id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 Rolnummer: A. 240330/VII-42241 Zaak: Arrest 264818 - Natuurbehoud - Vergunningen - 13/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-18 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-15 07:21 Fiche Arrest nr 264.818 van 13 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 no lien 286205 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.818 van 13 november 2025 in de zaak A. 240.330/VII-42.241 In zake :
- de VZW WILDBEHEEREENHEID MEERDAAL-HONSEM
- L.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 9 oktober 2023 waarbij de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden vanaf 15 oktober 2023 tot en met 14 oktober 2024 op de jachtterreinen van de wildbeheereenheid Meerdaal-Honsem en op de jachtterreinen 52400002, 52400011, 52400010 en
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 25 juni 2024 een verslag opgesteld. VII-42.241-1/22 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Kevan Aspeslagh, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De eerste verzoekende partij is een, op grond van artikel 12, eerste lid, van het Jachtdecreet van 24 juli 1991, erkende wildbeheereenheid (hierna: WBE) waarvan het werkingsgebied jachtterreinen in Leuven, Oud- Heverlee, Bierbeek, Boutersem, Hoegaarden en Lubbeek omvat. De tweede verzoekende partij is lid van de WBE en tevens jachtrechthouder in de zin van artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest’ (hierna: het Jachtadministratiebesluit). 3.
- Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-2/22 behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. Overeenkomstig artikel 23 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’ (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014) kan het Agentschap voor Natuur en Bos beslissen om de jacht op een kleinwildsoort te sluiten in een deel of in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder, onder meer “als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE”. 3.
- Op 28 september 2023 stelt de natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat voor de jacht fazanten werden uitgezet door de jachtrechthouder van een terrein dat behoort tot de WBE Meerdaal- Honsem. 3.
- Op 9 oktober 2023 neemt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden beslissing waarbij op alle jachtterreinen van de WBE Meerdaal-Honsem en op de jachtterreinen 52400002, 52400011, 52400010 en 52400009 de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden vanaf 15 oktober 2023 tot en met 14 oktober
- IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de laattijdig ingediende memorie van antwoord van de verwerende partij uit de debatten geweerd.
- Evenmin heeft de verwerende partij binnen de voorgeschreven termijn een administratief dossier aan de Raad van State toegestuurd. Met toepassing van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden de door de verzoekende partijen aangehaalde feiten als bewezen geacht tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn. Ter appreciatie van dit laatste mag de Raad van State wel bij wijze van inlichting acht slaan op de stukken van het laattijdig meegedeelde dossier. VII-42.241-3/22
- Het feit dat de verwerende partij haar memorie van antwoord te laat heeft ingediend, ontneemt haar niet het recht om een laatste memorie in te dienen waarin zij reageert op het verslag van het auditoraat en de laatste memorie van de verzoekende partijen, met dien verstande dat zij er in principe geen nieuwe argumenten in mag ontwikkelen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Actueel belang
- De verwerende partij werpt in haar laatste memorie op dat de periode van oktober 2023 tot oktober 2024 waarin gejaagd kon worden op kleinwild intussen verstreken is en dat de verzoekende partijen niet verduidelijken welk belang zij nog hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Beoordeling
- Gelet op de beperkte duurtijd van het jachtverbod was het in het licht van de toepasselijke procedureregels voor het instellen en de behandeling van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, van meet af aan uitgesloten dat de vernietiging van de bestreden beslissing kon worden uitgesproken vóór afloop van de duur van het jachtverbod. In een dergelijke omstandigheid vereisen dat de vernietiging op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep aan de verzoekende partijen een direct praktisch nut moet verschaffen, komt er in feite op neer dat de bestreden beslissing niet voor vernietiging in aanmerking komt. Evenwel blijkt uit niets dat de wetgever een dergelijke beslissing, die op korte termijn haar volledig effect sorteert, uit het annulatiecontentieux heeft gesloten of heeft willen uitsluiten. De conclusie hieruit moet dan ook zijn dat in een geval als het onderhavige, het belang bij het beroep tot nietigverklaring met de nodige soepelheid moet worden beoordeeld.
- De exceptie wordt verworpen. VII-42.241-4/22 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel wordt aangevoerd dat het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014, minstens artikel 23 ervan, op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten wegens “schending van artikel 78 Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen van 8 augustus 1980 (BWHI) en het ontbreken van de rechtens vereiste rechtsgrond”. De verzoekende partijen zetten het volgende uiteen: “Artikel 78 BWHI bepaalt het volgende: ‘De Regering heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.’ De bestreden beslissing is gesteund op artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april
- In de nota aan de Vlaamse regering bij het ontwerp dat uiteindelijk het Jachtvoorwaardenbesluit is geworden wordt bij artikel 23 (tot dan nog artikel 22 genummerd) gesteld dat het is ‘geënt op de bestaande regelgeving, maar de mogelijkheden zijn duidelijker geformuleerd zodat er meer rechtszekerheid te geven’. Artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit is nochtans niet geënt op voorafbestaande regelgeving, doch werd voor het eerst ingevoerd op 25 april
- In de voorganger van het Jachtvoorwaardenbesluit, zijnde het besluit van 30 mei 2008 van de Vlaamse regering ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’, is in hoofdstuk III, afdeling 2, geen sanctie te lezen. De bestraffing van de overtreding van het verbod op artikel 29 eerste lid Jachtdecreet gebeurt op een andere manier dan die opgenomen in artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit, m.n. op grond van het Milieuhandhavingsdecreet zoals artikel 37 van het Jachtdecreet het bepaalt (‘Voor dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten gebeurt het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk sanctioneren van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-5/22 decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’). In het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State (advies 55.491/1 van 31 maart 2014) wordt dienaangaande het volgende opgemerkt […]: […] Verzoekers sluiten zich hierbij aan en maken zich de inhoud van het advies van de afdeling Wetgeving eigen ter toelichting van huidig middel. In zoverre artikel 23 eerste lid 3° Jachtvoorwaardenbesluit zou zijn gesteund op art. 4 van het Jachtdecreet, dan was dat bij de uitvaardiging hiervan op grond van de volgende versie van vermelde decreetsbepaling: ‘De Vlaamse regering bepaalt minstens vijfjaarlijks, na advies van de MiNa-Raad, voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze de data van opening en van de sluiting van de jacht. De besluiten betreffende de opening en de sluiting van de jacht worden ten minste dertig dagen voor de op grond van het eerste lid bepaalde datum bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.’ Vermelde decreetsbepaling biedt geen rechtsgrond aan de Vlaamse regering om voor onbepaalde duur, zelfs niet voor een bepaalde duur langer dan vijf jaar de data van opening en van de sluiting van de jacht voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze te regelen. In de mate dat artikel 4 van het Jachtdecreet in zijn versie vanaf 30 juli 2015 afziet van enige beperking van zulke regeling in tijd, dient te worden vastgesteld dat artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit sinds haar uitvaardiging op 25 april 2014 nooit is gewijzigd zodanig dat enige decreetsbepaling van na de uitvaardiging van artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit nooit de wettige totstandkoming hiervan heeft kunnen bepalen. Het is evenmin zo dat enige bepaling van het Jachtdecreet van latere datum artikel 23 van het Jachtdecreet wetgevend zou hebben gevalideerd. In het Advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij bij het Ontwerp van decreet houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 (Vl.Parl., 344 (2014-2015) - Nr. 1, 30 april 2015 (2014- 2015) wordt dienaangaande het volgende gesteld (zie p. 36 en 37): ‘Na de recente wijzigingen aan de Vlaamse jachtregelgeving in het kader van het project wetsintegratie, waarbij 17 uitvoeringsbesluiten werden teruggebracht tot slechts vier, werd ook het Jachtdecreet zelf nog eens onder de loep genomen. Naar aanleiding van de besluitvorming over de hierboven vermelde uitvoeringsbesluiten, drong de Raad van State er immers op aan om ook het Jachtdecreet zelf te actualiseren, opdat het een passende rechtsgrond zou bieden voor deze besluiten. [2] In dit voorontwerp van decreet worden er daarom volgens de memorie van toelichting enkele wijzigingen aan het Jachtdecreet voorgesteld, met het oog op drie verschillende doelen:
- Het vereenvoudigen van procedures (artikel 2);
- Het verduidelijken van de rechtsgrond van diverse bepalingen uit de uitvoeringsbesluiten van het Jachtdecreet met het oog op een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-6/22 ondubbelzinnige uitvoering (artike14);
- Het voorzien van een rechtsgrond voor diverse bepalingen uit de uitvoeringsbesluiten van het Jachtdecreet voor die aspecten die in de nieuwe uitvoeringsbesluiten zijn overgenomen uit de opgeheven uitvoeringsbesluiten en waarvoor toen klaarblijkelijk onvoldoende of betwijfelbare rechtsgrond bestond (artikelen 3 en 5 tot en met 12). [3] Vooreerst merken de Raden op dat het ongebruikelijk is om een decreet te wijzigen nadat eerst de uitvoeringsbesluiten werden aangepast. …’ Verzoekende partijen onderschrijven niet alleen het standpunt dat het ongebruikelijk is om een decreet te wijzigen nadat eerst de uitvoeringsbesluiten werden aangepast, zij voegen eraan toe dat artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit sinds haar uitvaardiging op 25 april 2014 nooit is gewijzigd zodanig dat enige decreetsbepaling van na de uitvaardiging van artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit nooit de wettige totstandkoming hiervan heeft kunnen bepalen. Het is evenmin zo dat enige bepaling van het Jachtdecreet van latere datum artikel 23 van het Jachtdecreet wetgevend zou hebben gevalideerd. In zoverre artikel 23 eerste lid 3° Jachtvoorwaardenbesluit niet zou zijn gesteund op artikel 4 van het Jachtdecreet, dient te worden vastgesteld dat het aan enige andere rechtsgrond in het Jachtdecreet ontbreekt. Ook niet artikel 12 van het Jachtdecreet dat hoogstens een rechtsgrond biedt voor hoofdstuk 3 van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014, maar zeker niet voor artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit dat geen betrekking heeft op de beperking van de jacht op alle of bepaalde wildsoorten, het gebruik van bepaalde jachttechnieken of -tuigen, en bepaalde maatregelen tot jachtterreinen van leden van een erkende wildbeheereenheid - zodanig dat onafhankelijke jachtrechthouders zoals gedefinieerd in artikel 1, 12° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest […] met name ‘een jachtrechthouder die niet bij een erkende WBE is aangesloten’ worden uitgesloten van die jachtmogelijkheden - zoals bedoeld in artikel 12, wel integendeel tot een jachtverbod voor leden van een erkende wildbeheereenheid. Een goed voorbeeld van de toepassing van artikel 12 van het Jachtdecreet kan worden gevonden in het Jachtopeningsbesluit van 25 april 2014 dat de opening van de jacht op patrijs voorbehoudt aan welbepaalde erkende wildbeheerseenheden, ook in het Jachtvoorwaardenbesluit voor wat betreft de mogelijkheid om reewild te bejagen. Artikel 34 van het Jachtdecreet biedt ook al geen rechtsgrond voor artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit want voorbehouden voor de regeling van beschermingsmaatregelen ten aanzien van andere vogels dan vermeld in artikel 3 van het Jachtdecreet, terwijl fazanten wel in artikel 3 van het Jachtdecreet zijn vermeld en hazen geen vogels zijn. Het staat derhalve vast dat artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit onwettig is want zonder decretale grondslag en daarom moet het conform artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing worden verklaard. Bij buitentoepassingverklaring van artikel 23 eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit dient te worden vastgesteld dat de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-7/22 beslissing geen juridische grondslag heeft, reden waarom het middel gegrond is.”
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat artikel 19 van het Jachtdecreet werd ingevoegd bij decreet van 3 juli 2015 en dus “nooit de totstandkoming van artikel 23 Jachtvoorwaardenbesluit [heeft] kunnen bepalen”. Artikel 33 van hetzelfde besluit zou van zijn kant enkel rechtsgrond kunnen bieden voor individuele administratieve rechtshandelingen waarbij afwijkingen worden toegestaan op het Jachtdecreet, maar niet “om via een reglementair besluit wetgeving te maken buiten enige rechtsgrond van het Jachtdecreet”. Voorts beklemtonen zij dat zelfs met een zeer welwillende lezing van artikel 33 van het Jachtdecreet deze bepaling geen rechtsgrond kan bieden aan artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014, onder meer omdat artikel 33 van het Jachtdecreet niet strekt tot het uitvaardigen van algemene reglementaire besluiten van de Vlaamse regering, zoals wordt bevestigd in artikel 59 van hetzelfde besluit en artikel 60 van het Jachtadministratiebesluit. Voorts ontkennen de verzoekende partijen dat een jachtverbod in voorliggend geval kan bijdragen tot de bescherming van de kleinwildsoorten en een duurzaam faunabeheer. Integendeel zouden de illegaal uitgezette fazanten uit de natuur moeten worden verwijderd door ze te vangen of te doden. Bovendien zien zij niet in hoe artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 zou strekken tot de “bescherming van de wilde fauna of flora, of ter instandhouding van de natuurlijke habitats”. Tot slot poneren de verzoekende partijen nogmaals dat artikel 33 van het Jachtdecreet “enkel geldt om individuele afwijkingsvergunningen te verlenen”, standpunt dat zij vervolgens staven door te verwijzen naar de totstandkoming van de vervanging van voormelde bepaling door artikel 40 van het decreet van 23 december 2010 ‘houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur’, naar de wijziging van artikel 26 van het Jachtdecreet door artikel 18 van het decreet van 18 december 2015 ‘houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie’ en naar het advies nr. 57.100/1 van 11 maart 2015 dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft verstrekt over een voorontwerp van decreet ‘houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Jachtdecreet van 24 juli 1991’. VII-42.241-8/22 Beoordeling
- Artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 bepaalt dat het Agentschap voor Natuur en Bos kan beslissen de jacht op een kleinwildsoort te sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde wildbeheereenheid, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde wildbeheereenheid of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder “als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder”. Naar luid van artikel 29 van het Jachtdecreet is het “te allen tijde en overal verboden wild uit te zetten”, tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. Met die bepaling wordt als regel een algemeen verbod ingesteld om wild uit te zetten met de bedoeling “om het uitzetten van wild altijd en overal te verbieden” (Parl.St. Vl.Parl. 1990- 91, nr. 481/10, 54). Aan de grondslag van dit verbod ligt onder meer de bezorgdheid dat het uitzetten van gekweekte tamme dieren kan leiden tot een genetische verzwakking of verschraling van de soortgenoten die van nature in het wild leven en het risico dat door de gekweekte dieren ziektes kunnen worden verspreid onder de wilde populatie. Het verbod om wild uit te zetten strekt dan ook tot de bescherming van de fauna, meer bepaald de wildsoorten. Het sluiten van de jacht ingevolge de vaststelling dat kleinwildsoorten in strijd met de wet werden uitgezet, staat als handhavingsmaatregel rechtstreeks in functie van de vrijwaring van een zaak van algemeen belang, meer bepaald het duurzaam faunabeheer.
- Artikel 33 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 luidt in de versie na de wijziging bij het decreet van 3 juli 2015 ‘houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Jachtdecreet van 24 juli 1991’ als volgt: “De Vlaamse Regering kan afwijken van de bepalingen van dit decreet onder de door haar bepaalde voorwaarden en toezicht, en dit om een of meer van de volgende redenen: VII-42.241-9/22 1° in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2° in het kader van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, en voor het milieu gunstige effecten; 3° in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 4° ter bescherming van de wilde fauna of flora, of ter instandhouding van de natuurlijke habitats; 5° voor doeleinden in verband met onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie, alsook voor de daartoe benodigde kweek; 6° om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt en vastgesteld aantal van bepaalde specimens te vangen of in bezit te hebben; 7° ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of aan andere goederen in eigendom of gebruik. Ten aanzien van de vogelsoorten, vermeld in artikel 3, zijn de volgende mogelijkheden tot afwijking niet van toepassing: 1° de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, 2°; 2° de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, 7°, voor wat betreft de voorkoming van belangrijke schade aan andere goederen dan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren. Afwijkingen op grond van dit artikel kunnen alleen maar toegestaan worden als de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1° er mag geen andere bevredigende oplossing bestaan; 2° de afwijking mag geen afbreuk doen aan het streefdoel om de populaties van de soort in kwestie in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, op lokaal niveau of op Vlaams niveau”. Aangezien artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 in functie staat van een duurzaam faunabeheer, wordt aangenomen dat artikel 33, eerste lid, 4°, van het Jachtdecreet, waarin gewag wordt gemaakt van de bescherming van de wilde fauna en de instandhouding van de natuurlijke habitats, een voldoende rechtsgrond biedt voor die regeling. De verzoekende partijen voeren voor het overige niet aan dat artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 genomen werd terwijl niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 33, derde lid, van het Jachtdecreet om gebruik te kunnen maken van de door dit artikel geboden mogelijkheid aan de Vlaamse regering om af te wijken van de decretale bepalingen.
- In het advies nr. 55.491/1 dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State op 31 maart 2014 heeft verstrekt over een ontwerp van besluit van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-10/22 Vlaamse regering ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’, dat later het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 is geworden, wordt geen specifiek voorbehoud geformuleerd over de rechtsgrond van de aan het Agentschap voor Natuur en Bos toegekende bevoegdheid om in bepaalde gevallen bij individuele beslissing de jacht op een kleinwildsoort te sluiten.
- Uit het voorgaande volgt dat artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 rechtsgrond kan vinden in artikel 33 van het Jachtdecreet. Het standpunt van de verzoekende partijen dat de artikelen 4, 12 en 34 van het Jachtdecreet geen rechtsgrond kunnen bieden voor de betrokken bepaling van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 doet dan ook verder niet ter zake. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun laatste memorie betwisten dat artikel 33 van het Jachtdecreet rechtsgrond verschaft aan artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014, geven zij aan het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, een totaal nieuwe wending die neerkomt op het formuleren van een nieuw middel. Deze laattijdige kritiek is niet ontvankelijk.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel wordt genomen uit de schending van “artikel 6 EVRM, minstens het recht van verdediging, minstens het recht om gehoord te worden als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”. De verzoekende partijen lichten het middel als volgt toe: “In de bestreden beslissing wordt er aan WBE Meerdaal-Honsem en haar leden - dus ook tweede verzoekende partij - door ANB - naar eigen zeggen van ANB - een sanctie opgelegd zonder dat WBE zelfs maar werd gehoord of de mogelijkheid kreeg haar argumenten te laten gelden. VII-42.241-11/22 Het is zonder meer duidelijk dat verwerende partij haar eigen beslissing als een sanctie, dus een straf kwalificeert zoals blijkt uit de […] overwegingen in de bestreden beslissing [...]: […] Gelet op haar eigen kwalificatie als sanctie dient zij de rechten van de verdediging te respecteren door vooraf haar intentie om een sanctie op te leggen, kenbaar te maken opdat de betrokkenen - de WBE en ook de individuele leden die kennelijk gesanctioneerd worden zonder zelf een inbreuk te hebben gepleegd - zich hierop zouden kunnen verdedigen. Dat is niet gebeurd. […] Zelfs al zou verwerende partij in strijd met haar eigen kwalificatie als sanctie opwerpen dat het geen sanctie betreft, maar wel een preventieve maatregel in het belang van de openbare gezondheid en in het belang van de fauna, dus geen straf, dan nog dient het recht om gehoord te worden c.q. zijn standpunt naar voor te brengen, worden gerespecteerd. De inbreuken in hoofde van de heer [K.C.] mogen dan wel vaststaan, daarmee staat nog niet vast dat er preventieve maatregelen dienen te worden genomen ten aanzien van personen die geen uitstaans hebben met die inbreuken. Het recht om gehoord te worden dient te worden gehonoreerd opdat betrokkenen hun standpunt aan de overheid zouden kunnen mededelen omtrent o.a. de doelstellingen van het faunabeheersplan op kleinwild, de wildstand, de wildziekten, de wildschade, ..., allemaal relevant om te worden betrokken bij de afweging of een preventieve maatregel nodig is of niet. Eerste verzoekende partij merkt nog op dat zij op 2 oktober 2023 akte heeft genomen van de e-mail van de heer [K.C.] die uit eigen beweging ontslag heeft genomen als lid van de WBE Meerdaal-Honsem en die nota bene ook zelf zijn jachtverlof heeft teruggebracht bij de arrondissementscommissaris. Het bestuursorgaan van eerste verzoekende partij dd. 2 oktober 2023 en navolgend de bijzondere algemene vergadering van eerste verzoekende partij hebben vervolgens nog eens formeel beslist om de heer [K.C.] uit te sluiten als lid van de WBE gelet op de door de Natuurinspectie vastgestelde inbreuken in zijne hoofde. Eerste verzoekende partij heeft op 2 oktober 2023 daarvan kennis gegeven aan de Natuurinspectie […]: […] Eerste verzoekende partij heeft zodoende zichzelf alle inspanningen getroost en geanticipeerd op de bestreden beslissing opdat verwerende partij hiermee rekening zou houden, doch uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat hiermee geen enkele rekening is gehouden. In de bestreden beslissing wordt er niet eens verwezen naar de vermelde e- mail van de WBE, laat staan dat de argumenten die hierin staan vermeld, door de verwerende partij in de bestreden beslissing zouden worden ontmoet, laat staan beantwoord en weerlegd. Zo diende er acht te worden geslagen op eerste verzoeksters opmerking dat de sluiting van de jacht op fazant niet van aard zou zijn om de bescherming van het duurzaam faunabeheer in de betrokken wildbeheerseenheid ten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-12/22 goede te komen aangezien ‘de WBE grenst aan Wallonië waar er legaal fazanten worden uitgezet zodanig dat vermenging van DNA een risico is dat inherent aanwezig is aan de ligging langs de taalgrens. Meer zelfs, om de wilde populatie fazanten te vrijwaren verdient het aanbeveling dat er zoveel mogelijk van die in Wallonië wettig uitgezette fazanten uit de natuur verdwijnen’. Ook dat argument wordt gewoonweg genegeerd door de verwerende partij. […] Het motief dat een jachtverbod opgelegd op grond van artikel 23, 3° van voormeld besluit een sanctiemaatregel betreft en de doelstellingen van het faunabeheerplan op kleinwild niet doorkruist, is in die hypothese - m.n. die van de kwalificatie als preventieve maatregel - rechtens onjuist, want geen betrekking hebbende op een sanctie, en bovendien volstrekt gratuit en stereotypisch aangezien de zinsnede ‘dat de doelstellingen van het faunabeheersplan op klein niet worden doorkruist’ werkelijk in ieder ander besluit op grond van artikel 23 eerste 3° van het jachtvoorwaardenbesluit telkens opnieuw wordt herhaald, zonder enige aftoetsing in concreto. Ook deze overweging is manifest onjuist: - Eén van de doelstellingen van WBE betreft immers het verstandig beheer en in stand houden van wildsoorten waaronder eveneens begrepen het voorkomen van schade aan teelten en gewassen. - Zoals blijkt uit de laatste voorjaarstellingen ingediend bij ANB op 1 april 2023 werd het aantal aanwezige hazen binnen WBE geraamd op 526 hazen en 640 fazanten - Deze cijfers dateren van voorjaar 2022, vooraleer jongen worden geboren. - Eén haas kan tot 11 jongen per jaar voorbrengen en fazanten leggen gemiddeld 10-14 eieren (Hacklander et al (prepress) Continentality affects body condition and size but not yearly reproductive output in female European hares (Lepus europaeus). Mammalian zoology). - In acht genomen deze cijfers zou een jachtverbod op deze soorten in 2023 een exponentiële toename van de aantallen betekenen met aanzienlijke schade aan teelten en gewassen en mogelijke ziektes wegens overpopulatie tot gevolg. - Teneinde zulke problemen te vermijden wordt dan ook jaarlijks door WBE afschotcijfers gerealiseerd (in 2022: 103 hazen; fazanten: 208) In strijd met wat in het besluit wordt beweerd, doorkruist een jachtverbod dan ook wel degelijk de doelstellingen van een verstandig beheer van deze soorten en zou het catastrofale gevolgen hebben met eveneens belangrijke financiële implicaties (vergoedingen voor wildschade conform artikel 2 van vermelde Jachtwet van 1882). In ieder geval is de motiveringsplicht in hoofde van de verwerende partij op dat punt verstrengd en verzwaard aangezien de WBE in haar e-mail van 2 oktober 2023 er op heeft gewezen dat een jachtverbod op fazant een negatieve impact heeft op de populatie van wilde fazanten in de wetenschap dat de WBE grenst aan Wallonië waar er legaal fazanten worden uitgezet zodanig dat vermenging van DNA een risico is dat inherent aanwezig is aan de ligging langs de taalgrens. Tamme fazanten - ongeacht het feit dat zij wettig kunnen worden uitgezet in Wallonië (zie artikel 12 van de Jachtwet van 28 februari 1882: ‘Le transport et le lâcher du petit gibier vivant et du gibier d'eau vivant ne sont ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-13/22 autorisés que depuis le lendemain du jour de la fermeture de la chasse jusqu'au trentième jour précédant l'ouverture de celle-ci à l'espèce concernée.’ (vrije vertaling: ‘Het transport en het vrijlaten van levend klein wild en levende watervogels is slechts toegestaan vanaf de dag na de dag waarop de jacht is gesloten tot de dertigste dag voorafgaand aan de opening van laatstgenoemde’)) - hebben een zwakkere gezondheid en een zwakkere DNA, beïnvloed door het ‘doorkweken’ en tevens door toediening van medicijnen zoals bijvoorbeeld antibiotica, reden waarom zij beter niet kweken met wilde fazanten aangezien op die manier de nakomelingen van die fazanten verzwakken. Zoals de WBE in de e-mail van 2 oktober 2023 heeft uiteengezet, dient de wilde populatie fazanten te worden gevrijwaard door zoveel mogelijk van die in Wallonië wettig uitgezette fazanten uit de natuur te doen verdwijnen (trouwens meteen de reden waarom de Natuurinspectie op 28 september 2023 aan de heer [K.C.] bij wijze van bestuurlijke maatregel aan hem heeft opgelegd om de in diens garage aangetroffen fazanten te euthanaseren). […] Het motief ‘dat het verbod van de jacht op fazant enkel behoorlijk kan worden gehandhaafd wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden. De patrijs, de fazant en de haas worden overeenkomstig artikel 3 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 gerangschikt bij het klein wild’ is fout en dus onwettig want het verbod van de jacht op fazant belet geen enkele jager om de jacht op overig wild (zie artikel 3 d) van het Jachtdecreet, in het bijzonder wild konijn, houtduif en vos) te beoefenen, net zomin als dat zij de jacht op waterwild (zie artikel 3 c) van het Jachtdecreet, in het bijzonder wilde eend en Canadese gans) te beoefenen. Het vermelde motief dat zo moeten worden begrepen dat de Vlaamse overheid met het verbod op de jacht op alle kleinwildsoorten andere dan fazant, m.a.w. op haas, wil vermijden dat de jagers met hun geweren door het jachtveld zouden lopen onder het mom van hazen te bejagen en zodoende ook al eens verdoken een fazant te schieten - in de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk vermeld dat de handhaving van het verbod van de jacht op fazant wordt beoogd -, is er dus totaal aan voor de moeite aangezien de jagers met hun geweren door het jachtveld kunnen blijven lopen om vermeld waterwild en vermeld overig wild te schieten. Het recht van verdediging, minstens het recht van verzoekers om hun standpunt te doen gelden is dus geschonden aangezien de vermelde motieven de verwerende partij er niet van kunnen ontslaan om verzoekers te horen.”
- De verzoekende partijen benadrukken in hun laatste memorie dat met de bestreden beslissing wel degelijk een sanctie wordt opgelegd, zodat de rechten van verdediging van toepassing zijn, dat in de bestreden beslissing niet gewezen wordt op een gevaar voor de volksgezondheid, dat evenmin wordt gealludeerd op een gevaar voor het voortbestaan van de dieren die voorkomen op de Rode Lijst van Vlaamse broedvogels, dat voor het nemen van de bestreden VII-42.241-14/22 beslissing geen hoogdringendheid voorhanden was en dat het niet “voor directe en eenvoudige constatatie vatbaar” was dat een maatregel voor alle kleinwildsoorten diende te worden opgelegd voor het ganse werkingsgebied van de WBE. Beoordeling
- De waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) op het vlak van de rechten van verdediging zijn van toepassing op gerechtelijke beslissingen. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat deze waarborgen ook van toepassing zijn op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur waarbij voor een bepaalde periode de jacht wordt verboden op kleinwildsoorten. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Uit de niet-betwiste gegevens van de zaak blijkt dat K.C. door de natuurinspectie op heterdaad werd betrapt bij het uitzetten van fazanten op een terrein waarvoor hij het jachtrecht bezit en dat onderdeel is van de WBE van de eerste verzoekende partij. Evenmin wordt betwist dat deze fazanten binnen de erkende WBE werden uitgezet ten behoeve van de jacht. In de gegeven omstandigheden heeft de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos niet onwettig gehandeld door op grond van de niet-betwiste vaststellingen van 28 september 2023 dat in strijd met het verbod van artikel 29 van het Jachtdecreet kleinwild werd uitgezet, onverwijld een maatregel te nemen in het belang van een duurzaam faunabeheer, meer bepaald door de jacht op kleinwildsoorten in de betrokken WBE te verbieden met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april
- Dergelijke beslissing houdt immers geen verband met de in artikel 23, eerste lid, 1° en 2°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 bepaalde gevallen die aanleiding kunnen geven tot de sluiting van de jacht, namelijk de ongunstige evolutie van het wildbestand voor de kleinwildsoorten in kwestie of het ontbreken van voldoende maatregelen met het oog op de verbetering van dat bestand. Het uitzetten van wild, in dit geval van fazanten, wordt door artikel 29, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-15/22 eerste lid, van het Jachtdecreet verboden precies met het oog op “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”, zoals vooropgesteld door artikel 2 van hetzelfde decreet.
- Er bestaat geen rechtsplicht om de verzoekende partijen, laat staan alle leden van de WBE die niet rechtstreeks door de bestreden beslissing worden geviseerd, te horen over een voorgenomen maatregel tot sluiting van de jacht. Aan de hoorplicht is in beginsel voldaan wanneer de betrokkene alle nuttige elementen kan laten gelden om de hem grievende maatregel te voorkomen, wat inhoudt dat het bestuur, alvorens te beslissen, de betrokkene de mogelijkheid moet bieden om op nuttige wijze zijn standpunt kenbaar te maken nopens de feiten en redenen die volgens het bestuur het nemen van een maatregel verantwoorden. De verplichting om de betrokkene voorafgaand te horen geldt echter niet wanneer een dringend optreden vereist is, of wanneer de voorgenomen maatregel wordt overwogen op grond van feiten die voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar zijn. In voorliggend geval is de inbreuk op artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet op heterdaad vastgesteld door de natuurinspectie en gaat het dus om feiten die voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar zijn. Bovendien valt het optreden van het Agentschap voor Natuur en Bos te verantwoorden door de dringende noodzaak om maatregelen te nemen voor de bescherming van kleinwildsoorten, een duurzaam faunabeheer en het vrijwaren van de volksgezondheid. Het gegeven dat K.C., vooraleer de bestreden beslissing werd genomen, zijn lidmaatschap van de WBE heeft opgezegd, leidt er niet toe dat het agentschap had moeten afzien van de dringende maatregelen die zij noodzakelijk achtte.
- In zoverre de verzoekende partijen in het middel bepaalde motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk bekritiseren, is die kritiek vreemd aan de aangevoerde schending van de hoorplicht.
- Het tweede middel is ongegrond. VII-42.241-16/22 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van “artikel 23 eerste lid van het Jachtvoorwaardenbesluit, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht, en het redelijkheidsbeginsel”. Het middel wordt als volgt toegelicht: “De bestreden beslissing is volstrekt disproportioneel in het licht van de onschuld van eerste verzoekende partij en haar leden, inzonderheid tweede verzoekende partij: a) De WBE is een erkende wildbeheereenheid met 15 leden/jachtrechthouders die een totaal effectief bejaagbare oppervlakte beheren van meer dan 7500 ha. b) Het betrokken jachtgebied van de heer [K.C.] waar de fazanten werden aangetroffen wordt beheerd door één enkel lid/jachtrechthouder en de oppervlakte ervan bedraagt ong. 600ha, hetzij minder dan 10 % van alle jachtterreinen die beheerd worden door WBE. c) Door het besluit wordt een sanctie opgelegd waardoor ook de overige 90 % van WBE wordt getroffen, die gevolgen heeft voor veel meer dan 30 personen (de 15 andere jachtrechthouders + medejagers, drijvers, ... die hen tijdens jachtpartijen vergezellen) en dit enkel en alleen omdat een overtreding wordt vastgesteld bij één enkele jachtrechthouder die nota bene als lid werd uitgesloten alvorens de bestreden beslissing werd genomen en waarvan verwerende partij nochtans voorafgaand aan de bestreden beslissing heeft kennis genomen gelet op eerste verzoeksters e-mail van 2 oktober
- d) Hierbij moet nog worden vermeld dat de buitengrenzen van WBE Meerdaal-Honsem meer dan 10 km van elkaar verwijderd zijn, zodat hetgeen gebeurt in één enkel jachtgebied onmogelijk enige invloed kan hebben op alle jachtgebieden van de WBE. e) Artikel 7 van de statuten bepalen uitdrukkelijk dat het aan ieder lid van de WBE is verboden om wild of enig ander dier uit te zetten. f) Op 2 oktober 2023 heeft de WBE de overtreder die zelf melding deed van de vaststellingen van de Natuurinspectie, meteen formeel uitgesloten als lid van de WBE en daarvan melding gedaan aan de verwerende partij. De bestreden beslissing is dan ook een duidelijke schending van het proportionaliteitsbeginsel. […] Artikel 23 JVWB bepaalt dat het agentschap bij beslissing de jacht op een kleinwildsoort kan - niet moet - sluiten in het volledige werkingsgebied van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-17/22 een bepaalde WBE, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder, zodanig dat de verwerende partij de keuzevrijheid had om het jachtverbod uit te vaardigen of om dat niet te doen, en tevens de keuzevrijheid had om dat in voorkomend geval te doen voor het gehele werkingsgebied van de WBE, dan wel voor een deel van het werkingsgebied van de WBE. Tegenover die keuzevrijheid staat de verplichting om in de bestreden beslissing uitdrukkelijk te motiveren waarom er hiervan gebruik wordt gemaakt, dus waarom de jacht op klein wild wordt gesloten in het belang van het klein wild […], tevens waarom de sluiting van de jacht op klein wild niet wordt beperkt tot enkel het jachtgebied van de overtreder, ondergeschikt tot enkel een gedeelte van het grondgebied van de WBE, maar wel tot de volledige oppervlakte van de WBE. Die keuze dient uitdrukkelijk en afdoende te worden gemotiveerd, mede in het licht van de ratio legis om eventueel de jacht te verbieden in heel het werkingsgebied van een WBE er in bestaande dat wanneer (a) de totale oppervlakte van de WBE dermate klein is dat het uitzetten in één jachtgebied ook gevolgen kan hebben in de andere jachtgebieden van die WBE of (b) uitgezette kleinwildsoorten worden aangetroffen in verscheidene jachtgebieden van dezelfde WBE, mede in acht genomen de opmerking in eerste verzoeksters e-mail van 2 oktober 2023 aan de verwerende partij dat er veel in Beauvechain wettig uitgezette fazanten uitzwermen en de taalgrens oversteken om zich te vermengen met de in Vlaanderen aanwezige wilde populatie fazanten waarbij kruisingen dreigen te ontstaan en zodoende de populatie wilde fazanten dreigen te verzwakken, reden waarom het ecosysteem ermee gediend is dat die wettig uitgezette fazanten zoveel als mogelijk dienen te worden geschoten, opmerking die in de bestreden beslissing onbeantwoord wordt gelaten terwijl de motiveringsplicht van de verwerende partij op dat vlak precies gelet op die e-mail van 2 oktober 2023 wordt verzwaard. De beleidskeuze om niet alleen de jacht op fazant, maar ook die op haas te sluiten, dient uitdrukkelijk en afdoende te worden gemotiveerd, enerzijds omdat niet kan worden ingezien welk verband er zou kunnen bestaan tussen de sluiting van de jacht op haas gesteund op een geïsoleerd geval van uitzetten van fazanten, laat staan dat onmogelijk kan worden ingezien hoe ‘het’ haas beschermd zou moeten worden, tevens hoe de sluiting van de jacht op haas zou bijdragen tot de bescherming van die soort. Daarbij dient te worden vastgesteld dat mevrouw [M.V.] van Agentschap voor Natuur en Bos op pagina 34 van het tijdschrift De Vlaamse Jager (nr. 8, oktober 2023) wijst op het feit dat tularemie, ook wel bekend als hazenpest of konijnenkoorts, circuleert onder de wilde fauna in verschillende regio’s in Vlaanderen. Zij wijst er op dat in Europa de Europese haas (Lepus europaeus) de belangrijkste dierlijke bron van menselijke besmetting is. In zoverre verzoekende partijen niettegenstaande de vermelde literatuur niet zouden kunnen aantonen dat jacht op haas bijdraagt aan het algemeen belang en de openbare gezondheid (van mens en dier) c.q. dat de sluiting van de jacht op haas afbreuk doet aan het belang van de soort en de openbare gezondheid - quod certe non -, dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij in de bestreden beslissing nergens motiveert waarom de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-18/22 sluiting van de jacht op haas in concreto strekt tot de bescherming van hazen, mede in acht genomen de vermelde literatuur. De keuze om ongemotiveerd toch een jachtverbod voor heel de WBE op te leggen (dus niet beperkt tot een deel van de WBE, bijvoorbeeld alleen voor het betrokken jachtgebied waarvoor een wettelijke mogelijkheid bestaat), en de keuze om de jacht op alle klein wild te sluiten zonder hierbij de opmerkingen van eerste verzoekende partij in haar e-mail van 2 oktober 2023 te ontmoeten, inzonderheid het argument dat dispersie van in Wallonië wettig uitgezette fazanten alleen maar nuttig kan worden vermeden door ze te bejagen, en de keuze om de jacht op haas te sluiten zonder enige motivering nopens de verantwoording hiervan in het licht van de bescherming van ‘het’ haas en de openbare gezondheid, niet alleen de jacht op fazant , strekt tot de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, ondergeschikt de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. […] De schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, ondergeschikt de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur blijkt eens te meer uit de uiteenzetting onder randnummers 2.3 en 2.4 ter hoogte van het tweede middel en waarvan de inhoud wordt geacht hier integraal te zijn hernomen. Het motief ‘dat het verbod van de jacht op fazant enkel behoorlijk kan worden gehandhaafd wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden. De patrijs, de fazant en de haas worden overeenkomstig artikel 3 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 gerangschikt bij het klein wild’ is fout en dus onwettig want het verbod van de jacht op fazant belet geen enkele jager om de jacht op overig wild (zie artikel 3 d) van het Jachtdecreet, in het bijzonder wild konijn, houtduif en vos) te beoefenen, net zomin als dat zij de jacht op waterwild (zie artikel 3 c) van het Jachtdecreet, in het bijzonder wilde eend en Canadese gans) te beoefenen. Het vermelde motief dat zo moeten worden begrepen dat de Vlaamse overheid met het verbod op de jacht op alle kleinwildsoorten andere dan fazant, m.a.w. op haas, wil vermijden dat de jagers met hun geweren door het jachtveld zouden lopen onder het mom van hazen te bejagen en zodoende ook al eens verdoken een fazant te schieten - in de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk vermeld dat de handhaving van het verbod van de jacht op fazant wordt beoogd -, is er dus totaal aan voor de moeite aangezien de jagers met hun geweren door het jachtveld kunnen blijven lopen om vermeld waterwild en vermeld overig wild te schieten. […] In ieder geval strekt de bestreden beslissing ertoe dat verzoekende partijen zeer ernstig in hun rechten worden geschaad aangezien er hen een sanctie (niet jagen op kleinwildsoorten) wordt opgelegd en lijden zij hierdoor aanzienlijke financiële en andere verliezen, niet in het minst het feit dat hun kosten blijven doorlopen, zijnde de jachtpachtprijs van gemiddeld 15,00 EUR per ha veld en gemiddeld 30,00 EUR per ha bos die de jagers ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-19/22 aan de grondeigenaars moeten betalen om te mogen jagen (zie artikel 7 van het jachtdecreet), hetzij voor de gehele oppervlakte van de WBE neerkomend op een geraamde jachtpachtprijs van 168.750,00 EUR per jaar, tevens de aanspraken van landbouwers ten aanzien van jagers wegens wildschade volgens de regels van gemeen recht zoals bepaald in artikel 2 van de Jachtwet van
- Art 14 van de Grondwet bepaalt echter zeer duidelijk dat geen straf/sanctie kan worden opgelegd tenzij hiervoor een wettelijke grondslag bestaat ‘nulla poena sine lege’. Door een jachtverbod voor heel WBE op te leggen terwijl de andere leden onbetwistbaar geen enkele overtreding hebben begaan, is het duidelijk dat er voor dit jachtverbod geen wettelijke basis bestaat en bovenvermeld principe wordt geschonden.” Beoordeling
- Artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet bepaalt dat wild uitzetten in beginsel verboden is, en dat “te allen tijde” en “overal”.
- De jacht op zowel de kleinwildsoorten fazant, haas als patrijs wordt verboden, omdat volgens de bestreden beslissing het verbod op de jacht op fazant enkel behoorlijk kan worden gehandhaafd wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden. Artikel 3, b), van het Jachtdecreet omschrijft als klein wild: “hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix)”. In de gegeven omstandigheden, waarbij terecht met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 een beslissing tot sluiting van de jacht op kleinwildsoorten genomen kon worden, heeft het Agentschap voor Natuur en Bos, dat toezicht moet houden op een duurzaam faunabeheer in alle WBE’s, niet onwettig gehandeld door haar handhavingsbevoegdheid zo breed mogelijk te vrijwaren door tegelijk de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs te verbieden. Het duurzaam faunabeheer houdt onder meer in dat rekening wordt gehouden met de risico’s voor de volksgezondheid en de genetische verschraling van de diersoorten die in het werkingsgebied van de WBE voorkomen. Het feit dat met de bestreden beslissing ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 VII-42.241-20/22 de jacht op zowel de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden, kan in de concrete omstandigheden van de zaak dan ook niet als onredelijk worden aangemerkt. In dit verband doet het verder ook niet ter zake dat de bestreden beslissing de jacht op andere wildsoorten niet verbiedt, temeer omdat het agentschap op grond van artikel 23, eerste lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 enkel de jacht op een ‘kleinwildsoort’ kan sluiten.
- Evenmin kan aangenomen worden dat de bestreden beslissing onwettig is in de mate de jacht op kleinwildsoorten in de volledige WBE wordt verboden, ook al zou het gaan om een qua oppervlakte eerder kleine WBE die bovendien gelegen is aan de grens van het Waalse Gewest waar een andere jachtreglementering van toepassing is. De op grond van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 genomen beslissing gaat immers niet uit van de ongunstige evolutie van het bestand van de betrokken kleinwildsoorten, maar strekt tot het bestrijden van risico’s met betrekking tot de volksgezondheid en een duurzaam faunabeheer. De omstandigheid dat de verzoekende partijen zelf niet op de hoogte zouden zijn geweest van het wederrechtelijk uitzetten van fazanten, sluit in elk geval niet uit dat het Agentschap voor Natuur en Bos heeft kunnen handelen om de voormelde risico’s voor de kleinwildsoorten tegen te gaan. De omstandigheid dat de miskenning van artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet werd begaan door slechts één jachtrechthouder, brengt voorts niet mee dat het agentschap had moeten afzien van het nemen van een maatregel die strekt tot de bescherming van alle kleinwildsoorten in het volledige werkingsgebied van de betrokken WBE.
- Uit artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 vloeit niet voort dat het agentschap in eerste instantie moest onderzoeken of de betrokken WBE zelf alternatieve maatregelen kon uitwerken. Tot slot leidt de beweerde onschuld van de verzoekende partijen niet tot het besluit dat de bestreden maatregel, die kadert in een duurzaam faunabeheer, een disproportioneel karakter heeft. VII-42.241-21/22
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.241-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div