← België

Arrest 264819 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 Rolnummer: A. 241674/VII-42482 Zaak: Arrest 264819 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-18 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 07:21 Fiche Arrest nr 264.819 van 13 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 no lien 286206 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.819 van 13 november 2025 in de zaak A. 241.674/VII-42.482 In zake : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Socquet kantoor houdend te 3000 Leuven Engels Plein 35, bus 107 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. J.W.
  2. R.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0518 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 maart 2024 in de zaak 2223-RvVb-0216-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.482-1/15 Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 24 september 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
  6. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Socquet, die verschijnt voor de verzoekende partij, de verwerende partijen, die in persoon verschijnen, en advocaat Joëlle Gillemot, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven verleent een omgevingsvergunning voor het slopen van een bestaande woning en het bouwen van twee eengezinswoningen. De nieuw op te richten woningen worden ten opzichte van de te slopen woning en de links aanpalende woningen VII-42.482-2/15 naar achteren geplaatst met de voorgevel op de rooilijn, in het verlengde van de voorgevel van de rechts aanpalende woning. 3.
  8. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verwerpt het bestuurlijk beroep van de verwerende partijen, bewoners van de links aanpalende woning, en verleent de omgevingsvergunning bij beslissing van 30 april
  9. 3.
  10. De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) vernietigt de vergunningsbeslissing van 30 april 2020 met een arrest van 5 mei
  11. 3.
  12. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant herneemt de vergunningsprocedure en beslist op 22 september 2022 om de omgevingsvergunning opnieuw te verlenen. 3.
  13. Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb de vergunningsbeslissing van 22 september 2022, en stelt de RvVb zijn arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing en weigert de omgevingsvergunning. IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 63 en 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), van de “bepalingen en beginselen die ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-3/15 door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhouding tussen het bestuur en de rechtscolleges, waaronder het beginsel van de scheiding der machten”, en van artikel 149 van de Grondwet.
  15. De verzoekende partij komt op tegen de beoordeling van de RvVb dat uit de bestreden vergunningsbeslissing opnieuw niet afdoende blijkt waarom het gabarit en de aanzienlijk diepere inplanting van het project ten opzichte van de rij woningen aan de linkerzijde hiervan, met in eerste instantie de woning van de verwerende partijen, en de grote blinde muur die hierdoor ontstaat, verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening. Volgens de verzoekende partij stelt de RvVb zich bij zijn beoordeling in de plaats van de vergunningverlenende overheid, en gaat hij aldus bepalen wat al dan niet relevant is bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, gaat hij zijn bevoegdheid te buiten en raakt hij aan de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhouding tussen het bestuur en de rechtscolleges, waaronder het beginsel van de scheiding der machten. De verzoekende partij meent dat zij conform het eerder tussengekomen arrest van de RvVb rechtsgeldig geoordeeld heeft dat het project inpasbaar is in de goede ruimtelijke ordening, wat met zoveel woorden door de RvVb wordt bevestigd waar hij stelt dat wat dit betreft, de verzoekende partij de aandachtspunten globaal gezien bij haar beoordeling heeft betrokken. Uit het arrest van de RvVb van 5 mei 2022 kan volgens de verzoekende partij geenszins worden afgeleid dat de voorliggende aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komt, doch wel dat de RvVb meent dat de in de beslissing van 30 april 2020 aangehaalde motieven en overwegingen niet volstaan om vast te stellen dat de bedoelde blinde muur geen onaanvaardbare zicht- en lichthinder zou veroorzaken. In het bijzonder heeft de RvVb geoordeeld dat uit de overwegingen van de beslissing van 30 april 2020 niet afdoende blijkt waarom er door de vergunningverlenende overheid wordt geoordeeld dat het gabarit en de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-4/15 diepere inplanting van het project, in eerste instantie naar de woning van de verwerende partijen toe en de blinde muur die hierdoor ontstaat, verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening. Waar de RvVb oordeelt dat het gezag van gewijsde van het arrest van 5 mei 2022 is geschonden, doch eveneens oordeelt dat de aandachtspunten en overwegingen die hierin zijn opgenomen werden betrokken in de beslissing van de verzoekende partij, maar dat er wederom geen afdoende motivering voorhanden is, bevat het bestreden arrest volgens de verzoekende partij een tegenstrijdigheid en schendt het bijgevolg de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 van de Grondwet. Ook maakt de RvVb hierbij volgens de verzoekende partij een foutieve toepassing van artikel 37, § 2, DBRC waarbij er besloten wordt tot indeplaatsstelling, aangezien, gelet op de voorgaande uiteenzetting, aan de voorwaarden daartoe niet is voldaan. Beoordeling
  16. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van de artikelen 63 en 105 van het omgevingsvergunningsdecreet en van artikel 4.3.1 VCRO. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. VII-42.482-5/15 Het middel zet evenmin uiteen welke - naast het beginsel van de scheiding der machten - “bepalingen en beginselen […] door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhouding tussen het bestuur en de rechtscolleges”, zodat het middel eveneens niet ontvankelijk is in zoverre het de schending aanvoert van die “bepalingen en beginselen”, met uitzondering van de scheiding der machten.
  17. Na een aanhaling van motieven van de bestreden vergunningsbeslissing, overweegt het bestreden arrest: “Uit geciteerde overwegingen blijkt (opnieuw) niet dat [de verzoekende partij in cassatie] de schaal, het ruimtegebruik en de visueel-vormelijke elementen, als relevante aandachtspunten bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening, zorgvuldig onderzoekt en afdoende motiveert in het licht van de argumentatie hierover van [de verwerende partijen in cassatie] tijdens de bestuurlijke vergunningsprocedure en de overwegingen van de [RvVb] in zijn arrest van 5 mei 2022, waarmee de initiële vergunningsbeslissing van [de verzoekende partij in cassatie] over het project van 30 april 2020 is vernietigd. Hoewel [de verzoekende partij in cassatie] deze aandachtspunten globaal gezien bij haar beoordeling in de bestreden beslissing betrekt, en ter zake in vergelijking met de gebrekkige motivering in haar initiële vernietigde vergunningsbeslissing een bijkomende motivering opneemt, blijkt daaruit opnieuw niet afdoende waarom ze oordeelt dat het gabarit en de aanzienlijk diepere inplanting van het project ten opzicht van [de] rij woningen aan de linkerzijde hiervan, met in eerste instantie de woning van [de verwerende partijen in cassatie], en de grote blinde muur die hierdoor ontstaat, verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening. Ze schendt hierdoor ook het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van de [RvVb] van 5 mei 2022.”
  18. Uit het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten volgt dat het rechterlijk toezicht op de handelingen die een orgaan van de uitvoerende macht stelt in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid, beperkt is tot een wettigheidscontrole. Als rechtscollege mag de RvVb niet in de plaats van het bestuur overgaan tot een opportuniteitsbeoordeling van de verenigbaarheid van een vergunningsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening. VII-42.482-6/15 Door te oordelen dat de vergunningsbeslissing de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening onvoldoende heeft onderzocht en niet afdoende heeft gemotiveerd, maakt de RvVb geen opportuniteitsbeooordeling, doch heeft hij zich beperkt tot een wettigheidstoets. De aangevoerde schending van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten is ongegrond. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen. In zoverre het middel de Raad van State uitnodigt om opnieuw te beoordelen of de deputatie op afdoende wijze de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening heeft onderzocht en gemotiveerd, is het niet ontvankelijk.
  19. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De tegenstrijdigheid tussen motieven van het bestreden arrest die door de verzoekende partij wordt ontwaard, berust op een onjuiste en onvolledige lezing van het bestreden arrest. Uit de hiervoor aangehaalde passage blijkt dat de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-7/15 RvVb oordeelt dat “hoewel” de aandachtspunten “globaal gezien” bij de beoordeling werden betrokken, en er in vergelijking tot de initiële vernietigde vergunningsbeslissing een bijkomende motivering werd betrokken, deze elementen hier toch niet volstaan. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht kan aldus niet worden aangenomen.
  20. Het eerste middel wordt niet gericht tegen de beslissing tot indeplaatsstelling, zodat de aangevoerde schending van artikel 37 DBRC haar doel mist.
  21. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  22. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 37 DBRC, van de artikelen 63 en 105 van het omgevingsvergunningsdecreet, van artikel 4.3.1 VCRO, van de “bepalingen en de beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhouding tussen het bestuur en de rechtscolleges, waaronder het beginsel van de scheiding der machten”, en van artikel 149 van de Grondwet.
  23. Het middel komt op tegen de beslissing van de RvVb om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen vergunningsbeslissing, en de omgevingsvergunning te weigeren. De verzoekende partij viseert volgende overwegingen van het bestreden arrest: “
  24. De [RvVb] beschikt in functie van een efficiënte geschillenbeslechting en mits het respecteren van de scheiding der machten over een beperkte substitutiebevoegdheid. Hij kan zijn arrest in de plaats stellen van de nieuw te nemen beslissing, als [de verzoekende partij in cassatie] in dit kader als bevoegde overheid slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-8/15 waaronder ook de gevallen worden begrepen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier (artikel 37, §2 [DBRC]).
  25. Gelet op de beoordeling van het eerste middel en op de concrete gegevens van het dossier blijkt dat er in hoofde van [de verzoekende partij in cassatie] feitelijk een gebonden bevoegdheid bestaat om de beoogde vergunning te weigeren. Uit de historiek van het dossier blijkt dat [de verzoekende partij in cassatie] voorafgaandelijk aan de bestreden herstelbeslissing op 30 april 2020 een gelijkaardige vergunning verleende voor het project. Deze vergunning is door de [RvVb] vernietigd met het arrest van 5 mei 2022 omwille van een gebrekkige beoordeling door [de verzoekende partij in cassatie] van de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening. Er is tegen dit vernietigingsarrest geen cassatieberoep aangetekend. De bestreden beslissing is dus de tweede vergunning voor het project, die met huidig arrest nogmaals wordt vernietigd omdat [de verzoekende partij in cassatie] daarin opnieuw niet op goede gronden oordeelt dat het project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Uit de bestreden beslissing blijkt met name opnieuw niet afdoende waarom [de verzoekende partij in cassatie] oordeelt dat het gabarit en de aanzienlijk diepere inplanting van het project ten opzichte van [de] rij woningen aan de linkerzijde hiervan, waaronder de daaraan palende woning van [de verwerende partijen in cassatie], en de grote blinde muur die hierdoor ontstaat, verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening. Er wordt vastgesteld dat de (her)beoordeling hierover door [de verzoekende partij in cassatie] in de bestreden beslissing deels een herhaling vormt van de overwegingen uit haar eerdere initiële vergunningsbeslissing, die door de [RvVb] is vernietigd, terwijl de aanvullende overwegingen geen uitstaans hebben met de grote blinde muur op de verdiepingen ter hoogte van de achterzijde van de woning van [de verwerende partijen in cassatie], waarop hun kritiek betrekking heeft, ofwel niet pertinent zijn om de ruimtelijke inpasbaarheid hiervan te verantwoorden. De herstelbeslissing bevat ter zake dus geen aanvullende pertinente overwegingen, waarmee wordt tegemoetgekomen aan de overwegingen in het vernietigingsarrest van de [RvVb], terwijl niet blijkt dat de feitelijke en de juridische omstandigheden ondertussen zijn gewijzigd. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet zoals hoger gesteld worden geweigerd als het project onverenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 4.3.1, §1, lid 1, 1°, d VCRO). De [RvVb] kan zijn beoordeling daarover ‘in beginsel’ niet in de plaats stellen van die van [de verzoekende partij in cassatie], en kan bij zijn wettigheidstoezicht enkel nagaan of deze haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend. Uit de achtereenvolgende vernietigingsarresten blijkt redelijkerwijze dat [de verzoekende partij in cassatie] geen aanvaardbare verantwoording kan geven voor het alsnog verlenen van de gevraagde vergunning. Zelfs nadat ze de aanvraag naar aanleiding van het vernietigingsarrest van de [RvVb] van 5 mei 2022 opnieuw onderzocht, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-9/15 slaagt ze er klaarblijkelijk nog altijd niet in om op basis van het dossier deugdelijke motieven te vinden waaruit blijkt dat het project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Uit het dossier blijkt redelijkerwijze ook niet dat de aanvraag door het opleggen van voorwaarden alsnog in overeenstemming kan worden gebracht met de goede ruimtelijke ordening. [De verzoekende partij in cassatie] herhaalt grotendeels haar eerdere beoordeling, zonder toevoeging van een bijkomende ‘pertinente en draagkrachtige’ motivering, waaruit noodzakelijk moet worden afgeleid dat er materieel gezien geen motieven bestaan die een vergunning kunnen verantwoorden. Hierdoor is haar appreciatiebevoegdheid feitelijk volledig uitgehold, zodat ze de aanvraag noodzakelijk moet weigeren. Gelet op deze vaststelling bestaat er in hoofde van [de verzoekende partij in cassatie] een gebonden bevoegdheid, en wordt er overgegaan tot indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, §2 [DBRC].”
  26. De verzoekende partij wijst op de wetsgeschiedenis van artikel 37, § 2, DBRC waaruit volgt dat enkel kan worden overgegaan tot indeplaatsstelling indien uit de concrete gegevens en omstandigheden van de zaak besloten dient te worden dat er voor de vergunningverlenende overheid geen keuzemogelijkheid meer bestaat en zij aldus niet anders kan dan de omgevingsvergunningsaanvraag te weigeren. Zij merkt op dat de RvVb in de voorliggende zaak gebruik gemaakt heeft van artikel 37, § 2, DBRC omwille van de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 4.3.1 VCRO en artikel 63 van het omgevingsvergunningsdecreet behoort het echter tot de appreciatiebevoegdheid van de verzoekende partij om te oordelen of de aanvraag al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede ruimtelijke ordening. De RvVb vermag zich niet in de plaats te stellen van de overheid en kan enkel nagaan of ze haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend. Er kan dan ook volgens de verzoekende partij geen sprake zijn van een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering waardoor het vergunningverlenende bestuursorgaan enkel nog de vergunningsaanvraag zou kunnen weigeren en over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing. VII-42.482-10/15 Bovendien zou nergens uit de concrete gegevens van het dossier blijken dat er geen mogelijke verantwoording voor de inpasbaarheid in de goede ruimtelijke ordening kan worden gegeven. De RvVb zou nalaten om op concrete wijze te verantwoorden waarom het bestuur niet meer tot een verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening zou kunnen besluiten. De stelling dat er na het eerste vernietigingsarrest, ondanks de bijkomende motiveringen in het tweede besluit van de deputatie, naar het oordeel van de RvVb nog geen afdoende motivering werd opgenomen, is volgens de verzoekende partij niet voldoende om over te gaan tot het vaststellen van een feitelijk of naderhand gebonden bevoegdheid die toelaat gebruik te maken van artikel 37, § 2, DBRC. De indeplaatsstelling, waarbij de bevoegde administratie iedere beslissingsmacht wordt ontzegd, moet volgens de verzoekende partij in het licht van de scheiding der machten als de ultieme uitzondering worden beschouwd. Het bestreden arrest is volgens de verzoekende partij ook tegenstrijdig gemotiveerd, waar het enerzijds overweegt dat de verzoekende partij de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening niet zorgvuldig en afdoende heeft onderzocht, en anderzijds besluit dat de verzoekende partij na nieuw onderzoek klaarblijkelijk nog steeds niet erin slaagt deugdelijke motieven te vinden. Beoordeling
  27. Artikel 37 DBRC luidt: “§
  28. Als de verwerende partij na een gehele of gedeeltelijke vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, beveelt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij om met inachtneming van de overwegingen die in zijn uitspraak zijn opgenomen, een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen worden bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken; VII-42.482-11/15 2° welbepaalde procedurele handelingen worden vóór de nieuwe beslissing gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven worden niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), verbindt aan het bevel, opgelegd in het eerste lid, een ordetermijn voor de uitvoering ervan. De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State. §
  29. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.”
  30. De RvVb stelt met toepassing van artikel 37, § 2, DBRC het bestreden arrest in de plaats van de te nemen beslissing. Hij stelt daartoe vast dat de deputatie zich bevindt in een geval van “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” in de zin van artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC. Met de gevallen van “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” heeft de decreetgever gevallen geviseerd “waarbij de oorspronkelijk discretionaire bevoegdheid door de concrete omstandigheden is verdampt/versmald, opgebruikt”: “De vernietiging van de eerste beslissing of de daaropvolgende herstelbeslissingen kan uitwijzen dat motieven die de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, zonder meer niet bestaan. Uiteindelijk rest er dan geen keuzemogelijkheid meer, maar wel nog een rechtsplicht voor de overheid. In welke mate de overheid naar aanleiding van een injunctie hiertoe meerdere kansen moet krijgen om een gedegen uitspraak te doen voor zij haar beoordelingsvrijheid helemaal heeft verbeurd, hangt af van de concrete omstandigheden van de zaak.” (Parl.St. Vl. Parl. 2020-21, nr. 699/1, 13-14) VII-42.482-12/15 De omstandigheid dat de verzoekende partij op grond van artikel 4.3.1 VCRO en artikel 63 van het omgevingsvergunningsdecreet, gelezen in het licht van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, beschikt over een ruime appreciatievrijheid bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een project met de goede ruimtelijke ordening, staat niet eraan in de weg dat de RvVb kan vaststellen dat uit de concrete omstandigheden van een zaak blijkt dat er geen motieven bestaan die de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening zouden kunnen verantwoorden, waardoor het bestuur een feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid heeft om de aanvraag te weigeren.
  31. Als cassatierechter is de Raad van State niet bevoegd om opnieuw de feitelijke omstandigheden van de zaak te beoordelen (artikel 14, § 2, RvS-wet). Wel kan de Raad van State onderzoeken of de RvVb het wettelijk begrip “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” heeft miskend door aan de vastgestelde feiten het gevolg te verbinden dat de vergunningverlenende overheid haar appreciatiebevoegdheid heeft verloren.
  32. Het bestreden arrest stelt vast dat de verzoekende partij met de bestreden beslissing een tweede maal voor het project een vergunning verleent, “die met huidig arrest nogmaals wordt vernietigd omdat [de verzoekende partij in cassatie] daarin opnieuw niet op goede gronden oordeelt dat het project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening”. Het arrest stelt vervolgens vast dat: - uit “de achtereenvolgende vernietigingsarresten […] redelijkerwijze [blijkt]” dat de vergunningverlenende overheid geen aanvaardbare verantwoording kan geven voor het alsnog verlenen van de gevraagde vergunning; - de vergunningverlenende overheid ook na het eerste vernietigingsarrest er “klaarblijkelijk nog altijd niet in [slaagt]” om op basis van het dossier deugdelijke motieven te vinden waaruit blijkt dat het project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; VII-42.482-13/15 - uit het dossier “redelijkerwijze” ook niet blijkt dat de aanvraag door het opleggen van voorwaarden alsnog in overeenstemming kan worden gebracht met de goede ruimtelijke ordening. Met deze vaststellingen duidt het bestreden arrest slechts aan dat het na de eerste herbeoordeling van het dossier is gebleken dat het “redelijkerwijze” niet meer mogelijk zal zijn voor de vergunningverlenende overheid om de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening te verantwoorden. Hiermee stelt de RvVb echter niet vast dat het, gelet op de ruime appreciatievrijheid van het bestuur, werkelijk onmogelijk is geworden om die verenigbaarheid nog te verantwoorden. Het bestreden arrest stelt vervolgens dat uit de omstandigheid dat de verwerende partij haar eerdere beoordeling grotendeels herhaalt, zonder toevoeging van een bijkomende pertinente en draagkrachtige motivering, “noodzakelijk” moet worden afgeleid dat er materieel gezien geen motieven bestaan die een vergunning kunnen verantwoorden. Uit de loutere omstandigheid dat de verwerende partij bij een eerste herbeoordeling van het dossier er niet in geslaagd is de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening te verantwoorden, kan echter niet “noodzakelijk” of met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er geen motieven bestaan die deze verenigbaarheid wel kunnen verantwoorden. De RvVb verantwoordt aldus op onvoldoende wijze zijn bevinding dat de “appreciatiebevoegdheid [van het vergunningverlenend bestuur] feitelijk volledig [is] uitgehold”, en miskent bijgevolg het wettelijk begrip “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” van artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC.
  33. Het middel is in zoverre gegrond. VII-42.482-14/15 BESLISSING
  34. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2324-0518 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 maart 2024 in de zaak 2223-RvVb-0216- A in zoverre het de omgevingsvergunning na indeplaatsstelling weigert.
  35. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
  36. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  37. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 VII-42.482-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.819 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.