id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.768 Rolnummer: A. 243004/X-18841 Zaak: Arrest 264768 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 06/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-15 07:30 Fiche Arrest nr 264.768 van 6 november 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.768 van 6 november 2025 in de zaak A. 243.004/X-18.841 In zake :
- M.V.
- J.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing dd. 26 juli 2024 nr. OVB/2024/168 van de Beroepsinstantie - Afdeling Openbaarheid van bestuur”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. X-18.841-1/23 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie en een aanvullende laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jadzia Talboom, die loco advocaat Philippe Vande Casteele verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny de Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 23 mei 2024 vragen de verzoekende partijen aan de gemeente Schoten om de openbaarheid van “de documenten die […] de ‘bestaande juridische toestand’ bepalen, zoals de Gemeente Schoten dit formeel nu heeft voorgesteld en voorstelt in het dossier van het openbaar onderzoek ‘RUP Centrum’ (mei 2024)” (hierna: de kwestieuze vraag tot openbaarheid). De kwestieuze vraag tot openbaarheid kadert in een procedure tot opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) ‘Centrum’ door de gemeente Schoten, waar bij het bepalen van de bestaande juridische toestand de contouren van het bestaande gemeentelijk bijzonder plan van aanleg (BPA) ‘Centrum’ verkeerdelijk werden weergegeven: X-18.841-2/23 “Het huidig dossier ‘RUP Centrum’, thans in openbaar onderzoek (mei 2024), bevat dienaangaande een belangrijke wijziging (in vergelijking met het dossier, vermeld in de startnota en scopingnota). Dit dossier openbaar onderzoek ‘RUP Centrum’ (mei 2024) vermeldt immers het volgende nieuw document : ‘https://www.schoten.be/sites/default/files/2024- 05/4759365003_RUP%20centrum%20Schoten_BJT_1%20%26%202_V V.pdf’ Op de website van de Gemeente wordt het document gerepertorieerd met de volgende referte : ‘4759365003_Rup Centrum BJT_1 & 2 VV.pdf’ De formele titel van het nieuw document luidt: ‘RUP Centrum – deelzone 1 en 2 Gemeente Schoten Bestaande juridische toestand Ontwerp RUP’. De zone van het BPA Centrum is omsloten door een paarse omlijning. Zie de legende. In dat nieuw document bevat de zone ‘BPA Centrum’, in het paars afgebakend, een inham, zuidwaarts van de Vordensteinstraat die als het ware neerkomt op een zogenoemde quasi-enclave. Deze inham is er westwaarts, zuidwaarts en oostwaarts omsloten door het BPA Centrum-gebied. Deze (nieuwe ?) quasi-enclave bevindt zich eveneens tegenover het gebouw ‘Gelmelenhof’ dat behoort tot de zone ‘BPA Centrum’. De gebouwen en percelen in deze quasi-enclave zijn dus onttrokken aan het gebied van het ‘BPA Centrum’, zoals de formele betiteling ‘Bestaande Juridische toestand/Ontwerp RUP’ aangeeft. Tot goed begrip vindt U een illustratie van de ‘quasi enclave’, namelijk met volgende uittreksel: Het geheel document wordt dus nu formeel voorgesteld als ‘bestaande juridische toestand’. Zie de website van de Gemeente Schoten, ‘4759365003_Rup Centrum _BJT 1 & 2 VV.pdf’. X-18.841-3/23 Cliënten verzoeken U om de inzage en een afschrift van alle documenten die deze quasi enclave-voorstelling, – opgegeven in dat document nu voorgelegd aan openbaar onderzoek
(2024)–, staven. Dit verzoek betreft alle documenten op grond waarvan voormeld document – opgenomen in het dossier van het openbaar onderzoek Schoten Centrum (mei 2024) –
(1)de paars omsloten zone met de betiteling ‘bestaande juridische toestand’ aanwijst als zijnde het huidig ‘BPA Centrum’ en
(2)de daarin opgenomen quasi-enclave onttrekt aan het gebied waarop het BPA Centrum van toepassing is. Deze documenten zijn cliënten niet bekend en de startnota bevatte andere gegevens. Tot de aldus door cliënten opgevraagde documenten (met betrekking tot de opgegeven ‘bestaande juridische toestand’) behoren de besluiten, bijhorende plannen en bekendmaking-documenten. Tot de gevraagde ‘besluiten’ behoren onder meer de beslissingen van de burgemeester, het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad, organen van de provincie en organen van de Regering. Het evt. gegeven dat de besluiten en/of plannen onwettig zijn, belet niet de openbaarmaking ervan. Cliënten wensen zo inzage en afschrift van de documenten die dus de ‘bestaande juridische toestand’ bepalen, zoals de Gemeente Schoten dit formeel nu heeft voorgesteld en voorstelt in het dossier van het openbaar onderzoek ‘RUP Centrum’ (mei 2024).” 3.
- Op 27 mei 2024 dienen de verzoekende partijen met betrekking tot de voormelde problematiek een tweede vraag tot openbaarheid bij de gemeente Schoten in (hierna: de tweede vraag tot openbaarheid). 3.
- Op 12 juni 2024 meldt de gemeente Schoten aan de verzoekende partijen dat de behandelingstermijn van de kwestieuze vraag tot openbaarheid en van de tweede vraag tot openbaarheid overeenkomstig artikel II.43, § 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna: het bestuursdecreet), tot veertig kalenderdagen wordt verlengd. 3.
- Bij beslissing van 24 juni 2024 bezorgt de gemeente Schoten een afschrift van zeven bestuursdocumenten aan de verzoekende partijen. In die beslissing geeft de gemeente aan dat indien de verzoekende partijen “nog meer verslagen van de GECORO of van de raadscommissie ruimtelijke ordening” wensen te raadplegen, zij deze via de website van de gemeente Schoten kunnen terugvinden. X-18.841-4/23 3.
- Op 27 juni 2024 stellen de verzoekende partijen tegen de beslissingen van 12 juni 2024 en 24 juni 2024 van de gemeente Schoten met betrekking tot de kwestieuze vraag tot openbaarheid, een bestuurlijk beroep in bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur (hierna: de beroepsinstantie). Tegen de beslissing van de gemeente Schoten met betrekking tot de tweede vraag tot openbaarheid dienen de verzoekende partijen geen bestuurlijk beroep in. In hun bestuurlijk beroepschrift met betrekking tot de kwestieuze vraag tot openbaarheid werpen de verzoekende partijen de onwettigheid op van de beslissing van 12 juni 2024 tot verlenging van de behandelingstermijn van hun aanvraag. Daarnaast betogen zij dat de bij beslissing van 24 juni 2024 overgemaakte afschriften van bestuursdocumenten die de opmaak van het gemeentelijk RUP ‘Centrum’ betreffen “volkomen naast de kwestie” zijn, vermits zij de openbaarmaking wensen van “de documenten op grond waarvan de Gemeente de ‘bestaande juridische toestand’, opgesteld door de Gemeente in de gemeenteraadzitting van 25 april 2024 en voorgelegd ter openbaar onderzoek op 8 mei 2024, heeft voorgesteld”. 3.6.
- De verzoekende partijen vragen op 29 juni 2024 aan de gemeente Schoten om de inzage en afschrift van het “advies van studiebureau [A.] van 7 juni 2024”, vermeld in het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 20 juni
- 3.6.
- Eveneens op 29 juni 2024 dienen de verzoekende partijen bij de gemeente Schoten een volgend verzoek tot openbaarheid in, dat evenzeer in de procedure tot opmaak van het RUP ‘Centrum’ kadert. De verzoekende partijen vragen meer bepaald om inzage en afschrift van: “1° alle briefwisseling, – inclusief brieven, e-mails en SMS en registers – , die is uitgewisseld tussen enerzijds de gemeente Schoten en anderzijds het studiebureau [A.] inzake en na verzoekers berichtgeving dd. 23 mei 2024 over een onregelmatigheid (‘RUP Centrum’) in de documenten, – bepaald X-18.841-5/23 door het schepencollege en de gemeenteraad (in zitting van 25 april 2024) en voorgelegd ter openbaar onderzoek vanaf 8 mei 2024 tot en met 6 juli 2024 – , meer bepaald het volgende document: ‘https://www.schoten.be/sites/default/files/2024- 05/4759365003_RUP%20centrum%20Schoten_BJT_1%20%26% 202_VV.pdf’ op de website van de Gemeente Schoten gerepertorieerd met de volgende referte : ‘4759365003 Rup Centrum BJT 1 & 2 VV.pdf’ Waarbij de formele titel van het, door de Gemeente vastgestelde, nieuw document luidt: ‘RUP Centrum – deelzone 1 en 2 Gemeente Schoten Bestaande juridische toestand Ontwerp RUP’. 2° de interne communicatie van de Gemeente Schoten inzake de behandeling van verzoekers mededeling dd. 23 mei 2024 van een onregelmatigheid in de documenten, – bepaald door het schepencollege en de gemeenteraad (in zitting van 25 april 2024) en voorgelegd ter openbaar onderzoek vanaf 8 mei 2024 tot 6 juli 2024 –, namelijk een onregelmatigheid in het document dat formeel (voorlopig) is vastgesteld door de gemeenteraad zelf als : ‘RUP Centrum – deelzone 1 en 2 Gemeente Schoten Bestaande juridische toestand Ontwerp RUP’. 3° de interne communicatie van de Gemeente Schoten inzake het voormeld ‘advies van het studiebureau [A.] van 7 juni 2024’ en inzake de behandeling van dit advies; 4° alle briefwisseling, – inclusief brieven, e-mails en SMS en registers – , uitgewisseld tussen enerzijds de gemeente Schoten en anderzijds derden (zoals eigenaars, architecten, bouwpromotoren, enz.) inzake en naar aanleiding van verzoekers berichtgeving dd. 23 mei 2024 over een onregelmatigheid (‘RUP Centrum’) in de documenten, – bepaald door het schepencollege en de gemeenteraad (in zitting van 25 april 204) en voorgelegd ter openbaar onderzoek vanaf 8 mei 2024 tot 6 juli 2024 – , meer bepaald het volgende document: ‘https://www.schoten.be/sites/default/files/2024- 05/4759365003_RUP%20centrum%20Schoten_BJT_1%20%26% 202_VV.pdf’ op de website van de Gemeente Schoten gerepertorieerd met de volgende referte : ‘4759365003 Rup Centrum BJT 1 & 2 VV.pdf’ Waarbij de formele titel van het, door de Gemeente vastgestelde, nieuw document luidt : ‘RUP Centrum – deelzone 1 en 2 Gemeente Schoten Bestaande juridische toestand Ontwerp RUP’.” X-18.841-6/23 Daarnaast vragen de verzoekende partijen ook om uitleg over: “[…] de term ‘materiële vergissing’, opgenomen in het enig artikel van het schepencollege-besluit van 20 juni 2024, betiteld ‘Stopzetting openbaar onderzoek – RUP Centrum’. Het is onduidelijk wat deze ‘materiële vergissing’, – in beginsel begaan met gehele kennis van zaken door de gemeenteraad zelf op voorstel van het schepencollege zelf, – inhoudt en aan wie precies deze ‘materiële vergissing’ wordt toegeschreven (volgens de al dan niet correcte inzichten van de Gemeente of minstens van één of ander orgaan van de Gemeente).” 3.6.
- Nog op 29 juni 2024 bezorgen de verzoekende partijen, in het kader van hun onder randnummer 3.5 vermelde bestuurlijk beroep, een vraag tot openbaarheid aan de beroepsinstantie, om reden dat zij “inmiddels nieuwe elementen ontdekt [hebben] via de openbaarheid van bestuur”. Het betreft een aan de verzoekende partijen meegedeeld besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 20 juni 2024, dat een “advies studiebureau dd. 7 juni 2024” vermeldt, en dat een “materiële misslag” als reden voor de stopzetting van het openbaar onderzoek van het gemeentelijk RUP ‘Centrum’ opgeeft. 3.7.
- Met een beslissing van 18 juli 2024 willigt de gemeente Schoten de onder randnummer 3.6.1 vermelde vraag tot openbaarmaking van de verzoekende partijen gedeeltelijk in, en bezorgt zij aan de verzoekende partijen een afschrift van het advies van het studiebureau A. van 7 juni
- 3.7.
- Met een beslissing van eveneens 18 juli 2024 wijst de gemeente Schoten het onder randnummer 3.6.2 vermelde verzoek tot openbaarheid af. 3.
- Op 22 juli 2024 maken de verzoekende partijen bij de beroepsinstantie voorbehoud bij “de ongegronde uitleg die de Gemeente Schoten a posteriori nu meedeelt inzake de onregelmatigheden in de opmaak van het RUP Centrum (Schoten)
(2024)” (zie randnummer 3.6.3). X-18.841-7/23 3.
- Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 verwerpt de beroepsinstantie het onder randnummer 3.5 vermelde bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen. Zij overweegt onder meer: “De beroepsinstantie moet in casu vaststellen dat verzoeker een beroep instelt tegen de beslissing van de gemeente Schoten om de behandelingstermijn voor het openbaarheidsverzoek te verlengen. Die mogelijkheid tot verlenging is uitdrukkelijk voorzien in artikel II.43, §3 Bestuursdecreet. In de voormelde bepaling van II.48 van het Bestuursdecreet wordt nergens de bevoegdheid gegeven aan de beroepsinstantie om een beroep in behandeling te nemen tegen een beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn voor een openbaarheidsverzoek. De bevoegdheid van de beroepsinstantie is beperkt tot de 3 hiervoor beschreven situaties (zoals voorzien in artikel II.48 van het Bestuursdecreet). De beroepsinstantie mist dus de bevoegdheid om een uitspraak te doen over een dergelijke beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn. Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat het beroepschrift, voor dit onderdeel (beroep tegen de beslissing van de gemeente Schoten dd. 12 juni 2024 tot verlenging van de behandelingstermijn) als onontvankelijk moet worden beschouwd.” En nog: “Om met kennis van zaken over het beroep te kunnen oordelen, heeft de beroepsinstantie contact opgenomen met de gemeente Schoten, om de gemeente in de gelegenheid te stellen om wat meer duiding te verstrekken betreffende dit dossier. Op 10 en 24 juli 2024 bezorgde de gemeente Schoten de nodige toelichting bij dit dossier waarbij telkens wordt bevestigd dat in casu geen documenten werden geweigerd of een dilatoir of onwettig antwoord zou zijn verstrekt aan verzoeker. De gemeente meldt dat alle openbaarheidsvragen van verzoeker met betrekking tot het ‘RUP Centrum’ zorgvuldig en in overleg met het studiebureau [A.] werden behandeld. Volledigheidshalve wijst de gemeente erop dat verzoeker ook nog op 27 mei 2024 met betrekking tot hetzelfde dossier ‘RUP Centrum’ een openbaarheidsverzoek had ingediend van 23 bladzijden waarin onder meer 9 vragen om uitleg werden gesteld. Beide verzoeken van 23 en 27 mei zijn samen behandeld wat tot een verlenging van de behandelingstermijn heeft geleid. Door de vaststelling van een onregelmatigheid met betrekking tot het in openbaar onderzoek voorgelegd plan van de bestaande toestand alsook een vergeten adviesvraag heeft het schepencollege beslist het lopende onderzoek stop te zetten en de procedure te hernemen met later een nieuw openbaar onderzoek. Bij een extra toelichting van het dossier op 24 juli 2024 bevestigt de gemeente Schoten nogmaals telefonisch dat er geen andere stukken zijn die X-18.841-8/23 antwoord bieden op het verzoek van 23 mei
- De gemeente herhaalt dat alle verzoeken (er volgden er nog op 27 en 29 juni 2024) telkens zorgvuldig onderzocht werden door de dienst ruimtelijke ordening en in samenspraak met het studiebureau werden behandeld en beantwoord. De beroepsinstantie kan enkel oordelen op basis van de informatie die haar door de bevraagde overheidsinstantie wordt aangereikt. De beroepsinstantie heeft niet de bevoegdheid van bij voorbeeld een onderzoeksrechter in strafzaken die aan de hand van een huiszoekingsbevel op zoek kan gaan naar informatie. De beroepsinstantie is steeds gebonden aan de bereidwillige medewerking van de bevraagde overheidsinstanties. In casu heeft de gemeente Schoten telkens alle vragen van de beroepsinstantie beantwoord en haar de bestaande stukken in haar bezit bezorgd. In artikel I.4.3° van het Bestuursdecreet wordt de term ‘bestuursdocument’ gedefinieerd als ‘alle informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie’. Vermits de gemeente Schoten laat weten dat er geen andere documenten in haar bezit zijn die een antwoord bieden op de vraag van 23 mei 2024 kan er geen afschrift van worden verleend. Bovendien toont de gemeente Schoten zich in casu ook klantvriendelijk en werd beroeper uitgenodigd voor een gesprek op 25 juni 2024 waarin het dossier ‘RUP Centrum’ samen met de bevoegde schepen en de dossierbehandelaar van de dienst ruimtelijke ordening werd besproken. Naar oordeel van de beroepsinstantie heeft de gemeente Schoten ter zake haar plicht voldaan en dient het beroep, bij gebrek aan andere bestuursdocumenten in het bezit van de gemeente Schoten die een antwoord zouden bieden op de vraag van 23 mei 2023, ongegrond te worden verklaard.” 3.
- Het door de verzoekende partijen ingestelde bestuurlijk beroep tegen de onder randnummer 3.7.1 vermelde beslissing van 18 juli 2024, wordt door de beroepsinstantie op 29 augustus 2024 gedeeltelijk gegrond bevonden. 3.
- Het door de verzoekende partijen ingestelde bestuurlijk beroep tegen de onder randnummer 3.7.2 vermelde weigeringsbeslissing van 18 juli 2024, wordt bij besluit van de beroepsinstantie van 27 september 2024 ongegrond verklaard. Ook tegen deze beslissing hebben de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld (zaak A. 243.227/X-18.878). IV. Vertrouwelijke stukken 4.
- De verwerende partij legt de correspondentie die zij met de gemeente Schoten heeft gevoerd neer als een vertrouwelijk stuk (stuk B1). Zij X-18.841-9/23 verzoekt om de vertrouwelijke behandeling omdat het “interne communicatie uitmaakt tussen twee overheidsdiensten omtrent voorliggende procedure”. 4.
- In de memorie van wederantwoord verzetten de verzoekende partijen zich tegen de gevraagde vertrouwelijkheid, omdat de beroepsinstantie daarmee hun recht van verdediging zou schenden. 5.
- Het stuk waarvan de vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd is door de verwerende partij afzonderlijk neergelegd, de vertrouwelijkheid ervan wordt uitdrukkelijk aangegeven en vermeld in de inventaris van het administratief dossier. De motieven voor die vraag worden weergeven in de memorie van antwoord. Op formeel vlak belet derhalve niets om in te gaan op de gevraagde vertrouwelijke behandeling. 5.
- Voorts is dit stuk niet nodig voor de oplossing van het geschil. Er blijkt dan ook geen noodzaak te bestaan om niet in te gaan op de gevraagde vertrouwelijke behandeling van het betrokken stuk. Er zijn geen redenen om de vertrouwelijkheid te lichten. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan: “Machtsoverschrijding en onwettige motieven, evenals schending van
(1)de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet,
(2)de artikelen II.41, II.42, II.43, II.44, II.48 en III.90 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018,
(3)de formele motiveringsplicht en
(4)de materiële motiveringsplicht” X-18.841-10/23 6.
- Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “(weigering dd. 12 juni 2024 – werkelijk motief: ‘samenvoeging verzoeken’)
- De Beroepsinstantie beslist over de beslissing dd. 12 juni 2024 ten onrechte het volgende: De beroepsinstantie moet in casu vaststellen dat verzoeker een beroep instelt tegen de beslissing van de gemeente Schoten om de behandelingstermijn voor het openbaarheidsverzoek te verlengen. Die mogelijkheid tot verlenging is uitdrukkelijk voorzien in artikel II.43, §3 Bestuursdecreet. In de voormelde bepaling van II.48 van het Bestuursdecreet wordt nergens de bevoegdheid gegeven aan de beroepsinstantie om een beroep in behandeling te nemen tegen een beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn voor een openbaarheidsverzoek. De bevoegdheid van de beroepsinstantie is beperkt tot de 3 hiervoor beschreven situaties (zoals voorzien in artikel II.48 van het Bestuursdecreet). Ten aanzien van de Beroepsinstantie erkent de Gemeente S. immers de werkelijke reden voor de verlenging van de behandelingtermijn van het openbaarheidverzoek dd. 23 mei 2024: (stuk 4) Op 10 en 24 juli 2024 bezorgde de gemeente Schoten de nodige toelichting bij dit dossier waarbij telkens wordt bevestigd dat in casu geen documenten werden geweigerd of een dilatoir of onwettig antwoord zou zijn verstrekt aan verzoeker. De gemeente meldt dat alle openbaarheidsvragen van verzoeker met betrekking tot het ‘RUP Centrum’ zorgvuldig en in overleg met het studiebureau [A.] werden behandeld. Volledigheidshalve wijst de gemeente erop dat verzoeker ook nog op 27 mei 2024 met betrekking tot hetzelfde dossier ‘RUP Centrum’ een openbaarheidsverzoek had ingediend van 23 bladzijden waarin onder meer 9 vragen om uitleg werden gesteld. Beide verzoeken van 23 en 27 mei zijn samen behandeld wat tot een verlenging van de behandelingstermijn heeft geleid. De beslissing dd. 12 juni 2024 is onwettig en moet worden geweerd ingevolge artikel 159 Grondwet. Het gegeven dat verzoekers op 27 mei 2024 een ander openbaarheid- verzoek hebben ingediend, verantwoordt niet de beslissing van de verlenging voor de behandeling van het openbaarheid-verzoek dd. 23 mei 2024 met als onwettig werkelijk motief : ‘het samen behandelen van beide verzoeken’. Bij gebrek aan een geldige verlenging van de behandelingstermijn van het verzoek dd. 23 mei 2024 is er op 12 juni 2024 wel ‘een uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, is verstreken’. De Beroepsinstantie was bijgevolg terzake wel bevoegd.” X-18.841-11/23 Beoordeling 7.
- Artikel II.43 van het bestuursdecreet luidt: “§
- Nadat ze de aanvraag geregistreerd heeft, onderzoekt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, of de aanvraag ingewilligd kan worden met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk. De aanvraag wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier beantwoord. Bij de kennisgeving van de beslissing wordt vermeld dat beroep kan ingesteld worden bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90, binnen de termijn, vermeld in artikel II.48, §
- §
- Als de aanvraag overeenkomstig artikel II.42 kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze geformuleerd is, begint een nieuwe termijn van twintig kalenderdagen te lopen vanaf het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft. §
- Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingen deelt ze mee aan de aanvrager dat de termijn van twintig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van veertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.” Artikel II.48, § 1, eerste lid, van het bestuursdecreet bepaalt: “§
- De aanvrager kan beroep instellen tegen: 1° een beslissing van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.28, § 1, over een aanvraag als vermeld in artikel II.40 of II.47; 2° het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is; 3° een onwillige uitvoering van een beslissing tot openbaarmaking, aanvulling of verbetering.” 7.
- Vooreerst weze opgemerkt dat de beslissing van de gemeente Schoten van 12 juni 2024 geen reglementaire beslissing betreft die door de Raad van State op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing kan worden verklaard, zoals de verzoekende partijen vragen. 7.
- De louter voorbereidende beslissing tot termijnverlenging van de gemeente Schoten van 12 juni 2024, draagt geen enkele beoordeling van het openbaarheidsverzoek in zich, en kan dan ook niet beschouwd worden als een X-18.841-12/23 beslissing van een overheidsinstantie over een vraag tot openbaarmaking, zoals bedoeld in artikel II.48, § 1, eerste lid, 1°, van het bestuursdecreet, waartegen een bestuurlijk beroep kan worden ingesteld. Evenmin kan de beslissing van de gemeente Schoten van 12 juni 2014, die louter strekt tot een verlenging van de termijn om over het openbaarmakingsverzoek te beslissen, begrepen worden als het uitblijven van een beslissing in de zin van artikel II.48, § 1, eerste lid, 2°, van het bestuursdecreet. Evident houdt deze beslissing evenmin een onder 3° van dit lid bedoelde “onwillige uitvoering van een beslissing tot openbaarmaking, aanvulling of verbetering” in. De verzoekende partijen beweren dit overigens ook niet. 7.
- De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat de beslissing tot termijnverlenging van 12 juni 2024 een dilatoir handelen vanwege de gemeente Schoten zou inhouden. Bepaalt artikel II.43, § 1, van het bestuursdecreet weliswaar dat de overheid de aanvraag tot openbaarmaking “zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen” dient te beantwoorden, de derde paragraaf van dit artikel voorziet ook in de mogelijkheid om de termijn van twintig kalenderdagen tot een termijn van veertig kalenderdagen te verlengen, indien zij oordeelt dat zij de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingen. De verzoekende partijen tonen niet aan dat in de beslissing van 12 juni 2024 ten onrechte is gesteld dat de gemeente “meer tijd nodig [heeft] om de door [de verzoekende partijen] gevraagde documenten op te zoeken en de aanvraag grondig af te toetsen aan de uitzonderingsgronden van de openbaarheid van bestuur”. Zij overtuigen er niet van dat het argument van de gemeente dat het aangewezen was om de beide verzoeken tot openbaarheid gezamenlijk te behandelen, niet binnen deze motivering zou passen. De verzoekende partijen beweren louter dat hun tweede vraag tot openbaarheid, die amper vier dagen ná hun eerste vraag werd gesteld, een “geheel onderscheiden” openbaarheidsdossier X-18.841-13/23 dan de kwestieuze vraag tot openbaarheid zou betreffen, maar overtuigen daar in het geheel niet van. Zij laten zelfs na hun tweede vraag tot openbaarheid met hun verzoekschrift bij te brengen. In die omstandigheden tonen de verzoekende partijen niet aan dat het standpunt van de gemeente onterecht zou zijn dat de beide verzoeken tot openbaarheid hetzelfde dossier ‘RUP Centrum’ betreffen, dat het aangewezen was om deze samen te behandelen, ook wat de toetsing betreft van deze verzoeken aan de decretaal voorziene uitzonderingen op het recht op openbaarheid, en dat zij voor de behandeling van de kwestieuze vraag tot openbaarheid meer tijd nodig had. 7.
- Het besluit is dat niet blijkt dat de beslissing tot termijnverlenging van de gemeente Schoten van 12 juni 2024 niet op goede gronden zou zijn gestoeld, en dat de beroepsinstantie ten onrechte zou hebben overwogen dat zij niet bevoegd is om over het bestuurlijk beroep tegen deze beslissing uitspraak te doen. 7.
- Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond. 7.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel aan: “Machtsoverschrijding en onwettige motieven, evenals schending van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet en van de artikelen II.41, II.42, II.43, II.44, II.48 en III.90 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018” 8.
- Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “(weigering dd. 12 juni 2024 – onwettige onbevoegdheid-beslissing) X-18.841-14/23
- De Gemeente Schoten bewijst op 12 juni 2024 niet (afdoende) waarom precies ‘ze (echt) meer tijd nodig heeft om de door u gestelde vragen te kunnen antwoorden (...)’. Dit dilatoir optreden blijkt terdege uit de documenten die de Gemeente pas op 24 juni 2024 heeft geopenbaard aan verzoekers. De Beroepsinstantie beslist over de beslissing dd. 12 juni 2024 ten onrechte het volgende : De beroepsinstantie moet in casu vaststellen dat verzoeker een beroep instelt tegen de beslissing van de gemeente Schoten om de behandelingstermijn voor het openbaarheidsverzoek te verlengen. Die mogelijkheid tot verlenging is uitdrukkelijk voorzien in artikel II.43, §3 Bestuursdecreet. In de voormelde bepaling van II.48 van het Bestuursdecreet wordt nergens de bevoegdheid gegeven aan de beroepsinstantie om een beroep in behandeling te nemen tegen een beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn voor een openbaarheidsverzoek. De bevoegdheid van de beroepsinstantie is beperkt tot de 3 hiervoor beschreven situaties (zoals voorzien in artikel II.48 van het Bestuursdecreet). De beroepsinstantie mist dus de bevoegdheid om een uitspraak te doen over een dergelijke beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn. Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat het beroepschrift, voor dit onderdeel (beroep tegen de beslissing van de gemeente Schoten dd.12 juni 2024 tot verlenging van de behandelingstermijn) als onontvankelijk moet worden beschouwd. Verzoekers beroep tegen de (gemeentelijke) beslissing van 12 juni 2024 is immers wel degelijk ‘een beroep over: 1° de toegang tot bestuursdocumenten als vermeld in artikel II.48’ (in de zin van artikel III.90, 1ste lid van het Bestuursdecreet). Verder betreft deze (gemeentelijke) beslissing van 12 juni 2024 eveneens ‘het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is’ (in de zin van artikel II.48,2° van het Bestuursdecreet). De, – door de Beroepsinstantie ambtshalve en ook zonder enige tegenspraak opgeworpen –, onbevoegdheid[s]exceptie is derhalve ongegrond. > De opgeworpen (decretale) onbevoegdheid van de Beroepsinstantie ten aanzien van de beslissing om de termijn van behandeling te verlengen tot 40 kalenderdagen schendt ook artikel 32 Grondwet.” 8.
- De verzoekende partijen vragen om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen II.43, II.44, II.48 en III.90 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 – hierna : Bestuursdecreet – niet de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, X-18.841-15/23 Doordat de aanvrager van openbaarheid van bestuur geen (geldig) beroep kan instellen bij de Beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90 van het Bestuursdecreet, tegen de beslissing waarmee de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28 van het Bestuursdecreet, beslist om bij toepassing van artikel II.43, § 3 van het Bestuursdecreet de antwoordtermijn, bepaald in artikel II.43, § 1, 1ste lid van het Bestuursdecreet, te verlengen van twintig tot veertig kalenderdagen, En doordat de Beroepsinstantie ook onbevoegd is ten aanzien van het aldus ingediende beroep in geval de indiener van het beroep er opwerpt dat de overheidsinstantie met de voormelde termijnverlenging een oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de uitzondering-clausule, bepaald in artikel II.43, § 3 en/of artikel II.44, § 6, 2de lid van het Bestuursdecreet, In acht genomen dat artikel II.43, § 1, 2de en 3de lid van het Bestuursdecreet bepalen dat ‘De aanvraag wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier beantwoord./Bij de kennisgeving van de beslissing wordt vermeld dat beroep kan ingesteld worden bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90, binnen de termijn, vermeld in artikel II.48, § 1’, En tevens in acht genomen dat krachtens artikel III.90, 1ste lid van het Bestuursdecreet de Beroepsinstantie belast is met ‘het behandelen van beroepen over : 1° de toegang tot bestuursdocumenten als vermeld in artikel II.48 (Bestuursdecreet)’, En ook in acht genomen dat artikel II.69, § 1, 1ste lid van het Bestuursdecreet bepaalt inzake de ‘Beroepsprocedure’ dat ‘De aanvrager kan beroep instellen tegen: 1° (...) ; 5° het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is ?’” Beoordeling 9.
- Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat de verzoekende partijen er niet van overtuigen dat de beslissing tot termijnverlenging van de gemeente Schoten van 12 juni 2024 niet op goede gronden zou zijn gestoeld, en de beroepsinstantie ten onrechte zou hebben overwogen dat zij niet bevoegd is om over het bestuurlijk beroep tegen deze beslissing uitspraak te doen. 9.
- De door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (zie randnummer 8.3), gaat uit van de verkeerde premisse dat de gemeentelijke overheid een “oneigenlijk gebruik” van de door het bestuursdecreet voorziene mogelijkheid tot termijnverlenging zou hebben gemaakt, en wordt niet gesteld. X-18.841-16/23 9.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- De verzoekende partijen voeren in een derde middel aan: “Machtsoverschrijding en onwettige en tegenstrijdige motieven, evenals schending van de artikelen 10, 11, 23 en 32 van de Grondwet, de artikelen I.3, II.28, II.43, II.44, II.48, II.51 en III.90 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, de formele motivering-wet, de beginselen van zorgvuldigheid en voorzorg, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie en het Verdrag van Aarhus” 10.
- Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “Artikel II.51 van het Bestuursdecreet – Onderzoeksmaatregelen
- Artikel II.51 van het Bestuursdecreet bepaalt: ‘Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie. De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.’ Mede in acht genomen de retroacten, benut de Beroepsinstantie ten onrechte niet haar onderzoeksbevoegdheden en stelt ze ten onrechte dat
(1)ze de Gemeente S. op haar woord moet geloven en
(2)de openbaarheid van bestuur[s]wet niet van toepassing zijn op het planteam en het studiebureau.” 10.3. De verzoekende partijen vragen om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen I.3, II.28 en II.51 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 – hierna : Bestuursdecreet – niet de artikelen 10, 11, 13, 23 en 32 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang genomen met
(1)artikel 5 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003, en de wet van 8 mei 2007 houdende instemming met X-18.841-17/23 het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003,
(2)de beginselen van zorgvuldigheid en voorzorg,
(3)de beginselen van de rechtsstaat, van behoorlijk bestuur en goed beheer van de openbare goederen, van integriteit, van transparantie en van verantwoordelijkheid, vermeld in artikel 5 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie,
(4)artikel 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, gedaan te Aarhus op 25 juni 1998, en
(5)de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, bepaald in artikel 9.1, 2de lid van het Verdrag van Aarhus, Doordat het voorschrift (van artikel II.51 Bestuursdecreet) dat ‘Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie./De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.’ inhoudt dat in het kader van de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bepaald in artikel 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (afgekort : VCRO), de Beroepsinstantie daarentegen niet de personen kan horen die behoren tot het planteam, bepaald in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, En doordat artikel 1.3 van het Bestuursdecreet de ‘lokale overheden’ definieert als ‘de gemeente’ zonder evenwel hierbij het planteam, bepaald in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, aan te merken als een onderdeel of geleding van de gemeente wanneer dat planteam optreedt in het kader van de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, En doordat artikel I.3,6° van het Bestuursdecreet de ‘instellingen met een publieke taak’ definieert waarop het Hoofdstuk ‘Toegang tot bestuursdocumenten’ van toepassing is, met hierbij de vermelding van ‘2° de lokale overheden; 3° de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft’, doch zonder er evenwel hierbij het planteam, bepaald in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, aan te merken als een onderdeel of geleding van de gemeente of als een instelling met een publieke taak wanneer dat planteam optreedt in het kader van de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bepaald in artikel 2.2.21 VCRO, En doordat artikel II.28 van het Bestuursdecreet bepaalt dat het Hoofdstuk ‘Toegang tot bestuursdocumenten’ van toepassing is op de daar opgesomde ‘overheidsinstanties’, waaronder de ‘lokale overheden’ en ‘de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft’, zonder evenwel hierbij het planteam, bepaald in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, aan te merken als een onderdeel of geleding van de gemeente of als een instelling met een publieke taak wanneer dat planteam optreedt in het kader van de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bepaald in artikel 2.2.21 VCRO; In acht genomen dat ‘De administratieve transparantie (draagt bij) tot het daadwerkelijke karakter van de uitoefening van het recht van beroep van X-18.841-18/23 de bestuurden voor de Raad van State of voor de gewone hoven en rechtbanken’. (GwH nr. 2023-039, 8.9.7) In acht genomen dat de administratieve transparantie ook bijdraagt tot de uitvoering van artikel 5 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie dat stelt dat ‘Iedere Staat die partij is, alles in het werk om doeltreffende handelwijzen ter voorkoming van corruptie uit te werken en te bevorderen’, met hierbij een ‘doeltreffend en gecoördineerd beleid inzake de voorkoming van corruptie, door middel waarvan de deelname van de samenleving wordt gestimuleerd en waarin de beginselen van de rechtsstaat, van behoorlijk bestuur en goed beheer van de openbare goederen, van integriteit, van transparantie en van verantwoordelijkheid worden gehuldigd’; In acht genomen dat artikel 1.5.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) bepaalt : ‘De Vlaamse Regering legt een register aan waarin vermeld wordt welke personen voor de toepassing van deze codex als ruimtelijk planner worden beschouwd. Alleen natuurlijke personen kunnen conform deze codex als ruimtelijke planner worden beschouwd. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor opname in het register en de modaliteiten ervan’, In acht genomen dat artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) bepaalt: ‘Het ontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt door een planteam dat kan bestaan uit verschillende personen die werken in een samenwerkingsverband, waaronder minstens een ruimtelijk planner./Het planteam voert het geïntegreerde planningsproces, begeleidt de verschillende onderzoeken, integreert de tussentijdse resultaten in het planningsproces en zorgt voor een continue kwaliteitsbewaking’; En tevens in acht genomen dat krachtens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO): - ‘Het college van burgemeester en schepenen is belast met de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1.’ (artikel 2.2.18, § 1, 1ste lid VCRO), - ‘Het college van burgemeester en schepenen keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is’, (artikel 2.2.18, § 2, 1ste lid VCRO), - ‘Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de scopingnota’ (artikel 2.2.19 VCRO), - ‘Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie, het departement en de andere adviserende diensten’ (artikel 2.2.20, 1ste lid VCRO). - ‘De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast’ (artikel 2.2.21, § 1, 1ste lid VCRO) ?’” X-18.841-19/23 Beoordeling 11.
- Artikel II.51, tweede lid, van het bestuursdecreet bepaalt dat de beroepsinstantie “alle betrokken partijen en deskundigen [kan] horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen [kan] vragen”. Die bepaling voorziet enkel in een mogelijkheid, niet in een verplichting, voor de beroepsinstantie om de betrokken partijen en deskundigen te horen, en om de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen te vragen. 11.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepsinstantie wel degelijk van haar onderzoeksbevoegdheden gebruik heeft gemaakt, waar wordt aangegeven dat zij “contact opgenomen [heeft] met de gemeente”, die “telkens alle vragen van de beroepsinstantie [heeft] beantwoord en haar de bestaande stukken in haar bezit [heeft] bezorgd”. 11.
- Waar de verzoekende partijen opwerpen dat de gemeente stukken achterhoudt “die de opmaak van de foutieve figuur ‘Bestaande juridische Toestand BPA Centrum’ precies verklaren”, komt het aan deze partijen toe om hun standpunten concreet aannemelijk te maken. Zij slagen daar in hun verzoekschrift niet in door louter te beweren dat het “eenvoudigweg onmogelijk [is] dat er geen enkel document bestaat dat precies aan de bron [ligt] van de omstreden onjuiste enclave-figuur”, dat de gemeente of het studiebureau A. “hun mosterd [hebben] gehaald uit een document dat wel bestaat en waarvan de figuur […] is opgenomen in het voorlopig vastgesteld RUP Centrum” en dat de door de gemeente “achtergehouden” documenten wel degelijk bestaan, of nog, door zich over een vermeend corrupt handelen van de gemeente bij de totstandkoming van het gemeentelijk RUP ‘Centrum’ te beklagen. 11.
- Het betoog van de verzoekende partijen dat de beroepsinstantie niet heeft geantwoord op hun grief dat de gemeente documenten achterhoudt, gaat voorbij aan de overwegingen van het bestreden besluit dat de beroepsinstantie X-18.841-20/23 contact heeft opgenomen met de gemeente, dat de gemeente al haar vragen heeft beantwoord “en haar de bestaande stukken in haar bezit [heeft] bezorgd”, en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard “bij gebrek aan andere bestuursdocumenten in het bezit van de gemeente Schoten die een antwoord zouden bieden op de vraag van 23 mei 2023”. De bewering van de verzoekende partijen dat de beroepsinstantie “niet alle dienstige vragen heeft gesteld”, toont de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aan. 11.
- De verzoekende partijen overtuigen er voorts niet van dat de overweging in de bestreden beslissing dat de beroepsinstantie “gebonden [is] aan de bereidwillige medewerking van de bevraagde overheidsinstanties” niet terecht zou zijn. Heeft de beroepsinstantie op grond van artikel II.51, tweede lid, van het bestuursdecreet weliswaar de mogelijkheid om de overheidsinstanties te horen en te bevragen, zij beschikt daarbij niet over enig dwangmiddel. Ook heeft de beroepsinstantie niet de bevoegdheid om “aan de hand van een huiszoekingsbevel op zoek [te] gaan naar informatie”. Een “bereidwillige medewerking” van de bevraagde overheidsinstantie met de beroepsinstantie bij de uitoefening van de door haar door artikel II.51, tweede lid, van het bestuursdecreet toegekende bevoegdheden, is zodoende wel degelijk vereist. Het enkele feit dat de beroepsinstantie te dezen niet tot een plaatsbezoek is overgegaan en geen andere betrokken partijen dan de gemeente heeft gehoord of bevraagd, doet ten slotte niet tot een schending van de aangevoerde rechtsregels besluiten. 11.
- De door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag (randnummer 10.3) wordt niet gesteld, nu ze van de verkeerde premisse uitgaat dat de beroepsinstantie de leden van het planteam “bepaald in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” niet zou kunnen horen. Artikel II.51 van het bestuursdecreet bepaalt immers dat de beroepsinstantie “alle betrokken partijen en deskundigen” kan horen. De beroepsinstantie gaat in het bestreden besluit niet uit van een andere opvatting. 11.
- Het middel wordt verworpen. X-18.841-21/23 VI. Onderzoeksmaatregelen 12.
- De verzoekende partijen vragen in hun laatste memorie en “aanvullende laatste memorie”, onder de rubriek “onderzoeksmaatregelen”, om de volgende vragen aan “de Gemeente Schoten, het planteam en het studiebureau” te stellen: “In de ‘Toelichtingsnota RUP Centrum’ (opgemaakt op 23 februari 2024 en vastgesteld door de Gemeenteraad op 20 april 2024) blijkt haarfijn de exacte territoriale afbakening van het BPA Centrum (met nummers ‘2 en 3’), dit zonder enige enclave ter hoogte van Gelmelenstraat-Kuiperstraat. De opgegeven bron bij de figuur 57 (op pagina 66 van de toelichtingsnota) luidt als volgt : ‘Overzicht aanwezige RUP’s en BPA’s binnen en rond het plangebied (OMGEVING, 2021)’. In de toelichtingsnota is evenwel elders een andersluidende figuur opgenomen voor het territoriaal toepassingsgebied van het BPA Centrum, dit met de formele titel ‘Bestaande juridische Toestand RUP Centrum’. Deze figuur bevat Noord-West een zgn. ‘enclave’ bij de Gelmelenstraat/Kuiperstraat. Het beroep bij de Beroepsinstantie beoogt – samengevat – de openbaarheid van de (bron-)documenten waaruit deze andersluidende figuur is ontleend. De Beroepsinstantie kan alle documenten inzien en kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen. […] Wat betekent de term ‘OMGEVING, 2021), vermeld in de legende van de figuur 57 ? Bevat de aangehaalde referentie(databank), betiteld ‘OMGEVING, 2021’ deze andersluidende figuur (die wegens de aangehaalde enclave topografisch verschilt van de geraadpleegde OMGEVING-bron? Door wie precies is deze andersluidende figuur ingelast in de Toelichtingsnota? Welk orgaan of personeelslid van de Gemeente, welk personeelslid van het studiebureau of lid van het planteam? Op wiens vraag is deze andersluidende figuur ingelast in de Toelichtingsnota?” 12.
- Het verzoek is laattijdig en moet alleen al om die reden verworpen worden. Daarenboven staat het niet aan de Raad van State om aan de bij de openbaarheidsvraag betrokken partijen de vragen te stellen die de verzoekende partijen door de beroepsinstantie gesteld wenste te zien. 12.
- Het verzoek wordt verworpen. X-18.841-22/23 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.841-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.768 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div