← België

Arrest 264776 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 06/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.776 Rolnummer: A. 246261/XII-9940 Zaak: Arrest 264776 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 06/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-07 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-15 07:29 Fiche Arrest nr 264.776 van 6 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.776 no lien 285961 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 264.776 van 6 november 2025 in de zaak A. 246.261/XII-9940 In zake: D.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Matthias Boydens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 oktober 2025, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e be- slissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen dd. 16 oktober 2025 en 24 oktober 2025”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 30 oktober 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. XII-9940-1/24 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaten Matthias Boydens en Melissa Raes, die verschijnen voor verzoeker en advocaat Laura Roose, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 15 oktober 2025 komt op Brussels Airport een lading reptie- len aan uit Curaçao met bestemming Nederland waarbij verzoeker als verzender en als importeur is vermeld. 3.
  6. Op 15 oktober 2025 verklaart C.V., officiële dierenarts van het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, op uitdrukkelijke vraag van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit niet op de hoogte te zijn van de zending reptielen, alsook dat de “eigenaar/dierenarts” daarover geen contact had met het ministerie. XII-9940-2/24 3.
  7. Op 16 oktober 2025 weigert de verwerende partij de zending rep- tielen definitief voor invoer met als redenen van weigering: “Het certificaat is niet gestempeld door de bevoegde autoriteit. Het certificaat is onvolledig ingevuld”. Deze beslissing vermeldt voorts: “‘Levensmiddelen, diervoeders, dierlijke bijproducten, planten, plantaardige pro- ducten en ander materiaal, levende dieren, levende producten, materialen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen’ die niet voldoen aan de betreffende wetgeving, worden in officiële bewaring genomen waarbij binnen de 60 dagen na bovenvermelde datum (VO 2017/625, art. 69) één van volgende maatregelen geno- men moet worden: ‘terugzending uit de EU, vernietiging, speciale behandeling of verwerking, andere passende maatregelen, bestemmen voor een ander doeleinde (VO 2017/625, art. 66, 67, 71, 72)’. In overeenstemming met de bepalingen van art. 66

(3)van Verordening (EU) 2017/625 heeft u het recht gehoord te worden. Gelieve binnen de 2 werkdagen per kerende aan de technisch manager van de GCP kenbaar te maken of u van dit recht gebruik wenst te maken alsook welke maatregel u denkt te nemen. Bij ontstentenis van een antwoord zal het FAVV een definitieve beslissing nemen aangaande de zending. Het FAVV deelt u vervolgens haar beslissing over de door u voorgestelde maatregel mee die vervolgens binnen de 60 dagen door u uitgevoerd moet worden.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.4. Op 16 oktober 2025 stuurt C.V., officiële dierenarts van het mi- nisterie van Gezondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, per e-mail een gezond- heidscertificaat voor de reptielen verzonden op 14 oktober 2025. Het gezondheids- certificaat is ondertekend door C.O. en gedateerd op 16 oktober 2025. 3.5. Op 19 oktober 2025 bezorgt verzoeker schriftelijk zijn standpunt aan de verwerende partij. 3.6. Nog diezelfde dag antwoordt de verwerende partij dat verzoeker mondeling kan worden gehoord op 20 oktober 2025 op een uur dat hem past. Verzoeker antwoordt op dat bericht dat dit niet in zijn planning past, dat hij verwijst naar zijn schriftelijk standpunt, en eventueel “later deze week” kan langskomen, indien de verwerende partij meer toelichting wenst. XII-9940-3/24 3.7. Op 22 oktober 2025 bevestigt C.V., officiële dierenarts van het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, dat de reptielen kunnen worden teruggestuurd naar Curaçao, indien ze in een quarantainefaciliteit verble- ven. 3.8. Op 24 oktober 2025 neemt de verwerende partij een “beslissing na horing”. Deze beslissing handhaaft de eerste bestreden beslissing en legt ver- zoeker de maatregel op van de terugzending van de nog levende dieren naar Cura- çao en van de vernietiging van de overleden dieren. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.9. Op 29 oktober 2025 verklaart C.V., officiële dierenarts van het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, in een document neer- gelegd door verzoeker en gericht aan een “belanghebbende” over het onderwerp “gezondheidscertificaat dieren”: “Hierbij wil ik u het volgende informeren: 1. Dat de heer Sjoerd de Groot een geregistreerde en bevoegde dierenarts is op Cu- raçao; 2. Dat hij de fysieke inspectie van de dieren heeft uitgevoerd; en 3. Dat op basis van zijn inspectie een aanvraag van het officiële veterinaire gezond- heidscertificaat digitaal is gedaan op 16 oktober 2025, en vervolgens door ons, als bevoegde veterinaire autoriteit, is uitgegeven en ondertekend.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigver- klaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het on- derzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig XII-9940-4/24 paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. 6. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de regent van 23 au- gustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrecht- spraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid, van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voor- noemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontsten- tenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). XII-9940-5/24 Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voor- noemde bepalingen, terwijl verzoeker wel aan de hand van zeer omstandige toe- lichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens hem het middel onder- steunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdedi- ging van de overige partijen is beperkt, verzoeker moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. 7. Verzoeker voert in essentie aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is, doordat de verwerende partij geen zorgvuldig onderzoek heeft ver- richt bij de Curaçaose autoriteiten, terwijl daaruit zou zijn gebleken dat er geen risico voor de dierengezondheid bestond. De dieren werden voor hun vertrek wel degelijk onderzocht door een daartoe bevoegde dierenarts. De reden van weigering betreft een louter administratief vormgebrek dat binnen 24 uur werd rechtgezet door een correct en volledig ondertekend en afgestempeld certificaat afgeleverd door de bevoegde autoriteit op basis van de voorafgaande inspectie door een offi- ciële dierenarts. Derhalve is volgens verzoeker ook de motivering van de bestreden beslissingen onjuist. Het op 16 oktober 2025 bezorgde gezondheidscertificaat is een loutere regularisatie van een bestaande, materieel correcte controlehandeling door een bevoegde dierenarts die slechts formeel onvolledig was weergegeven door het gebruik van de verkeerde stempel. Het voormelde gezondheidscertificaat wordt daarom ten onrechte als een “post-certificering” beschouwd. De toepasse- lijke regelgeving belet immers niet dat herstelbare vormgebreken worden rechtge- zet. Het standpunt van de verwerende partij dat de bevoegde Curaçaose autoriteiten op 15 oktober 2025 zouden hebben aangegeven niets van de zending af te weten, wordt volgens verzoeker niet bewezen. XII-9940-6/24 Beoordeling 8. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich ge- dragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de be- slissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de ver- eiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aanneme- lijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veron- derstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aanneme- lijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 9. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshan- deling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is be- wezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiverings- plicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettig- heid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan XII-9940-7/24 te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wet- tigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 10. De bestreden beslissingen steunen blijkens de formele motive- ring in wezen op de vaststelling dat de ingevoerde dieren niet vergezeld waren van een geldig, correct en volledig ingevuld officieel gezondheidscertificaat en de on- mogelijkheid om dit te corrigeren, daar post-certificering niet toegelaten is. Als rechtsgrond verwijst de eerste bestreden beslissing naar de volgende bepalingen. Wat de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwel- zijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijzi- ging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG), nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Veror- deningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Be- sluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles)’ (hierna: Verorde- ning (EU) 2017/625 van 15 maart 2017) betreft: artikel 66, lid 1 en artikel 89 die luiden: “Artikel 66 1 Indien zendingen dieren of goederen die niet aan de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels voldoen de Unie binnenkomen, worden deze door de bevoegde autoriteiten in officiële bewaring genomen en wordt de binnenkomst in de Unie geweigerd. XII-9940-8/24 Zo nodig worden die zendingen, in afwachting van een verder besluit, door de be- voegde autoriteiten in afzondering of quarantaine geplaatst en worden de daarin op- genomen dieren onder passende omstandigheden gehouden, verzorgd of behandeld. Indien mogelijk houden de bevoegde autoriteiten er ook rekening mee dat bepaalde soorten goederen bijzondere zorg behoeven. […]” “Artikel 89 1 De officiële certificaten:
  1. a)dragen een unieke code;
  2. b)mogen niet door de certificerende functionaris worden ondertekend wanneer zij blanco of onvolledig zijn;
  3. c)worden opgesteld in een of meer van de officiële talen van de instellingen van de Unie die door de certificerende functionaris wordt begrepen en, in voorkomend ge- val, in een van de officiële talen van de lidstaat van bestemming;
  4. d)moeten authentiek en juist zijn;
  5. e)maken de identificatie van de ondertekenaar en de datum van afgifte mogelijk, en
  6. f)maken een eenvoudige verificatie mogelijk van de verbanden tussen het certifi- caat, de afgevende autoriteit en de zending, partij of individuele dieren of goederen waarop het betrekking heeft. 2 De bevoegde autoriteiten nemen alle passende maatregelen om de afgifte van valse of misleidende officiële certificaten alsook misbruik van officiële certificaten te voorkomen.” Wat de Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende overdraagbare dierziekten en tot wij- ziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”)’ (hierna: Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016) betreft: artikel 229, 1d, artikel 237 en artikel 238 die luiden: “Artikel 229 1. Lidstaten geven slechts toestemming voor de binnenkomst in de Unie van zen- dingen dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden indien die zendingen aan de volgende voorschriften voldoen, tenzij voor die dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong een overeenkomstig artikel 239, lid 2, toegekende afwijking geldt: […]
  7. d)zij gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat en van verklaringen en an- dere documenten, indien dat is vereist volgens artikel 237, lid 1, of de krachtens artikel 237, lid 4, vastgestelde regels.” “Artikel 237 1 De lidstaten verlenen slechts toestemming voor binnenkomst in de Unie van zen- dingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wanneer deze zendingen vergezeld gaan van één of beide van de onderstaande documenten:
  8. a)een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong uit- gereikt diergezondheidscertificaat, tenzij lid 4, onder a), voorziet in een afwijking; XII-9940-9/24
  9. b)verklaringen of andere documenten, indien deze overeenkomstig de krachtens lid 4, onder b), vastgestelde regels zijn vereist. 2 De lidstaten staan de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende pro- ducten en producten van dierlijke oorsprong slechts toe indien het in lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat door een officiële dierenarts in een derde land of gebied is gecontroleerd en ondertekend overeenkomstig certificeringsvoorschrif- ten die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van artikel 149, lid 3, of artikel 216, lid 3, en de regels vastgesteld krachtens artikel 149, lid 4, of artikel 216, lid 4. 3 De lidstaten staan toe dat elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via TRACES de in lid 1 bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien deze elektronische diergezondheids- certificaten:
  10. a)alle gegevens bevatten die de in lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertifi- caten overeenkomstig artikel 238, lid 1, en de krachtens artikel 238, lid 3, vastge- stelde regels moeten bevatten;
  11. b)de traceerbaarheid waarborgen van de betrokken zendingen dieren, levende pro- ducten en producten van dierlijke oorsprong en deze zendingen en het elektronische diergezondheidscertificaat aan elkaar koppelen. 4 De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
  12. a)afwijkingen van de voorschriften betreffende diergezondheidscertificaten als be- doeld in lid 1, onder a), en lid 2 van dit artikel, voor zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, en in specifieke regels voor de dier- gezondheidscertificering van zendingen, indien de betrokken zendingen geen signi- ficant risico vormen voor de diergezondheid of de volksgezondheid binnen de Unie, om één of meer van de volgende factoren:
  13. i)de betrokken soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;
  14. ii)de houderijmethoden en de soorten productie voor de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong; iii) het beoogde gebruik ervan;
  15. iv)andere getroffen risicobeperkingsmaatregelen in de derde landen of gebieden van oorsprong of van doorvoer of na aankomst op het grondgebied van de Unie, die dezelfde bescherming van de diergezondheid en volksgezondheid in de Unie bieden als die waarin deze verordening voorziet;
  16. v)de door het betrokken derde land of gebied verstrekte garanties dat de naleving van de voorschriften voor binnenkomst in de Unie wordt aangetoond met andere middelen dan met een diergezondheidscertificaat;
  17. b)regels die voorschrijven dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bij binnenkomst in de Unie vergezeld moeten gaan van ver- klaringen of andere documenten die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnen- komen, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie van de krachtens artikel 234, lid 2, vastgestelde regels.” “Artikel 238 1 Het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:
  18. a)de naam en het adres van:
  19. i)de inrichting of plaats van oorsprong;
  20. ii)de inrichting of plaats van bestemming; XII-9940-10/24 iii) indien van toepassing, de inrichtingen voor het verzamelen of het laten rusten van de betrokken gehouden dieren;
  21. b)een beschrijving van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;
  22. c)het aantal of het volume van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;
  23. d)indien van toepassing, de identificatie en de registratie van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;
  24. e)de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de zending voldoen aan de dier- gezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie als bedoeld in artikel 229 en artikel 234, lid 1, en in de krachtens artikel 234, lid 2, en artikel 239 vastgestelde regels. 2 Het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn. 3 De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:
  25. a)gegevens die het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertifi- caat moet bevatten ter aanvulling van de gegevens als bedoeld in lid 1;
  26. b)gegevens die de in artikel 237, lid 1, onder b), bedoelde verklaringen of andere documenten moeten bevatten;
  27. c)modelformulieren van diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere docu- menten als bedoeld in artikel 237, lid 1. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde on- derzoeksprocedure vastgesteld. 4 In afwachting van de vaststelling van regels door middel van uitvoeringshande- lingen krachtens lid 3 voor een specifieke soort en categorie dieren, levende pro- ducten of producten van dierlijke oorsprong, kunnen de lidstaten, na een risicobe- oordeling, nationale regels toepassen, op voorwaarde dat deze nationale regels vol- doen aan de voorwaarden van lid 1.” 11. De “bevoegde autoriteit” in de zin van de Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016 is luidens artikel 4, 55) van deze verordening “de cen- trale veterinaire autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is voor de organi- satie van de officiële controles en andere officiële activiteiten overeenkomstig deze verordening en Verordening (EU) 2017/625, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is gedelegeerd”. De “bevoegde autoriteit van een derde land of gebied” is luidens artikel 4, 56) van dezelfde verordening “de autoriteit in een derde land of gebied die overeenstemt met de in punt 55) bedoelde bevoegde auto- riteit”. De “officiële dierenarts” in de zin van de Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016 is luidens artikel 4, 53) van deze verordening juncto artikel 3, lid 32, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 de “door XII-9940-11/24 de bevoegde autoriteiten al dan niet als eigen personeel, aangewezen dierenarts die passend gekwalificeerd is om de officiële controles en andere officiële activiteiten te verrichten overeenkomstig deze verordening en de in artikel 1, lid 2, bedoelde toepasselijke regels”. De “officiële dierenarts in een derde land of gebied” is lui- dens artikel 4, 54) van de Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016 “een die- renarts in een derde land of gebied wiens functie overeenstemt met die van een in punt 53) bedoelde officiële dierenarts”. 12. Voorts verwijst de verwerende partij terecht naar de volgende bepalingen uit de uitvoeringsverordeningen: - Artikel 2 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2130 van de Commissie van 25 november 2019 ‘tot vaststelling van gedetailleerde regels voor de werkzaamhe- den die moeten worden uitgevoerd tijdens en na documentencontroles, overeen- stemmingscontroles en materiële controles van dieren en goederen die onderwor- pen zijn aan officiële controles aan grenscontroleposten’ dat onder meer bepaalt: “[…] 2. De bevoegde autoriteit inspecteert alle in artikel 3, punt 41, van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde officiële certificaten, officiële verklaringen en andere documen- ten of de elektronische equivalenten daarvan die zijn geregistreerd in het informa- tiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc) zoals bedoeld in artikel 131 van die verordening of via bestaande nationale systemen, om na te gaan of:
  28. a)zij zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land, indien van toe- passing;
  29. b)zij voldoen aan de voorschriften van artikel 89, lid 1, en artikel 91, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625 en aan de in artikel 90 van die verordening bedoelde uitvoeringshandelingen;
  30. c)zij overeenstemmen met het model dat is vastgesteld op grond van de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde regels;
  31. d)de informatie in de certificaten of documenten voldoet aan de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde regels. […]” - Artikel 4, lid 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403 van de Commissie van 24 maart 2021 ‘tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verorde- ningen (EU) 2016/429 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft modellen van diergezondheidscertificaten en modellen van diergezond- heids-/officiële certificaten voor de binnenkomst in de Unie en verplaatsingen tus- sen lidstaten van zendingen van bepaalde categorieën landdieren en levende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.776 XII-9940-12/24 producten daarvan, en officiële certificering van dergelijke certificaten, en tot in- trekking van Besluit 2010/470/EU’ (hierna: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403 van 24 maart 2021), dat luidt: “De officiële dierenarts vult certificaten voor zendingen landdieren en levende pro- ducten in overeenkomstig de volgende voorschriften:
  32. a)het certificaat draagt de handtekening van de officiële dierenarts en het officiële stempel; de kleur van de handtekening en de kleur van het stempel, behalve in het geval van een reliëfstempel of een watermerk, verschilt van die van de gedrukte tekst;
  33. b)indien het certificaat meerdere of andere vermeldingen bevat, worden de niet- relevante vermeldingen door de officiële dierenarts doorgehaald, geparafeerd en van een stempel voorzien dan wel volledig uit het certificaat verwijderd;
  34. c)het certificaat heeft een van de volgende vormen:
  35. i)één enkel vel papier;
  36. ii)meerdere vellen papier die ondeelbaar zijn en een geïntegreerd geheel vormen; iii) een reeks bladzijden waarvan elke bladzijde zo genummerd is dat duidelijk is dat het een specifieke bladzijde uit een eindige reeks betreft;
  37. d)indien het certificaat uit een reeks bladzijden bestaat, zoals bedoeld in punt c), iii), draagt elke bladzijde de in artikel 89, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde unieke code, de handtekening van de officiële dierenarts en het officiële stempel;
  38. e)in het geval van certificaten voor verplaatsingen van zendingen tussen lidstaten vergezelt het certificaat de zending tot op de plaats van bestemming in de Unie;
  39. f)in het geval van certificaten voor de binnenkomst van zendingen in de Unie wordt het certificaat voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de grenscontrolepost van binnenkomst in de Unie waar de zending aan officiële controles wordt onderworpen;
  40. g)het certificaat wordt afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft, de controle van de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft, verlaat;
  41. h)in het geval van certificaten voor de binnenkomst in de Unie moet het certificaat worden opgesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van de grenscontrolepost van binnenkomst in de Unie.”. 13. Uit het samenlezen van de hiervoor weergegeven bepalingen die de rechtsgrond vormen voor de bestreden beslissingen, volgt prima facie dat de lidstaten slechts toestemming verlenen voor binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, zoals de te dezen ingevoerde reptielen, wanneer deze zendingen vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oor- sprong uitgereikt diergezondheidscertificaat. De bevoegde autoriteit van het land van binnenkomst moet onder meer controleren of het diergezondheidscertificaat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land en of het zowel vormelijk als inhoudelijk voldoet aan de voorschriften vervat in de hiervoor vermelde XII-9940-13/24 regelgeving. Het bedoelde diergezondheidscertificaat moet in het derde land door een officiële dierenarts zijn gecontroleerd. 14. Te dezen blijkt uit het administratief dossier prima facie dat de zending reptielen was vergezeld van een gezondheidscertificaat van 13 oktober 2025 met nummer 20252013. Dit diergezondheidscertificaat is ondertekend door dierenarts S.D. van Veterinary Clinic Alablanca die volgens de bestreden beslis- singen niet “de bevoegde autoriteit” in de zin van de Verordening (EU) 2016/429 van 9 maart 2016 is. Verzoeker slaagt er prima facie niet in aan te tonen dat S.D. dat wel zou zijn. De bestreden beslissingen stellen voorts vast dat het diergezond- heidscertificaat niet is gestempeld door de bevoegde autoriteit, een gegeven dat verzoeker erkent, daar hij in het verzoekschrift aangeeft dat “een correct en volle- dig ondertekend en afgestempeld certificaat” werd afgeleverd door de bevoegde autoriteit “met een korte vertraging door de administratieve vergissing”. Voorts wordt prima facie met de verwerende partij aangenomen dat het diergezondheids- certificaat ook onvolledig is ingevuld, wat het onderdeel “II. Informatie over de gezondheid” van de dieren betreft. Met name kon op basis van het op het ogenblik van invoer voorgelegde diergezondheidscertificaat niet worden geverifieerd of de dieren werden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek en of daaruit is ge- bleken dat de dieren vrij zijn van ectoparasieten, alsook of de dieren gedurende een periode van dertig dagen voorafgaand aan de export werden geïsoleerd. In tegen- stelling tot wat verzoeker voorhoudt, is het diergezondheidscertificaat met nummer 20252013 niet enkel aangetast door een louter administratief vormgebrek – het ge- brek aan stempel van de bevoegde autoriteit –, maar is het ook onvolledig ingevuld. 15. Verzoeker brengt tegen de bestreden beslissingen in dat de af- gifte van een officieel certificaat kan worden gedelegeerd aan een andere instantie of natuurlijke persoon. Daargelaten of dat standpunt correct is – de verwerende partij betwist dit met verwijzing naar de toepasselijke regelgeving – stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoeker niet bewijst dat er te dezen sprake is van een rechtsgeldige delegatie door de bevoegde autoriteit. XII-9940-14/24 16. Verzoeker meent dat de verwerende partij onzorgvuldig han- delde. Volgens verzoeker had de verwerende partij een zorgvuldig onderzoek moe- ten verrichten bij de Curaçaose autoriteiten, zodat zij zou hebben vastgesteld dat er geen risico bestond voor de dierengezondheid. Dit standpunt van verzoeker faalt. Allereerst merkt de Raad van State op dat uit wat voorafgaat, prima facie volgt dat op het ogenblik van invoer van de reptielen in de Europese Unie niet het vereiste diergezondheidscertificaat voorlag. Het was niet enkel niet ondertekend door de bevoegde autoriteit, ook de rubriek die essentiële informatie moet leveren over de gezondheid van de dieren was niet ingevuld. De verwerende partij kon bijgevolg niet anders dan de zending weigeren overeenkomstig artikel 66, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de dieren wel degelijk wer- den onderzocht én dat werd vastgesteld dat de gezondheidstoestand “volledig in orde” was, stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoeker daarvan geen bewijs voorlegt. Het diergezondheidscertificaat waarnaar verzoeker verwijst, is im- mers precies wat het luik betreffende de gezondheid van de dieren betreft, niet in- gevuld. Daarenboven verklaart C.V., officiële dierenarts van het ministerie van Ge- zondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, op 15 oktober 2025 niet op de hoogte te zijn van de zending reptielen, alsook dat de “eigenaar/dierenarts” daarover geen contact had met het ministerie. Dat spreekt prima facie meteen verzoekers argu- ment tegen dat de dierenarts die voormeld diergezondheidscertificaat onderte- kende, erkend en bevoegd was om het certificaat te ondertekenen. In de mate dat verzoeker aanvoert dat binnen 24 uur een correct en volledig ondertekend en afgestempeld certificaat werd afgeleverd en daarbij verwijst naar het diergezondheidscertificaat 343-8800 ondertekend op 16 oktober 2025, stelt de Raad van State prima facie het volgende vast. Zoals uiteengezet in de tweede bestreden beslissing kan het op het ogenblik van invoer ontbreken van XII-9940-15/24 het vereiste, geldig ondertekende en volledig ingevulde diergezondheidscertificaat niet worden gecorrigeerd door het diergezondheidscertificaat 343-8800. Op het ogenblik waarop het diergezondheidscertificaat 343-8800 werd opgesteld – 16 ok- tober 2025 – bevond de zending dieren zich reeds op Brussels Airport. Met andere woorden, op het ogenblik dat de officiële dierenarts in Curaçao het certificaat op- stelde en de informatie over de gezondheidstoestand invulde, bevond de zending dieren zich niet onder het toezicht van de officiële dierenarts. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat de officiële dierenarts die het diergezondheidscertifi- caat 343-8800 op 16 oktober 2025 ondertekende, op 15 oktober 2025 verklaarde dat zij niet op de hoogte was van de zending (zie supra, nr. 3.2). De verwerende partij wordt dan ook bijgevallen dat het diergezondheidscertificaat 343-8800 niet beantwoordt aan het voorschrift van artikel 4, lid 1, g), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403 van 24 maart 2021, met name dat “het certificaat wordt afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft, de controle van de bevoegde au- toriteit die het certificaat afgeeft, verlaat”. Voorts is het een raadsel hoe de onder- tekenende officiële dierenarts in Curaçao in het diergezondheidscertificaat infor- matie kan opnemen over de gezondheid van dieren waarvan zij zelf beweert die nooit te hebben gezien, te meer het diergezondheidscertificaat 20252013 die infor- matie niet vermeldt, zodat – in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert – het niet om een loutere bevestiging van het diergezondheidscertificaat 20252013 kan gaan. Ook hieruit blijkt dat het diergezondheidscertificaat 343-8800 geen regularisatie is van een louter administratief vormgebrek “door het gebruik van de verkeerde stem- pel”. 17. Uit wat voorafgaat, volgt prima facie dat verzoeker niet aanne- melijk maakt dat de handelwijze van de verwerende partij niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen, meer bepaald dat de bestreden beslissingen niet steu- nen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is prima facie geen sprake. XII-9940-16/24 Eveneens volgt uit wat voorafgaat prima facie dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissingen niet steunen op motieven waarvan het feite- lijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen, noch dat de verwerende partij niet binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 18. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van arti- kel 66, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 en van de materiëlemotiveringsplicht. 20. De Raad van State herneemt wat hij hiervoor heeft uiteengezet over het gebrek aan samenvatting van het middel (zie supra, nr. 6). 21. Verzoeker voert in essentie aan dat de verwerende partij tekort- schiet in de expliciete zorgplicht die artikel 66, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 haar oplegt. Volgens verzoeker volstaat het niet om de dieren te stockeren in een faciliteit zonder aangepaste infrastructuur of verzor- ging. Evenmin kan de verwerende partij de zorgplicht afwentelen op verzoeker. Door dit toch te doen, miskennen de bestreden beslissingen volgens verzoeker ook de materiëlemotiveringsplicht. Beoordeling 22. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 66, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 is hiervoor weer- gegeven (zie supra, nrs. 9-10). Er wordt naar verwezen. XII-9940-17/24 23. Daargelaten of de zorgplicht voor de ingevoerde reptielen op de verwerende partij rust en of de verwerende partij daarin zou zijn tekortgeschoten – een standpunt dat de verwerende partij formeel betwist – stelt de Raad van State prima facie vast dat dit middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de be- streden beslissingen. Bijgevolg kan het ook geen schorsing ervan verantwoorden, nu de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging een accessorium is van het beroep tot nietigverklaring. Het antwoord op de vraag of de reptielen, waarvan de invoer door de bestreden beslissingen werd geweigerd, al dan niet onder passende omstandig- heden worden gehouden, verzorgd of behandeld overeenkomstig artikel 66, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017, is niet van aard om de wettigheid van de bestreden beslissingen in het gedrang te brengen. Bij de beoor- deling van het eerste middel heeft de Raad van State prima facie vastgesteld dat verzoeker er niet van overtuigt dat de bestreden beslissingen de zorgvuldigheids- plicht of de materiëlemotiveringsplicht schenden door de invoer van de reptielen te weigeren op grond dat ze niet waren vergezeld van het vereiste diergezondheids- certificaat, omdat dit niet was gestempeld en onvolledig was ingevuld. Het tweede middel dat volkomen vreemd is aan de wettigheid van de bestreden beslissingen, kan er niet toe leiden dat, in weerwil van die vaststelling, de bestreden beslissingen zouden moeten worden vernietigd, cq. geschorst. 24. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 25. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 9 van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 en van het zorgvuldig- heidsbeginsel. XII-9940-18/24 26. De Raad van State herneemt wat hij hiervoor heeft uiteengezet over het gebrek aan samenvatting van het middel (zie supra, nr. 6). 27. Verzoeker voert in essentie aan dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit – op wiens advies de bestreden beslissingen zijn genomen – haar eigen richtlijnen niet heeft nageleefd bij het formuleren van het advies. Volgens verzoeker had het bestuur bij de vaststelling van de omissie dat de vereiste stempel of handtekening ontbrak, zelf contact moeten opnemen met de bevoegde autoriteit om te verduidelijken welke herstelmaatregelen vereist zijn en actief moeten onder- zoeken of een vervangend certificaat kon worden opgevraagd. Beoordeling 28. De draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel is hiervoor weergegeven (zie supra, nr. 8). Er wordt naar verwezen. 29. Verzoeker zet niet uiteen hoe de bestreden beslissingen artikel 9 van de Verordening (EU) 2017/625 van 15 maart 2017 zouden schenden. In de mate dat het middel de schending van die bepaling aanvoert, stelt de Raad van State prima facie vast dat het niet ontvankelijk is. 30. Voorts steunt het middel op de premisse dat het enige gebrek dat het diergezondheidscertificaat 20252013 vertoonde, het ontbreken van de stempel van de bevoegde autoriteit was. Zoals blijkt uit de bespreking van het eerste mid- del, mist dit argument prima facie feitelijke grondslag. Uit de bespreking van het eerste middel is prima facie gebreken dat het diergezondheidscertificaat 20252013 daarnaast ook onvolledig is ingevuld wat het onderdeel “II. Informatie over de gezondheid” van de dieren betreft, zodat op basis van dat diergezondheidscertificaat niet kon worden geverifieerd of de die- ren onderworpen werden aan een geneeskundig onderzoek en of daaruit is geble- ken dat de dieren vrij zijn van ectoparasieten, alsook of de dieren gedurende een XII-9940-19/24 periode van dertig dagen voorafgaand aan de export werden geïsoleerd. Verzoeker betrekt deze vaststellingen gedaan in de bestreden beslissingen in het geheel niet bij de uiteenzetting van het derde middel noch voert hij aan dat ook deze gebreken in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving post factum konden worden rechtgezet. Het middel kan daarom niet tot de vernietiging, cq. schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen leiden. 31. Voorts maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat het zorgvuldigheidsbeginsel zo ver reikt dat het bestuur, wanneer het vaststelt dat het diergezondheidscertificaat vereist voor invoer van dieren in de Europese Unie niet is afgestempeld door de bevoegde autoriteit én bovendien onvolledig is, zelf actie zou moeten ondernemen om de vastgestelde gebreken te regulariseren. 32. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 33. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. 34. De Raad van State herneemt wat hij hiervoor heeft uiteengezet over het gebrek aan samenvatting van het middel (zie supra, nr. 6). 35. Verzoeker voert in essentie aan dat de bestreden beslissingen on- redelijk en onevenredig zijn door de invoer van de zending reptielen te weigeren en de terugzending te gelasten, gelet op het feit dat op één administratief element na aan alle inhoudelijke vereisten voor invoer is voldaan. De verwerende partij heeft zich strikt formalistisch opgesteld, zonder enige inhoudelijke belangenafwe- ging. Volgens verzoeker had de aanvaarding van het laattijdig afgestempelde cer- tificaat de doelstellingen van het Unierecht even goed kunnen dienen. XII-9940-20/24 Beoordeling 36. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenre- digheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
  42. is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslis- sing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissings- patroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig hande- lend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheids- toezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aange- toond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. 37. Het middel steunt op de premisse dat het enige gebrek dat het diergezondheidscertificaat 20252013 vertoonde, het ontbreken van de stempel van de bevoegde autoriteit was en dat voorts aan alle inhoudelijke vereisten voor invoer was voldaan. Zoals blijkt uit de bespreking van het eerste middel, mist dit argument prima facie feitelijke grondslag. XII-9940-21/24 Uit de bespreking van het eerste middel is immers prima facie gebreken dat op het diergezondheidscertificaat 20252013 niet enkel de stempel van de bevoegde autoriteit ontbreekt, maar dat het daarnaast ook onvolledig is ingevuld wat het onderdeel “II. Informatie over de gezondheid” van de dieren betreft, zodat op basis van dat diergezondheidscertificaat niet kon worden geverifieerd of de die- ren onderworpen werden aan een geneeskundig onderzoek en of daaruit is geble- ken dat de dieren vrij zijn van ectoparasieten, alsook of de dieren gedurende een periode van dertig dagen voorafgaand aan de export werden geïsoleerd. 38. De toetsing van een bestuurshandeling aan het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel veronderstelt het bestaan van een discretionaire beoorde- lings- of beleidsvrijheid. In voorkomend geval gaat de Raad van State desgevraagd na of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Uit de beoordeling van het eerste middel is prima facie gebleken dat de bestreden beslissingen steunen op de vaststelling dat op het ogenblik van invoer van de reptielen in de Europese Unie niet het vereiste diergezondheidscer- tificaat voorlag, eensdeels omwille het ontbreken van de stempel van de bevoegde autoriteit op het diergezondheidscertificaat 20252013, en anderdeels, omwille van de onvolledigheid van dat certificaat. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij in die omstandigheden – die verzoeker prima facie niet weet te weerleggen – een andere beleidskeuze had dan de invoer van de reptielen te weigeren. Zelfs indien er sprake zou zijn van enige discretionaire beoordelingsvrijheid ter zake, maakt verzoeker niet aannemelijk dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot de bestreden beslissingen zou komen. Uit de beoordeling van het eerste middel is prima facie eveneens gebleken dat het tweede diergezondheidscertificaat 343-8800 dat op 16 oktober 2025 door de bevoegde autoriteit werd afgeleverd, evenmin voldoet aan de toepas- selijke regelgeving. In weerwil van wat verzoeker aanvoert, is deze “laattijdige XII-9940-22/24 certificering” te dezen prima facie niet toelaatbaar, zodat verzoeker evenmin aan- toont dat de verwerende partij onredelijk heeft gehandeld door het vervangende diergezondheidscertificaat niet als regularisatie te aanvaarden. Een schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbe- ginsel is derhalve niet aangetoond. 39. Het vierde middel is niet ernstig. VI. Conclusie 40. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die ver- schuldigd is aan de verwerende partij. XII-9940-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9940-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.