← België

Arrest 264791 - Kind & Gezin - 10/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 Rolnummer: A. 238558/XII-9652 Zaak: Arrest 264791 - Kind & Gezin - 10/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-13 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-06-18 17:33 Fiche Arrest nr 264.791 van 10 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 no lien 286184 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.791 van 10 november 2025 in de zaak A. 238.558/XII-9652 In zake : de VZW L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Bérénice Wathelet en Chloë Heyrman kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. J.J. 2. N.A. 3. A.E. 4. G.D. 5. A.D. 6. B.D. 7. M.F. 8. G.L. 9. L.M. 10. C.A. 11. L.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Brent Van Sande en Bérénice Wathelet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XII-9652-1/13 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing over het bezwaar tegen de beslissing tot opheffing van de vergunning van kinderopvanglocatie Les Naninous

(910002139)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 262.686 van 20 maart 2025 werd het debat heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee gelast het actueel belang in hoofde van de verzoekende partij bij het voorliggend annulatieberoep te onderzoeken. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bérénice Wathelet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. XII-9652-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn weergegeven in arrest nr. 255.999 van 10 maart 2023 waarbij de door de verzoekende partij ingediende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen en in het arrest nr. 262.686 van 20 maart 2025 waarbij het debat werd heropend. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Vooraf 4. In zijn tussenarrest nr. 262.686 van 20 maart 2025 heeft de Raad van State overwogen dat blijkens het feitenrelaas de thans verzoekende partij in een gemotiveerd bezwaar tegen de beslissing tot opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie van 26 augustus 2022 heeft aangegeven dat zij, wat de toekomst betreft, aan de ouders van de opgevangen kinderen en aan de ouders van de kinderen die nog moesten komen, heeft gemeld dat zij haar activiteit “na december 2023 niet langer voortzet” en dat zij die stopzetting in haar bezwaar als volgt verklaart: “[g]ezien de leeftijd van twee van de drie begeleiders, […], [is] er gekozen om onze activiteiten stilaan af te bouwen, terwijl we nog blijvend een zelfde kwaliteitsvolle opvang kunnen bieden. Onze wens is dat we onze activiteit de komende 16 maanden, tot de voorziene stopzetting in december 2023, in alle rust kunnen voortzetten voor de resterende 15 kinderen en hun ouders”. Dienaangaande heeft de Raad van State er in het voornoemde arrest op gewezen dat een verzoekende partij tot aan de sluiting van het debat moet doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang bij het voorliggende beroep tot nietigverklaring en geoordeeld dat zich over de ontvankelijkheid een aanvullend onderzoek opdrong van het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat en te dien einde het debat heropent. XII-9652-3/13 Standpunt van de partijen 5. In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag verwijst de verwerende partij naar haar laatste memorie van 14 november 2024 waarin werd aangegeven dat de verzoekende partij het voorwerp uitmaakt van een “Ambtshalve doorhaling wegens niet vervullen UBO-verplichtingen ingaande vanaf: 29/01/2024”, zoals bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2024. Dienaangaande benadrukt de verwerende partij dat de wet van 5 november 2023 ‘houdende diverse bepalingen inzake economie’, zoals inwerking getreden op 21 december 2023, twee bijkomende gronden tot ambtshalve doorhaling introduceerde, met name:
  1. i)de ambtshalve doorhaling van ondernemingen die niet meer bestaan ten gevolge van een fusie of splitsing en
  2. ii)de ambtshalve doorhaling van ondernemingen die hun verplichtingen in kader van de UBO-registratie niet hebben nageleefd. De ambtshalve doorhaling is bepaald in artikel III.42, § 1, 6° van het Wetboek van economisch recht en heeft betrekking op entiteiten die volgens de FOD Financiën niet voldoen aan:
  3. i)de verplichting om informatie door te geven aan het UBO-register bedoeld in artikel 1:35 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen gedurende ten minste 60 kalenderdagen nadat een administratieve geldboete werd opgelegd overeenkomstig artikel 132, § 6, van de wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten’;
  4. ii)de verplichting tot jaarlijkse actualisering gedurende ten minste één jaar vermeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 ‘betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register’ en iii) de verplichting om informatie door te geven aan het UBO-register bedoeld in artikel 1:35 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en gedurende zeven jaar geen andere publicatie hebben gedaan dan die van de jaarrekeningen in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad of in het Belgisch Staatsblad. Niettegenstaande het een louter administratieve schrapping betreft en de betrokken entiteit juridisch blijft voortbestaan en aldus haar rechtspersoonlijkheid inclusief alle rechten en verplichtingen behoudt, brengt de doorhaling volgens de verwerende partij desalniettemin enkele belangrijke gevolgen met zich mee. Bij wege van voorbeeld wijst de verwerende partij erop dat de activiteiten, waarmee de onderneming geregistreerd stond, niet meer worden uitgeoefend en indien de onderneming de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 XII-9652-4/13 activiteiten toch verder zou uitvoeren na de doorhaling, zij riskeert bestraft te worden met een geldboete van minimaal 26 euro tot maximaal 25.000 euro of, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt, tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen. De verwerende partij benadrukt voorts dat als gevolg daarvan de Kruispuntbank van Ondernemingen (hierna: KBO) Public Search aangeeft, benevens deze ambtshalve doorhaling, dat de verzoekende partij geen activiteiten voert (“geen gegevens opgenomen in KBO”) en geen vestigingseenheid heeft. Volgens de verwerende partij moet worden besloten dat de verzoekende partij sedert meer dan één jaar geen activiteit meer uitoefent (en vandaag ook geen activiteit mag uitoefenen) en niet de intentie heeft – ook gelet op de mededeling aan de ouders dat zij haar activiteit na december 2023 niet langer zou voortzetten – om nog aan kinderopvang te doen. In deze omstandigheden kan volgens de verwerende partij bezwaarlijk in het aanvullend auditoraatsverslag worden gesteld dat “aldus […]niets verzoekster [belet] dat zij ingeval van een nietigverklaring (en het eventuele daaropvolgend rechtsherstel) als vzw haar activiteiten als organisator van de kinderopvanglocatie kan verderzetten/weder opnemen”. Volgens de verwerende partij maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de gevorderde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert en getuigt zij niet langer van het vereiste actueel belang om de procedure verder te zetten. 6. In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag benadrukt de verzoekende partij dat de opheffing van de vergunning voor kinderopvang voor haar een onmiddellijk en concreet nadeel tot gevolg heeft, nu de werking werd stilgelegd, inschrijvingen werden stopgezet en lopende personeelscontracten niet konden worden verlengd. Deze gevolgen zijn niet hypothetisch of principieel, maar tastbaar en verifieerbaar op basis van het dossier. Dienaangaande laat de verzoekende partij gelden dat haar vergunning als organisator van kinderopvang met onmiddellijke werking werd ontnomen, met de volgende concrete gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden beslissing:
  5. i)de stopzetting van de werking van de kinderopvang;
  6. ii)het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 XII-9652-5/13 verlies van inkomsten voor de vzw; iii) het schriftelijk op de hoogte moeten brengen van de ouders inzake de gedwongen sluiting en
  7. iv)de bedreiging van het personeelsbestand, waarbij contracten werden beëindigd of niet verlengd. De verzoekende partij benadrukt dat, in zoverre de verwerende partij betoogt dat zij, sinds haar ambtshalve doorhaling in de KBO en de aankondiging van een geplande stopzetting eind 2023, geen actueel belang meer zou hebben bij de gevraagde vernietiging, dit standpunt berust op een verkeerde rechtsopvatting én een onjuiste lezing van de feitelijke situatie. Dienaangaande verwijst de verzoekende partij vooreerst naar de rechtspraak van de Raad van State waarin volgens haar het vooruitzicht op rechtsherstel reeds volstaat om het actueel belang aan te nemen. Zij benadrukt dat het in onderhavig geval gaat om een reeds bestaande vergunning die door de bestreden beslissing werd beëindigd, zodat haar belang des te groter is, nu zij zonder vernietiging uitgesloten blijft van de uitoefening van haar activiteit. De argumentatie van de verwerende partij, die zich onder meer beroept op de ambtshalve doorhaling in de KBO wegens niet-naleving van UBO-verplichtingen, doet volgens de verzoekende partij hieraan geen afbreuk. Zoals de verwerende partij zélf erkent, betreft het een louter administratieve maatregel die de rechtspersoonlijkheid van de vzw onaangetast laat. De verzoekende partij blijft dus juridisch bestaan, behoudt haar hoedanigheid als rechtspersoon en kan haar activiteit, in voorkomend geval na regularisatie, hervatten. Ook het feit dat sommige medewerkers de pensioengerechtigde leeftijd naderen en dat er communicatie aan ouders is geweest over een mogelijke stopzetting, doet volgens de verzoekende partij geen afbreuk aan het voortbestaan van het actueel belang. Volgens de verzoekende partij blijkt de intentie tot voortzetting ondubbelzinnig uit de verklaring van S. en T. (stuk 1). De verzoekende partij bevestigden zij dat er reeds vóór de effectieve sluiting van de crèche concrete gesprekken werden gevoerd met derden met het oog op een mogelijke overname. Hoewel zij op dat moment overwogen zich terug te trekken uit het dagelijkse beheer, maakten zij duidelijk dat het voor hen van essentieel belang was om continuïteit te verzekeren in de opvang en zorg voor de kinderen van de opvanglocatie. De sluiting ervan moet volgens de verzoekende partij niet worden begrepen als een definitieve stopzetting, maar als een tijdelijke opschorting van de werking, waarbij de mogelijkheid tot overdracht of hervatting van de activiteiten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 XII-9652-6/13 uitdrukkelijk en bewust werd opengehouden. Door de verzoekende partij worden vervolgens meerdere uittreksels uit verklaringen van ouders geciteerd die volgens haar aantonen dat de bestreden beslissing een directe en ingrijpende impact heeft gehad op het dagelijkse leven van de betrokken gezinnen en naar haar mening haar blijvende belang bij de voortzetting of overname, ondanks de omstandigheden waarin deze tijdelijk werd stilgelegd, aantonen. Tot slot laat de verzoekende partij nog gelden dat overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof het belang niet te formalistisch mag worden benaderd, waaruit zij concludeert dat een voorlopige stillegging of tijdelijke inactiviteit niet volstaat om het belang uit te sluiten. Volgens de verzoekende partij stelt de Raad van State in dezelfde zin dat het belang niet hoeft te worden gestaafd met de zekerheid dat de activiteit in de toekomst wordt voortgezet, waaruit de verzoekende partij afleidt dat de enkele mogelijkheid tot hervatting, indien de vernietiging wordt uitgesproken, volstaat. Beoordeling 7. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van de vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. XII-9652-7/13 Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 XII-9652-8/13 – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 8. De verzoekende partij betwist de bestreden beslissing tot opheffing van haar vergunning van kinderopvanglocatie. In concreto betreft het voorwerp van het voorliggend beroep de beslissing van 15 februari 2023 van de administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien Regie waarbij haar ingediende bezwaar wordt afgewezen en de eerder genomen beslissing van 26 augustus 2022 (tot opheffing van de vergunning van de kinderopvanglocatie Les Naninous met ingang van 17 oktober 2022) blijft behouden en ingaat vanaf 15 maart 2023. Niettegenstaande er vanuit kan worden gegaan dat de verzoekende partij initieel bij het instellen van het voorliggend beroep belang had bij de gevorderde vernietiging aangezien zij door de bestreden beslissing niet langer een vergunning had om haar activiteiten als kinderopvanglocatie verder te zetten, kan niet worden ontkend dat, gelet op de door de verzoekende partij op 21 september 2022 in een gemotiveerd bezwaar gegeven verklaring dat zij haar activiteit “na december 2023 niet langer voortzet”, vragen rijzen naar het actueel belang bij het voorliggende annulatieberoep in haar hoofde. 9. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. XII-9652-9/13 10. De Raad van State stelt vast dat, naast voornoemde verklaring van 21 september 2022, na consultatie van de KBO Public Search blijkt dat jegens de verzoekende partij met ondernemingsnummer 0832.214.569, een “[a]mbtshalve doorhaling wegens niet vervullen UBO-verplichtingen ingaande vanaf: 29/01/2024” werd doorgevoerd, welke werd bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2024 en dat benevens deze ambtshalve doorhaling, de verzoekende partij geen activiteiten uitoefent (“geen gegevens opgenomen in KBO”) en geen vestigingseenheid heeft. 11. De verzoekende partij verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk, ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid, elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient de verzoekende partij minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Ter zake heeft zij een stelplicht. Des te meer wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld, dient die partij daarover een standpunt in te nemen en de nodige verduidelijkingen bij te brengen. In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag benadrukt dat de opheffing van de vergunning voor kinderopvang voor haar een onmiddellijk en concreet nadeel tot gevolg heeft, nu de werking werd stilgelegd, inschrijvingen werden stopgezet, inkomsten voor de vzw werden mislopen en lopende personeelscontracten niet konden worden verlengd, stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij er zich te dezen toe beperkt op algemene wijze haar argumenten te poneren, waarbij zij zich, ondanks haar stelplicht ter zake, – ter staving van deze argumenten – beperkt tot het louter poneren van een standpunt zonder enig begin van bewijs dat is gesteund op concrete en verifieerbare gegevens en die op hun merites door de Raad van State kunnen worden onderzocht. Dit volstaat niet opdat zij doet blijken van een actueel belang. In zoverre de verzoekende partij, verwijst naar een door S. en T. geschreven verklaring (stuk 1), waarin zij aanvoeren dat zij “bevestigden dat er ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 XII-9652-10/13 reeds vóór de effectieve sluiting van de crèche concrete gesprekken werden gevoerd met derden met het oog op een mogelijke overname. Hoewel zij op dat moment overwogen zich terug te trekken uit het dagelijkse beheer, maakten zij duidelijk dat het voor hen van essentieel belang was om continuïteit te verzekeren in de opvang en zorg voor de kinderen van Les Naninous. De sluiting van de crèche moet dan ook niet worden begrepen als een definitieve stopzetting, maar als een tijdelijke opschorting van de werking, waarbij de mogelijkheid tot overdracht of hervatting van de activiteiten uitdrukkelijk en bewust werd opengehouden”, kan haar betoog, nog daargelaten de vaststelling dat zij zich andermaal beperkt tot het louter poneren van een niet, op grond van enig bewijs, gestaafd standpunt, evenmin worden bijgevallen. Niettegenstaande de voornoemde ambtshave doorhaling een louter administratieve schrapping betreft, zonder dat het voortbestaan van de betrokken entiteit juridisch noch haar rechtspersoonlijkheid inclusief alle rechten en verplichtingen, wordt getroffen, kan niet worden ontkend, zoals terecht wordt aangevoerd door de verwerende partij, dat deze doorhaling niet zonder gevolgen is, doch onder meer financiële implicaties met zich meebrengt indien de onderneming de activiteiten toch verder zou wensen uit te voeren na de doorhaling, die mogelijk een wezenlijke impact hebben op het voortbestaan van de verzoekende partij. Het betoog van de verzoekende partij waarin zij stelt dat de mogelijkheid tot hervatting van de activiteiten uitdrukkelijk en bewust werd opengehouden, kan niet worden bijgevallen nu zij naast haar administratieve verplichtingen evenmin, zoals blijkt uit haar betoog ter terechtzitting, enige stappen heeft ondernomen om haar positie als kinderopvanglocatie minstens te consolideren. Integendeel blijkt dat de verzoekende partij sedert begin 2024, met name sedert bijna twee jaar geen activiteit meer uitoefent/ mag uitoefenen en gelet op de mededeling aan de ouders dat zij haar activiteit na december 2023 niet langer zou voortzetten, op generlei wijze officieel te kennen gaf nog enige intentie te hebben om een kinderopvanglocatie uit te baten. Evenmin geeft zij blijk alsnog de nodige stappen te ondernemen om tegemoet te komen aan haar administratieve verplichtingen. XII-9652-11/13 In zoverre door de verzoekende partij ter ondersteuning van haar actueel belang wordt aangegeven dat de mogelijkheid “tot overdracht […] uitdrukkelijk en bewust werd opengehouden”, dient te worden benadrukt, los van de vaststelling dat de verzoekende partij verzuimt deze bewering enigszins te staven aan de hand van enig stavingsstuk, dat een annulatieberoep het zuiveren van de rechtsorde door de vernietiging van een onwettige bestuurshandeling beoogt. Het eventueel onderhandelen, afsluiten en uitvoeren van overeenkomsten betreft subjectieve rechten, waarvoor de Raad van State aan rechtsmacht ontbreekt om hierover uitspraak te doen. De verzoekende partij heeft in elk geval minstens geen voldoende rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing wanneer zij geen opvangactiviteiten meer wil/kan uitoefenen en zij het behoud van haar vergunning enkel zou wensen teneinde zich in een sterke onderhandelingspositie te bevinden (daargelaten of dit nog een realistisch perspectief is, gezien het procedureverloop) voor een overdracht. In zoverre de verzoekende partij zich, ter ondersteuning van haar rechtens vereiste actueel belang, nog steunt op verklaringen van ouders, volstaat de vaststelling dat het vermeende nadeel, wat de verzoekende partij zelf omschrijft als zijnde “een directe en ingrijpende impact […] op het dagelijkse leven van de betrokken gezinnen”, betrekking heeft op derden. De verzoekende partij, gelet op de voorgaande vaststellingen, geeft geen enkele indicatie in welke mate zij op grond van die verklaringen vooralsnog op overtuigende wijze aantoont dat de nietigverklaring nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel in haar hoofde verschaft dat een voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring. 12. In die omstandigheden is wat de verzoekende partij met de gevraagde nietigverklaring dan nog nastreeft niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het XII-9652-12/13 rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 13. De verzoekende partij heeft geen actueel belang meer bij het voorliggende beroep tot vernietiging. 14. Het beroep is niet-ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Het door de verzoekende partij teveel gestorte bedrag aan rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro, dient haar te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9652-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.686 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.