← België

Arrest 264816 - Overheidsopdrachten - 12/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 Rolnummer: A. 246136/XIV-39898 Zaak: Arrest 264816 - Overheidsopdrachten - 12/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-14 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-15 07:24 Fiche Arrest nr 264.816 van 12 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre AR.260.560 ecli_typedec AR ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision AR ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560 invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision AR ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 no lien 286203 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.816 van 12 november 2025 in de zaak A. 246.136/XIV-39.898 In zake: de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING (VDAB) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 15 oktober 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van 30 september 2025 van de VDAB waarbij de opdracht ‘Raamovereenkomst leveren van signalisatie- en beursmateriaal’ (bestek nr. 2024/878/INK/GEN/RE) wordt gegund aan [de bv M.] tegen de eenheidsprijzen vermeld in de offerte van deze inschrijver.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 16 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.898-1/18 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 november 2025 om 11.00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koen Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Simon Verhoeven, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst Signalisatie- en Beursmateriaal’. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt Europees en nationaal bekendgemaakt. 3.
  5. In de aankondiging wordt het voorwerp van de opdracht omschreven als volgt: “Deze raamovereenkomst betreft het aankopen en leveren van signalisatie- en beursmateriaal voor de VDAB. De VDAB koopt op regelmatige basis XIV-39.898-2/18 beursmateriaal aan voor events en jobbeurzen. Dit omvat onder andere rollups, beurspanelen, beachvlaggen, desks, beursstanden, etc. Er kunnen andere artikelen, dan vermeld in de technische bepaling en de inventaris, besteld worden afhankelijk van de vraag en wat er op de markt speelt. De inschrijver dient hiertoe bij zijn indiening een catalogus van alle beschikbare artikelen (incl. prijzen) in. De specificaties van de materialen bevinden zich in hoofdstuk III. Technische bepalingen.” Punt 5.1.9 van de aankondiging omschrijft de selectiecriteria. Wat de technische en beroepsbekwaamheid betreft, wordt daarin het volgende vereiste gesteld: “Een lijst met referenties van minstens 3 gelijkaardige diensten (aard en omvang) van de voorbije 3 jaar. Minimumeisen: Lijst van minstens 3 gelijkaardige diensten van laatste 3 jaar met opgave van de gevraagde informatie: * naam opdracht, regio en contactgegevens opdrachtgever * korte beschrijving en doelstelling van de opdracht * totaalbedrag opdracht/project * looptijd van de opdracht”. 3.
  6. In het bestek dat op de opdracht van toepassing is, wordt in het overzicht van de bij de offerte te voegen documenten verduidelijkt: “Een volledige offerte dient de volgende bescheiden te bevatten die elektronisch moeten worden ingediend in afzonderlijke files in doorzoekbaar PDF-formaat. Gelieve nauwgezet de hieronder gevraagde naamgeving te gebruiken voor de aangeboden files. Het ontbreken van één of meerdere van deze documenten of het niet correct invullen, kan aanleiding geven tot het niet weerhouden van de offerte. […]
  7. Documenten m.b.t. de selectiecriteria: […] c. Een lijst met referenties van minstens 3 gelijkaardige opdrachten (aard en omvang) van de voorbije 3 jaar bij 3 verschillende klanten. (naamgeving: 2024-878-referenties-Naaminschrijver).” Het bestek vermeldt als gunningscriteria: ‘Kwaliteit dienstverlening en materialen’ (gewicht 50); ‘Prijs’ (gewicht 40) en ‘Plan van aanpak m.b.t. duurzaamheid’ (gewicht 10). 3.
  8. Zeven inschrijvers dienen een offerte in, onder wie de verzoekende partij en de bv M. XIV-39.898-3/18 3.
  9. Een eerste gunningsbeslissing van 28 maart 2025 wordt op 16 april 2025 ingetrokken. In arrest nr. 263.548 van 10 juni 2025, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.548, wordt de door de verzoekende partij ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging tegen de voormelde beslissing om die reden zonder voorwerp bevonden en verworpen. 3.
  10. Op 3 juni 2025 wordt een nieuwe gunningsbeslissing genomen. Bij arrest nr. 263.915 van 8 juli 2025, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915, beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van deze beslissing, waarna de beslissing door de verwerende partij ook wordt ingetrokken op 27 augustus
  11. 3.
  12. Op 26 september 2025 wordt een nieuw gunningsverslag opgesteld. Inzake het nazicht van de uitsluitingsgronden en de kwalitatieve selectie van de inschrijvers, vermeldt het verslag van nazicht onder meer het volgende: “ ” XIV-39.898-4/18 De verzoekende partij wordt niet geselecteerd op grond van de volgende motivering: “De inschrijver verwijst louter naar drie raamovereenkomsten, maar zonder omschrijving of toelichting van enige concrete opdracht (welke diensten) die de inschrijver in het kader van die raamovereenkomsten zou hebben uitgevoerd. In tegenstelling tot de inschrijvers die wel voldoen aan de selectiecriteria, geeft [nv V.] m.a.w. geen enkele concrete referentie op van (qua aard en omvang) gelijkaardige, uitgevoerde diensten. Op basis van de meegedeelde informatie kan niet worden achterhaald of deze raamovereenkomsten effectief aan [nv V.] zijn gegund, of deze in uitvoering zijn en welke diensten [nv V.] in voorkomend geval op basis van die raamovereenkomsten heeft geleverd, laat staan dat kan worden achterhaald of deze diensten qua aard en omvang gelijkaardig zijn aan de in het kader van onderhavige overheidsopdracht gevraagde diensten. Op basis van de opgegeven referenties kan niet worden bepaald of [nv V.] over de vereiste technische bekwaamheid beschikt om de opdracht naar behoren (volgens de opdrachtdocumenten en de regels van de kunst) uit te voeren. Nochtans komt het aan de inschrijver toe om zijn offerte met de vereiste zorg te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond hiervan te beoordelen of betrokken aan de gestelde selectiecriteria voldoet (RvS 2 september 2024, nr. 260.560, ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560).” Ook vier andere inschrijvers worden niet geselecteerd. Twee inschrijvers, meer bepaald de bv M. en de nv E.M. worden wel geselecteerd, waarbij wordt opgemerkt “In orde na verificatie van het UEA en toetsing aan de selectiecriteria”. De offertes van beide geselecteerde inschrijvers worden regelmatig bevonden en getoetst aan de gunningscriteria, waarna voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de bv M. als inschrijver met de economisch meest voordelige regelmatige offerte. 3.
  13. Op 30 september 2025 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan bv M. Het gunningsverslag van 26 september 2025 is bij de beslissing gevoegd en maakt er integraal deel van uit. De motivering en het besluit van het voormelde nieuwe gunningsverslag worden geheel onderschreven. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.898-5/18 3.
  14. Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 1 oktober 2025 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat zij niet geselecteerd werd voor de opdracht. Als bijlage wordt een uittreksel gevoegd van het gunningsverslag met de motieven voor haar niet-selectie. Nadat zij hierom heeft verzocht, bezorgt de verwerende partij met een e-mailbericht van 3 oktober 2025 aan de verzoekende partij ook een kopie van de gunningsbeslissing en het integrale gunningsverslag. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  15. De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. Er zijn geen gronden aangevoerd door de verzoekende partij om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.898-6/18 VI. Onderzoek van de middelen Vooraf
  17. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van elk middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 XIV-39.898-7/18 verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  18. Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 5, 6° van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiële motiveringsbeginsel. In essentie voert de verzoekende partij aan dat voor de geselecteerde inschrijvers, met name de bv M. en de nv E.M., noch in het gunningsverslag, noch in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom deze kandidaten wel zouden voldoen aan het selectiecriterium inzake technische en beroepsbekwaamheid. Dit maakt het voor de verzoekende partij onmogelijk om te weten waarom de gekozen inschrijver is geselecteerd. De formele motivering van de bestreden beslissing is des te belangrijker omdat de verzoekende partij en ook een andere inschrijver, in de eerste gunningsbeslissing wel geselecteerd werden maar in de tweede ingetrokken gunningsbeslissing en in de bestreden gunningsbeslissing niet meer. Ook zou de verwerende partij volgens de verzoekende partij bijzondere aandacht moeten schenken aan de formele motivering van de bestreden gunningsbeslissing aangezien zij reeds twee eerdere gunningsbeslissingen heeft ingetrokken op grond van een gebrek in de motivering. Hoewel de verwerende partij volgens haar is overgegaan tot de erkenning van een onvoldoende motivering in het kader van de intrekking van de eerste bestreden beslissing, gaat zij bij de tweede en derde gunningsbeslissing over tot de selectie van twee kandidaten zonder enige motivering. Op basis van welke concrete gegevens de verwerende partij is overgegaan tot de selectie van beide inschrijvers blijft volgens de verzoekende partij een mysterie, wat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uitmaakt. XIV-39.898-8/18 Gezien de onzorgvuldigheid van het feitenonderzoek is er volgens de verzoekende partij ook een schending van het materiële motiveringsbeginsel, aangezien in dat geval ook de feitelijke juistheid van de motieven en dat ze de bestreden beslissing kunnen dragen wordt betwist. De verzoekende partij stelt dat de Raad van State zich bij de appreciatie van de zaak niet in de plaats kan stellen van het bestuur, maar dat het wel behoort tot de bevoegdheid van de Raad om na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan en of de appreciatie daarvan met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. Beoordeling Excepties van niet-ontvankelijkheid
  19. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op afgeleid uit een gebrek aan belang omdat in het middel kritiek geuit wordt op de selectie van twee andere inschrijvers terwijl de verzoekende partij zelf niet geselecteerd werd. In de mate dat het tweede middel, waarin de verzoekende partij haar niet-selectie betwist, wordt afgewezen, is het eerste middel volgens de verwerende partij dan ook niet- ontvankelijk. Het middel is volgens de verwerende partij ook niet-ontvankelijk in zoverre het steunt op de ingetrokken gunningsbeslissing. Een onderzoek en een beoordeling van de door de verwerende partij aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid van het eerste middel is slechts noodzakelijk indien het middel ernstig zou worden bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Ernst van het middel
  20. Wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting betreft, die de verzoekende partij afleidt uit artikel 5, 6° van de wet van 17 juni 2013 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, valt op te merken dat er op het eerste gezicht niet van de aanbestedende overheid lijkt te worden vereist dat zij, wanneer er volgens haar geen selectieproblemen XIV-39.898-9/18 rijzen, voor elk mogelijk element inzake selectie in detail de positieve redenen te kennen zou geven waarom de betrokken inschrijver niet moet worden geweerd. Te dezen blijkt het gunningsverslag, wat de uitsluitingsgronden en de kwalitatieve selectie betreft, een samenvattende tabel inzake het nazicht van de inschrijvers te bevatten. Deze tabel blijkt voor inschrijvers bv M. en nv E.M. zowel wat het selectievereiste inzake de economische en financiële draagkracht als het selectievereiste inzake de technische en beroepsbekwaamheid betreft de vermelding “OK” te bevatten. Er wordt voorts gesteld dat beide inschrijvers worden geselecteerd met de vermelding “In orde na […] toetsing aan de selectiecriteria”. Uit de voormelde tabel blijkt ook dat vier andere inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, niet voldoen aan het selectievereiste inzake technische en beroepsbekwaamheid, hetgeen op meer uitvoerige wijze wordt gemotiveerd in het gunningsverslag. In deze motivering, die wat de niet-selectie van de verzoekende partij betreft hoger wordt weergegeven onder punt 3.
  21. van het feitenrelaas, wordt onder meer opgemerkt “In tegenstelling tot de inschrijvers die wel voldoen aan de selectiecriteria, geeft [de nv V.] m.a.w. geen enkele concrete referentie op van (qua aard en omvang) gelijkaardige, uitgevoerde diensten”. Hieruit kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat de offertes van de inschrijvers die voldoen aan dit selectievereiste niet met hetzelfde probleem behept zijn als hetgeen geleid heeft tot de niet-selectie van onder meer de verzoekende partij. In zoverre de verzoekende partij voorts nog argumenten ontleent aan de inhoud van de eerste ingetrokken gunningsbeslissing, waarbij zij werd geselecteerd, dient hierop, op het eerste gezicht, niet te worden ingegaan. Die beslissing en dat verslag moeten immers worden geacht nooit te hebben bestaan. Ook het gegeven dat de verwerende partij reeds twee eerdere gunningsbeslissingen heeft ingetrokken op grond van, enerzijds, een gebrek in de motivering voor de toegekende scores bij de beoordeling van de gunningscriteria, en, anderzijds, een gebrek in de motivering voor de niet-selectie van de verzoekende partij, toont op het eerste gezicht niet aan dat wat de geselecteerde XIV-39.898-10/18 inschrijvers betreft, de formelemotiveringsplicht veronderstelt dat meer wordt toegelicht dan te dezen reeds gedaan in het gunningsverslag.
  22. Uit de vermeldingen in het gunningsverslag blijkt voorts dat, ook wat de gekozen inschrijver en inschrijver nv E.M. betreft, wel degelijk een controle van de selectiecriteria heeft plaatsgevonden op grond waarvan de verwerende partij heeft vastgesteld dat beide inschrijvers voldoen aan de selectievereisten. Ook het motief in het gunningsverslag waaruit begrepen kan worden dat de geselecteerde inschrijvers, in tegenstelling tot onder meer de verzoekende partij, wel meer concrete referenties hebben opgegeven op basis waarvan de verwerende partij kon bepalen of deze inschrijvers over de vereiste technische bekwaamheid beschikken om de opdracht naar behoren uit te voeren, vindt op het eerste gezicht bevestiging in de stukken van het administratief dossier. Uit de offertes van de geselecteerde inschrijvers, die als vertrouwelijk werden neergelegd en de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt op het eerste gezicht dat deze inschrijvers minstens drie referenties hebben voorgelegd waaruit duidelijk blijkt welke concrete leveringen of diensten, gelijkaardig aan de gevraagde leveringen of diensten, zij in de afgelopen drie jaar hebben uitgevoerd.
  23. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  24. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 65 en 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), artikel 5, 6° van de wet van 17 juni 2013, artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiële motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. XIV-39.898-11/18 In de toelichting bij het middel verwijst de verzoekende partij vooreerst naar het arrest nr. 263.915 van 8 juli 2025, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.
  25. Zij betoogt dat de verwerende partij in de aankondiging te dezen enkel heeft vereist dat de technische en beroepsbekwaamheid wordt bewezen aan de hand van een lijst van referenties van minstens drie gelijkaardige diensten (aard en omvang) van de voorbije drie jaar. Zij verwijst ook naar de overweging in het arrest nr. 263.915 van 8 juli 2025, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915, waarbij geoordeeld wordt dat de verwerende partij vergeefs tegenwerpt dat er nog een bijkomende reden werd opgegeven om de verzoekende partij niet te selecteren, met name dat op basis van de opsomming van de raamovereenkomsten in haar offerte niet kon worden nagegaan of deze raamovereenkomsten effectief waren gegund aan de verzoekende partij en er reeds uitvoering aan was gegeven. Desondanks werpt de verwerende partij in de bestreden beslissing nogmaals dit argument op en nu als enige motivering. Voorts betwist zij uitvoerig de motieven op grond waarvan de verwerende partij tot haar niet-selectie heeft besloten zowel onder verwijzing naar de in haar offerte aangehaalde referenties als op grond van een bijkomende duiding ervan in haar verzoekschrift. Zij herneemt daartoe vooreerst de referenties die zij bij haar offerte voegde en betoogt dat hieruit blijkt dat zij voldaan heeft aan het opgeven van drie referenties, waarbij de naam van de opdracht, regio en contactgegevens van de opdrachtgever, een korte beschrijving en doelstelling van de opdracht, totaalbedrag en looptijd van de opdracht zijn weergegeven. Voorts betwist zij dat niet zou blijken dat zij over de vereiste technische bekwaamheid beschikt aangezien zij dit met de referenties van drie grote klanten heeft aangetoond, waarbij onder meer ook verwezen wordt naar de producten die de verzoekende partij heeft geleverd aan de klanten. Zij verwijst daarvoor naar het voorwerp van de acht percelen van de opdracht voor de Nationale Loterij. Daarnaast geeft zij in haar verzoekschrift nog een uitgebreide bijkomende duiding bij de betrokken referenties, met onder meer beschrijvingen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 XIV-39.898-12/18 van de in het kader van de betrokken raamovereenkomsten uitgevoerde leveringen en diensten, ook gestaafd aan de hand van een aantal foto’s. Ook wijst zij erop dat de verwerende partij steeds over de mogelijkheid beschikte om haar om bijkomende duiding te vragen indien nodig voor de beoordeling van de technische en beroepsbekwaamheid. Dit geldt volgens haar des te meer aangezien de verwerende partij haar in de eerste gunningsbeslissing wel had geselecteerd. Zij verwijst voorts naar het eerste middel waarin reeds werd opgeworpen dat wat de geselecteerde kandidaten als referenties hebben ingediend en op welke manier ze deze hebben toegelicht, voor de verzoekende partij een raadsel is aangezien deze motivering ontbreekt in de bestreden beslissing. Gezien deze onzorgvuldigheid in het feitenonderzoek, is er ook een schending van het materiële motiveringsbeginsel, aangezien in dat geval ook de feitelijke juistheid van de motieven en dat ze de bestreden beslissing kunnen dragen wordt betwist. De verzoekende partij stelt dat de Raad van State zich bij de appreciatie van de zaak niet in de plaats kan stellen van het bestuur, maar dat het wel behoort tot de bevoegdheid van de Raad om na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan en of de appreciatie daarvan met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd. Beoordeling
  26. Wat de aangevoerde schending van artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 en de artikelen 65 en 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 betreft, laat de verzoekende partij na de wijze uiteen te zetten waarop die rechtsregels ingevolge de bestreden gunningsbeslissing concreet overtreden zouden zijn, zodat het middel in die mate niet-ontvankelijk is.
  27. Overeenkomstig artikel 66, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 17 juni 2016 mag de opdracht enkel worden gegund nadat de aanbestedende overheid erop heeft toegezien dat de offerte afkomstig is van een inschrijver die voldoet aan de door haar vastgestelde selectiecriteria. XIV-39.898-13/18 Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toe om de voorgelegde referenties te beoordelen op de overeenstemming met het gevraagde. Zij beschikt daarbij over een beoordelingsruimte. Voorts mag de Raad van State zich, gesteld voor de toetsing van de beoordeling of de voorgelegde referenties voldoen aan de in de aankondiging gestelde eisen, niet in de plaats stellen van het bestuur, maar desgevraagd wel nagaan of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd en berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven. Het komt dan weer de inschrijver voor een overheidsopdracht toe om zijn offerte met vereiste zorg voldoende te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond van de offerte te beoordelen of betrokkene aan de gestelde selectie-eisen voldoet.
  28. Te dezen wordt in de aankondiging van de opdracht wat de technische en beroepsbekwaamheid betreft, het volgende vereiste gesteld: “Een lijst met referenties van minstens 3 gelijkaardige diensten (aard en omvang) van de voorbije 3 jaar. Minimumeisen: Lijst van minstens 3 gelijkaardige diensten van laatste 3 jaar met opgave van de gevraagde informatie: * naam opdracht, regio en contactgegevens opdrachtgever * korte beschrijving en doelstelling van de opdracht * totaalbedrag opdracht/project * looptijd van de opdracht”. Zoals blijkt uit de omschrijving van het voorwerp van de opdracht betreft de raamovereenkomst het aankopen en leveren van signalisatie- en beursmateriaal, hetgeen onder andere rollups, beurspanelen, beachvlaggen, desks, beursstanden, en dergelijke blijkt te omvatten.
  29. In het gunningsverslag, dat integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing, worden de door de verzoekende partij voorgelegde referenties ter staving van haar technische bekwaamheid als volgt beoordeeld: “De inschrijver verwijst louter naar drie raamovereenkomsten, maar zonder omschrijving of toelichting van enige concrete opdracht (welke diensten) die de inschrijver in het kader van die raamovereenkomsten zou hebben XIV-39.898-14/18 uitgevoerd. In tegenstelling tot de inschrijvers die wel voldoen aan de selectiecriteria, geeft [nv V.] m.a.w. geen enkele concrete referentie op van (qua aard en omvang) gelijkaardige, uitgevoerde diensten. Op basis van de meegedeelde informatie kan niet worden achterhaald of deze raamovereenkomsten effectief aan [nv V.] zijn gegund, of deze in uitvoering zijn en welke diensten [nv V.] in voorkomend geval op basis van die raamovereenkomsten heeft geleverd, laat staan dat kan worden achterhaald of deze diensten qua aard en omvang gelijkaardig zijn aan de in het kader van onderhavige overheidsopdracht gevraagde diensten. Op basis van de opgegeven referenties kan niet worden bepaald of [nv V.] over de vereiste technische bekwaamheid beschikt om de opdracht naar behoren (volgens de opdrachtdocumenten en de regels van de kunst) uit te voeren. Nochtans komt het aan de inschrijver toe om zijn offerte met de vereiste zorg te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond hiervan te beoordelen of betrokken aan de gestelde selectiecriteria voldoet (RvS 2 september 2024, nr. 260.560, ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560).”
  30. In haar kritiek op de voormelde motieven tot niet-selectie, verwijst de verzoekende partij in de eerste plaats naar de overweging in het arrest nr. 263.915 van 8 juli 2025, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915, waarbij geoordeeld wordt dat de verwerende partij vergeefs tegenwerpt dat er nog een bijkomende reden werd opgegeven om de verzoekende partij niet te selecteren, met name dat op basis van de opsomming van de raamovereenkomsten in haar offerte niet kon worden nagegaan of deze raamovereenkomsten effectief waren gegund aan de verzoekende partij en er reeds uitvoering aan was gegeven. In zoverre de verzoekende partij daarbij doet gelden dat de Raad van State het motief op grond waarvan zij in de bestreden gunningsbeslissing van 30 september 2025 niet geselecteerd wordt, reeds onwettig zou hebben bevonden in het voormelde arrest kan zij niet worden bijgevallen. Er werd enkel geoordeeld dat de betrokken redengeving, zoals geformuleerd in die eerdere en inmiddels ingetrokken beslissing van 3 juni 2025, niet leek te kunnen gelden als een tweede, zelfstandig motief om tot niet-selectie van de verzoekende partij te besluiten.
  31. Uit de referenties met betrekking tot drie verschillende opdrachtgevers zoals gevoegd bij de offerte van de verzoekende partij, blijkt dat de eerste referentie een raamovereenkomst betreft, die 8 percelen omvat en waarbij er per perceel drie ondernemers kunnen worden aangeduid. Perceel 1 heeft XIV-39.898-15/18 betrekking op spandoeken, perceel 2 op vlaggen, perceel 3 op parasols, perceel 4 op tenten, perceel 5 op opblaasbaar materiaal, perceel 6 op light tubes, perceel 7 op display systemen en perceel 8 op reclamestoelen. Op basis van de verstrekte informatie lijkt het evenwel niet duidelijk welk van de percelen aan de verzoekende partij werd toegewezen, of zij al dan niet verschillende soorten beursmateriaal heeft geleverd en voor welke totale waarde zij uiteindelijk beursmateriaal heeft geleverd. De verwerende partij lijkt er in dit verband ook terecht op te wijzen dat de gunning van een raamovereenkomst, behalve in geval bijvoorbeeld is voorzien in minimale hoeveelheden, op zich geen garantie biedt op uitvoering van bepaalde prestaties. Er wordt ook geen datum of periode van uitvoering vermeld. Het bedrag van 1.500.000 euro dat wordt vermeld lijkt betrekking te hebben op de waarde van de volledige raamovereenkomst en het is daarbij niet duidelijk of het gaat om een geraamd bedrag, een maximale waarde dan wel de uiteindelijke waarde van de uitgevoerde opdracht. Hetzelfde lijkt op het eerste gezicht te gelden voor de tweede referentie. Ook deze referentie heeft betrekking op een raamovereenkomst voor promotiemateriaal die drie verschillende percelen bevat. Perceel 1 heeft betrekking op visibiliteitsmateriaal, perceel 2 op textiel en perceel 3 op promomateriaal. Het blijkt niet welk van deze percelen aan de verzoekende partij werd gegund, noch voor welke waarde de verzoekende partij uiteindelijk diensten of leveringen heeft gerealiseerd, noch wanneer de uitvoering zou hebben plaatsgevonden. Bij de derde referentie lijkt het evenzeer te gaan om een raamovereenkomst waarbij meerdere opdrachtnemers konden worden aangeduid. Ook hier lijkt op basis van de informatie die de verzoekende partij in haar offerte heeft verstrekt, niet te kunnen worden afgeleid wat de concrete aard en omvang is van de leveringen of diensten die de verzoekende partij heeft uitgevoerd, noch wanneer deze zouden zijn uitgevoerd. Daarbij lijkt de verzoekende partij zich er op het eerste gezicht veeleer toe beperkt te hebben om de opdrachtomschrijving uit de opdrachtdocumenten van de betreffende raamovereenkomsten te hernemen als referentie zonder te beschrijven wanneer deze opdrachten werden uitgevoerd en wat zij in uitvoering van die raamovereenkomsten in concreto heeft geleverd. XIV-39.898-16/18 In het licht van het voorgaande blijkt op het eerste gezicht dan ook niet dat de verwerende partij met de voormelde beoordeling in het gunningsverslag op grond waarvan zij tot niet-selectie van de verzoekende partij besluit, de grenzen van een zorgvuldige beoordeling is te buiten gegaan, noch dat deze beoordeling niet zou berusten op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven.
  32. Met de bijkomende informatie en het fotomateriaal die de verzoekende partij in haar verzoekschrift opneemt, kan op het eerste gezicht geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing aangezien deze informatie niet bij de offerte werd gevoegd.
  33. In zoverre de verzoekende partij ook in het kader van het tweede middel argumenten ontleent aan de inhoud van de eerder ingetrokken gunningsbeslissingen, dient hierop, op het eerste gezicht, niet te worden ingegaan. Die beslissingen en de bijbehorende gunningsverslagen moeten immers worden geacht nooit te hebben bestaan.
  34. Daargelaten de vaststelling dat de verzoekende partij zich in het middel niet uitdrukkelijk op een schending van deze bepaling beroept, valt voorts op te merken dat de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 slechts beschikt over de mogelijkheid om de inschrijvers te verzoeken de neergelegde documenten aan te vullen of toe te lichten. Het betreft echter geen verplichting. Voorts wordt in herinnering gebracht dat de verzoekende partij, als zorgvuldige inschrijver in de eerste plaats zelf dient in te staan voor een diligente redactie en indiening van haar offerte.
  35. In de mate dat de verzoekende partij tot slot onder dit middel ook haar kritieken inzake de selectie van de gekozen inschrijver en de nv E.M uit het eerste middel herneemt, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling onder het eerste middel.
  36. Het tweede middel is niet ernstig. XIV-39.898-17/18 VII. Besluit
  37. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt de vordering.
  39. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Inge Vos XIV-39.898-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.548 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.