id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.810 Rolnummer: A. 242630/XII-9733 Zaak: Arrest 264810 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 12/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-18 19:38 Fiche Arrest nr 264.810 van 12 november 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.810 van 12 november 2025 in de zaak A. 242.630/XII-9733 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5383 MAASLAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Andreas Oversteyns kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van: “1) Het besluit, van voor verzoeker onbekende datum, van het politiecollege van de lokale politie Maasland tot aanwerving/benoeming van een voltijdse functie CNT Logistiek voor de diensten financiën en logistiek, Calog niveau B 2) Het besluit van de selectiecommissie binnen de lokale politie Maasland, van voor verzoeker onbekende datum, voor leden van het middenkader - de personeelsleden niveau B, bedoeld in de artikelen VI.II.63 en VI.11.64 RPPol, welke ingevolge de kandidaatstelling van verzoeker voor de functie CNT Logistiek voor de diensten financiën en logistiek, Calog niveau B, verzoeker ongeschikt heeft bevonden evenals haar gebeurlijk besluit tot rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties. XII-9733-1/42 3) Het besluit van de [k]orpschef van de lokale politie Maasland, van voor verzoeker onbekende datum, waarbij deze in het kader van een oproep tot kandidering ikv een mogelijkheid tot interne verschuiving, mbt. de functie van CNT Logistiek voor de diensten financiën en logistiek, Calog niveau B, de functie niet heeft toegewezen aan verzoeker en de er in besloten liggende impliciete weigering om de functie aan verzoeker toe te wijzen.” Verzoeker dient op 15 juni 2025 een verzoek tot schadevergoeding tot herstel in. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en advocaat Andreas Oversteyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een advies gegeven. XII-9733-2/42 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker was eerste consulent in de politiezone. Met ingang van 1 december 2024 is hij met pensioen. 3.2. In de “Korpsinformatie donderdag 12 oktober 2023” wordt op 12 oktober 2023 het volgende bericht gepubliceerd: “Interne vacatures – mogelijkheid interne verschuiving Er is de mogelijkheid om een kandidatuur in te dienen voor de volgende functie: • Consulent logistiek (niveau B). Enkel collega’s die aan de voorwaarden van niveau B (= minimum bachelor) voldoen kunnen zich kandidaat stellen. Indien er geen geschikte kandidaten zijn, zal deze plaats opengesteld worden via mobiliteit. Voor meer informatie kunnen jullie [L.] (HRM) of de korpschef contacteren. Kandidaturen (+ motivering) kunnen per mail overgemaakt worden aan 1CP [C.N.] en HRM t.e.m. 27 oktober 2023. Alle goedgekeurde kandidaten zullen uitgenodigd worden voor een selectie. De selectie zal volgens dezelfde modaliteiten als voor de externe aanwerving verlopen.” 3.3. Op 17 oktober 2023 keurt de politieraad het agendapunt “Vacantverklaring van de functie van consulent logistiek- Goedkeuring” goed. De “motivatie” van dit besluit vermeldt onder meer: “Daarom stelt het politiecollege voor volgende functies vacant te verklaren met: • 1 voltijdse functie van CNT Logistiek voor de dienst financiën en logistiek, CALog niveau B. De functiebeschrijving worden in bijlage toegevoegd. De politieraad dient tevens, op advies van de korpschef, de selectiemodaliteiten te bepalen binnen het wettelijk vastgelegd kader in de RPpol. De korpschef adviseert om volgende selectiemodaliteiten te weerhouden voor de selectie van de kandidaten: • het inwinnen van het advies van een selectiecommissie voor leden van het middenkader, de personeelsleden van niveaus B, bedoeld in de artikelen VI.II.63 en VI.II.64; XII-9733-3/42 • het advies van de selectiecommissie te laten formuleren op basis van een competentiegericht interview met rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties; • de selectie voor elk van de vacant verklaarde functies het voorwerp te laten uitmaken van een wervingsreserve voor gelijkaardige functie conform het art. VI.II.27 bis RPPol. De respectievelijke selectiecommissies kunnen overeenkomstig het artikel VI.II.63 RPPol en op voorstel van de korpschef worden samengesteld als volgt: • De korpschef of zijn vervanger; • De verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst of zijn vervanger; • Het diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger; • Een secretaris, lid van de administratieve diensten. De korpschef adviseert om in eerste instantie een interne bevraging te organiseren om de functie in te vullen. Indien er geen kandidaten op basis van de interne bevraging geschikt worden bevonden, wordt voorgesteld om de openstaande functie na een vruchteloze mobiliteit extern open te stellen. Gelet op het voorstel van de korpschef om de volgende bekendmaking- en selectiemodaliteiten te hanteren via de statutaire externe werving: • De functie zal extern worden opengesteld na één of meerdere vruchteloze mobiliteiten; • De kandidaten zullen door de bevoegde dienst worden uitgenodigd; • De kandidaten zullen de testen te Brussel dienen af te leggen van niveau B en hierop slagen; •De kandidaturen zullen beoordeeld worden op hun ontvankelijkheid/vormvereisten door de plaatselijke selectiecommissie; • De ontvankelijke kandidaturen zullen vervolgens naar inhoud beoordeeld worden en de vacature zal uiteindelijk toegewezen worden aan de hand van volgende selectiecriterium: het advies inwinnen van een selectiecommissie; • De selectiecommissie kan beslissen een voorafgaandelijke schriftelijke proef in te lassen; de kandidaten moeten 50% halen in het geheel der proeven om als geschikt beschouwd te worden. Bij een beoordeling voldoende en meer kan een rangschikking opgemaakt worden waarbij enkel de vijf best gerangschikten mogen deelnemen aan het selectie-interview; • De betrekking zal ten vroegste vanaf 01.03.2024 ingevuld worden; • De vacature zal zowel via Jobpol als via de VDAB opengesteld worden voor een periode van 2 weken; • De functieomschrijving en fiche voor externe publicatie werden opgenomen in bijlage.” De politieraad besluit vervolgens: “Artikel 1.- Goedkeuring te hechten aan het vacant verklaren van de volgende bedieningen via de klassieke mobiliteit (categorie A) en indien nodig de statutaire externe werving, behoudens goedkeuring van het nieuwe organogram op de politieraad van 17.10.2023: • 1 voltijdse functie van CNT Logistiek voor de dienst financiën en logistiek, CALog niveau B. Artikel 2.- XII-9733-4/42 Goedkeuring te hechten aan de bijgevoegde functiebeschrijving. Artikel 3.- Goedkeuring te hechten aan de voorgestelde selectiemodaliteiten, met name: • het inwinnen van het advies van een selectiecommissie voor leden van het middenkader, de personeelsleden van niveaus B, bedoeld in de artikelen VI.II.63 en VI.II.64; • het advies van de selectiecommissie te laten formuleren op basis van een competentiegericht interview met rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties; • de selectie voor elk van de vacant verklaarde functies het voorwerp te laten uitmaken van een wervingsreserve voor gelijkaardige functie conform het art. VI.II.27 bis RPPol. Artikel 4.- Goedkeuring te hechten aan de samenstelling van de respectievelijke selectiecommissies met name: • De korpschef of zijn vervanger; • De verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst of zijn vervanger; • Het diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger; • Een secretaris, lid van de administratieve diensten. Artikel 5.- De functie zal via mobiliteit opengesteld worden ingeval van een gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten. Artikel 6.- Goedkeuring te hechten aan de herhaling van de mobiliteitsprocedure in navolgende mobiliteitscycli met dezelfde selectiemodaliteiten en dezelfde selectiecommissie totdat de zone geschikte kandidaten vindt en de mogelijkheid om na één of meerdere vruchteloze mobiliteitscycli beroep te kunnen doen op de statutaire externe werving. Artikel 7.- Indien de klassieke mobiliteit niet toelaat de functie in te vullen kan de korpschef beslissen om deze functie via de statutaire externe werving te publiceren.” 3.4. Op 27 oktober 2023 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor de vacature van consulent logistiek. 3.5. Op 5 april 2024 wordt de vacature voor de functie van consulent logistiek via mobiliteit gepubliceerd in het kader van de mobiliteitscyclus 2024-02. Gelijktijdig wordt het vacaturebericht via externe werving gepubliceerd. 3.6. Op 8 april 2024 stuurt verzoeker een e-mail naar de waarnemend korpschef. Hij vermeldt daarin: “[…] Ik verwijs naar punt 13 van de notulen van de politieraad van 17.10.2023 inzake de procedure tot openstelling van een bediening binnen het CALog-kader. XII-9733-5/42 In artikel 5 en 6 van dit besluit werd bepaald dat de functie zou worden ingevuld: in eerste fase via interne kandidaten, vervolgens via de reguliere mobiliteit GPI en indien deze mobiliteit vruchteloos blijkt, via externe werving. Na de interne publicatie stelde ik me, vergezeld van een motivatiebrief op 27.10.2023 kandidaat voor de eerste interne oproep. Wars van het politieraadsbesluit werd beslist de selectie te voeren op basis van een dossier. Ik vernam er verder niets meer van. U begrijpt mijn verbazing bij de vaststelling dat deze functie ondertussen extern gepubliceerd werd. Bovenstaande samen gelezen moet ik vaststellen dat mijn kandidatuur niet weerhouden werd. Graag verneem ik op basis van welk dossier de kandida(a)t(
- en)werden beoordeeld en waaruit dit dossier werd samengesteld. Ik werd immers nooit verzocht een dossier over te maken. Tevens een motivatie waarom mijn kandidaatstelling niet weerhouden werd. […]” De waarnemend korpschef beantwoordt deze e-mail nog diezelfde dag als volgt: “De publicatie van de functie van consulent logistiek houdt inderdaad in dat deze functie jou niet werd toegewezen. Jouw kandidatuur werd ook niet verworpen. Jouw kandidatuur zal mee in overweging genomen worden met de kandidaturen die we via andere wegen zouden ontvangen.” Verzoeker leidt uit deze e-mailcorrespondentie de derde bestreden beslissing af. 3.7. Op 18 april 2024 dient verzoeker (opnieuw) zijn kandidatuur in voor de functie van consulent logistiek, ditmaal in het kader van de mobiliteitscyclus. 3.8. Bij e-mail van 21 mei 2024 nodigt het diensthoofd Personeel & Organisatie van de politiezone verzoeker uit voor het selectie-interview op 30 mei 2024. 3.9. Op 30 mei 2024 vindt het selectie-interview van verzoeker plaats, waarvan een eindevaluatiefiche wordt opgesteld. Het advies van de selectiecommissie luidt dat verzoeker ongeschikt is voor de te begeven functie. Volgens de selectiecommissie stemt verzoekers profiel voor 48,89 % overeen met XII-9733-6/42 het gewenste profiel zoals opgenomen in de functiebeschrijving en was een minimum van 60 % vereist. Bij e-mail en brief van 30 mei 2024 wordt verzoeker door de korpschef hiervan in kennis gesteld. Deze brief vermeldt onder meer: “Indien gewenst mag u ons contacteren om feedback te ontvangen over uw selectie.” Verzoeker leidt hieruit de tweede bestreden beslissing af. 3.10. Bij e-mail van 7 juni 2024 aan de korpschef, dient verzoeker een bezwaar in. Verzoeker vraagt tevens het examenreglement op. 3.11. Op 12 en 13 juni 2024 vindt het selectie-interview plaats voor de externe kandidaten voor de functie van consulent logistiek. Naar aanleiding hiervan wordt een “proces-verbaal selectie” opgesteld. 3.12. Op 4 juli 2024 beslist het politiecollege om J.P. aan te werven in de functie van consulent logistiek. Dit is de eerste bestreden beslissing. Deze beslissing is niet ter kennis gebracht van verzoeker. Deze beslissing vermeldt onder “motivatie” onder meer: “Via mobiliteit werd deze functie ook gepubliceerd onder referentiecode 110289 waarbij er geen geschikte kandidaten waren.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis en een exceptie van niet- XII-9733-7/42 ontvankelijkheid ratione materiae op. In de laatste memorie voegt zij daaraan een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan actueel belang toe. Het past de exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione materiae eerst te behandelen. A. Exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione materiae Standpunt van de partijen 5. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij onder de noemer “ratione materiae” drie verschillende excepties op. Ten eerste werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring geen duidelijk voorwerp bevat. Het voorwerp van het beroep bepaalt nochtans de grenzen van de rechtsstrijd, zodat volgens de verwerende partij een nauwkeurige omschrijving van belang is. Een verzoekschrift waarvan het niet mogelijk is om het voorwerp te bepalen, is niet-ontvankelijk. In dit verband wijst de verwerende partij er voorts op dat artikel 3, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) bepaalt dat bij het verzoekschrift een afschrift moet worden gevoegd van de bestreden akten. De verwerende partij zet uiteen dat verzoeker van geen van de bestreden beslissingen specifieert op welke datum ze zouden zijn genomen en nalaat om de bestreden beslissingen als stuk bij te brengen, zodat het onduidelijk is wat verzoeker juist tracht te bestrijden. Ten tweede werpt de verwerende partij op dat een verzoekschrift voor de Raad van State in beginsel slechts één vordering mag bevatten, terwijl het verzoekschrift van verzoeker er verschillende omvat. Zij betwist dat er samenhang bestaat tussen de bestreden beslissingen, omdat verzoeker eensdeels de vernietiging vordert van een beslissing die in zijn optiek in de “interne procedure” werd genomen, en anderdeels, twee beslissingen die in het kader van de procedure via mobiliteit werden genomen. Er kan in dat geval geen sprake zijn van enige samenhang tussen de bestreden beslissingen en bovendien hebben deze besluiten geen directe invloed op elkaar gehad. Voorts voert de verwerende partij aan dat verzoeker niet aantoont XII-9733-8/42 dat de vernietiging van de beslissing om de functie niet “via interne verschuiving” aan hem toe te kennen ook de rechtsgeldigheid van de andere twee bestreden beslissingen in het gedrang zou brengen. Zelfs al zou de korpschef zich hebben uitgesproken over de geschiktheid van verzoeker, dan nog had de mobiliteitsprocedure op rechtsgeldige wijze kunnen worden gestart. Ook tussen de tweede bestreden beslissing, waarbij verzoeker ongeschikt wordt bevonden door de selectiecommissie, en de eerste bestreden beslissing, waarbij de functie wordt toegewezen aan een kandidaat via externe werving, ontbreekt volgens de verwerende partij elke samenhang. Ten derde werpt de verwerende partij op dat de derde bestreden beslissing geen voor de Raad van State aanvechtbare administratieve rechtshandeling is, daar ze geen rechtsgevolgen beoogt voor verzoeker. Integendeel, uit de derde bestreden beslissing blijkt dat de kandidatuur van verzoeker mee in overweging wordt genomen in de mobiliteitsprocedure. Verzoeker kan dan ook geen wijziging in zijn rechtstoestand hebben ervaren. De derde bestreden beslissing was niet griefhoudend, daar verzoeker de geambieerde functie verder zonder enig nadeel kon nastreven. Bovendien heeft een proces- verbaal van een benoemingscommissie de waarde van een niet-bindend advies en is het geen voorbeslissing. De e-mail van de korpschef van 8 april 2024 was op geen enkele wijze bindend voor het verdere verloop van de mobiliteitsprocedure waaraan verzoeker deelnam en kan dan ook niet worden beschouwd als een aanvechtbare “voorbeslissing”, aldus de verwerende partij. In de laatste memorie voegt de verwerende partij niets toe aan de uiteenzetting van de exceptie. 6. In het verzoekschrift tot nietigverklaring voert verzoeker aan dat de ontvankelijkheid ratione materiae evident is, daar de bestreden beslissingen alle voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandelingen zijn in het kader van het selectie- en benoemingsproces van de vacant verklaarde functie van consulent logistiek. Voorts meent verzoeker dat er manifest sprake is van samenhang tussen de bestreden beslissingen. Elk van de beslissingen is immers een voortgezette actie in navolging van de vacant verklaring, waarbij de politieraad besliste tot de XII-9733-9/42 invulling op een getrapte wijze. Een beoordeling van de rechtsgeldigheid van één van de bestreden beslissingen is van invloed voor de andere. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord op de exceptie dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over het voorwerp van de eerste bestreden beslissing. Verzoeker heeft uiteengezet in zijn verzoekschrift dat hij het bestaan ervan afleidt uit stuk 8, zijnde notulen waaruit het bestaan van een dergelijke beslissing kan worden afgeleid. Verzoeker merkt voorts op dat de verwerende partij de eerste bestreden beslissing ook neerlegt in de vorm van een besluit van het politiecollege. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, voert verzoeker aan dat hij deze beslissing duidelijk heeft benoemd, ook al werd ze niet aan hem gecommuniceerd. Verzoeker stelt vast dat de verwerende partij ook deze beslissing neerlegt als stuk. Wat de derde bestreden beslissing betreft, voert verzoeker aan dat hij in het verzoekschrift heeft verwezen naar stuk 4, waaruit het bestaan van de derde bestreden beslissing blijkt. Hij zet voorts uiteen dat hij in de veronderstelling was dat de korpschef een formele beslissing had genomen, maar dat uit het administratief dossier blijkt dat er buiten de e-mail van 8 april 2024 niets bestaat. Ook wat de derde bestreden beslissing betreft, meent verzoeker duidelijk het voorwerp en de strekking ervan te hebben aangegeven. Wat de samenhang betreft, herhaalt verzoeker wat hij desbetreffend in zijn verzoekschrift uiteenzette. Hij voegt daaraan toe dat het standpunt van de verwerende partij dat het beslissingen in verschillende procedures betreft, niet juist is, daar alle bestreden beslissingen kaderen in de vacant verklaring van de functie waarvoor verzoeker kandideerde. Verzoeker zet uiteen dat hij door de korpschef niet ongeschikt was bevonden in de fase van de interne kandidaturen, zodat hij noodzakelijkwijze geschikt was, waardoor de functie aan verzoeker moest worden toegewezen en niet via mobiliteit noch via externe aanwerving kon worden opengesteld. Voorts zet verzoeker uiteen dat – om de rechtsstrijd overzichtelijk te houden en de goede rechtsbedeling te bevorderen – het nodig is om elk van de bestreden beslissingen samen te behandelen, daar ze voortvloeien uit dezelfde vacant verklaring en de kritiek op en de beoordeling over de ene beslissing een invloed heeft op de rechtsgeldigheid en de beoordeling van de andere. Volgens verzoeker is er dus wel degelijk sprake van samenhang. XII-9733-10/42 In de laatste memorie voegt verzoeker nog toe dat het auditoraatsverslag terecht vaststelt dat inzake de tweede bestreden beslissing er geen rangschikkingsbesluit bestaat, zodat de vordering van verzoeker dienaangaande niet ontvankelijk was. Voorts voert verzoeker aan dat de vordering, in de mate dat ze is gericht tegen de derde bestreden beslissing, wel ontvankelijk is. Ten eerste zet verzoeker uiteen dat er wel degelijk sprake is van een aanvechtbare administratieve rechtshandeling. De gevoerde communicatie moet immers in zijn geheel worden gelezen en daaruit blijkt dat er een oproep tot kandidaten moet gebeuren in het kader van een mogelijke interne verschuiving. Uit het antwoord op de vraag van verzoeker blijkt dat de functie niet aan verzoeker werd toegewezen. Dat antwoord is geen loutere mededeling hoe verder zal worden gehandeld om de vacante functie in te vullen. Daarenboven moet een administratieve rechtshandeling niet op schrift worden gesteld in een formele akte. De negatieve beslissing over de kandidaatstelling van verzoeker blijkt te dezen uit het gegeven dat er in het cascadesysteem de volgende stap werd aangevat, zijnde openstelling van de functie via mobiliteit. De korpschef schreef overigens expliciet dat de functie niet aan verzoeker is toegewezen. Het ter kennis brengen dat er is beslist om de functie niet aan verzoeker toe te wijzen in navolging van zijn kandidatuur in het kader van de mogelijkheid tot interne verschuiving, is volgens verzoeker een administratieve rechtshandeling. Er is effectief sprake van rechtsgevolgen met een onmiddellijk en rechtstreeks nadeel voor verzoeker, zijnde dat de functie niet aan hem begeven is in het kader van een interne verschuiving. Dat verzoeker “in de running blijft” doet daaraan niet af, daar hij in de volgende fase van de mobiliteit in concurrentie komt met andere kandidaten. Ten tweede repliceert verzoeker dat het antwoord van de korpschef geenszins de veruitwendiging is van een (verkeerde) visie dat verzoekers kandidatuur in het kader van een interne verschuiving kon worden beoordeeld, tegelijk met de beoordeling van de kandidaturen in de volgende fase van de mobiliteit. Dit blijkt volgens verzoeker zowel uit het door de korpschef gegeven antwoord, als uit het gegeven dat de beide fasen een onderscheiden beoordelingskader en onderscheiden bevoegde overheden hebben. In het kader van de interne verschuiving volstaat het om ‘geschikt’ te zijn en beslist de korpschef. In het kader van de mobiliteit XII-9733-11/42 beoordeelt de selectiecommissie of de kandidaat beantwoordt aan een bepaald profiel en beslist de benoemende overheid, te dezen het politiecollege. Beoordeling 7. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van de exceptie, behoudens in de mate dat de vordering is gericht tegen het “gebeurlijk besluit tot rangschikking” als onderdeel van de tweede bestreden beslissing en tegen de derde bestreden beslissing, op grond van de volgende overwegingen: “15. Door verzoeker wordt afdoende duidelijk omschreven van welke beslissingen hij precies de nietigverklaring nastreeft. Dat verzoeker niet expliciet in kennis werd gesteld van bepaalde van deze beslissingen, brengt evident met zich dat verzoeker poogt te omschrijven wat hem doet besluiten tot het bestaan ervan. Het bestaan van de eerste bestreden beslissing – i.e. het uiteindelijke besluit tot aanwerving van een externe kandidaat – leidt verzoeker terecht af uit zijn stuk 8, wat zich uiteindelijk bevestigd ziet met stuk 10 van het administratief dossier. Verzoeker zelf had derhalve slechts indirect kennis van deze beslissing van 4 juli 2024, maar de omschrijving van verzoeker heeft de verwerende partij ontegensprekelijk in staat gesteld het betrokken besluit de identificeren. Het bestaan van dit besluit kan niet worden betwist – en wordt ook niet betwist – en er kan niet worden ingezien op welke wijze de aanduiding ervan de rechten van verdediging van de verwerende partij in het gedrang zou hebben gebracht. Hetzelfde geldt voor de tweede bestreden beslissing. Verzoeker licht toe uit het schrijven van 30 mei 2024 te kunnen afleiden – zoals hem ook wordt meegedeeld – dat door de selectiecommissie werd geoordeeld dat zijn profiel voor 48,89% overeenkwam met het gewenste profiel in de PZ Maasland, hij ongeschikt werd bevonden voor de door hem geambieerde functie en dus ook niet zou worden voorgedragen. Verzoeker verwijst dienaangaande naar zijn stuk 6, i.e. de mededeling van de beslissing van de selectiecommissie door de korpschef, tevens stuk 6 van het administratief dossier. Uit stuk 8 van het administratief dossier blijkt effectief deze beoordeling en beslissing van de selectiecommissie. Er kan dienaangaande geen onduidelijkheid bestaan. In de mate waarin verzoeker met het tweede bestreden besluit meteen ook de vernietiging van het ‘gebeurlijk besluit tot rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties’, kan nu reeds voor de goede orde worden opgemerkt dat – in deze fase waarin wordt besloten tot de ongeschiktheid van verzoeker (zie infra) – geen dergelijk besluit blijkt te bestaan. Waar verzoeker zelf in zijn verzoekschrift aangeeft het bestaan van een dergelijk rangschikkingsbesluit af te leiden uit het schrijven van de korpschef van 30 mei 2024, en daarnaast ook zelf aangeeft dat een dergelijk besluit strikt genomen niet zou mógen bestaan omdat daaruit dan zou blijken dat er wel geschikt bevonden kandidaten waren en er dan geen externe werving had mogen plaatsvinden, blijkt verzoeker derhalve wel uitdrukkelijk de vernietiging van dit besluit op het oog te hebben gehad. Nu er evenwel geen dergelijk besluit blijkt te bestaan, kan hiervan ook niet de nietigverklaring worden nagestreefd en komt de vordering van verzoeker in die mate reeds onontvankelijk voor. In de mate waarin verzoeker hiermee XII-9733-12/42 evenwel alludeert op het ‘proces-verbaal selectie dat in de navolgende fase in aanloop van de externe statutaire werving door de selectiecommissie werd opgemaakt, komt zulks niet duidelijk naar voor uit het verzoekschrift. Bovendien moet worden opgemerkt dat voormeld proces-verbaal een weergave vormt van wie door de selectiecommissie in de ‘externe wervingsfase’ geschikt wordt geacht en (dus) door de selectiecommissie wordt voorgedragen (weergegeven in rangorde volgens het behaalde percentage) en wie daarnaast in de ‘externe wervingsfase’ ongeschikt wordt geacht en (dus) door de selectiecommissie niet wordt weerhouden. Daarbij blijkt overigens nergens uit dat de aanwervende overheid (in casu het politiecollege) verplicht zou zijn tot toekenning van de functie aan de meest geschikte (of hoogste gerangschikte) kandidaat. Vooral relevant is dat verzoeker reeds daaraan voorafgaand – in de ‘mobiliteitsfase’ – door de selectie als ongeschikt werd beoordeeld (waarbij geen afzonderlijk proces-verbaal of aparte rangschikking werd opgesteld bij gebrek aan geschikte kandidaten), en dat dus reeds voorafgaand aan voormelde ‘rangschikking’ was beslist dat verzoeker niet zou worden voorgedragen. Van dan af – i.e. sinds de tweede bestreden beslissing – kwam verzoeker derhalve niet langer in aanmerking voor de geambieerde functie, vermits toen reeds werd beslist dat hij niet werd voorgedragen. Verzoeker kon (in deze externe wervingsfase, die pas opengesteld werd (en slechts kon worden) bij daaraan voorafgaand gebrek aan geschikte kandidaten) niet langer aanspraak maken op de functie. Het latere proces-verbaal van selectie (als resultaat van de externe wervingsfase) heeft geen betrekking meer op verzoeker – die evident op dit proces- verbaal niet meer voorkomt – en lijkt derhalve als zodanig niets toe te voegen aan wat reeds eerder aangaande verzoeker werd beslist, of hoogstens een bevestiging te vormen van de reeds eerder besloten niet-voordracht van verzoeker. In de mate waarin de vordering zich derhalve zou richten tot voormeld PV – voor zover de Raad van State zelfs al een PV zou kunnen vernietigen – komt de vordering van het ‘gebeurlijk besluit tot rangschikking’ onontvankelijk voor. Nog daargelaten tot slot of wat door verzoeker wordt omschreven als derde bestreden beslissing effectief een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt (zie infra), kan verzoeker geen onduidelijkheid in het wijzen van het voorwerp worden verweten die tot de onontvankelijkheid van de vordering behoort te leiden. Uit de e-mailcorrespondentie met de korpschef, neergelegd als stuk 4, leidt verzoeker het bestaan van de beslissing van de korpschef af om de functie niet aan hem toe te wijzen, evenals diens impliciete weigering om de functie aan verzoeker toe te wijzen. De verwerende partij is in staat zich hiertegen te verweren. Met uitzondering van wat hierboven wordt opgemerkt aangaande de vordering tot nietigverklaring van het ‘gebeurlijk besluit tot rangschikking’ die – ook om andere redenen dan de verweten onduidelijkheid – onontvankelijk voorkomt, kan de verwerende partij – in de mate waarin zij verzoeker onduidelijkheid verwijt in het aanwijzen van wat hij juist tracht te bestrijden – niet worden bijgetreden en is de exceptie ongegrond. 16. Wat de derde bestreden beslissing betreft, stelt zich daarnaast vooreerst de vraag of daadwerkelijk een beslissing voorligt die als administratieve rechtshandeling kan worden aangevochten voor de Raad van State, wat nauw samenhangt met het door verzoeker geformuleerde eerste middel (zie infra). Anders dan wat verzoeker had vermoed, blijkt uit het administratief dossier als zodanig evenwel geen formele beslissing te zijn genomen door de korpschef, zoals verzoeker nochtans meende te kunnen afleiden uit de e-mailcorrespondentie die dienomtrent met de korpschef is gevoerd. Buiten het betreffende antwoord van 8 april 2024 van de korpschef op de vraag van verzoeker, bestaat er – zoals ook verzoeker zelf inziet en aangeeft bij memorie van wederantwoord – dus niets. Veeleer dan een aanvechtbare administratieve handeling uit te maken – nu het aan een daadwerkelijk aanwijsbare beslissing ontbreekt – lijkt de korpschef in haar e-mail van 8 april 2024 mee te delen XII-9733-13/42 of aan te kondigen hoe concreet (verder) wordt gehandeld teneinde de vacante functie in te vullen, en dus een opvatting te zijn van hoe de aanwervings- en selectieprocedure (verder) behoort te verlopen. Deze mededeling an sich beoogt dan ook voor verzoeker op dat ogenblik geen rechtsgevolgen teweeg te brengen, en verzoeker blijft klaarblijkelijk verder in de running om te worden aangeworven. Eens verzoeker effectief (en voor het eerst, door de selectiecommissie) – weze het nu door zijn initiële kandidatuur verder in overweging te nemen (waarop de korpschef alludeert), dan wel door over te gaan tot de beoordeling van zijn kandidatuur in specifieke reactie op de publicatie van de functie via mobiliteit – als ongeschikt wordt beoordeeld en niet wordt voorgedragen, en er derhalve ook effectief blijkt te zijn gehandeld zoals meegedeeld/aangekondigd door de korpschef, ondervindt verzoeker ook concreet de rechtsgevolgen van deze (desgevallend verkeerde) handelswijze. Verzoeker komt op dat ogenblik niet langer in aanmerking voor de functie, die niet langer aan hem kan worden toegewezen. Op dat ogenblik ondervindt verzoeker de nadelen van deze expliciete beslissing, evenals – desgevallend – van de concrete handelswijze zoals die was aangekondigd door de korpschef. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt op het ogenblik van de e-mail van 8 april 2024 nog geen definitieve uitspraak te zijn gedaan over de geschiktheid van verzoeker noch (impliciet) te worden geweigerd om de functie aan verzoeker toe te wijzen, omdat er – terecht dan wel onterecht, zie beoordeling ten gronde – van uit werd gegaan dat verzoekers geschiktheid samen kon / mocht worden beoordeeld met de geschiktheid van kandidaturen die ‘via andere wegen zouden worden ontvangen. Dat met de derde bestreden beslissing als zodanig geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling lijkt te worden aangeduid, staat er evenwel niet aan in de weg dat – door dan effectief zo te handelen, en waar alsdan een beslissing ontbreekt waar er één behoorde te zijn – er een onregelmatigheid kan zijn begaan, die van aard is de daaruit voortvloeiende, expliciete beslissing te vitiëren. De exceptie van de verwerende partij is in deze mate gegrond. De vordering is onontvankelijk voor zover ze is gericht tegen de derde bestreden beslissing. […] 18. Tot slot werpt de verwerende partij een gebrek aan samenhang op tussen de verschillende vorderingen van verzoeker. Evenwel stelt verzoeker daartegenover terecht dat de bestreden beslissingen – voor zover evident ontvankelijk – uiting geven aan een voortgezette actie in navolging van de vacantverklaring van eenzelfde functie. Zoals verder ook aan bod komt, werd bij besluit van 17 oktober 2023 van de politieraad in elk geval beslist dat de mobiliteitsprocedure zou worden herhaald totdat geschikte kandidaten zouden worden gevonden, met de mogelijkheid om na één of meerdere vruchteloze mobiliteitscycli beroep te kunnen doen op de statutaire externe werving (artikel 6) en dat de korpschef – indien de klassieke mobiliteit niet toelaat de functie in te vullen – kan beslissen om de functie via de statutaire externe werving te publiceren (artikel 7). Het publiceren van de functie via statutaire werving – die desgevallend leidt tot de aanwerving van een externe kandidaat – is dus afhankelijk van het resultaat van de mobiliteitscyclus. In de mate waarin bij de totstandkoming van de tweede bestreden beslissing een onwettigheid is begaan die noopt tot de annulatie ervan, noopt zulks tot een herbeoordeling. In de mate waarin de mobiliteitscyclus dan ook ten onrechte als ‘vruchteloos’ werd aangemerkt, kan niet anders dan worden geoordeeld dat nog geen noodzaak bestond tot opstart van de externe wervingsprocedure, zodat ook het resultaat hiervan op de helling komt te staan. Dit is effectief een gevolg van het ‘cascadesysteem waarvan het besluit van 17 oktober 2023 van de politieraad blijkt geeft. Een beoordeling omtrent de rechtsgeldigheid van één fase, is dan ook effectief bepalend van invloed voor de rechtsgeldigheid van de andere fase(s), vermits een gebrek aan rechtsgeldigheid van XII-9733-14/42 de ene fase met zich brengt dat een volgende fase niet rechtsgeldig kon worden aangevat. Dat er reden is om de vorderingen van verzoeker samen te behandelen, ten voordele van een overzichtelijke rechtsstrijd en ter bevordering van de goede rechtsbedeling, nu de betrokken beslissingen voortvloeien uit de vacantverklaring en finale invulling van eenzelfde functie en de kritieken op de ene beslissing van invloed zijn op de rechtsgeldigheid van de andere, kan worden bijgetreden. Er is sprake van de ter zake vereiste samenhang. De door de verwerende partij in dit verband geformuleerde exceptie is ongegrond.” 8. De verwerende partij heeft na kennisneming van het auditoraatsverslag niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om nog op de bespreking in het auditoraatsverslag van de door haar opgeworpen exceptie zoals zij die in de memorie van antwoord heeft uiteengezet inhoudelijk te reageren en beperkt zich ertoe ter zake te verwijzen naar wat zij in haar eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het de exceptie in de in het auditoraatsverslag aangegeven mate ongegrond is. 9. Verzoeker sluit zich in de laatste memorie aan bij de beoordeling in het auditoraatsverslag dat er inzake de tweede bestreden beslissing “geen rangschikkingsbesluit bestaat”, zodat de vordering van verzoeker dienaangaande niet ontvankelijk is. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is gericht tegen het “gebeurlijk besluit” van de selectiecommissie “tot rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties”. 10. Verzoeker betwist in zijn laatste memorie evenwel de conclusie van het auditoraatsverslag dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is XII-9733-15/42 gericht tegen de derde bestreden beslissing, omdat dit geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling is. Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperkt verzoeker zich evenwel tot de kritiek dat er wel degelijk sprake is van een aanvechtbare administratieve rechtshandeling. De argumentatie van verzoeker overtuigt evenwel niet. 11. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een (griefhoudende) administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Zo zijn bijvoorbeeld niet-griefhoudend – en bijgevolg in beginsel niet vatbaar voor een vernietigingsberoep – een louter informatieve brief of e-mail waarin de wet louter wordt geciteerd, voorbereidende handelingen, voorstellen, niet-bindende adviezen, en loutere uitvoeringsmaatregelen. 12. Zoals verzoeker in de laatste memorie terecht aangeeft, moet de op 8 april 2024 gevoerde communicatie in zijn geheel worden gelezen. Uit die communicatie blijkt niet – zoals verzoeker ten onrechte aanvoert – dat een beslissing voorligt waarbij de functie van consultent logistiek niet aan verzoeker wordt toegewezen. Uit de e-mail van de waarnemend korpschef van 8 april 2025 (zie supra, nr. 3.6) blijkt dat er in geen enkele zin enige beslissing werd genomen: de kandidatuur van verzoeker werd aanvaard noch verworpen. Verzoeker mag van mening zijn dat de korpschef een beslissing had moeten nemen over de kandidatuur van verzoeker in het kader van de mogelijkheid tot interne verschuiving, het gegeven dat de korpschef dat heeft nagelaten, heeft niet tot gevolg dat dit stilzitten een aanvechtbare rechtshandeling is. Dat stilzitten mag verzoeker dan wel onwettig achten, het heeft niet ipso facto tot gevolg dat er rechtsgevolgen mee worden beoogd of wordt belet dat rechtsgevolgen tot stand komen. Verzoeker werd door het stilzitten immers niet uitgesloten van de mogelijkheid om te worden aangesteld XII-9733-16/42 in de beoogde betrekking. Om dezelfde reden faalt ook verzoekers argument dat het de korpschef toekomt om te oordelen over de geschiktheid van een kandidaat met het oog op een interne verschuiving, terwijl het de aangestelde selectiecommissie toekomt om de kandidaturen in het kader van de mobiliteit of externe aanwerving te beoordelen. 13. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing. 14. Uit wat voorafgaat, volgt dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is gericht tegen het “gebeurlijk besluit” van de selectiecommissie “tot rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en bijhorende competenties” als onderdeel van de tweede bestreden beslissing en in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing. Voor het overige wordt de exceptie ratione materiae van de verwerende partij verworpen. B. Exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis 15. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep, in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing, niet ontvankelijk is ratione temporis. 16. Zoals hiervoor is overwogen, is het beroep in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing, niet ontvankelijk ratione materiae (zie supra, nrs. 11-13). Bijgevolg moet de exceptie ratione temporis niet worden onderzocht. XII-9733-17/42 C. Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens het gebrek aan actueel belang Standpunt van de partijen 17. In de laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet over het vereiste actueel belang beschikt, daar hij met pensioen is sinds 1 december 2024. Ingevolge dit pensioen kan verzoeker geen aanspraak meer maken op de beoogde functie. Volgens de verwerende partij is er geen sprake van een rechtsplicht tot rechtsherstel met terugwerkende kracht. Verzoeker toont immers niet aan dat er sprake is van een gebonden bevoegdheid om hem aan te stellen in de functie van consulent logistiek. Een vernietigingsarrest kan daarom niet meer bijdragen tot het beoogde rechtsherstel. Een louter morele genoegdoening volstaat volgens de verwerende partij evenmin om te voldoen aan de vereiste van het actueel belang. 18. Verzoeker repliceert in de laatste memorie dat zijn pensionering niet belet dat hij nog steeds over het vereiste belang bij de nietigverklaring beschikt. Gelet op het recht op toegang tot de rechter, meent verzoeker dat hem niet het rechtens vereiste belang kan worden ontzegd, wanneer hij hangende het beroep bij de Raad van State ingevolge pensionering de beoogde betrekking niet meer kan bekomen. Verzoeker benadrukt het blijvende moreel nadeel. Dit geldt te dezen des te meer, daar hij is afgerekend op zijn persoon en hoedanigheid als vakbondsafgevaardigde, wat hij afleidt uit welbepaalde vermeldingen in de eindevaluatiefiche van de selectiecommissie. Verzoeker voert aan dat hij direct geraakt is door de negatieve waarderingen omtrent zijn inzet, betrokkenheid en motivatie, alsook wat zijn normbesef, integriteit en attitudes betreft. De bijzondere vorm van rechtsherstel die de nietigverklaring is, werkt volgens verzoeker ook door naar het morele aspect, daar alzo komt vast te staan dat zijn kandidatuur niet rechtsgeldig is beoordeeld en hem geen gelijke (kans
- op)toegang tot het openbaar ambt is geboden. Volgens verzoeker is hij bijzonder moreel geschaad, omdat hij keer op keer met miskenning van het meest elementaire administratieve fatsoen de geambieerde betrekking niet mocht krijgen en hem geen eerlijke kans is geboden. Verzoeker voert voorts aan dat er sprake is van een impliciete weigering om hem XII-9733-18/42 de beoogde betrekking toe te kennen, terwijl er daartoe een rechtsplicht bestond. Los daarvan voert verzoeker aan dat hij over het rechtens vereiste belang beschikt, daar, indien de Raad van State oordeelt dat de middelen tot de nietigverklaring moeten leiden, het aan de verwerende partij toekomt om het onrecht goed te maken. Daar het niet aan de Raad van State toekomt om daarover te oordelen, mag hij het bestuur niet de mogelijkheid ontzeggen om de begane onwettigheid goed te maken. Het gegeven dat er een procedure tot het bekomen van schadevergoeding tot herstel bestaat, doet daaraan niet af. Anders oordelen, zou er volgens verzoeker toe leiden dat zijn recht op toegang tot de rechter om onrechtmatige wijze wordt ingeperkt. Volgens verzoeker geldt dit temeer, daar verzoeker het pensioen heeft aangevraagd omwille van problemen die hij ondervond op de werkvloer, zodat hem de pensioenaanvraag niet kan worden verweten. Tot slot verwijst verzoeker naar zijn verzoek tot schadevergoeding tot herstel, wat de Raad van State ertoe verplicht de middelen te onderzoeken en een eventuele onwettigheid vast te stellen. Verzoeker herhaalt in dat verband dat de pensionering geen handeling is die verzoeker kan worden verweten. Beoordeling 19. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe XII-9733-19/42 miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 20. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient zoals hiervoor is uiteengezet, te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de XII-9733-20/42 uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 21. Zoals hiervoor is gebleken, verliest verzoeker niet noodzakelijk zijn belang bij de nietigverklaring indien hij, zoals te dezen, door het bereiken van de pensioensleeftijd op rust wordt gesteld doch, zoals hiervoor evenzo is gebleken, komt het hem dan wel toe daaromtrent opheldering te verschaffen. 22. Te dezen stelt de Raad van State vast dat verzoeker in zijn laatste memorie zijn belang bij het door hem ingestelde vernietigingsberoep situeert binnen het recht op toegang tot de rechter, met name dat hij recht heeft op een vorm van rechtsherstel, waarbij het doen verdwijnen van de rechtshandeling XII-9733-21/42 uit de rechtsorde neerkomt op een vorm van herstel in natura, gelet op het blijvende moreel nadeel van verzoeker. Het belang van verzoeker moet voorts worden beoordeeld in het licht van de op een ontvankelijke wijze bestreden beslissingen, met name de beslissing van het politiecollege van 4 juli 2024 waarbij een derde wordt aangesteld in de functie van consulent logistiek (eerste bestreden beslissing) en de beslissing van de selectiecommissie van 30 mei 2024 waarbij verzoeker ongeschikt wordt bevonden voor deze functie (tweede bestreden beslissing). 23. Een geschiktheidsbeoordeling in het kader van een aanstellingsprocedure zoals de tweede bestreden beslissing er een is, onderscheidt zich, wat het aangebrachte morele leed betreft, van bijvoorbeeld een tuchtbeoordeling. Een tuchtmaatregel beoogt een ambtenaar wegens deontologisch laakbaar gedrag te bestraffen en werpt een zodanige smet op de getuchtigde dat hij er in elk geval een gekwalificeerd moreel belang bij heeft om haar middels een annulatieberoep ongedaan te zien maken. Aangenomen wordt dat een dergelijk odium niet wordt tegengesproken of ongedaan gemaakt door het enkele feit dat de betrokkene ondertussen uit dienst zou zijn getreden. Een geschiktheidsbeoordeling in het kader van een aanstellingsprocedure daarentegen, is een (selectie)instrument in het kader van een doeltreffend personeelsbeheer dat tot doel heeft het bestuur in te lichten over de geschiktheid van een personeelslid aan de hand van selectieproeven met het oog op aanstelling in een welbepaald ambt. Het is geen tuchtmaatregel of anderszins gericht op enige bestraffing van tekortkomingen in zijn functioneren, maar beoogt een waardering uit te drukken van het bestuur over de – op een welbepaald ogenblik aanwezige – (beroeps)kennis, algemene geschiktheid en competenties van het personeelslid om te worden aangesteld in een welbepaalde functie. 24. Gewis kan dan de vraag rijzen of het moreel nadeel dat verzoeker ondervindt van de beoordeling dat hij ‘ongeschikt’ is bevonden voor de beoogde betrekking en het gegeven dat een derde werd aangesteld in die betrekking nog een XII-9733-22/42 voldoende rechtstreeks verband vertoont met de finaliteit van de gevorderde nietigverklaring, wanneer hij ingevolge zijn oppensioenstelling niet langer bij zijn werkgever is tewerkgesteld, bijgevolg voor de toekomst geen voor- of nadelen meer kan ondervinden in zijn loopbaan ingevolge die beoordeling en evenmin nog – ook niet na een gebeurlijke nietigverklaring – kan worden aangesteld in de beoogde betrekking. 25. Verzoeker voert aan dat zijn blijvende moreel nadeel erin bestaat dat hij is afgerekend op zijn persoon en hoedanigheid als vakbondsafgevaardigde. Hij verwijst desbetreffend naar twee vermeldingen in de eindevaluatiefiche van de selectiecommissie. Met de loutere verwijzing naar de vermelding “[d]enkt niet loyaal naar het beleid” bij het criterium “een meerwaarde kunnen en willen betekenen voor het beleid” toont verzoeker niet aan dat daar een dermate zware morele smet vanuit gaat, dat dit in de hiervoor geschetste omstandigheden het behoud van een moreel belang kan staven. Dezelfde vaststelling geldt voor de vermelding – naast andere – “petje CNT logistiek – beleid – vakbondsafgevaardigde?” bij het criterium “heeft attitudes die zich inschrijven in het referentiekader van de organisatie en daarbij open staand voor andere maatschappelijke opvattingen en waarden”. Nog daargelaten dat verzoeker voor dit criterium de score ‘3’ behaalt, wat betekent “de competentie is aanwezig”, maakt verzoeker hiermee evenmin aannemelijk dat hij is “afgerekend” op zijn persoon en hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde. 26. Verzoeker ontleent evenmin het vereiste belang aan het morele aspect dat door een nietigverklaring zou komen vast te staan dat zijn kandidatuur niet rechtsgeldig is beoordeeld en hem geen gelijke kans op toegang tot het openbaar ambt is gegeven, noch aan het gegeven dat met miskenning van het meest elementaire administratieve fatsoen verzoeker de geambieerde betrekking niet mocht krijgen en hem daartoe geen eerlijke kans is geboden, noch aan de vaag omschreven aanspraak dat het de verwerende partij toekomt “op één of andere manier het aldus vastgestelde onrecht goed te maken”. XII-9733-23/42 Verzoeker overtuigt daarmee niet dat hij nog over een gekwalificeerd moreel belang beschikt, terwijl niet-slagen voor een selectieproef een risico is dat inherent aan deelname aan een dergelijke selectieproef kleeft. Verzoeker voert louter aan dat hij een moreel belang heeft dat bestaat uit de behoefte aan rechtsherstel waartoe een vernietigingsarrest verplicht. Een dergelijk belang is niet meer dan de loutere morele genoegdoening om een beslissing onwettig te horen verklaren, hetgeen onvoldoende rechtstreeks is om het belang bij de gevorderde nietigverklaring te dienen, ook niet als een vorm van (moreel) herstel in natura. 27. Verzoeker leidt voorts uit de derde bestreden beslissing af dat er sprake is van een impliciete weigering om hem de beoogde betrekking toe te kennen, terwijl er daartoe een rechtsplicht bestond. Hiervoor werd het beroep in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing niet-ontvankelijk bevonden ratione materiae (zie supra, nrs. 11-13). Bijgevolg kan verzoeker aan die “beslissing” noch de volgens verzoeker erin vervatte impliciete weigering om hem te benoemen het vereiste belang ontlenen, om de nietigverklaring van de eerste en de tweede bestreden beslissing te bekomen. 28. Het argument van verzoeker dat hij zijn pensioen aanvroeg omwille van problemen op de werkvloer met de hiërarchie, doet niet anders oordelen. Verzoeker maakt immers niet aannemelijk dat die problemen van die aard waren dat hem redelijkerwijze geen andere optie restte dan zijn pensioen aanvragen. 29. Uit wat voorafgaat blijkt niet dat verzoeker nog een belang, moreel of materieel, behouden heeft bij de vernietiging erga omnes van de thans bestreden beslissing nu niet blijkt dat de nietigverklaring ervan hem nog een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen. 30. De exceptie van gebrek aan het rechtens vereiste actueel belang is in de aangegeven mate gegrond. XII-9733-24/42 V. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel 31. Verzoeker heeft samen met zijn laatste memorie een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. 32. Hoewel het indienen van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel samen met, of hangende, het beroep tot nietigverklaring niet zal kunnen beletten dat wanneer de verzoekende partij het belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, deze nietigverklaring door de Raad van State wordt afgewezen, plaatst een dergelijk verzoek tot schadevergoeding tot herstel de Raad van State wel voor de verplichting om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die zij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). 33. Uit wat voorafgaat volgt dat de enige vragen die te dezen moeten worden beantwoord om verzoekers belang bij die vordering tot schadevergoeding tot herstel te beoordelen, eensdeels, de vraag is of het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk was op het ogenblik dat het werd ingediend, en, anderdeels, of het verlies van het belang bij het beroep tot nietigverklaring niet het gevolg is van een handeling die hij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die hem persoonlijk verwijtbaar is. 34. Wat de eerste vraag betreft, heeft de Raad van State hiervoor vastgesteld dat op het ogenblik dat het beroep tot nietigverklaring werd ingediend, het beroep ontvankelijk was behoudens in de mate dat het is gericht tegen het “gebeurlijk besluit” van de selectiecommissie “tot rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in volgorde van overeenstemming met het functieprofiel en XII-9733-25/42 bijhorende competenties” als onderdeel van de tweede bestreden beslissing en in de mate dat het is gericht tegen de derde bestreden beslissing (zie supra, nrs. 7-14). 35. Wat de tweede vraag betreft, heeft de Raad van State hiervoor vastgesteld dat het verlies van het actueel belang het gevolg is van de pensionering van verzoeker (zie supra, nrs. 19-30). Het verlies van het belang is weliswaar het gevolg van een handeling die verzoeker mede zelf heeft gesteld, daar zijn pensionering het gevolg is van zijn aanvraag daartoe, maar deze handeling is hem – in tegenstelling tot wat de verwerende partij ter terechtzitting aanvoert – niet persoonlijk verwijtbaar. Een ‘verwijt’ is volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van Dale “het aan iemand voorhouden van iets als een schuld, een tekortkoming”. Het aanvragen van het pensioen waarop men gerechtigd is, kan bezwaarlijk worden beschouwd als een “tekortkoming” of iets waarvoor men “schuld” treft. 36. Daar verzoeker gedurende het beroep tot nietigverklaring op ontvankelijke wijze een vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel heeft ingediend, dienen de middelen alsnog te worden onderzocht in het kader van die vordering. VI. Onderzoek van de middelen 37. Verzoeker heeft in het verzoekschrift tot nietigverklaring twee middelen aangevoerd. In de laatste memorie voert verzoeker een nieuw derde middel aan op basis van de stukken die de verwerende partij pas na het opstellen van het auditoraatsverslag heeft neergelegd. Daar dit nieuwe derde middel niet het voorwerp heeft gevormd van een onderzoek door het auditoraat en bijgevolg evenmin van een tegensprekelijk debat, beperkt het onderzoek zich tot de twee middelen aangevoerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring. XII-9733-26/42 A. Eerste middel Standpunt van de partijen 38. In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van artikel VI.II.15 RPPol en van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. In ondergeschikte orde voert verzoeker de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker zet onder meer uiteen dat luidens de beslissing van de politieraad van 17 oktober 2023 de vacant verklaarde functie moet worden begeven via een “cascadesysteem” met als eerste stap een interne verschuiving en als tweede stap “een publicatie in mobiliteit”. Pas bij gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten, mocht volgens voormeld besluit van de politieraad de functie via mobiliteit worden opengesteld. Uit de concrete gang van zaken (zie supra, nrs. 3.6-3.9) leidt verzoeker af dat zijn kandidatuur in het kader van de interne bevraging niet werd afgewezen, waaruit volgens verzoeker volgt dat hij minstens impliciet geschikt werd bevonden. Daar verzoeker de enige geschikte kandidaat was bij de interne bevraging en de vacature pas bij mobiliteit zou worden opengesteld bij gebrek aan geschikte interne kandidaten, bestond er een rechtsplicht om hem aan te stellen in de te begeven betrekking. Ook de finale benoeming van een derde na externe werving is volgens verzoeker onwettig, daar het “cascadesysteem” waartoe de politieraad besloot, impliceert dat het extern vacant verklaren van de betrekking pas mogelijk was bij gebrek aan geschikte kandidaten na primo, interne bevraging, en secundo, mobiliteit. In ondergeschikte orde voert verzoeker aan dat de beslissing van de korpschef om verzoeker de functie niet toe te wijzen bij wijze van interne verschuiving, niet is gemotiveerd. 39. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat artikel 1 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 weinig ruimte laat voor interpretatie over de wijze van selectie voor de betrokken functie: eerst zal de betrekking vacant worden verklaard via de klassieke (interne) mobiliteit, en indien deze procedure geen geschikte kandidaten oplevert, zal de betrekking vacant worden verklaard via de statutaire externe werving. De verwerende partij wijst erop dat de kandidatuur van verzoeker via de mobiliteit in overweging werd genomen. XII-9733-27/42 De selectiecommissie heeft geoordeeld dat het profiel van verzoeker voor 48,89% overeenkwam met het gewenste profiel, op basis van een mobiliteitsdossier en een uitgebreide en gemotiveerde eindevaluatiefiche. Daar er geen geschikte kandidaat werd gevonden via de interne mobiliteitsprocedure, werd de externe werving opgestart, die tot aanwerving van J.P. heeft geleid. De verwerende partij betwist dat er eerst op zoek moest worden gegaan naar een “geschikte interne kandidaat” vooraleer de functie mocht worden opengesteld via mobiliteit. Volgens de verwerende partij is artikel 1 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 duidelijk en mocht de functie direct via mobiliteit worden opengesteld. Enkel indien er “geen geschikte interne kandidaten” zouden worden gevonden, was een externe werving mogelijk. Artikel 5 van het voormelde politieraadsbesluit vormt daar enkel een aanvulling op. Daar verzoeker als interne kandidaat via mobiliteit ongeschikt werd bevonden door de selectiecommissie, werd de functie opengesteld voor externe kandidaten. Dit is volgens de verwerende partij niet in strijd met artikel VI.II.15, 2°, RPPol noch het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023. Daar het politieraadsbesluit van 17 oktober 2023 niet in een aan de mobiliteitsprocedure voorafgaande selectieprocedure voorziet, kan er geen sprake zijn van een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Voor zover de Raad van State zou meegaan in de onjuiste theorie van verzoeker dat, vooraleer het openstellen van de functie via mobiliteit, de korpschef op zoek moest gaan naar een “geschikte interne kandidaat”, voert de verwerende partij drie argumenten aan. Ten eerste wijst de verwerende partij erop dat een voorafgaande interne selectie zonder selectiecommissie niet wordt voorzien in het RPPol. Voorts wordt nergens voorzien dat indien een dergelijke interne kandidaat ongeschikt zou worden verklaard, hij niet zou mogen deelnemen aan de mobiliteitsprocedure. Daarnaast betekent de ‘geschikt’-verklaring van een interne kandidaat volgens de verwerende partij niet automatisch dat de functie aan deze kandidaat wordt toegewezen. Ten tweede zet de verwerende partij uiteen dat de waarnemend korpschef zich in de e- mail van 8 april 2024 niet heeft uitgesproken over de geschiktheid van verzoeker, noch positief, noch negatief, maar enkel heeft meegedeeld dat zijn kandidatuur op een later moment, via de mobiliteitsprocedure, in overweging zou worden genomen. Het is de selectiecommissie die onafhankelijk en onpartijdig verzoeker ongeschikt heeft bevonden. Zelfs al zou verzoeker wel degelijk geschikt zijn XII-9733-28/42 verklaard, wordt niet voorgeschreven dat verzoeker ook de functie moet toegewezen krijgen. Ten derde voert de verwerende partij aan dat er geen rechtsplicht bestaat om verzoeker via interne verschuiving in de vacant verklaarde functie aan te stellen. Tot slot voert de verwerende partij aan dat ook de argumentatie in subsidiaire orde moet worden verworpen. Daar de e-mail van de waarnemend korpschef van 8 april 2024 niet als eenzijdige administratieve rechtshandeling kan worden beschouwd, bestond er geen verplichting tot motivering van deze e-mail. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat artikel 1 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 expliciet voorziet in het vacant verklaren van de betrekking via de klassieke mobiliteit en, indien nodig, via statutaire werving. Dat artikel bevat geen verwijzing naar een interne vacatureprocedure. Een voorafgaande interne procedure zou dan ook willekeurig zijn ten aanzien van de formeel goedgekeurde procedure. Volgens de verwerende partij geeft het auditoraatsverslag blijk van een onterechte interpretatie waarbij de interne bevraging wordt verheven tot een formele juridisch bindende selectiefase, terwijl dit een voorbereidende personeelsbevraging betrof. Het artikel vijf van het voormelde politieraadsbesluit spreekt over het uitstel van de mobiliteitsprocedure bij aanwezigheid van een geschikte interne kandidaat, maar creëert geen exclusief beoordelingsrecht voor de korpschef noch een formele “interne fase”. Er bestond volgens de verwerende partij dus geen verplichting om de geschiktheid van verzoeker eerder en afzonderlijk te beoordelen. De verwerende partij besluit dat het auditoraatsverslag ten onrechte een bindende interne fase toeschrijft aan het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 die niet expliciet werd voorzien noch wettelijk vereist is. Beoordeling 40. Artikel VI.II.15 RPPol luidt: “De gemeenteraad of de politieraad, op advies van de korpschef, wat de lokale politie betreft, of de directeur-generaal van het middelenbeheer en de informatie wat de federale politie betreft, beslist: XII-9733-29/42 1° of een betrekking vacant wordt verklaard en, in voorkomend geval, of het gaat om een betrekking bedoeld in artikel VI.II.12bis of om een gespecialiseerde betrekking waaraan eventueel een functietoelage, bedoeld in artikel XI.III.12, is gekoppeld; 2° over de wijze van selectie voor de vacant verklaarde betrekking onder één of meerdere van de selectiemodaliteiten bedoeld in de artikelen VI.II.21 of VI.II.22; 3° […] 4° om, naar aanleiding van de selectie, geen wervingsreserve bedoeld in artikel VI.II.27bis aan te leggen; 5° in voorkomend geval, over de samenstelling van de bevoegde selectiecommissie dan wel of een beroep wordt gedaan op de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.46 of, naar gelang van het geval, de nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.52. […]” 41. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld, bij de concrete toepassing ervan, te eerbiedigen. Het kan evenwel enkel worden ingeroepen, indien de beslissing waarvan de niet-eerbieding wordt aangevoerd een zichzelf opgelegde algemene regel bevat. 42. Uit artikel 5 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 (zie supra, nr. 3.3) blijkt – letterlijk – dat de te begeven functie “via mobiliteit opengesteld [zal] worden ingeval van een gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten”. Volgens artikel 6 van datzelfde besluit wordt de mobiliteitsprocedure herhaald in navolgende mobiliteitscycli met dezelfde selectiemodaliteiten en dezelfde selectiecommissie “totdat de zone geschikte kandidaten vindt”, waarbij evenwel de mogelijkheid wordt ingelast om “na één of meerdere vruchteloze mobiliteitscycli beroep te kunnen doen op de statutaire externe werving”. Artikel 7 van hetzelfde besluit bevestigt dat “[i]ndien de klassieke mobiliteit niet toelaat de functie in te vullen, de korpschef [kan] beslissen om deze functie via de statutaire externe werving te publiceren”. Uit het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 blijkt aldus wat verzoeker “een cascadesysteem” noemt om tot de aanwerving voor de vacante functie over te gaan, waarbij een openstelling van de functie via mobiliteit zich pas aandient ingeval van een gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten, en de functie pas via de statutaire externe werving wordt gepubliceerd XII-9733-30/42 voor zover de klassieke mobiliteit – desgevallend na herhaling van de mobiliteitsprocedure in navolgende mobiliteitscycli – geen geschikte kandidaat zou opleveren. Anders dan hoe de verwerende partij dit ziet, geeft het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 derhalve wel degelijk blijk van een voorrang aan “interne” kandidaten, alvorens de functie via mobiliteit kan worden opengesteld. Bijgevolg moet éérst de geschiktheid van interne kandidaten worden nagegaan, alvorens de functie ingeval van gebrek aan geschikt bevonden kandidaten kan worden opengesteld. Uit artikel 5 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 volgt dat ingeval er géén gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten is – en er dus wél één of meerdere kandidaten geschikt zijn – de functie niét via mobiliteit wordt opengesteld. De besluitvorming door het politiecollege ligt geheel in lijn met de formele motivering ervan, waaruit blijkt dat de korpschef had geadviseerd om “in eerste instantie een interne bevraging” te organiseren om de functie in te vullen, evenals om, indien er op basis van de interne bevraging geen kandidaten geschikt worden bevonden, de openstaande functie – na een vruchteloze mobiliteit – extern open te stellen. Ten overvloede blijkt ook uit de “Korpsinformatie” van 12 oktober 2023 (zie supra, nr. 3.2) – weliswaar verspreid vóór het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 – een “interne vacature” voor de betrokken functie en de mogelijkheid tot “interne verschuiving”, en werd evenzeer aangekondigd dat indien er geen (geschikte) kandidaten zouden zijn, deze plaats zou worden opengesteld “via mobiliteit”. 43. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker zich op 27 oktober 2023 kandidaat stelde ingevolge de in de “Korpsinformatie” van 12 oktober 2023 gepubliceerde “Interne vacature[…] mogelijkheid interne verschuiving” voor de functie van Consulent Logistiek (niveau B), alsook dat op 5 april 2024 de vacature voor deze functie via mobiliteit werd gepubliceerd en gelijktijdig via externe werving. Uit het administratief dossier blijkt voorts dat de waarnemend korpschef op 8 april 2024 aan verzoeker meedeelde dat zijn kandidatuur weliswaar niet werd verworpen, maar mee in overweging werd genomen met de kandidaturen die “via andere wegen” zouden worden ontvangen. XII-9733-31/42 44. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij – door zich niet uit te spreken over de vraag of verzoeker ingevolge zijn ‘interne’ kandidatuur al dan niet ‘geschikt’ was voor de te begeven functie – heeft gehandeld in strijd met het eigen politieraadsbesluit van 17 oktober 2023. Pas indien in het kader van de ‘interne’ fase zou zijn gebleken dat verzoeker ‘ongeschikt’ was, had de functie via mobiliteit, en pas daarna desgevallend via externe werving, mogen worden opengesteld. 45. Het standpunt van de verwerende partij dat het de bedoeling was om de functie eerst vacant te verklaren via mobiliteit en, indien die procedure geen geschikte kandidaten zou opleveren, de functie vacant te verklaren via externe werving, en waarbij zij betwist dat eerst op zoek moest worden gegaan naar een geschikte interne kandidaat, is in strijd met de duidelijke bepalingen van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023, zoals hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 42). Dezelfde vaststelling geldt voor het argument aangevoerd in de laatste memorie van de verwerende partij dat de interne bevraging een louter voorbereidende personeelsbevraging betrof zonder rechtsgevolgen. In de mate dat de verwerende partij artikel 5 van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 beschouwt als een “aanvulling” op artikel 1, valt niet in te zien hoe dit beweerd aanvullend karakter tot een andere lezing noopt. Zelfs in de mate waarin de beoordeling van de geschiktheid van verzoeker tot de “mobiliteitsprocedure” zou behoren – wat evenwel geen steun vindt in het politieraadsbesluit – dan nog geeft artikel 5 er afdoende blijk van dat voor de invulling van de betrokken functie eerst – en dus bij voorrang – interne kandidaten in aanmerking komen, alvorens de functie via mobiliteit kan worden opengesteld. 46. In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat het RPPol niet voorziet in een voorafgaande interne selectie, waarbij zij “o.m.” verwijst naar artikel VI.II.21 RPPol, stelt de Raad van State vast dat de in het RPPol uitgewerkte regeling waarnaar de verwerende partij verwijst de mogelijkheid tot “interne verschuiving” – waarover moet worden geoordeeld door de korpschef – niet in de XII-9733-32/42 weg staat. Daarenboven heeft de politieraad met het besluit van 17 oktober 2023 uitdrukkelijk in een degelijke voorafgaande interne selectie voorzien. Voorts stelt de Raad van State vast dat overeenkomstig artikel 44 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ de korpschef instaat voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps. Artikel VI.II.85 RPPol bepaalt de gevallen waarin een personeelslid kan worden herplaatst. Naast een expliciete opsomming van een aantal objectieve redenen waarin de herplaatsing van een politieambtenaar mogelijk is (met name de gevallen voorzien in 1° tot 7° en in 9°), kan een herplaatsing ook gebeuren wanneer dat “wegens enigerlei oorzaak” vereist is (8°). Op grond van deze laatste bepaling is het herplaatsen van een personeelslid derhalve mogelijk in alle gevallen waarin de korpschef dit, met het dienstbelang voor ogen, gerechtvaardigd acht en daarvoor een deugdelijke reden heeft om het personeelslid aan te wijzen voor een andere dan de eigen betrekking. Een vacature waarvan de politieraad zoals te dezen heeft beslist dat die bij voorrang via een “interne bevraging” wordt ingevuld, kan bijgevolg wel degelijk op een wettige wijze worden ingevuld. Uit het door de verwerende partij neergelegde stuk 23 blijkt overigens dat de verwerende partij deze procedure – niettegenstaande zij de wettigheid daarvan betwist – in het recente verleden reeds heeft aangewend om een andere functie in te vullen na een interne bevraging. 47. Voorts voert de verwerende partij aan dat de waarnemend korpschef geen uitspraak heeft gedaan over het al dan niet geschikt zijn van verzoeker en dat, zelfs indien verzoeker geschikt zou zijn verklaard, noch het RPPol noch het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 voorschrijft dat de functie aan verzoeker moest worden toegewezen. Uit het gegevens van het dossier blijkt niet dat de waarnemend korpschef zich heeft uitgesproken over de geschiktheid van verzoeker als (enige) kandidaat na de interne bevraging. Zoals hiervoor werd overwogen (zie supra, nr. XII-9733-33/42 42), had dit wel moeten gebeuren, zodat pas indien verzoeker ‘ongeschikt’ zou zijn bevonden, de vacature via mobiliteit kon worden bekendgemaakt. In de mate dat de verwerende partij in dat verband nog opmerkt dat er geen rechtsplicht bestond om verzoeker in de vacant verklaarde functie aan te stellen, gaat deze stelling maar op omdat de (waarnemend) korpschef heeft nagelaten om na de interne oproep tot kandidaten de geschiktheid van verzoeker voor de te begeven functie te beoordelen. 48. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij door niet de geschiktheid van verzoeker voor de te begeven functie te beoordelen na zijn interne kandidaatstelling, de in overeenstemming met artikel VI.II.15 RPPol door de politieraad op 17 oktober 2023 vastgestelde selectiewijze heeft miskend. 49. De Raad van State stelt in de aangegeven mate een onwettigheid vast. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 50. In het verzoekschrift voor verzoeker de schending aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, en van de artikelen VI.II.63 en VI.II.64 RPPol, alsook de onbevoegdheid van de selectiecommissie. In subsidiaire orde voert verzoeker de schending van de formelemotiveringsplicht aan. Verzoeker herhaalt vooreerst dat de vacant verklaarde functie via een “cascadesysteem” moest worden begeven, waarbij de eerste stap een interne verschuiving is, de tweede stap een publicatie in mobiliteit ingeval van een gebrek aan geschikt bevonden interne kandidaten, en de derde stap – indien de mobiliteit vruchteloos blijkt – een externe statutaire werving. Om zijn blijvende belangstelling voor de functie te onderstrepen, heeft verzoeker navolgend aan zijn interne kandidatuur ook zijn kandidatuur ingediend in het kader van de mobiliteit, waarna hij is verschenen voor de selectiecommissie. Verzoeker voert aan dat die selectiecommissie niet XII-9733-34/42 overeenkomstig het besluit van het politiecollege van 17 oktober 2023 was samengesteld, zodat artikel VI.II.64 RPPol is geschonden. Van de leden die door de politieraad waren aangeduid, was immers enkel de korpschef aanwezig. Verzoeker acht ook artikel VI.II.63 RPPol geschonden, omdat luidens deze bepaling de selectiecommissie moet bestaan uit: 1° de korpschef of de door hem aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A, voorzitter; 2° een officier of een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie; 3°een personeelslid van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de gemene of bijzondere graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn. Terwijl de politieraad heeft besloten dat de verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst of zijn vervanger zou zetelen als zijnde “een officier of een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie”, maakte het diensthoofd wijk […] deel uit van de selectiecommissie, die niet aan dat profiel beantwoordt. Terwijl de politieraad heeft besloten dat het diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger zou zetelen als zijnde “een personeelslid van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de gemene of bijzondere graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn”, zetelde K.B. die niet aan dat profiel beantwoordt. De selectiecommissie was volgens verzoeker derhalve onregelmatig samengesteld en bijgevolg onbevoegd om advies te verlenen. De beoordeling door die selectiecommissie dat verzoeker niet geschikt is, is daarom onwettig, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat er geen geschikte kandidaten waren ingevolge mobiliteit en in het kader van het “cascadesysteem” geen externe werving had mogen plaatsvinden. 51. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat artikel VI.II.63 RPPol erin voorziet dat, indien geen beroep kan worden gedaan op de personeelsleden vermeld in het eerste lid, men deze kan vervangen door andere personeelsleden. De verwerende partij citeert artikel 4 van het besluit van de XII-9733-35/42 politieraad van 17 oktober 2023 en geeft weer hoe de selectiecommissie feitelijk werd samengesteld. Hoewel deze samenstelling “sensu stricto niet geheel strookt met wat werd opgenomen in het voormelde besluit van de politieraad”, is de samenstelling volgens de verwerende partij wel degelijk in overeenstemming met de vervangingsregeling zoals opgenomen in artikel VI.II.63 RPPol. Over de aanwezigheid van de korpschef bestaat geen betwisting, maar ook voor de andere leden geldt volgens de verwerende partij dat deze rechtsgeldig – als vervangers – deel konden uitmaken van de selectiecommissie. Wat K.B. betreft, merkt de verwerende partij op artikel VI.II.63 RPPol voorziet dat naast de officier ook een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie deel mag uitmaken van de selectiecommissie. Daar K.B. een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A is, kan er geen sprake zijn van een schending van artikel VI.II.63 RPPol. Wat G.W., diensthoofd Wijk […], betreft, voert de verwerende partij aan dat de zinsnede “of zijn vervanger” in het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 verwijst naar wat is bepaald in artikel VI.II.63 RPPol. Volgens de verwerende partij is de enige vereiste dat het betrokken commissielid een personeelslid is van het administratief en logistiek kader met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking (in casu niveau B). G.W. voldoet aan deze criteria, daar hij hoofdinspecteur is, wat ook een graad is uit het middenkader, zoals een consulent van niveau B. Volgens de verwerende partij was de selectiecommissie van 30 mei 2024 wel degelijk rechtsgeldig samengesteld en bevoegd om verzoeker ongeschikt te verklaren. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat, voor zover niet op correcte wijze naar artikel VI.II.63 en VI.II.61 RPPol zou kunnen worden teruggegrepen, zoals uiteengezet in de memorie van antwoord, het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 uitdrukkelijk vermeldt dat de selectiecommissieleden kunnen worden vervangen. Het is volgens de verwerende partij onjuist dat deze vervanger uitsluitend het waarnemend diensthoofd zou kunnen zijn. In de praktijk wordt bij afwezigheid van een jurylid een vervanger aangesteld die over de nodige deskundigheid beschikt om een objectief oordeel te kunnen vellen. De verwerende partij preciseert verder de samenstelling van de XII-9733-36/42 selectiecommissie en de aangeduide vervangers. De verwerende partij besluit dat dat zij terecht gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op een correcte wijze vervangers aan te duiden en dat de concrete invulling van de selectiecommissie ook moet worden bekeken in het licht van de organisatorische mogelijkheden en personeelscapaciteiten van de politiezone. De verwerende partij pleit voor een “pragmatische toepassing” van het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023. Beoordeling 52. Artikel VI.II.63 RPPol luidt: “De gemeente- of politieraad kan een selectiecommissie samenstellen, hierna ‘de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie’ genoemd, die als volgt is samengesteld: 1° de korpschef of de door hem aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A, voorzitter; 2° een officier of een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie; 3° een personeelslid van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de gemene of bijzondere graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn. Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, dan wijst de gemeente- of de politieraad, op voorstel van de korpschef, een personeelslid van het administratief en logistiek kader van het eigen korps aan dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking. Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op een personeelslid dat voldoet aan de in dit lid gestelde voorwaarden, dan wijst de gemeente- of de politieraad, op voorstel van de korpschef, een personeelslid van het operationeel kader van het eigen korps aan dat ten minste tot het middenkader behoort en onder wiens gezag in de zin van artikel 120 van de wet, het te benoemen personeelslid van het administratief en logistiek kader zijn ambt zal uitoefenen. Een secretaris, aangewezen door de korpschef, staat de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie bij.” Artikel VI.II.64 RPPol luidt: “De gemeente- of de politieraad wijst de leden aan van de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie rekening houdend met het bepaalde in artikel VI.II.63.” XII-9733-37/42 53. Op grond van artikel VI.II.64 RPPol komt het de politieraad toe de selectiecommissie samen te stellen en de leden ervan aan te wijzen, zij het binnen de grenzen bepaald in artikel VI.II.63 RPPol. Te dezen heeft de politieraad op 17 oktober 2023 de selectiecommissie samengesteld (zie supra, nr. 3.3). Verzoeker betwist dat G.W. kan worden beschouwd als “verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst of zijn vervanger” en dat K.B. kan worden beschouwd als “diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger”, zoals bedoeld in artikel 4 van het besluit van de politieraad 17 oktober 2023. 54. De verwerende partij erkent dat de samenstelling van de selectiecommissie “sensu stricto niet geheel strookt met wat werd opgenomen in het voormelde besluit van de politieraad”. Uit de memorie van antwoord blijkt dat niet wordt betwist dat K.B. niet “de verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst” is, en evenmin dat G.W. niet “het diensthoofd van de betrokken dienst” is. De verwerende partij voert evenwel aan dat K.B. en G.W. zijn opgetreden als lid van de selectiecommissie “in overeenstemming met de vervangingsregeling zoals opgenomen in artikel VI.II.63 RPPol”. Ter verantwoording van het lidmaatschap van K.B. wijst de verwerende partij erop dat overeenkomstig artikel VI.II.63 ook een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie mag optreden en dat K.B. gelet op haar graad van adviseur daaraan voldoet. Wat G.W. betreft, voert de verwerende partij aan dat het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 voorschrijft dat “het diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger” optreedt, waar de zinsnede “zijn vervanger” volgens de verwerende partij logischerwijze verwijst naar wat in artikel VI.II.63 RPPol is bepaald. De enige vereiste zou dan ook zijn dat het betrokken commissielid een personeelslid is van het administratief en logistiek kader met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking, in casu niveau B, waaraan G.W. als hoofdinspecteur zou voldoen. 55. Te dezen heeft de politieraad op 17 oktober 2023 de selectiecommissie samengesteld overeenkomstig de artikelen VI.II.63 en VI.II.64 XII-9733-38/42 RPPol. Eens de politieraad expliciet de samenstelling van de selectiecommissie heeft bepaald, behoort daarnaar te worden gehandeld. Het volstaat dan niet – om te verantwoorden dat de samenstelling van de selectiecommissie “sensu stricto niet geheel strookt met wat werd opgenomen in het voormelde besluit van de politieraad” – om te verwijzen naar wat ook mogelijk was onder de toepassing van het RPPol, maar desondanks niet is beslist. Anders oordelen zou de bevoegdheidstoewijzing aan de politieraad én de bevoegdheidsuitoefening door de politieraad zinledig maken. Te dezen besloot de politieraad dat de “verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst of zijn vervanger” behoort op te treden, wat K.B. niet is. Dat de politieraad ook in de aanwijzing van een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A hád kunnen voorzien, doet niet ter zake, daar de politieraad ervoor opteerde om de verantwoordelijk officier voor de betrokken dienst aan te duiden. Voorts besloot de politieraad dat “het diensthoofd van de betrokken dienst of zijn vervanger” deel uitmaakt van de selectiecommissie, wat G.W. niet is. De Raad van State stelt bijgevolg vast dat de selectiecommissie niet wettig was samengesteld, d.i. niet in overeenstemming met de samenstelling waartoe de politieraad op 17 oktober 2023 heeft besloten. 56. In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat in het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023 het begrip “of zijn vervanger” in die zin moet worden gelezen dat eender wie kan worden aangeduid als vervanger, zolang men maar binnen de grenzen blijft bepaald in artikel VI.II.63. RPPol, faalt. Het begrip “of zijn vervanger” kan enkel zinvol worden gelezen als degene die waarnemend de aangeduide functie waarneemt. De interpretatie van de verwerende partij zou de aanduiding van de leden van de selectiecommissie door de politieraad, en bijgevolg de bevoegdheid van de politieraad, uithollen en zinledig maken. 57. Ook het standpunt van de verwerende partij, waarbij zij verwijst naar allerlei feitelijke en organisatorische elementen om aan te geven waarom de selectiecommissie niet kon zetelen in de samenstelling zoals beslist door de politieraad, doet niet anders oordelen. Deze elementen, nog daargelaten dat ze XII-9733-39/42 eerder dan in de laatste memorie hadden kunnen en dus moeten worden aangevoerd, rechtvaardigen geenszins een “pragmatische toepassing van het politieraadsbesluit” zoals de verwerende partij bepleit. Het komt overeenkomstig de artikelen VI.II.63 en VI.II.64 RPPol uitsluitend de politieraad toe om de selectiecommissie samen te stellen en bijgevolg ook om, zo nodig, die samenstelling te wijzigen. Daar de bevoegdheid van de organen van het bestuur de openbare orde raakt, kan daarmee niet “pragmatisch” worden omgesprongen. 58. De verwerende partij toont niet aan dat K.B. en G.W. door de politieraad werden aangewezen als lid van de selectiecommissie, noch dat zij als “vervanger”, in de betekenis zoals hiervoor weergegeven (zie supra, nr. 56), van de aangeduide functies kunnen worden beschouwd. De selectiecommissie die verzoekers kandidatuur beoordeelde, was bijgevolg niet rechtsgeldig, d.i. niet in overeenstemming met het besluit van de politieraad van 17 oktober 2023, samengesteld. 59. De Raad van State stelt in de aangegeven mate een onwettigheid vast. VII. Aanvullend onderzoek 60. Verzoeker heeft op 15 juni 2025 een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot nietigverklaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring. 61. Het onderzoek ten gronde door het auditoraat is beperkt gebleven tot de twee middelen aangevoerd in het verzoekschrift tot XII-9733-40/42 nietigverklaring. In de laatste memorie heeft verzoeker evenwel een nieuw, derde middel aangevoerd. Ter terechtzitting dringt verzoeker niet aan op het onderzoek van het derde middel in het licht van het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel in de hypothese dat de Raad van State tot de vaststelling zou komen dat één van de in het verzoekschrift aangevoerde middelen gegrond zou zijn, dan wel indien de Raad van State op grond van één van die middelen een onwettigheid zou vaststellen. 62. Er is thans dan ook reden om het debat enkel te heropenen voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-9733-41/42 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms, Chantal Bamps XII-9733-42/42 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.810 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.