beoordeling van aanvragen tot erkenning van buitenlandse diploma’s, - terwijl verzoekster geen weet heeft van een eventuele wetwijziging en in de bestreden beslissing dienaangaande niets wordt vermeld; °het materiëlemotiveringsbeginsel is geschonden: - doordat de verwerende partij stelt dat verzoekster, om in België een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ te kunnen krijgen op basis van een opleidingstitel uit Nederland, de aanvrager het beroep in Nederland moet mogen uitoefenen op basis van de opleidingstitel in kwestie en niet motiveert waarom zij meent dat de erkenning van deze opleiding niet wordt gehonoreerd, - terwijl de Nederlandse opleidingstitel ‘Master of Science in Psychology’ waarover verzoekende partij beschikt, inhoudelijk gezien gelijk staat met de opleidingstitel ‘master in de klinische psychologie’ die in Vlaanderen wordt gehanteerd, mits 1500 uur relevante aanvullende werkervaring, - waardoor de verwerende partij de officiële erkenning van voormelde Nederlandse masteropleiding miskent en de motivering van de bestreden beslissing aldus in strijd lijkt met de Bologna-verklaring; °er sprake is van machtsafwending en machtsoverschrijding: - doordat de verwerende partij een erkende opleiding binnen de Europese Economische Ruimte miskent naar inhoud en rechtsgevolgen toe, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-10/31 - terwijl zij daartoe niet bevoegd is; °er sprake is van een schending van de formelemotiveringsplicht: - doordat de bestreden beslissing voor het overige zo goed als geen enkele andere inhoudelijke motivering bevat, - waardoor in principe zelfs moet worden gesteld dat de bestreden beslissing de facto geen motivering bevat; °het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; - doordat er geen verklaring denkbaar is waarom verzoekster anders zou moeten worden behandeld en de motivering in de bestreden beslissing in grove mate tekortschiet; °het vertrouwensbeginsel is geschonden - doordat verwerende partij om alle in het verzoekschrift aangehaalde redenen heeft tekortgedaan aan de rechtmatige verwachtingen die verzoekende partij in alle redelijkheid uit het bestuursoptreden mag putten; °het fair play-beginsel is geschonden - doordat verzoekster tot op het ogenblik van haar verzoekschrift geen reactie zou hebben ontvangen van de verwerende partij, - waardoor bij verzoekster het gevoel ontstaat dat de verwerende partij moedwillig stilzwijgt teneinde de verzoekend partij monddood te maken.” In de memorie van wederantwoord laat verzoekster, zoals samengevat door het lid van het auditoraat in haar verslag, gelden: “11.4. Na haar feitenrelaas te hebben uitgebreid met een uiteenzetting van de beroepservaring waarover verzoekster zou beschikken en na een herhaling van haar enige middel, repliceert verzoekster als volgt. In eerste instantie betwist zij de beweerde onontvankelijkheid, en merkt verzoekster op dat uit de memorie van antwoord zou blijken dat verwerende partij wel degelijk heeft kunnen achterhalen welke schendingen worden opgeworpen waardoor de rechten van verdediging niet zijn beknot. Ten gronde brengt de verzoekster ter staving van haar middel zes geanonimiseerde voorbeelden aan van alumni van de door haar gevolgde opleiding die elk via NARIC de specifieke gelijkwaardigheid met de Belgische master, afstudeerrichting ‘Klinische Psychologie’ hebben aangevraagd. Hieruit zou volgens verzoekster blijken dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, er in het verleden wel erkenningen werden afgeleverd louter en alleen op basis van het vermelde diploma, en zowel het gelijkheidsbeginsel als het rechtszekerheidsbeginsel aldus zouden zijn miskend. Op 14 november 2023 voegt de raadsman van verzoekster, een extra stuk toe aan het dossier waarin o.a. wordt gesteld dat een studente van de ‘Master - afstudeervariant Levenslooppsychologie’ van de Open Universiteit de specifieke (lees: volledige) gelijkwaardigheid in de klinische psychologie heeft gekregen en vervolgens met succes een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ heeft gekregen. 11.5. Voorts wordt de verwerende partij verweten de vergelijking die zij maakt tussen het Nederlandse beroep ‘gezondheidszorgpsycholoog’ en het Belgische beroep ‘klinisch psycholoog’ niet nader toe te lichten, en beslist de verzoekende partij “geen wederwoord [te] bieden op dit niet-onderbouwde standpunt”. Wat betreft het onderscheid tussen de Nederlandse opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’ en de Vlaamse opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’, herhaalt verzoekster dat de opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’ in Nederland pas kan worden aangenomen nadat er allereerst nog twee vervolgopleidingen met een totale duur van zes jaar moeten worden afgerond, hetgeen volgens haar wil zeggen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-11/31 dat de Nederlandse opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’ inhoudelijk meer zou inhouden dan de Vlaamse opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’, waarbij het loutere feit dat toevallig dezelfde benaming wordt gebruikt, van geen enkel belang zou zijn in onderhavig geschil. 11.6. Verzoekster volhardt ook dat de verwerende partij abrupt, zonder redelijke motivering en met miskenning van het verbod van machtsafwending – en overschrijding afbreuk zou doen aan een officieel erkende opleidingstitel uit een andere EU-lidstaat, en dus aan de Bologna-verklaring.” In haar laatste memorie volstaat verzoekster met te verwijzen naar het auditoraatsverslag. 12. De repliek van de verwerende partij, zoals aangevoerd in de memorie van antwoord, wordt door het lid van het auditoraat als volgt samengevat in haar verslag: “11.2. De verwerende partij stelt in eerste instantie dat het enige middel manifest onontvankelijk is doordat de verzoekster nergens zou toelichten welk beginsel op welk wijze in concreto door de bestreden beslissing zou worden geschonden. Specifiek wat betreft de beweerde schending van het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel, stelt zij dat verzoekende partij in het bijzonder tekort schiet in haar stelplicht doordat de door haar gemaakte beweringen op geen enkele wijze worden gestaafd. Dezelfde kritiek weerklinkt t.a.v. de beweerde schending van de Bologna-verklaring en de daaruit gedistilleerde machtsafwending en - machtsoverschrijding. Aangaande de beweerde schending van het fair play-beginsel, stelt zij dat op geen enkele mogelijke wijze wordt uiteengezet aan welke rechtmatige verwachtingen zou zijn tekortgedaan en welke oneerlijkheid de verwerende partij terzake wordt verweten. 11.3. Ten gronde betwist de verwerende partij het middel en merkt zij op dat: - verzoekster op geen enkele manier zou aantonen dat diploma’s van andere studenten in het verleden wel zonder meer zouden zijn erkend, waarbij elke aanvraag hoe dan ook op de eigen merites moet worden beoordeeld; - verzoekster niet zou voldoen aan het vereiste dat zij het equivalent van dat beroep mag uitoefenen in het land waar zij haar beroepstitel heeft behaald; - er het fundamenteel verschil zou bestaan in de opleidingstitel ‘klinisch psycholoog’ in Vlaanderen en Nederland; - het Nederlandse beroep ‘gezondheidszorgpsycholoog’ het equivalent vormt van het Belgische beroep ‘klinisch psycholoog’, waarbij personen die in Nederland het beroep ‘gezondheidszorgpsycholoog uitoefenen in België een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ kunnen verkrijgen; - verzoekende partij niet zou aantonen dat men met het diploma ‘Master of Science in Psychology’ aan de slag kan gaan als gezondheidszorgpsycholoog; - niet valt in te zien hoe uit de Bolognaverklaring de garantie op een erkenning van de beroepskwalificatie van verzoekster had kunnen worden gedistilleerd; - een expertengroep zich over de aanvraag heeft gebogen en ter zake een advies heeft uitgebracht dat door verwerende partij is gevolgd, waarbij de onjuistheid van dat advies niet zou worden aangetoond, laat staan dat de verwerende partij enige andere onzorgvuldigheid in de voorbereiding van de beslissing zou worden verweten; XII-9661-12/31 - anders dan verzoekster voorhoudt, de verwerende partij wel degelijk heeft geantwoord op de berichten (van de raadsman) van verzoekster. De verwerende partij voegt daar nog aan toe dat zij diverse individuele dossiers heeft geraadpleegd, waarbij in geen van die dossiers een erkenning werd afgeleverd louter en alleen op basis van het diploma waarover verzoekster beschikt. Zij merkt op dat personen bijvoorbeeld beschikten over een (specifieke) gelijkwaardigheid van NARIC-Vlaanderen, over een visum dat werd afgeleverd alvorens een erkenning werd vereist of over werkervaring in België alvorens het beroep werd gereglementeerd.” In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat er geen sprake kan zijn van een schending van de formelemotiveringswet nu de motieven van de bestreden beslissing in de bestreden beslissing vervat zitten en aan verzoekster werden bekendgemaakt. Zij laat gelden dat
- i)het agentschap Zorg en Gezondheid sinds 1 januari 2020 aan klinisch psychologen erkenningen aflevert conform de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ‘betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen’ (hierna: gecoördineerde wet van 10 mei 2015), en het koninklijk besluit van 26 april 2019 ‘tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van klinisch psychologen, alsmede van stagemeesters en stagediensten’ (hierna: koninklijk besluit van 26 april 2019);
- ii)verzoeksters aanvraag werd behandeld overeenkomstig de wet van 12 februari 2008 ‘tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties’ (hierna: wet van 12 februari 2008) en het koninklijk besluit van 14 april 2013 ‘tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van de beroepskwalificaties betreffende de gezondheidsberoepen verworven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België’ (hierna: koninklijk besluit van 14 april 2013) en iii) het auditoraat verkeerdelijk stelt dat deze regelgeving niet van toepassing zou zijn. De verwerende partij benadrukt dat het koninklijk besluit van 14 april 2013 een procedurebesluit was met betrekking tot procedures die vanaf 1 juli 2014, met name de datum van inwerkingtreding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming’, onder de bevoegdheid van de gemeenschappen ressorteerden. Op de datum van de bevoegheidsoverdracht diende deze federale regelgeving verder te worden toegepast, aangezien er op de datum van de bevoegdheidsoverdracht niet ipso facto en onmiddellijk in een nieuwe “Vlaamse regelgeving” werd voorzien. Volgens de verwerende partij was sinds 1 juli 2014 de bevoegdheid met betrekking tot de gezondheidszorgberoepen namelijk verdeeld over meerdere entiteiten: de federale overheid regelde de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-13/31 erkenningsvoorwaarden en de gemeenschappen, waaronder de verwerende partij, stonden in voor het vaststellen van de procedureregels, volgens dewelke een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep erkend kan worden, of volgens dewelke een kandidaat-beoefenaar een (voornemen tot) weigering van een erkenning kon ontvangen. Deze bevoegdheid voor de gemeenschappen volgt ook uit een vaste adviespraktijk van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Volgens de verwerende partij voerde zij bijgevolg de federale erkenningsvoorwaarden (procedureel) uit en werd de procedure geregeld in het koninklijk besluit van 14 april 2013, thans vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2022 ‘over de erkenning van de beroepskwalificaties voor de gezondheidsberoepen die verworven zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België, de Europese beroepskaart en de erkenning op basis van een andere opleiding dan de opleidingen, vermeld in artikel 101/2 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, waarvoor noch de richtlijn, vermeld in artikel 103, 3°, van de voormelde wet, noch artikel 145, § 1, van de voormelde wet geldt’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2022). Aangezien verzoekster een EU-burger is, moest volgens de verwerende partij worden vastgesteld of het een Belgisch diploma of een diploma verworven in een andere EU-lidstaat dan België betrof. Te dezen betrof het een Nederlands diploma, aldus een diploma verworven in een andere EU-lidstaat, waardoor de enige norm die volgens de verwerende partij kon worden toegepast het koninklijk besluit van 14 april 2013 betrof. Volgens de verwerende partij is het bij een beoordeling volgens richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende de erkenning van beroepskwalificaties’ (hierna: richtlijn 2005/36/EG) cruciaal dat wie een erkenning voor een gezondheidsberoep in België beoogt, het equivalent van dat beroep mag worden uitgeoefend in het land waar de aanvrager zijn beroepstitel heeft behaald, wat zich vertaald ziet in artikel 15, § 1, van de wet van 12 februari 2008. Hieraan werd volgens de verwerende partij niet voldaan. Dit gegeven werd volgens de verwerende partij gemotiveerd en deze motivering is in de akte zelf terug te vinden. De thans bestreden beslissing steunt volgens de verwerende partij op werkelijk bestaande en concrete, relevante feiten die door het bestuur en door de expertengroep met zorgvuldigheid zijn vastgesteld én die verzoekster in de bestreden beslissing kan lezen, waardoor zij zich in staat was zich ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-14/31 tegen deze motieven te verweren door het instellen van een verzoekschrift. Dat de bestreden beslissing bovendien verwijst naar het advies van de expertengroep, dat als bijlage werd gevoegd, vormt volgens de verwerende partij geen enkel probleem, wel integendeel. Conform de rechtspraak van de Raad van State is de verwijzing in de beslissing naar een dergelijk stuk een afdoende motivering om de formelemotiveringstoets te doorstaan als aan vier cumulatieve voorwaarden wordt voldaan met name:
- i)de inhoud van het stuk dient gekend te zijn bij de bestuurde, wat te dezen het geval is, daar het advies als bijlage werd gevoegd bij de bestreden beslissing. Het gaat om een grondig advies, waarbij de expertengroep de aanvraag van verzoekende partij beoordeelt. Het gaat dus allerminst om een globaal advies;
- ii)het dossier werd nauwgezet en in concreto op basis van de aangeleverde stukken beoordeeld; iii) het advies dient gevolgd te worden; dit staat letterlijk te lezen in de bestreden beslissing. Van enige strijdigheid in het advies is dus geen sprake, zodat moet worden vastgesteld dat de verwijzing naar dit advies van de expertengroep op correcte wijze gebeurde en
- iv)het bijgetreden advies van de expertengroep werd dus integraal aan het thans bestreden besluit gevoegd en draagt derhalve mee de thans bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij kan er geen sprake zijn een schending van de formelemotiveringswet. De uitgebreide motivering, mét bijlage bewijst net het tegendeel. Volgens haar is de motivering afdoende en gestoeld op correcte feitelijke gegevens die in de bestreden beslissing zelf te lezen zijn. Een afdoende motivering vereist bovendien niet dat in de bestreden beslissing evidenties verder verduidelijkt worden. Het is volgens de verwerende partij op basis van de elementen in het dossier en aangekaart door de expertengroep dat een erkenning niet mogelijk was daar het voor zich spreekt dat een lidstaat bij de beoordeling van een erkenningsvraag oog mag hebben voor de concrete opleiding en opleidingstitel, en de equivalentie met de ‘eigen’ opleiding en titel mag verifiëren, zoals ter zake dus ook effectief is gebeurd. Bij de beoordeling conform richtlijn 2005/36/EG wordt het volgens de verwerende partij cruciaal bevonden dat wie — zoals verzoekster — een erkenning voor een gezondheidszorgberoep in België beoogt, het equivalent van dat beroep mag uitoefenen in het land waar de opleidingstitel werd behaald. Dit heeft zich vertaald in artikel 15, § 1, van de wet van 12 februari 2008, dat in het advies van de expertengroep wordt aangehaald. Er werd volgens de verwerende partij aan deze voorwaarde niet voldaan, wat werd gemotiveerd in de bestreden beslissing. XII-9661-15/31 Beoordeling 13. Het auditoraat heeft het enig middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, randnummer 4). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. Exceptie inzake de ontvankelijkheid van het middel 14. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) zoals het luidde en van toepassing was op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens de verzoekende partij werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. 15. Verzoekster voert in haar enig middel de schending aan van diverse bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die bepalingen en beginselen identificeert zij nadrukkelijk. In de daaropvolgende toelichting bij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-16/31 het middel brengt zij de meeste van die bepalingen en beginselen in verband met de wijze waarin zij de schending ervan gelegen is. Dat verzoekster dat niet altijd even gestructureerd doet, verhindert niet dat het meestal duidelijk is welke bepaling of welk beginsel op welke wijze wordt geschonden geacht. 16. De voorgaande vaststelling gaat evenwel niet op in zoverre verzoekster in haar enig middel een schending van het vertrouwensbeginsel en machtsafwending aanvoert. Wat betreft de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel, beperkt verzoekster zich ertoe te stellen dat de verwerende partij, “gelet op alle voorgaande punten, en bovenal door het feit dat verwerende partij zelfs niet ingaat op kwestieus schrijven, heeft […] tekortgedaan aan de rechtmatige verwachtingen die verzoekende partij in alle redelijkheid uit het bestuursoptreden mag putten.” Een dergelijke summiere uiteenzetting volstaat niet. Wat betreft de beweerde machtsafwending, zet verzoekster nergens concreet uiteen op welke wijze de verwerende partij de bevoegdheid die haar met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk werd gegeven, heeft gebruikt voor een ander doel en dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de betrokken handeling is. Zoals hoger reeds werd gesteld komt het niet aan de Raad van State toe om in de plaats van verzoekster uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf deze onderdelen van het middel te redigeren. 17. In zoverre het enige middel steunt op een schending van het vertrouwensbeginsel en op machtsafwending, is het niet-ontvankelijk. XII-9661-17/31 B. Over de gegrondheid Vooraf 18. Voorafgaand aan de in concreto beoordeling van de door verzoekster in het enige middel aangevoerde grieven past het om het rechtskader, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, te schetsen en toe te lichten. 19. Artikel 68/1, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 luidt: “§ 1. Buiten de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars mag alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid de klinische psychologie uitoefenen. In afwijking van het eerste lid, mag de klinische psychologie eveneens uitgeoefend worden door de houder van een erkenning in de klinische orthopedagogiek die over voldoende kennis van de klinische psychologie beschikt. De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de opleiding en de praktijkstage die vervuld moeten zijn om die voldoende kennis aan te tonen. In afwijking van het eerste lid, mag ook de houder van het diploma in het domein van de klinische psychologie die de in paragraaf 4 bedoelde professionele stage heeft aangevat, de klinische psychologie uitoefenen zonder voorafgaand te zijn erkend, met dien verstande dat de afwijking wordt beperkt in de tijd tot de duur van de professionele stage.” Blijkens deze bepaling is het beroep van ‘klinisch psycholoog’ een gereglementeerd gezondheidsberoep. Artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de voormelde wet stelt het verkrijgen van de erkenning als ‘klinisch psycholoog’ onder meer afhankelijk van het behalen van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Uit de artikelen 104, eerste lid, 145, § 1, en 147 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, blijkt impliciet maar zeker dat het diploma waarvan sprake is in artikel 68/1, § 2, van de voornoemde wet aan een Belgische ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-18/31 universiteit moet zijn behaald. Voornoemde bepalingen stellen respectievelijk dat “[d]e migrant die houder is van een beroepskwalificatie, met uitzondering van de Belgische beroepskwalificaties die vermeld worden in andere bepalingen van deze gecoördineerde wet, en die in België één van de gezondheidszorgberoepen wenst uit te oefenen die worden gereglementeerd in deze gecoördineerde wet, […] deze beroepskwalificatie conform de bepalingen van deze gecoördineerde wet [laat] erkennen”; “[a]ndere buitenlanders dan Europese onderdanen, wier buitenlands diploma gelijkwaardig werd verklaard door de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en die in België beroepsactiviteiten wensen uit te oefenen vermeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 of 68/2 of die in aanmerking wensen te komen voor het uitoefenen van een paramedisch beroep in overeenstemming met hoofdstuk 7, […] pas hun beroep [kunnen] uitoefenen, nadat zij hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in deze gecoördineerde wet, vervuld hebben.” en “ [d]e Koning […] gemachtigd [is] om de benamingen van de diploma's die toegang verlenen tot het uitoefenen van de beroepen of activiteiten vermeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 23, § 2, 43, 45, 63, 68/1, 68/2 en 69 aan te passen aan de benamingen van de diploma's afgeleverd door de gemeenschappen.” De erkenningsvoorwaarden zijn nader uitgewerkt in het koninklijk besluit van 26 april 2019. 20. Uit het voorgaande blijkt dat ook “migranten” ( omschreven in artikel 103, 5°, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 als zijnde onder meer “ onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie”) die in een andere lidstaat van de Europese Unie beroepskwalificaties hebben verworven, als ‘klinisch psycholoog’ kunnen worden erkend. Op grond van artikel 104, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 bestaat de mogelijkheid om een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ te verkrijgen op basis van in het buitenland verworven beroepskwalificaties. Luidens deze bepaling laat “[d]e migrant die houder is van een beroepskwalificatie, met uitzondering van de Belgische beroepskwalificaties die vermeld worden in andere bepalingen van deze gecoördineerde wet, en die in België één van de gezondheidszorgberoepen wenst uit te oefenen die worden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-19/31 gereglementeerd in deze gecoördineerde wet, deze beroepskwalificatie conform de bepalingen van deze gecoördineerde wet erkennen.” Uit artikel 105, § 1, van diezelfde wet volgt dat een erkenning op basis van in het buitenland verworven beroepskwalificaties voor gezondheidsberoepen gebeurt overeenkomstig “het algemeen stelsel van de erkenning van opleidingstitels bedoeld in titel III van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.” Niettegenstaande de wet van 12 februari 2008 wat Vlaanderen betreft, is opgeheven en vervangen door het decreet van 24 februari 2017 ‘tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties’, blijft de wet overeenkomstig artikel 5, § 1, I., 7°,
- a)van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI), gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, VI, 6°, BWHI, gelden voor federale erkenningsregelingen, waaronder de erkenningsvoorwaarden die gelden voor gezondheidszorgberoepen, De afdeling Wetgeving omschrijft in haar advies 43.406/1/V van 9 augustus 2008 de strekking van het voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 12 februari 2008 als zijnde de “omzetting in het Belgische recht van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 ‘betreffende de erkenning van beroepskwalificaties’. Deze richtlijn heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde beroepen in de lidstaten te vergemakkelijken. Daartoe stelt de richtlijn de regels vast volgens welke een lidstaat, die de toegang tot een beroepsactiviteit afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, erkenning verleent aan de in een andere lidstaat verworven beroepskwalificaties die aan de houder ervan het recht verlenen om in die lidstaat hetzelfde beroep uit te oefenen.”. XII-9661-20/31 Artikel 15 van de wet van 12 februari 2008, dat de omzetting van artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG in intern recht betreft, bepaalt: “§ 1 Wanneer de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, staat de bevoegde Belgische autoriteit onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de eigen onderdanen gelden, de toegang tot en uitoefening van dit beroep toe aan aanvragers die in het bezit zijn van een bekwaamheidsattest dat of een opleidingstitel zoals bedoeld in artikel 13 die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van datzelfde beroep op zijn grondgebied. De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
- b)zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door België vereiste niveau, zoals omschreven in artikel 13. § 2. De in § 1 bedoelde toegang tot en uitoefening van het beroep worden eveneens toegestaan aan aanvragers die het in die paragraaf bedoelde beroep tijdens de voorafgaande tien jaar gedurende twee jaar voltijds hebben uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep niet is gereglementeerd en die een of meer bekwaamheidsattesten of een of meer opleidingstitels bezitten. De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
- b)zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het in België vereiste niveau, zoals beschreven in artikel 13;
- c)zij moeten aantonen dat de houder op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid. De in het eerste lid bedoelde beroepservaring van twee jaar kan echter niet worden geëist wanneer de aanvrager met de opleidingstitel(
- s)een gereglementeerde opleiding in de zin van artikel 2, § 1, onder e), van de in artikel 13, onder b), c),
- d)of e), beschreven kwalificatieniveaus heeft afgesloten. Als gereglementeerde opleidingen van het niveau dat beschreven is in artikel 13, onder c), worden de in bijlage III bedoelde opleidingen beschouwd. § 3. In afwijking van § 1, b, en § 2, b, zal de bevoegde Belgische autoriteit de toegang tot en uitoefening van een gereglementeerd beroep toestaan, wanneer de toegang tot dit beroep op zijn grondgebied afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een opleidingstitel die een opleiding van hoger of universitair onderwijs met een duur van vier jaar afsluit en de aanvrager een opleidingstitel van het niveau bezit waarnaar in artikel 13, onder c), wordt verwezen.” De erkenningsautoriteit die vaststelt dat de aanvrager voor een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is die zijn of haar diploma in een andere lidstaat heeft behaald, dient XII-9661-21/31 bijgevolg in eerste instantie na te gaan of het Belgische beroep van ‘klinisch psycholoog’ gereglementeerd is in de lidstaat waarin de beroepskwalificaties zijn verworven. Dat is het geval wanneer er in die andere lidstaat een gereglementeerd beroep bestaat dat vergelijkbare werkzaamheden bestrijkt als het Belgische beroep van ‘klinisch psycholoog’ (artikel 5, § 2, van de wet van 12 februari 2008). Is het beroep in de andere lidstaat gereglementeerd, dient door de erkenningsautoriteit vervolgens te worden nagegaan of de aanvrager in het bezit is van de beroepskwalificaties die vereist zijn om dat beroep aldaar uit te oefenen en of die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 15, § 1, tweede lid, van de wet van 12 februari 2008. Indien het beroep niet is gereglementeerd in de lidstaat waar de beroepskwalificaties zijn verworven, dienen de erkenningsautoriteiten na te gaan of de aanvrager over de vereiste werkervaring en bekwaamheidsattesten of opleidingstitels beschikt en de verworven beroepskwalificaties voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 15, § 2, tweede lid, van voormelde wet. 21. De omstandigheid van een aanvrager die een opleiding heeft genoten in een lidstaat van de Europese Unie waar het equivalent van het Belgische beroep van ‘klinisch psycholoog’ is gereglementeerd, maar waar de betrokken opleidingstitel geen toegang verschaft tot dat equivalente beroep, wordt niet uitdrukkelijk geregeld noch door artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG, noch door artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 dat de omzetting ervan in intern recht betreft, noch door de uitvoeringsbesluiten ervan. 22. Werd het in een andere lidstaat behaald diploma, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag, volledig (lees: inhoudelijk) gelijkwaardig verklaard met een Belgisch diploma in de zin van artikel 68/1, § 2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, dan kan de aanvrager, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure als die geldt voor houders van een Belgisch diploma, een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ verkrijgen. Niettegenstaande sinds de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2022 de omstandigheid van een aanvrager die een opleiding heeft genoten in een lidstaat van de Europese Unie waar het equivalent van het Belgische beroep van ‘klinisch psycholoog’ is gereglementeerd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-22/31 maar waar de betrokken opleidingstitel geen toegang verschaft tot dat equivalente beroep, uitdrukkelijk is geregeld, althans wat de procedure betreft, volstaat de vaststelling dat de thans bestreden beslissing dateert van vóór de inwerkingtreding van het voornoemde besluit, zodat ten tijde van de bestreden beslissing de voornoemde geschetste omstandigheid niet uitdrukkelijk was geregeld in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 of de uitvoeringsbesluiten ervan. Is de gelijkstelling in de zin van artikel 68/1, § 2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 niet gebeurd, dan is strikt genomen noch aan de voorwaarden gesteld in de wet van 12 februari 2008, noch aan de voorwaarden gesteld in artikel 68, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, voldaan. 23. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest C- 577/20 van 16 juni 2022 (C-577/20, ECLI:EU:C:2022:467) onder meer voor recht gezegd dat
- i)de richtlijnen inzake onderlinge erkenning van diploma’s, en met name richtlijn 2005/36/EG, niet tot doel hebben en evenmin tot gevolg kunnen hebben dat de erkenning van die diploma’s, certificaten en andere titels wordt bemoeilijkt in situaties die niet door die richtlijnen worden bestreken en
- ii)in een situatie waarin de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van een van de bij de voornoemde richtlijn ingevoerde stelsels van erkenning van beroepskwalificaties, de betrokken ontvangende lidstaat moet voldoen aan zijn verplichtingen inzake beroepskwalificaties, zijnde rekening houden met alle diploma’s, certificaten en andere titels alsook met de relevante ervaring van de betrokken persoon, door de uit die titels en die ervaring blijkende competenties te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling vereiste kennis en kwalificaties, die van toepassing zijn op de situaties die zowel onder artikel 45 als onder artikel 49 van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) vallen. Artikel 45 VWEU luidt: “1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij. 2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. 3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-23/31
- a)in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
- b)zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
- c)in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
- d)op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen. 4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.” Artikel 49 VWEU luidt: “In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.” 24. Ten tijde van de bestreden beslissing was de procedure voor de erkenning als ‘klinisch psycholoog’ op basis van in het buitenland verworven beroepskwalificaties nog niet specifiek geregeld in de Vlaamse Gemeenschap. Voor erkenning op basis van de wet van 12 februari 2008 werd, gelet op artikel 94, § 1, BWHI, derhalve beroep gedaan op het koninklijk besluit van 14 april 2013. Erkenningen op basis van een volledig gelijkwaardig verklaard diploma dan wel op basis van artikel 45 en 49 VWEU, daarentegen, vielen niet binnen het toepassingsgebied van het voornoemde koninklijk besluit. Ten tijde van de bestreden beslissing was het agentschap Zorg en Gezondheid de bevoegde erkenningsautoriteit. Bij gebrek aan specifieke bepaling, vloeide deze bevoegdheid voort uit de artikelen 1 en 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 mei 2004 ‘tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap “Zorg en Gezondheid”’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 7 mei 2004), gelezen in samenhang met artikel 8, § 1, tweede rij, 2° van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 ‘met betrekking tot ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-24/31 de organisatie van de Vlaamse administratie’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005) en artikel 17, 9° van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015). Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 mei 2004, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, luidt: “Binnen het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht, onder de benaming Zorg en Gezondheid, hierna het agentschap te noemen. Het agentschap wordt opgericht voor de uitvoering van het beleid inzake Welzijn en Volksgezondheid. Het agentschap behoort tot het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.” Artikel 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 mei 2004, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, luidt: “Het agentschap heeft tot taak: 1° de taken van beleid met betrekking tot de persoonsgebonden aangelegenheden op het vlak van het gezondheidsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen[25], met inbegrip van de prijsbepaling in de oudereninstellingen en met uitzondering van:
- a)de investeringskosten voor de infrastructuur en de medisch-technische diensten van de ziekenhuizen;
- b)het medisch schooltoezicht;
- c)de medisch verantwoorde sportbeoefening;
- d)de diensten voor pleegzorg, vermeld in artikel 7 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
- e)de taken van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
- f)de taken van de openbare psychiatrische zorgcentra Geel en Rekem, vermeld in het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Geel en Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem;” Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni XII-9661-25/31 2005 luidt: “§ 1. Het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin omvat de volgende beleidsvelden en bevoegdheden: […] gezondheids- en […] woonzorg 2° het gezondheidsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet, met uitzondering van het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening Artikel 17, 9°, van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 luidt: “Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslissingen te nemen over: 9° het verlenen en intrekken van erkenningen;” Voornoemde bevoegdheidsgrondslag was ten tijde van de bestreden beslissing voldoende ruim omschreven waardoor ook een erkenning op basis van in het buitenland verworven beroepskwalificaties erdoor werd gevat, ongeacht of die erkenning plaatsvond overeenkomstig de wet van 15 februari 2008, op basis van een volledig gelijkwaardig verklaard diploma dan wel met inachtneming van de artikelen 45 en/of 49 VWEU. In concreto beoordeling 25. Verzoekster voert in haar enig middel onder meer de schending aan van de formelemotiveringsplicht. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ ( hierna: wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 XII-9661-26/31 motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid met andere woorden om in het instrumentum van de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De formele neerslag van de motieven moet de geadresseerde van de beslissing, alsook de rechter die de wettigheid ervan moet controleren, in staat stellen te achterhalen welke redenen de overheid toe hebben gebracht zich in die zin uit te spreken. De formele motivering vereist in principe dat de motivering in het instrumentum van de beslissing zelf wordt uitgedrukt. Motivering door verwijzing naar een ander document is evenwel toegelaten, op voorwaarde dat de motivering in dat andere document afdoende is en dat de inhoud van dat document in het instrumentum van de beslissing is opgenomen dan wel uiterlijk samen met de beslissing aan de geadresseerde ter kennis is gebracht. Aan de doelstelling van de formelemotiveringsplicht, die erin bestaat de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat die met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, is voldaan als de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd. 26. Te dezen is de motivering van de bestreden beslissing identiek aan het advies van de expertengroep ‘klinische psychologie’, dat integraal als bijlage is opgenomen bij de bestreden beslissing. Die motivering luidt als volgt: XII-9661-27/31 “De aanvraag van [verzoekster] tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ bevat het diploma ‘Master of Science in Psychology” behaald op 1 juli 2022 aan de Open Universiteit in Nederland. Om in België een erkenning als ‘klinisch psycholoog’ te kunnen krijgen op basis van een opleidingstitel uit Nederland, moet de aanvrager het beroep in Nederland mogen uitoefenen op basis van de opleidingstitel in kwestie. Na onderzoek van haar aanvraag tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ blijkt dat [verzoekster] het Nederlandse equivalent van het beroep van ‘klinisch psycholoog’ in Nederland niet mag uitoefenen op basis van het diploma dat zij voorlegt. Aan de voorwaarde van artikel 15, § 1, van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG- beroepskwalificaties, is bijgevolg niet voldaan. De aanvraag van [verzoekster] moet om deze reden worden afgewezen.” In zoverre de verwerende partij van oordeel is dat verzoekster het Nederlandse equivalent van het beroep van ‘klinisch psycholoog’ in Nederland, zijnde, zoals blijkt uit het administratief dossier, het Nederlandse beroep van ‘gezondheidszorgpsycholoog’, niet mag uitoefenen op basis van het diploma dat zij voorlegt, wordt dit gegeven door verzoekster als zodanig niet betwist. 27. Wel vindt verzoekster het problematisch dat nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij het door haar in Nederland behaalde diploma en de andere kwalificaties waarover zij beschikt, inhoudelijk heeft vergeleken met de beroepskwalificaties die naar Belgisch recht vereist zijn om als ‘klinisch psycholoog’ te worden erkend. In de identiek aan het advies van de expertengroep ‘klinische psychologie’ luidende motivering van de bestreden beslissing wordt gesteld dat de aanvraag van verzoekster tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 15, § 1, van de wet van 12 februari 2008. 28. Zoals eerder is uiteengezet bij de bespreking van het toepasselijke rechtskader, betreft artikel 15 van de wet van 12 februari 2008, de omzetting van artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG in intern recht. Aldaar werd erop gewezen dat de omstandigheid van een aanvrager die een opleiding heeft genoten in een lidstaat van de Europese Unie waar het equivalent van het Belgische beroep van ‘klinisch psycholoog’ is gereglementeerd maar waar de betrokken XII-9661-28/31 opleidingstitel geen toegang verschaft tot dat equivalente beroep, niet uitdrukkelijk wordt geregeld noch door artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG, noch door artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 dat de omzetting ervan in intern recht betreft, noch door de uitvoeringsbesluiten ervan. Uit de onder randnummer 23 geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de omstandigheid van een aanvrager die niet wordt geregeld, te dezen door artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG, niet tot gevolg kan hebben dat de erkenning van die diploma’s, certificaten en andere titels wordt bemoeilijkt in situaties die niet door de richtlijn worden bestreken. Volgens deze rechtspraak komt het aan de betrokken ontvangende lidstaat toe om te voldoen aan zijn verplichtingen inzake beroepskwalificaties, zijnde rekening houden met alle diploma’s, certificaten en andere titels alsook met de relevante ervaring van de betrokken persoon, door de uit die titels en die ervaring blijkende competenties te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling vereiste kennis en kwalificaties, die van toepassing zijn op de situaties die zowel onder artikel 45 als onder artikel 49 VWEU vallen. 29. Gelet op voorgaande vaststelling diende de verwerende partij verzoeksters erkenningsaanvraag nog te beoordelen in het licht van de artikelen 45 en/of 49 VWEU alvorens deze eventueel af te wijzen. Te dezen dient te worden benadrukt dat de vaststelling dat verzoekster de Belgische nationaliteit heeft en het beroep van ‘klinisch psycholoog’ in Vlaanderen wenst uit te oefenen, de toepassing van deze verdragsbepalingen niet in de weg staat. Wat betreft de toepassing van artikel 45 VWEU, blijkt dit met zoveel woorden uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder uit het arrest nr. C-298/14 van 6 oktober 2015 waarin het Hof voor recht heeft gezegd: XII-9661-29/31 “26. Wat artikel 45 VWEU betreft, volgt in de eerste plaats uit vaste rechtspraak weliswaar dat de bepalingen van het VWEU op het gebied van het vrije verkeer niet kunnen worden toegepast op activiteiten die geen enkele aanknoping hebben met een van de situaties die het Unierecht op het oog heeft en waarvan alle elementen geheel in de interne sfeer van één enkele lidstaat liggen (zie arresten López Brea en Hidalgo Palacios, C-330/90 en C-331/90, EU:C:1992:39, punt 7, en Uecker en Jacquet, C-64/96 en C-65/96, EU:C:1997:285, punt 16). 27. Niettemin heeft het Hof geoordeeld dat het vrije verkeer van personen niet volledig zou worden verwezenlijkt indien de lidstaten het voordeel van deze bepalingen zouden ontzeggen aan diegenen van hun staatsburgers die, gebruikmakend van de in het Unierecht geboden faciliteiten, beroepskwalificaties hebben verworven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten. Ditzelfde geldt ook voor het geval dat een staatsburger van een lidstaat in aanvulling op zijn basisvorming een academische kwalificatie in een andere lidstaat heeft verworven, waarop hij zich na terugkeer in zijn land van oorsprong wil beroepen (zie arrest Kraus, C-19/92, EU:C:1993:125, punten 16 en 17). 28. In casu beroept Brouillard zich in de lidstaat waarvan hij staatsburger is, op een universitair diploma dat hij in een andere lidstaat heeft verkregen. 29. Het voordeel van de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen mag hem dus niet worden ontzegd. De omstandigheid dat dit diploma is verkregen na voltooiing van een opleidingsprogramma per correspondentie, is in dat opzicht van geen belang. Zulks houdt in dat de verwerende partij bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag rekening moest houden met alle diploma’s, certificaten en andere titels, evenals de relevante ervaring van verzoekster, waarbij een inhoudelijk vergelijking moest worden gemaakt tussen enerzijds de kwalificaties opgenomen in de erkenningsaanvraag van verzoekster en, anderzijds, de beroepskwalificaties vereist naar Belgisch recht.” In dit arrest heeft het Hof van Justitie zich weliswaar nog niet uitgesproken over de toepassing van artikel 49 VWEU. Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet dat verzoekster het beroep van ‘klinisch psycholoog’ uitsluitend op zelfstandige basis wil uitoefenen. Bovendien is de erkenning als ‘klinisch psycholoog’ niet gekoppeld aan een bepaald statuut waarin dat beroep zou worden uitgeoefend. Derhalve viel de erkenningsaanvraag van verzoekster binnen de werkingssfeer van, minstens, artikel 45 VWEU. 30. Uit de bestreden beslissing noch uit het advies van de expertengroep ‘klinische psychologie’ blijkt dat dergelijk onderzoek is gebeurd. Het administratieve dossier bevat evenmin elementen die in die richting wijzen. Een schending van de formelemotiveringsplicht ligt voor. XII-9661-30/31 31. Het enig middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing met kenmerk KP/2023/IC van de administrateur-generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse overheid van 24 februari 2023 waarbij de aanvraag van verzoekster tot erkenning als ‘klinisch psycholoog’ wordt geweigerd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9661-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 ECLI:EU:C:2022:467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.