← België

Arrest 264815 - Dierenwelzijn - 12/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.815 Rolnummer: A. 237525/XII-9939 Zaak: Arrest 264815 - Dierenwelzijn - 12/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-14 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-18 16:24 Fiche Arrest nr 264.815 van 12 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 264.815 van 12 november 2025 in de zaak A. 237.525/XII-9939 In zake :

  1. J.V.
  2. R.P. woonplaats kiezend te tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de Vlaamse Minister bevoegd voor Dierenwelzijn van 19 september 2022 met het kenmerk DWZ/EVA/22/1.5/020b op grond waarvan de erkenning van de heer [J.V.] als hobbykweker wordt ingetrokken en voor een periode van twee jaar wordt uitgesloten van de mogelijkheid om een nieuwe erkenning als hobbykweker aan te vragen”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 256.119 van 23 maart 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9939-1/32 De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
  5. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partijen zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Bij arrest nr. 264.639 van 24 oktober 2025 is het verzoek tot wraking van kamervoorzitter Chantal Bamps en eerste auditeur Anja Somers verworpen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. In het arrest nr. 256.119 van 23 maart 2023, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: XII-9939-2/32 “
  8. Eerste verzoeker is een erkend hobbykweker van honden.
  9. Op 18 januari 2017 voert de verwerende partij een eerste controle uit van de erkenningsvoorwaarden van de hondenkwekerij. Naar aanleiding van deze controle worden bij proces-verbaal van 31 januari 2017 volgende overtredingen vastgesteld: 1) te kleine huisvesting voor de Boston terriërs; 2) register dierenarts niet aanwezig; 3) inventaris vrouwelijke fokdieren niet aanwezig; 4) worpfiches niet aanwezig; 5) dubbel garantiecertificaten niet aanwezig; 6) richtlijnen en vragenlijst niet aanwezig; 7) niet geregistreerde honden houden. Volgende maatregelen worden opgelegd: • Boston terriërs huisvesten conform de afmetingen van het dierenwelzijnsbesluit; • Dierenarts ontbieden op kwekerij en register dierenarts laten invullen; • Worpfiches invullen; • Inventaris vrouwelijke fokdieren invullen; • Dubbel garantiecertificaten bijhouden; • Richtlijnen meegeven met de kopers en vragenlijst overlopen; • De niet geregistreerde honden laten registreren.
  10. Op 17 november 2021 vindt een nieuwe controle van de hondenkwekerij plaats naar aanleiding van een melding. Volgende overtredingen worden vastgesteld: - niet alle honden hebben drinkwater ter beschikking; - sommige honden worden gehuisvest in een ruimte met gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht; - de honden worden in een te kleine en ongeschikte huisvesting gehouden; - de honden beschikken niet over een geschikt knaagvoorwerp. Volgende maatregelen worden opgelegd: - de honden te allen tijde van vers drinkwater voorzien; - vóór 1 december 2021 zorgen voor voldoende daglicht, zorgen dat de honden dewelke in de binnenkennels zitten continu toegang hebben tot een buitenbeloop, de honden nooit voor langere tijd in de bench opsluiten, ventilatie voorzien in de binnenkennels en kauwmateriaal voorzien voor elke hond. Op 19 november 2021 neemt de politie telefonisch contact op met eerste verzoeker om hem opnieuw mee te delen dat het noodzakelijk is drinkwater te voorzien. Eerste verzoeker ziet dit anders.
  11. Op 9 maart 2022 wordt een controle van de opgelegde maatregelen verricht. Het navolgend proces-verbaal van 14 april 2022 besluit dat de opgelegde maatregelen niet werden opgevolgd.
  12. Met een schrijven van 14 juli 2022 wordt eerste verzoeker op de hoogte gebracht dat in de gegeven omstandigheden met toepassing van artikel 2, § 8, van het dierenwelzijnsbesluit besloten wordt om de procedure tot intrekking van de erkenning met voormeld nummer op te starten.
  13. Op 29 juli 2022 antwoorden de verzoekende partijen schriftelijk aan de verwerende partij op het voornemen de erkenning in te trekken.
  14. Op 19 september 2022 beslist de verwerende partij de erkenning in te trekken en een verbod op te leggen om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen en dit tot 15 november 2024 om volgende redenen: ‘o Dat u zegt dat uw honden elke dag voorzien zijn van vers drinkwater waarvan deels via een automatische watertoevoer in de buitenkennel waar de honden steeds toegang tot hebben, doet geen afbreuk aan de vaststelling tijdens de controles uitgevoerd door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 dat honden gehuisvest in een bench, alsook honden gehuisvest in een binnenkennel waarvan de toegang tot de buitenkennel was afgesloten, geen XII-9939-3/32 toegang hadden tot drinkwater, en evenmin aan de vaststelling dat tijdens de controle op 9 maart 2022 meerdere drinkbakken waren bevroren. o U zegt dat u honden die gedurende 30 tot 60 minuten “benchtraining” ondergaan geen drinkwater geeft. Dit is een overtreding van de dierenwelzijnsregelgeving. Dieren moeten permanent over drinkwater beschikken. o Tijdens de controles uitgevoerd door de inspectiedienst Dierenwelzijn op 18 januari 2017 en door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 werd telkens vastgesteld dat honden in een bench werden gehuisvest. Dit is wettelijk niet toegelaten. Als erkende kweker moet u [te allen] tijde voldoen aan de wettelijk vastgelegde minimumnormen voor de huisvesting van honden. o Dat u zegt dat uw honden steeds kauwproducten ter beschikking hebben en dat u als kopieën van afleveringsbonnen van een diervoederproducent heeft bezorgd doet geen afbreuk aan de vaststelling tijdens de controles uitgevoerd door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 dat niet alle honden over knaagvoorwerpen beschikten. o Dat u zegt dat u 4 grote uitloopweiden van elk ca 40m2 en een groot terrein met een oppervlakte van ca 1600 m2 voor training en uitloop van de honden heeft, dat elke binnenkennel/slaaphok 2,40 meter op 2,40 meter een doorloop verluchtingsschuif heeft die altijd openstaat met toegang naar een buitenren van 9 m2, doet geen afbreuk aan de vaststelling tijdens de controles uitgevoerd door de inspectiedienst Dierenwelzijn op 18 januari 2017 en door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 dat verschillende honden werden gehuisvest in benches. o Dat u zegt dat het dak van uw loods is uitgerust met een lichtstraat van 9 meter op 2,50 meter, is voorzien van 2 grote klapvensters en 3 grote automatische poorten waarvan 2 met vensters en de 3de de hele dag openstaat en automatisch sluit bij regenweer, alsook dat u zegt dat elke binnenkennel/slaaphok een doorloop verluchtingsschuif heeft die altijd openstaat met toegang naar een buitenren van 9 m2, doet geen afbreuk aan de vaststelling tijdens de controles uitgevoerd door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 dat sommige honden werden gehuisvest in een ruimte met gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht. o Nadat u werd meegedeeld dat de procedure tot intrekking van uw erkenning werd opgestart heeft u ons kopieën bezorgd van de bezoekrapporten van uw dierenarts. Deze rapporten vermelden echter nergens het identificatieteken van de onderzochte dieren en zijn bijgevolg niet conform de geldende regelgeving. Overwegende de hiervoor opgesomde overtredingen en vaststellingen; dat u de door de inspectiedienst Dierenwelzijn en de lokale politie opgelegde maatregelen niet naleeft; dat uit uw verklaring blijkt dat u sterk overtuigd bent dat uw methodes en werkwijzen voor het kweken en trainen van honden de juiste zijn; dat u het grondig oneens bent met de vaststellingen van de inspecteur van de afdeling Dierenwelzijn en van de lokale politie en deze steeds tracht te weerleggen; dat hieruit volgt dat de afdeling Dierenwelzijn geen vertrouwen heeft dat u de dierenwelzijnsregelgeving in de toekomst wel zal naleven’. Dit is de bestreden beslissing.” XII-9939-4/32 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Afstand van geding in hoofde van verzoekster
  15. Het auditoraatsverslag werpt ambtshalve het volgende op: “Bij arrest nr. 256.119 van 23 maart 2023 werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging verworpen. Verzoeker diende tijdig een verzoek tot voortzetting in. Er werd geen verzoek tot voortzetting ingediend voor tweede verzoekster. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest.”
  16. Uit het administratief dossier blijkt dat het verzoek tot voortzetting van de procedure, ingediend na het voormelde arrest over de vordering tot schorsing, expliciet vermeldt dat verzoeker de procedure wenst voort te zetten. Nergens vermeldt dat verzoek dat ook toenmalig verzoekster de procedure wenst voort te zetten. Artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op het tijdstip waarop het verzoek tot voortzetting van de procedure na het afwijzen van de vordering tot schorsing moest worden ingediend, luidt: “Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest.” Artikel 11/3, § 1, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) luidt: “Indien verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen wordt ingediend, XII-9939-5/32 worden de overigen geacht afstand te doen van geding en wordt in het arrest dat wordt gewezen over de vordering tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van degenen die verzuimen een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen.”
  17. Niettegenstaande de toelichtende memorie, het verzoek tot voortzetting van de procedure na het auditoraatsverslag en de laatste memorie alle uitgaan van en ondertekend zijn door zowel verzoeker als verzoekster, stelt de Raad van State met het auditoraatsverslag vast dat de procedure tot nietigverklaring enkel werd voortgezet door verzoeker. In hoofde van verzoekster wordt de afstand van geding vastgesteld. B. Verzoek tot vernietiging van het auditoraatsverslag en verzoek tot herbeoordeling Uiteenzetting van het verzoek
  18. In de laatste memorie vraagt verzoeker:
  19. de vernietiging van het auditoraatsverslag wegens gebrek aan onpartijdigheid en objectieve beoordeling van het bewijsmateriaal;
  20. een grondige herbeoordeling van de zaak conform artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering;
  21. een herziening van de opgelegde sanctie. Verzoeker zet uiteen dat het auditoraatsverslag getuigt van een gebrek aan onpartijdigheid en een schending van artikel 149 van de Grondwet, daar het auditoraat de door verzoeker ingediende bewijzen heeft genegeerd en zich zonder meer baseert op de verklaringen van de inspecteurs. Voorts acht verzoeker 235bis van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het bewijsmateriaal op een objectieve en redelijke manier had moeten worden geëvalueerd, wat het auditoraat volgens verzoeker heeft nagelaten. Verzoeker voert ook aan dat “de sanctie” – lees: de bestreden beslissing – uitsluitend gebaseerd is op onbewezen verklaringen van inspecteurs zonder rekening te houden met het tegenbewijs en dat de inspecteurs onwaarheden hebben verkondigd in strijd met XII-9939-6/32 artikel 151 van het Strafwetboek. Tot slot negeerde het auditoraat de formele klacht waaruit bleek dat twee politici aan de huiszoeking hebben deelgenomen, aldus verzoeker. Beoordeling
  22. De procedureregeling voor de Raad van State voorziet niet in de mogelijkheid om de vernietiging van het auditoraatsverslag te vragen, noch een nieuwe (objectieve) beoordeling van het bewijsmateriaal. Het artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering, waarnaar verzoeker verwijst, betreft de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling en is niet van toepassing op de Raad van State. Artikel 149 van de Grondwet is evenmin van toepassing, daar het auditoraatsverslag geen vonnis is. De redenen waarom verzoeker de vernietiging van het auditoraatsverslag en een herbeoordeling van de zaak vraagt, komen er in wezen op neer dat verzoeker het niet eens is met de bevindingen van het auditoraatsverslag. Verzoeker getuigt daarmee weliswaar van een eigen kijk op de door hem aangevoerde middelen en het onderzoek ervan door het auditoraat, doch toont daarmee nog niet aan dat het onderzoek door het auditoraat niet onpartijdig zou zijn gebeurd. Voorts verwijst de Raad van State naar het arrest nr. 264.639 van 24 oktober 2025 waarbij het verzoek tot wraking van onder meer de eerste auditeur wordt verworpen.
  23. Uit wat voorafgaat, volgt dat het verzoek tot vernietiging van het auditoraatsverslag en tot een nieuwe objectieve beoordeling van het bewijsmateriaal wordt verworpen.
  24. In de mate verzoeker nog een “herziening van de opgelegde sanctie” vraagt, wijst de Raad van State erop dat hij als wettigheidsrechter op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel XII-9939-7/32 bevoegd is om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. Hij is geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met het bestuur en die een eigen beslissing in de plaats kan stellen. Behoudens wat het verzoek tot nietigverklaring van de bestreden beslissing betreft, legt verzoeker een vordering voor aan de Raad van State die zijn rechtsmacht als wettigheidsrechter te buiten gaat. Noch het voormelde artikel 14, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling, verleent de Raad van State de bevoegdheid om de te dezen bestreden beslissing te herzien. C. Stukken neergelegd ter terechtzitting
  25. Verzoeker legt ter terechtzitting drie bundels met stukken en een feitenrelaas neer, alsook een schriftelijke weergave van zijn uiteenzetting. Daargelaten dat vele van die stukken zich reeds in het dossier bevinden of gelijkaardige stukken zijn, zoals recentere bewijzen van prijzen behaald door de honden van verzoeker, verklaart verzoeker niet waarom hij deze niet eerder kon neerleggen. Deze stukken worden uit het debat geweerd. In zoverre de schriftelijke weergave van zijn uiteenzetting de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. D. Laatste memorie van de verwerende partij
  26. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de laatste memorie van de verwerende partij is neergelegd buiten de termijn die het algemeen procedurereglement daarvoor bepaalt. Bijgevolg wordt de laatste memorie van de verwerende partij uit het debat geweerd. XII-9939-8/32 E. Stukken neergelegd na het sluiten van het debat
  27. Na het sluiten van het debat heeft verzoeker nog diverse nota’s en stukken neergelegd. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid om na het sluiten van het debat nog procedurestukken neer te leggen. Uit wat voorafgaat, volgt dat de na het sluiten van het debat neergelegde documenten uit het debat worden geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  28. In het eerste middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de hoorplicht. Verzoeker zet uiteen dat hij niet op een zinvolle wijze zijn argumenten heeft kunnen laten gelden, omdat hij niet op de hoogte was van de draagwijdte van de mogelijke sanctie. In de kennisgeving kon verzoeker weliswaar lezen dat de intrekking van de erkenning werd overwogen, maar niet dat verzoeker ook gedurende een bepaalde, onbepaalde of permanente periode kon worden uitgesloten van de mogelijkheid om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen. Daar het bestuur bij het nemen van een beslissing op grond van artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986) en op grond van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 ‘houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren’ (hierna: koninklijk besluit van 27 april 2007) over een discretionaire bevoegdheid en appreciatiemarge beschikt en de individuele bestuurshandeling de belangen van de bestuurde kan aantasten en steunt op het persoonlijk gedrag van de bestuurde, moet volgens verzoeker de hoorplicht worden nageleefd. Verzoeker zet voorts uiten dat, omdat een verdere reglementaire invulling van de hoorplicht ontbreekt, aan die hoorplicht de invulling moet worden gegeven die aan de hoorplicht als XII-9939-9/32 beginsel van behoorlijk bestuur toekomt. Verzoeker had dus zijn visie moeten kunnen geven over de feiten en de voorgenomen maatregel. Volgens verzoeker is hem de kans ontnomen om de hoorplicht op een zinvolle wijze te benutten.
  29. In de toelichtende memorie voegt verzoeker niets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De toelichtende memorie leest als een uitgebreid feitenrelaas over de hobbykwekerij van verzoeker, de realisaties en de inrichting ervan, alsook een gedetailleerd relaas van de diverse controles die bij verzoeker werden uitgevoerd, waarbij verzoeker allerlei beschuldigingen uit aan het adres van de inspecteur-dierenarts C.V. van de verwerende partij, de inspecteurs van de lokale politie en lokale politici. Zo zouden er volgens verzoeker door deze personen meermaals valse verklaringen zijn afgelegd, werd ten onrechte een administratieve boete van 880 euro opgelegd die na controle door de wijkagent zou zijn “geannuleerd”, waardoor de inspecteur-dierenarts C.V. “in haar gat gebeten” zou zijn. Op basis van diverse valse verklaringen zouden ten onrechte processen- verbaal zijn opgesteld. Volgens verzoeker hebben de inspecteurs van politie die zijn hobbykwekerij bezochten zich er meermaals positief over uitgelaten, doch moesten zij achteraf van dierenarts-inspecteur C.V. toch een proces-verbaal opstellen. Door de politie-inspecteurs werd volgens verzoeker op een gemanipuleerde wijze door valse verklaringen een machtiging tot visitatie aangevraagd, die vervolgens werd misbruikt. Voorts voert verzoeker aan dat de “onschendbaarheid van het huis” werd verbroken, dat een politicus en haar assistent zich zonder toestemming mee met de politie toegang tot zijn huis hebben verschaft, dat de inspecteurs daarbij belastend bewijs hebben gecreëerd en gecamoufleerde foto’s maakten die de waarheid verdraaiden en dat van die controle een proces-verbaal werd opgesteld op basis van een valse verklaring. De minister van Dierenwelzijn heeft volgens verzoeker de bestreden beslissing genomen op basis van valse informatie. De optredende inspecteurs van politie zouden zich hebben schuldig gemaakt aan geweld en machtsmisbruik en ze zouden volgens verzoeker, samen met inspecteur-dierenarts C.V. gelogen hebben voor de rechter en tegen de minister van Dierenwelzijn. Voorts voert verzoeker aan dat lastercampagnes en valse reviews, alsook de ruchtbaarheid die de minister van Dierenwelzijn in de pers heeft gegeven aan de bestreden beslissing, zijn reputatie XII-9939-10/32 enorme schade hebben toegebracht. Volgens verzoeker is er sprake van een inbreuk op zijn privéleven, reputatie en eer. Verzoeker zet ook uiteen waarom er van overtredingen in zijnen hoofde geen sprake was en dat de inspecteur-dierenarts C.V. en de politiedienst een lasterlijke en foute aangifte hebben gedaan met het opzet schade te berokkenen, daar ze wisten dat de feiten niet waren gepleegd. Verzoeker besluit dat er sprake is van een schending van dierenrechten, van mensenrechten, van burgerrechten, van het vermoeden van onschuld, van het recht op privéleven, van de onschendbaarheid van de woning en van het recht van verdediging. De bestreden beslissing had een verwoestend effect en ging gepaard met een enorm inkomensverlies, aldus verzoeker.
  30. In de laatste memorie herhaalt verzoeker op parafraserende wijze de uiteenzetting uit de toelichtende memorie. Voorts vraagt verzoeker, naast de nietigverklaring van de bestreden beslissing, om een erkenning van de onrechtvaardigheid middels een officiële verontschuldiging van de autoriteiten, een onafhankelijke herziening van het bewijsmateriaal en een onderzoek naar de inspecteurs met mogelijke vervolging wegens valsheid in geschrifte en machtsmisbruik. Op het eerste middel gaat verzoeker niet meer in. Beoordeling
  31. Artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals het gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, luidt: “De Vlaamse Regering kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.” Artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 luidt: “De Minister kan op ieder ogenblik de erkenning intrekken van een inrichting die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. De betrokkene wordt bij aangetekend schrijven op de hoogte gesteld XII-9939-11/32 van het opstarten van deze procedure. Hij beschikt over een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven om zijn bemerkingen aan de Dienst over te maken. De beslissing om de erkenning in te trekken wordt pas genomen na het verstrijken van deze termijn.” De voormelde bepalingen laten toe dat de erkenning van een inrichting zoals een hondenkwekerij wordt ingetrokken als die niet langer voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden, waarbij de eigenaar of de houder van de betrokken inrichting eerst bij aangetekende brief op de hoogte moet worden gebracht van de opstart van die procedure, waarna een beslissing tot intrekking pas mag worden genomen als die eigenaar of houder zijn bemerkingen aan de dienst Dierenwelzijn heeft mogen bezorgen.
  32. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat – bij afwezigheid van formele regelgeving ter zake – tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Bij gebrek aan nadere regeling van de mogelijkheid waarin artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 voorziet, om zijn verweermiddelen naar voor te brengen, moet aan deze normatieve hoorplicht dezelfde invulling worden gegeven als aan het beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze, dit wil zeggen met kennis van zaken, zijn standpunt te doen kennen. Het recht om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen, impliceert onder meer dat de bestuurde moet worden uitgenodigd om zijn standpunt naar voor te brengen over de voorgenomen maatregel en over de feitelijke en juridische grondslag van de voorgenomen maatregel.
  33. Te dezen houdt de hoorplicht in dat verzoeker de mogelijkheid moest worden geboden om zijn verweermiddelen naar voor te brengen ten aanzien van het voornemen van de verwerende partij om de erkenning in te trekken in toepassing van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april
  34. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker wel degelijk de gelegenheid werd geboden om op nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen over het opstarten XII-9939-12/32 van de procedure tot intrekking van de erkenning, wat hij via zijn raadsman ook heeft gedaan. Met een aangetekende brief van 14 juli 2022 werd verzoeker er namelijk van op de hoogte gebracht dat de verwerende partij heeft besloten om de procedure tot intrekking van de erkenning op te starten en werd hij uitgenodigd zijn bemerkingen binnen de vijftien dagen mee te delen. De raadsman van verzoeker heeft bij brief van 29 juli 2022 zijn bemerkingen meegedeeld. In de mate dat verzoeker de hoorplicht geschonden acht, doordat de brief van 14 juli 2022 geen melding zou maken van het gegeven dat een intrekking van de erkenning ook een verbod omvat om gedurende een bepaalde of onbepaalde periode of definitief een nieuwe erkenning aan te vragen, stelt de Raad van State vooreerst vast dat artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals dat gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen van rechtswege koppelt aan de intrekking van de erkenning en de modaliteiten van dat verbod bepaalt. Daarenboven verwijst de voormelde brief van 14 juli 2022 uitdrukkelijk naar artikel 5 van de wet van 14 augustus
  35. Verzoeker was bijgevolg, gelet op de duidelijke bepalingen van artikel 5 van de wet van 14 augustus 1986, waarnaar de brief van 14 juli 2022 uitdrukkelijk verwijst, op de hoogte van de volledige draagwijdte van de voorgenomen beslissing, minstens kon hij dit zijn, zodat hij daarover een standpunt kon innemen. De hoorplicht is niet geschonden.
  36. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  37. Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste middel ongegrond is. XII-9939-13/32 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  38. In het tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 105 van de Grondwet, van artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus 1986, van het motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheids- beginsel. Verzoeker zet uiteen dat, gelet op het doel geformuleerd in artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus 1986, het logisch is dat de gezondheid van de dieren steeds het belangrijkste doel is. Het doel om dieren gezond te houden kan ook door andere maatregelen worden gerealiseerd. Verzoeker acht de gezondheid van zijn honden daarvan het voorbeeld. Verzoeker voert aan dat zijn honden steeds gezond zijn geweest en dat hij een autoriteit is op het vlak van het fokken van Rottweilers. In de processen-verbaal die aan de bestreden beslissing voorafgaan, wordt geen aandacht besteed aan de gezondheid van de honden. Nooit is vastgesteld dat zij niet in een goede gezondheid zouden verkeren. Verzoeker besluit daaruit dat de bevoegdheidsuitoefening, die tot de bestreden beslissing heeft geleid, niet doelmatig is. Voorts wijst verzoeker erop dat er een groot tijdsverloop is tussen de controle op 18 januari 2017 en die in november
  39. Verzoeker leidt hieruit af dat het bestuur ofwel onzorgvuldig was door zoveel tijd te laten verstrijken, ofwel het aanvaardbaar vond om geen gevolg te geven aan de opvolging van de maatregelen. Dat er controles worden verricht met het oog op het bevorderen van het dierenwelzijn zonder dat wordt gekeken naar de gezondheid van de dieren, schendt volgens verzoeker artikel 105 van de Grondwet. Het bestuur beschikt immers slechts over de door of krachtens de Grondwet toegewezen bevoegdheden. Het uitvoering geven aan een “decretale” regeling moet steunen op voldoende relevante motieven, dit zijn volgens verzoeker motieven die iets zeggen over het beschermde belang, te dezen dierenwelzijn. Volgens verzoeker is gezondheid de belangrijkste parameter voor het meten van dierenwelzijn; de tweede belangrijkste parameter is de mate waarin de gekweekte honden voldoen aan de standaard die voor een bepaald ras geldt. XII-9939-14/32
  40. In de toelichtende memorie voegt verzoeker niets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de toelichtende memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 13).
  41. In de laatste memorie voegt verzoeker evenmin iets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de laatste memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 14). Beoordeling
  42. Artikel 105 van de Grondwet luidt: “De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen.” Artikel 4 van de wet 14 augustus 1986, zoals het gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, luidt: “§
  43. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §
  44. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. § 2/
  45. De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok. § 2/
  46. Niemand mag een hond of een kat een halsband die elektrische prikkels toedient, laten dragen of die halsbanden verhandelen. Elektrische halsbanden die gekoppeld zijn aan een onzichtbare omheining, vormen een uitzondering op dat verbod. Het verbod treedt in werking op 1 januari
  47. §
  48. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort. §
  49. Ter uitvoering van §§ 2, 2/1, 2/2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Vlaamse Regering voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen. XII-9939-15/32 §
  50. De in artikel 34 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de §§ 1, 2, 2/1, 2/2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven.” De draagwijdte van artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, en van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 15).
  51. Verzoeker voert in het tweede middel in wezen aan dat artikel 105 van de Grondwet en artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 geschonden zijn, daar het bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden het doel van de toegepaste regelgeving uit het oog is verloren. Dit is volgens verzoeker het dierenwelzijn, met als belangrijkste parameter de gezondheid van de dieren en als tweede belangrijke parameter de mate waarin de gekweekte honden voldoen aan de standaard die voor een bepaald ras geldt.
  52. Verzoekers standpunt faalt in rechte. Uit de hiervoor weergegeven bepalingen (zie supra, nrs. 15 en 23) volgt dat de verwerende partij wel degelijk bevoegd is om de bestreden beslissing te nemen, alsook dat verzoekers standpunt dat de gezondheid van de dieren de belangrijkste parameter is, faalt. Uit die bepalingen blijkt daarentegen dat de verwerende partij moet nagaan of verzoeker de nodige maatregelen heeft genomen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. Voorts moet de verwerende partij nagaan of de bewegingsvrijheid van het dier niet zodanig is beperkt dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort. Uit wat voorafgaat, blijkt dat XII-9939-16/32 de verwerende partij krachtens de toepasselijke regelgeving veel meer parameters in acht moet nemen dan enkel de gezondheid van het dier. Van een schending van de in het middel aangehaalde rechtsregels is aldus geen sprake.
  53. Hoe het loutere tijdsverloop tussen de controle van 18 januari 2017 en de controle van 17 november 2021 de in het middel aangehaalde rechtsregels zou schenden, zet verzoeker voorts niet uiteen. Deze kritiek kan bijgevolg niet tot de nietigverklaring leiden.
  54. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  55. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel ongegrond is. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  56. In het derde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen voor de duur van twee jaar wordt opgelegd. Daar de verwerende partij bij die beslissing over een appreciatiemarge beschikt, moet het administratief dossier een motivering bevatten, waaruit blijkt dat de verwerende partij een bewuste keuze heeft gemaakt voor de duurtijd van twee jaar en een zorgvuldige afweging heeft gemaakt van alle relevante belangen. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat het XII-9939-17/32 administratief dossier onzorgvuldig is, omdat de rassen van de honden foutief zijn benoemd. Het vermelde ras Amazon Mogwai Terriërs bestaat niet, dit is een samenvoeging van de naam van de honden die worden gekweekt met de naam van het ras. Het gaat volgens verzoeker om Boston Terriërs die door hem worden gefokt onder de naam Mogwai Terriërs. Voorts voert verzoeker aan dat uit de processen-verbaal blijkt dat er geen dierenarts aanwezig was bij de controles. Bij de controle in november 2017 was volgens verzoeker wel een dierenarts aanwezig. Daar in het proces-verbaal, dat na die controle werd opgesteld, niets is opgenomen over de gezondheidstoestand van de honden, moet volgens verzoeker worden aangenomen dat zij in een goede gezondheid verkeerden. In een derde middelonderdeel bekritiseert verzoeker het motief van de bestreden beslissing dat de honden werden gehuisvest in een ruimte zonder ventilatie en zonder voldoende daglicht. Daar de regelgeving kwekers niet verplicht om een ventilatiesysteem te plaatsen, beschikt het bestuur over een zekere beoordelingsmarge en moet zij in de meest ongunstige situatie bij de afweging rekening houden met het volume van het grote bijgebouw, de luchtvraag van de honden, het gegeven dat de poort gesloten is en dat de openingen tussen de binnen- en buitenrennen gesloten zijn. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij echter met geen van deze gegevens rekening gehouden, wat getuigt van onzorgvuldig handelen. Ook met de aanwezigheid van een lichtstraat, wordt volgens verzoeker ten onrechte geen rekening gehouden. In een vierde middelonderdeel stelt verzoeker de rechtmatigheid van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 in vraag. Volgens verzoeker is deze bepaling onvoldoende duidelijk en onmogelijk te vervullen zonder kennelijk onredelijke investeringen in de mate dat dieren “permanent” over drinkwater moeten beschikken. Verzoeker vervolgt dat door de keuze voor het woord “permanent” er geen discussie kan bestaan over de verplichting om maatregelen te nemen zodat elk dier op elk ogenblik over drinkbaar water kan beschikken. Volgens verzoeker is het evenwel onduidelijk of de dieren steeds, dan wel na een eenvoudige menselijke tussenkomst, over drinkwater moeten kunnen beschikken. Verzoeker besluit dat deze vereiste onzorgvuldig is, daar van een zorgvuldig handelende overheid regelgeving mag worden verwacht die daadwerkelijk realiseerbaar is. Verzoeker vraagt dat de Raad van State op grond van artikel 159 van de Grondwet deze bepaling buiten toepassing laat, met als gevolg dat de XII-9939-18/32 relevante overtredingen niet langer kunnen worden afgeleid uit de loutere schending van de regelgeving.
  57. In de toelichtende memorie voegt verzoeker niets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de toelichtende memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 13).
  58. In de laatste memorie voegt verzoeker evenmin iets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de laatste memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 14). Beoordeling Eerste onderdeel
  59. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurs- handeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. XII-9939-19/32
  60. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor reeds uiteengezet (zie supra, nr. 3). Er wordt naar verwezen.
  61. Zoals de Raad van State hiervoor reeds heeft vastgesteld (zie supra, nr. 17), koppelt artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals dat gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen van rechtswege aan de intrekking van de erkenning en bepaalt het de modaliteiten van dat verbod. De verwerende partij heeft te dezen de erkenning voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor honden ingetrokken, wat overeenkomstig artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals dat gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, dus met zich brengt dat er gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief een verbod wordt opgelegd om een nieuwe erkenning aan te vragen. Daar het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen van rechtswege voortvloeit uit de intrekking van de erkenning, zit de motivering voor het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen voor een bepaalde periode vervat in de motivering van de bestreden beslissing in zijn geheel. Het is op basis van de motivering in zijn geheel dat de verwerende partij tot haar beslissing is gekomen. Dat verzoeker zich niet in deze motieven kan vinden, impliceert nog niet dat de verwerende partij, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht zou zijn geschonden. Het komt aan verzoeker toe concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, wat hij niet doet.
  62. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden. XII-9939-20/32
  63. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
  64. In dit middelonderdeel bekritiseert verzoeker een onzorgvuldigheid in twee processen-verbaal die slaat op de vermelding van het ras van de honden die verzoeker kweekt. Volgens verzoeker bestaat het ras Amazon Mogwai Terriërs niet, maar gaat het om Boston Terriërs die door verzoeker worden gefokt onder de naam Mogwai Terriërs.
  65. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
  66. Te dezen zet verzoeker niet uiteen hoe de onzorgvuldigheid die hij bekritiseert en die in wezen bestaat uit een contaminatie van de benaming van het hondenras en de benaming die verzoeker aan de gekweekte honden geeft, een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, hem een waarborg heeft ontnomen of een impact heeft op de bevoegdheid van de steller van de handeling. Verzoeker heeft geen belang bij het middelonderdeel, dat bijgevolg niet tot de nietigverklaring kan leiden. XII-9939-21/32
  67. In de mate dat verzoeker erop wijst dat bij één van de controles geen dierenarts aanwezig was en dat in de processen-verbaal geen opmerkingen worden gemaakt over de gezondheid van de honden, zodat ze moeten worden geacht in goede gezondheid te verkeren, zet verzoeker niet uiteen hoe deze feitelijke gegevens tot de conclusie zouden nopen dat de bestreden beslissing de in het middelonderdeel aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur schendt. In die mate kan het middelonderdeel evenmin tot de nietigverklaring leiden.
  68. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  69. Het tweede middelonderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  70. In het derde middelonderdeel bekritiseert verzoeker het motief van de bestreden beslissing dat de honden werden gehuisvest in een ruimte zonder ventilatie en zonder voldoende daglicht.
  71. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht werd hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 32). Er wordt naar verwezen. In de bestreden beslissing wordt vooreerst gewezen op de gedane vaststellingen, de verplichtingen die desbetreffend voortvloeien uit de regelgeving van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing en de opgelegde maatregelen: XII-9939-22/32 “Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer […] blijkt dat bij de controle op 17 november 2021 volgende overtredingen werden vastgesteld: • Op de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren: o Art. 4: ▪ § 1: • […] • doordat sommige honden worden gehuisvest in een ruimte met een gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht • […] • Op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren: o Art. 7: ▪ […] ▪ § 6, doordat sommige honden worden gehuisvest in een ruimte met een gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht ᴏ […] Dat naar aanleiding hiervan volgende maatregelen werden opgelegd: […] Vóór 01/12/2021: • Zorgen voor voldoende daglicht. • Zorgen dat de honden die in de binnenkennels zitten permanent toegang hebben tot een buitenbeloop. • De honden nooit voor langere tijd in de bench opsluiten. • Ventilatie voorzien in de binnenkennels, • Kauwmateriaal voorzien voor elke hond. Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer […] blijkt dat bij de controle op 9 maart 2022 volgende overtredingen werden vastgesteld: • Op de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren: o Art. 4: ▪ §1: • […] • doordat sommige honden worden gehuisvest in een ruimte met een gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht ▪ […] o Art. 36 § 4, door het niet naleven van eerder opgelegde maatregelen • Op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren: o Art. 7: ▪ § 2 en § 3, door het houden van honden in ongeschikte huisvesting ▪ § 6, doordat sommige honden worden gehuisvest in een ruimte met een gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht.” Na de weergave van het verweer van verzoeker overweegt de bestreden beslissing desbetreffend: “[…] XII-9939-23/32 o Dat u zegt dat het dak van uw loods is uitgerust met een lichtstraat van 9 meter op 2,50 meter, is voorzien van 2 grote klapvensters en 3 grote automatische poorten waarvan 2 met vensters en de 3de de hele dag openstaat en automatisch sluit bij regenweer, alsook dat u zegt dat elke binnenkennel/slaaphok een doorloop verluchtingsschuif heeft die altijd openstaat met toegang naar een buitenren van 9 m2, doet geen afbreuk aan de vaststelling tijdens de controles uitgevoerd door de lokale politie op 17 november 2021 en 9 maart 2022 dat sommige honden werden gehuisvest in een ruimte met gebrek aan ventilatie en voldoende daglicht. ᴏ […] Overwegende de hiervoor opgesomde overtredingen en vaststellingen; dat u de door de inspectiedienst Dierenwelzijn en de lokale politie opgelegde maatregelen niet naleeft; dat uit uw verklaring blijkt dat u sterk overtuigd bent dat uw methodes en werkwijzen voor het kweken en trainen van honden de juiste zijn; dat u het grondig oneens bent met de vaststellingen van de inspecteur van de afdeling Dierenwelzijn en van de lokale politie en deze steeds tracht te weerleggen; dat hieruit volgt dat de afdeling Dierenwelzijn geen vertrouwen heeft dat u de dierenwelzijnsregelgeving In de toekomst wel zal naleven.”
  72. Verzoeker brengt tegen deze motivering in dat, daar de regelgeving kwekers niet verplicht om een ventilatiesysteem te plaatsen, het bestuur over een zekere beoordelingsmarge beschikt en zij in de meest ongunstige situatie bij de afweging rekening moet houden met het volume van het grote bijgebouw, de luchtvraag van de honden, het gegeven dat de poort gesloten is en dat de openingen tussen de binnen- en buitenrennen gesloten zijn, alsook dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening houdt met de aanwezigheid van een lichtstraat. Verzoeker geeft daarmee weliswaar blijk van een eigen appreciatie van de feiten en de vaststellingen, doch toont niet aan dat de verwerende partij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die niet correct heeft beoordeeld en dat zij niet binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 32) volstaat het niet, om een schending van de materiëlemotiveringsplicht aan te tonen, om de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust louter te ontkennen of in vraag te stellen. XII-9939-24/32
  73. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  74. Het derde middelonderdeel is ongegrond. Vierde onderdeel
  75. In het vierde middelonderdeel vraagt verzoeker dat artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 27 april 2007, dat voorziet in de verplichting dat de dieren permanent over drinkwater moeten beschikken, op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing wordt gelaten. Luidens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Verzoeker zet te dezen niet uiteen met welke hogere rechtsnorm artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 in strijd zou zijn. De loutere bewering dat deze rechtsregel – in het bijzonder de verplichting dat de dieren permanent over drinkwater moeten beschikken – niet voldoende duidelijk of onrealiseerbaar is, toont niet ipso facto aan dat hij in strijd is met een hogere rechtsnorm. Er is derhalve geen reden om de voormelde bepaling buiten toepassing te laten.
  76. Het vierde middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  77. Uit wat voorafgaat, volgt dat het derde middel ongegrond is. XII-9939-25/32 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  78. In het vierde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991). Verzoeker zet uiteen dat de bestreden beslissing geen motivering bevat voor de keuze om het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen voor de duur van twee jaar op te leggen. Het normdoel van de formelemotiveringsplicht is volgens verzoeker nochtans dat de bestuurde kennis kan nemen van alle motieven die door het bestuur als beslissend worden beschouwd. Voorts zet verzoeker uiteen dat uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat rekening is gehouden met gunstige gegevens over verzoeker, zoals de talrijke prijzen en erkenningen die de honden doorheen de tijd hebben verdiend. Tot slot voert verzoeker aan dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de leeftijd van verzoeker.
  79. In de toelichtende memorie voegt verzoeker niets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de toelichtende memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 13).
  80. In de laatste memorie voegt verzoeker evenmin iets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de laatste memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 14). Beoordeling
  81. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig XII-9939-26/32 moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
  82. De Raad van State verwijst vooreerst naar de beoordeling van het eerste onderdeel van het derde middel, waar de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht op basis van gelijkaardige grieven werd verworpen (zie supra, nrs. 32-36). Om de redenen daar uiteengezet, is van een schending van de formelemotiveringsplicht evenmin sprake.
  83. Voorts merkt de Raad van State op dat artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, de verwerende partij de mogelijkheid geeft om een verbod van onbepaalde duur of zelfs een definitief verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen, op te leggen. Te dezen heeft de verwerende partij gekozen voor de meest milde maatregel, door een verbod voor bepaalde duur op te leggen, met name voor de duur van twee jaar. De verwerende partij hoefde, om ter zake aan de formelemotiveringsplicht te voldoen, niet uit te leggen waarom zij precies koos voor een verbod gedurende twee jaar, en niet één jaar, of drie jaar of een half jaar. XII-9939-27/32
  84. In de mate dat verzoeker aanvoert dat niet blijkt dat rekening is gehouden met gunstige gegevens over verzoeker, zoals de talrijke prijzen en erkenningen die de honden doorheen de tijd hebben verdiend, evenmin als met de leeftijd van verzoeker, stelt de Raad van State vast dat verzoeker niet uiteenzet waarom deze gegevens de formele motivering van de bestreden beslissing in het gedrang zouden brengen, en bijgevolg evenmin waarom die gegevens in de formele motivering van de bestreden beslissing moesten worden betrokken.
  85. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  86. Uit wat voorafgaat, volgt dat het vierde middel ongegrond is. D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  87. In het vijfde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat hij voor een periode van twee jaar is uitgesloten van de mogelijkheid om een erkenning als hobbykweker aan te vragen en dat deze sanctie kennelijk onredelijk is. Verzoeker wijst erop dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de honden niet gezond zijn, zodat vaststaat dat de overtredingen – waarvan verzoeker in het verzoekschrift het bestaan op zich niet betwist – geen ongunstige invloed hadden op de gezondheid van de honden. De loutere intrekking van de erkenning als hobbykweker was volgens verzoeker dus voldoende. Voorts zet verzoeker uiteen dat er geen objectieve rechtvaardiging bestaat vanuit het oogpunt van het dierenwelzijn om het voor twee jaar onmogelijk te maken om een nieuwe erkenning als hobbykweker aan te vragen. Indien verzoeker een nieuwe erkenning XII-9939-28/32 wil aanvragen, moet hij immers alle maatregelen nemen die ook naar aanleiding van de controles zijn opgelegd. Het enig mogelijk motief voor het verbod om een erkenning als hobbykweker aan te vragen gedurende een periode van twee jaar is volgens verzoeker de loutere bestraffing. Dit staat evenwel haaks op de doelstelling van de regelgeving inzake dierenwelzijn en komt neer op machtsafwending.
  88. In de toelichtende memorie voegt verzoeker niets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de toelichtende memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 13).
  89. In de laatste memorie voegt verzoeker evenmin iets toe aan de uiteenzetting van dit middel. De samenvatting van de laatste memorie wordt hiervoor reeds uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 14). Beoordeling
  90. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. XII-9939-29/32 De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel miskent.
  91. Zoals de Raad van State hiervoor reeds heeft vastgesteld (zie supra, nrs. 17 en 34), koppelt artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals dat gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen van rechtswege aan de intrekking van de erkenning en bepaalt het de modaliteiten van dat verbod. De verwerende partij heeft te dezen de erkenning voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor honden ingetrokken, wat overeenkomstig artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986, zoals dat gold ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, dus met zich brengt dat er gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief een verbod wordt opgelegd om een nieuwe erkenning aan te vragen. In tegenstelling tot wat verzoeker lijkt aan te nemen in de uiteenzetting van het vijfde middel, beschikt de verwerende partij aldus niet over enige discretionaire beoordelingsruimte – eens is beslist tot de intrekking van de erkenning – om te beslissen of daaraan al dan niet een verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen wordt gekoppeld. Dit verbod volgt immers van rechtswege uit de wet. Bij gebrek aan enige discretionaire beoordelingsruimte in de mate dat een verbod wordt opgelegd, kan van een schending van het redelijkheidsbeginsel geen sprake zijn.
  92. De verwerende partij beschikt wel over enige discretionaire beoordelingsruimte wat de duur van het verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen, betreft. Dit verbod kan immers worden opgelegd voor een bepaalde duur, onbepaalde duur of definitief. Te dezen heeft de verwerende partij gekozen voor de meest milde maatregel, door een verbod voor bepaalde duur op te leggen, met name voor de duur van twee jaar. XII-9939-30/32 De kritiek van verzoeker is vooral gericht tegen het opleggen van het verbod op zich, veeleer dan op de duur van de maatregel. Zoals hiervoor is vastgesteld, kan die kritiek – die in wezen neerkomt op kritiek op de wet – niet tot de vaststelling leiden dat het redelijkheidsbeginsel is geschonden. Voorts toont het gegeven dat de honden gezond en in goede fysieke conditie zijn, noch het argument dat verzoeker na de intrekking van de erkenning in ieder geval de opgelegde maatregelen moet naleven om een nieuwe erkenning te bekomen, aan dat door de duur van het verbod op twee jaar te bepalen, de bestreden beslissing inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Verzoeker toont bijgevolg niet aan dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt.
  93. In de mate dat verzoeker in de toelichtende memorie en in de laatste memorie voor het eerst nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, die hij reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren, wordt die argumentatie niet in aanmerking genomen. Aldus geeft verzoeker immers op laattijdige en dus niet- ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag of inhoud aan zijn middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  94. Uit wat voorafgaat, volgt dat het vijfde middel ongegrond is. BESLISSING
  95. De Raad van State stelt de afstand vast in hoofde van verzoekster.
  96. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-9939-31/32
  97. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9939-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.815 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.